Tagarchief: astrologie

VRIJESCHOOL – Sterrenkunde (1-2-2)

.

Rinke Visser, Jonas jrg.10, nr 6
.

Astrologie, astronomie en astrosofie

Astrologie, astronomie en astrosofie, drie gebieden waarin de mens de door hem gevoelde verbinding met de kosmos heeft uitgedrukt. Wat is hun onderlinge verhouding, wat zijn hun onderlinge verschillen? Je hoort de eerste twee begrippen nogal eens door elkaar gebruiken, het laatste woord wordt nog nauwelijks gebruikt.

Het zou te ver voeren om op deze plaats de geschiedenis van de astrologie en de astronomie uitvoerig te behandelen; we beperken ons tot een korte karakterisering.

De astrologie, ook wel eens sterrenwichelarij genoemd, legt verbanden tussen de stand van de sterren aan de hemel en het menselijk leven. De sterren waar het hier om gaat zijn in de eerste plaats de zeven planeten: Maan, Venus, Mercurius, Zon, Mars, Jupiter en Saturnus. Dit zijn de zeven klassieke planeten. Pas in veel latere tijd zijn de overige ontdekt: Uranus, Neptunus en Pluto. Deze laatste zijn later ook in de astrologie ingevoegd, als aanvulling op de overgeleverde astrologische traditie.
De astrologie is in het oosten ontstaan. We zijn zeker niet in het bezit van
documenten die betrekking hebben op de allervroegste periode. Tot de oudste overleveringen behoren Babylonische lijsten van sterrenstanden, die plaats vonden op het moment van een eveneens opgesomde reeks van gebeurtenissen. In vele culturen is een vorm van astrologie tot bloei gekomen. Voor het bewustzijn van deze oude volken waren de planeten en de sterren geen hemellichamen in de huidige betekenis van het woord. Het waren lichten waarmee de goden hun wil aan de hemel zichtbaar konden maken. Het was aan de priesters om het sterrenschrift te ontraadselen en de betekenis aan de mensen door te geven. Aanvankelijk legde men ook veel meer verbanden tussen het lot van een volk en de sterren, dan tussen individuele lotsbeschikkingen en sterrenstanden. Deze volken zag men dan vaak als gerepresenteerd door de koning. Het lot van de koning was het lot van het volk. Een samenvatting van de oude traditie is bewaard gebleven doordat Ptolemaeus deze in de tweede eeuw na Christus in zijn boek Tetrabiblos heeft opgetekend. Dit werk is in welhaast alle talen vertaald. De astrologie zoals die ook thans beoefend wordt gaat bijna geheel terug op dit werk.

Voor het precies optekenen van de sterrenstanden waren nauwkeurige waarnemingen nodig. Maar dat was niet genoeg. Om de waarnemingen te kunnen gebruiken was er ook een tijdrekening noodzakelijk, anders kon je de verschijnselen onmogelijk goed vastleggen. De tijdrekening is een belangrijk nevenproduct van de astrologie. Hier begint al een astronomisch aspect zichtbaar te worden. Het uiterst nauwkeurig waarnemen en vastleggen van verschijnselen werd een hulpwetenschap die een uiterst praktische waarde bleek te hebben voor bijvoorbeeld het tijdig heffen van de belastingen en voor het bepalen van de wisseling van de seizoenen. We hoeven ons er dus niet over te verbazen dat veel beroemde astrologen uit de oudheid tevens een belangrijke bijdrage aan de ontwikkeling van de astronomie geleverd hebben.

De ontwikkeling van de astrologie verloopt niet continu. Na de ondergang van het West-Romeinse rijk komt er een voorlopig einde. Pas in de middeleeuwen komt de astrologie opnieuw tot bloei. Het einde komt betrekkelijk definitief als in 1666 Jean Baptiste Colbert onder Lodewijk XIV bij de oprichting van de Franse Academie voor Wetenschappen aan de sterrenkundigen verbiedt zich met astrologie in te laten. Een betrekkelijk definitief einde, want na de Tweede Wereldoorlog heeft de belangstelling voor de astrologie weer zo’n hoge vlucht genomen, dat in 1975 maar liefst 192 Nobelprijswinnaars zich genoodzaakt voelden om een verklaring tegen de astrologie te tekenen. Deze verklaring is ook in Nederland verschenen onder de titel De mythe van de astrologie.

Zoals blijkt mogen we niet zeggen dat de astronomie zich na de astrologie ontwikkeld heeft, ze bestonden al heel vroeg tegelijkertijd. Voor het bewustzijn van de astrologen waren het ook geen gebieden die met elkaar in strijd zijn. Het feit dat de sterren goddelijk zijn hoeft nog geen beletsel te vormen hen goed waar te nemen. Eigenlijk heeft de astronomie pas in de 19e eeuw zijn materialistische karakter gekregen.

Vanuit het standpunt van de moderne natuurwetenschap is het niet moeilijk een vernietigend oordeel over de astrologie te vellen. Zonder moeite kunnen we bewijzen dat de oude opvattingen van waaruit de astrologie gerechtvaardigd kan worden voor ons geen geldigheid meer hebben. Telescopen onthullen ons het materiële karakter van de 77 planeten. Van enig aannemelijke relatie tussen de mens en de onderlinge standen van de planeten blijkt niets.

Met dank aan de bijdragen die astrologen ooit aan de astronomie geleverd hebben, kan de astrologie verder als een dwaling van de menselijke geest terzijde geschoven worden.
De dwaling blijkt dan niet zozeer te bestaan in het feit dat men de sterren als goddelijk ervoer; daarvoor kan men respect hebben. Het gaat echter om de manier van denken waar de kritiek naar uitgaat. En dat is eigenlijk veel interessanter dan allerlei andere argumenten waaruit kan blijken dat de astrologie, zoals die thans wordt bedreven, geen enkele geldigheid zou hebben.

De grote dwaling is: De astrologie denkt in analogieën. Een voorbeeld:

De zon loopt door de dierenriem. Elk jaar staat de zon in hetzelfde seizoen in hetzelfde sterrenbeeld. Bij een jaargetijde horen bepaalde, vaste eigenschappen: opbloeien of afsterven van de natuur, net uit de aarde komen van jonge kiemplantjes of al vrucht dragen.
De stap is nu dat het karakter van het jaargetijde wordt overgedragen op de sterrenbeelden. Als men nu woorden als: vruchtbaar, bloeiend, afstervend, doods, donker, licht, enzovoort in overdrachtelijke zin gebruikt, dan kan men ze op mensen die door het moment van hun geboorte bijzondere verbindingen met zo’n sterrenbeeld hebben van toepassing laten zijn.

Voor de nauwkeurigheid: eigenlijk mogen we in dit verband niet spreken over sterrenbeelden, we moeten zeggen sterrentekens. Het gaat om de tekens van de dierenriem. Deze dragen wel dezelfde namen als de beelden, maar vallen er in onze tijd niet meer mee samen. De beelden en de tekens zijn ten opzichte van elkaar verschoven. De beelden zijn de zichtbare sterrenconfiguraties, die in booggraden gemeten allemaal verschillende afmetingen hebben. De tekens zijn niet zichtbaar, het zijn gelijke delen van de dierenriem, elk deel is 30°. De afspraak is dat de zon bij het begin van de lente altijd het teken Ram binnenschrijdt. Daarmee is de positie van de ‘dierenriem van de tekens’ ten opzichte van de jaargetijden vastgelegd: In het begin van de zomer komt de zon altijd in het teken Kreeft, in de herfst in het teken Weegschaal, in de winter in het teken Steenbok en zoals gezegd in de lente in het teken Ram. Men kan hier meteen het verband leggen met de woorden Steenbokskeerkring en Kreeftskeerkring: Als de zon in het teken Kreeft staat, staat hij voor de landen op het noordelijk halfrond op zijn hoogst. Voor het zuidelijk halfrond is dat het geval als de zon in het teken Steenbok staat. Kijken we nu echter naar de hemel, dan kunnen we eenvoudig waarnemen dat de zon op het moment dat de lente begint in het dierenriembeeld de Vissen staat, en niet in de Ram! Toen de tekens hun naam kregen lagen tekens en beelden nog in dezelfde richting. Nu, tweeduizend jaar later zijn ze een heel beeld ‘uit elkaar geschoven’. De astrologie rekent altijd met de tekens, nooit met de werkelijk zichtbare beelden. De betekenissen hangen dan ook niet meer met de sterren samen, maar met richtingen ten opzichte van het punt waar de zon staat als de lente begint, het punt Ram. Het hoeft nauwelijks opgemerkt te worden dat de astronomie, die geheel op de waarneming afgaat, nooit over tekens spreekt, daar gaat het uitsluitend om de reëel zichtbare beelden.

Na deze uitweiding komen we weer terug op het punt van het denken. De astrologie denkt niet logisch of analytisch, maar analoog. Denken in analogieën is iets geheel anders dan het eenvoudig naast elkaar zetten van bepaalde gegevens. Wie in analogieën wil denken, zal moeten leren in beelden te denken. Het denken in beelden verloopt anders dan het denken in begrippen. Het laatste kan geheel abstract zijn; het gaat er om de begrippen die men hanteert op een logische manier met elkaar in verband te brengen. Het op deze wijze verbinden van begrippen met elkaar leidt tot nieuwe conclusies. Dit denkproces is controleerbaar, het kan door iedereen navoltrokken worden. Bij dit nadenken komen eventueel gemaakte denkfouten aan het licht.

Bij het beelddenken ligt dat anders. In de eerste plaats is een beeld zelden logisch in de gewone zin van het woord.
Beeldentaal heeft zijn eigen logica. De consequentie is dat beeldentaal niet op dezelfde wijze door iedereen verstaan kan worden. Het beeld spreekt je aan, of niet. Het kan je haast niet aangepraat worden. In de literatuurles worden beelden in gedichten wel eens verklaard. Daarmee komt misschien wel de kale betekenis van het gedicht dichterbij, maar niet het beeld zelf. Dat heeft iets van de dauwdruppel: Als je op een afstandje kijkt schittert hij in alle kleuren van de regenboog, kom je dichterbij dan is alle kleur verdwenen. Een heldere kleurloze waterdruppel aan een grassprietje. Elk beeld bevat zijn eigen waarheid, die nooit geheel in verstandelijke taal vertaald kan worden; altijd gaat er iets verloren. Dat iets is de bijzondere verbinding die een beeld geeft met de werkelijkheid achter het beeld.

Een beeld bedenk je niet, je ziet het.

Je spreekt het uit, en de ander ziet het ook, het spreekt hem aan. Het kan dan nog best lang duren eer beiden de werkelijkheid achter het beeld ten volle hebben leren kennen. Een beeld zien is niet hetzelfde als een beeld doorzien. Een beeld draag je in jezelf rond, na een tijd spreekt het zich uit. Dat is een volstrekt a-logisch proces. Het laat zich niet met verstandelijke argumenten overdragen op de ander. Het logische natuurwetenschappelijk denken geeft toegang tot het begrijpen van de dode natuur, tot de gestorven wereld. Het leven moet met een ander denken begrepen worden, waarvan het denken in beelden een voorstadium kan zijn. Het beeld als spiegeling van een levende werkelijkheid, daarop is van toepassing de uitspraak van Paulus: ‘Want nu zien wij nog door een spiegel, in raadselen, maar dan zal ik ten volle kennen, zoals ik zelf gekend ben’. Wanneer wij ons verdiepen in de astrologie, merken we al gauw dat we terecht komen in een wereld van beelden. Met die beelden kan men op veel manieren omgaan. In veel gevallen zal men daar afwijzend tegenover staan. In de eerste plaats als die beeldenwereld gehanteerd wordt als gold het een begrippenwereld. Dat zal men vaak zien. Hierdoor komt de astroloog tot conclusies die niet voortvloeien uit het innerlijk verstaan van beeldentaal, maar door het betrekken van een beeld op een heel andere werkelijkheidscategorie dan waaraan het beeld oorspronkelijk ontleend is.

Een ander groot bezwaar kan men aanvoeren als de astrologie ons suggesties doet over uit te voeren handelingen. De beslissingen omtrent onze handelingen liggen geheel binnen het gebied van onze eigen verantwoordelijkheid en moeten vanuit de bij ons horende morele maatstaven genomen worden. Nooit mogen wij ons die persoonlijke verantwoordelijkheid laten ontnemen. Er wordt dan inbreuk gedaan op het gebied van onze vrijheid van handelen, de vrijheid van persoonlijke keuze; de beslissing wordt buiten ons om genomen en onderscheidt zich dan niet van besluiten die op grond van orakels als Tarot en I Tjing tot stand zijn gekomen.

Deze conclusies gelden voor onze tijd, voor mensen met een modern, twintigste-eeuws bewustzijn. Voor de oude culturen waarin de astrologie zijn oorsprong heeft golden ze zeker niet. Het bewustzijn van de mens is veranderd. Zonder ons met astrologie als orakelwijsheid bezig te houden, kunnen we toch inzien dat de beeldenwereld van de oude astrologie op zichzelf geen onzin is. De wijze waarop er mee omgegaan wordt kan echter gemakkelijk tot onzin leiden. Gevaarlijke onzin.

Jung heeft zich uitvoerig beziggehouden met het archetypisch karakter van de astrologische beeldentaal. Daarmee heeft hij in voor de moderne mens verstaanbare taal de rijkdom van de beeldentaal weer zichtbaar gemaakt.

Welke samenhang hebben de verschijnselen die wij aan de sterrenhemel waarnemen? Wat is de bewegingsoorzaak of wie is de beweger van het bewegende? Vragen waarop elke cultuur, elke tijd zijn eigen antwoord gegeven heeft. Het antwoord dat zijn uitersten vindt in de opvatting dat het de goden waren die de sterrenlichten aan de hemel bewogen en de verklaring van alle beweging met behulp van de wetten van de zwaartekracht. (Het onderdeel van de astronomie dat zich met het laatste bezighoudt heet ‘hemelmechanica’. Een merkwaardig woord, als we het homoniem van het woord ‘hemel’ erbij betrekken: de ‘plaats’ waar zich geestelijke wezens bevinden – God, engelen, mensenzielen. Maar dit terzijde). In verschillende oude negentiende-eeuwse astronomieboeken komt men als interessant vraagstuk het zogenaamde ‘drielichamenprobleem’ tegen. Dit probleem luidt, in ‘t kort gezegd: Op welke wijze zullen drie hemellichamen middels de zwaartekracht elkaar in beweging brengen, in het bijzonder als deze lichamen verschillende massa’s hebben? Dit drielichamenprobleem speelt een belangrijke rol bij het leren begrijpen van de planetenbewegingen.

Op een heel andere wijze kan men in onze tijd ook een drielichamenprobleem formuleren: Op welke wijze kan men leren begrijpen dat er een relatie tussen mens en kosmos bestaat, wat is de aard van het ‘mechanisme’ waarin zich de eventuele relatie manifesteert? De astrologie in zijn huidige vorm gaat aan deze vraag voorbij, zich beroepend op oude tradities, de oude astrologie vond het antwoord in een mythologisch bewustzijn, de astronomie stelt de vraag niet.

Steiner heeft de mens beschreven als een wezen met een drievoudige lichamelijkheid: het fysieke lichaam dat we met de hele stoffelijke natuur gemeen hebben, het etherlichaam dat aan dit stoffelijk lichaam de kwaliteit ‘levend’ verleent, dat we gemeen hebben met plant en dier, en het astrale lichaam dat de basis is voor ons bewustzijn en dat we gemeen hebben met het dier.
Door het inzicht dat deze kwaliteiten niet alleen in de mens aanwezig zijn maar eveneens in de kosmos, is het mogelijk de vraag te beantwoorden: Elk van de drie lichamen heeft met de kosmos zijn eigen relatie. We moeten dan ook niet spreken van dé relatie, maar van de verschillende relaties die er tussen mens en kosmos bestaan. Hiermee heeft Steiner het mogelijk gemaakt om de oude astrologische basisregel ‘Zoals boven, zo ook beneden’, zoals die op de Smaragden Tafel van Hermes is vastgelegd, op een nieuwe wijze te begrijpen. We kunnen met behulp van het antroposofisch mens- en wereldbeeld weer op weg gaan naar het inzicht dat de mens een microkosmos is. Dat inzicht kan maar heel langzaam verkregen worden, omdat het niet gaat om een verstandelijk kunnen aanvaarden, waarvoor studie alleen voldoende zou zijn. Het inzicht waar het hier om gaat wordt niet uit het denkende verstand alleen geboren.

Een belangrijk aspect van de vraagstukken rondom astrologie en astronomie is nog buiten beschouwing gebleven: Wat is de verhouding van de aarde tot de kosmos?

Ter illustratie een citaat uit een boek*) dat de geschiedenis van de astronomie behandelt: ‘… Philolaus’ ideeën bevorderden echter de vooruitgang van de sterrenkunde, want per slot van rekening was zijn aarde van ondergeschikt belang in het heelal en was zij geen stilstaand lichaam’. Het inzicht dat de aarde van ondergeschikt belang is in de kosmos, wordt door de materialistische astronomie een vooruitgang genoemd. Wanneer we ter beantwoording van de vraag omtrent de betekenis van de aarde voor de kosmos uitsluitend kwantitatieve grootheden in het geding brengen, kunnen we inderdaad tot geen ander inzicht komen dan dat de aarde een volstrekt onbetekenend nietig stofje in het heelal is. Nemen we daarentegen ook andere aspecten in overweging, dan zullen we wellicht nog tot andere uitspraken moeten komen. Voor de oude beschavingen was de aarde het middelpunt van de kosmos. Daarop is de hele oude astrologie gebaseerd. Voor de moderne mens doet de vraag naar het middelpunt zich niet meer voor. Voor de beantwoording van de vraag naar de relatie tussen mens en kosmos, zal het antwoord dat wij geven op de vraag naar de verhouding van de kosmos tot de aarde van eminent belang zijn.

In de aanhef van dit artikel is gewag gemaakt van drie begrippen: astrologie, astronomie en astrosofie. De eerste twee zijn van verschillende kanten gekarakteriseerd. Uiteraard kan het hier slechts bij een globale verkenning blijven. De astrosofie is als begrip nog buiten beschouwing gebleven, niet expliciet gemaakt ten minste. Impliciet is zij inmiddels wel gekarakteriseerd: als de moderne wijze waarop de mens in al zijn geledingen weer een bewuste relatie tot de kosmos kan vinden.

In de mens heeft de kosmos zichzelf samengevat; als we tot dit inzicht kunnen komen, zullen we ook kunnen gaan begrijpen dat de mens eens de weg naar de kosmos terug zal kunnen vinden.

*) Charles-Albert Reigen: Geschiedenis der Sterrenkunde.

Rinke Visser: astrosofie

.

Sterrenkunde: alle artikelen

.

2053-1925

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (5)

.
Henk Sweers, ‘Jonas´ 6 april 1979
 

De paashaas
.

Een jonge vrouw zegt: ‘Ik ben ’t haasje.‘  Zij vertelt, dat haar man is weggelopen, dat zij getrouwd was met een stier en dat ze van hem twee kinderen heeft. Meteen daarna ver­trouwt ze ons toe: ‘Ik ben ‘n maagd.‘ –

Een mens moet wakker zijn om de raadsels van het leven te kunnen oplossen. Astrologie is erg in. Maar waarom krijgt de zon de schuld van allerlei menselijke misluk­kingen, alsof het een noodlot is, waaraan niet valt te ontkomen? Hebben wij niet alle licht, alle warmte en alle leven te danken aan de zon?
Wanneer mensen elkaar niet meer begrijpen, is dat dan niet hun eigen verant­woording?
De mogelijkheden die ik op aarde heb, hangen zeer zeker samen met de kos­mos. Doch dat ik af en toe voor deze of gene ‘onmogelijk’ ben, dat ligt aan mij, – of aan hem -. Of aan allebei? Onbegrip, twist, kort­om alle relatiestoornissen willen zeggen, dat wij nog niet, of niet meer in staat zijn om ons zó vrij te maken, dat wij in de ander zijn ware, werkelijke wezen, zijn ‘zonnewezen’ kunnen ontdekken.

Alles is vergankelijk, behalve de werkelijk­heid, waar al het aards-zintuigelijke een weerschijn, een spiegeling van is. Die werke­lijkheid is bewegelijk, groeiend, maar vergaat niet. Men kan in het bovenzinnelijke, het geestelijke, nooit voortbouwen op iets wat af is. Iedere verworvenheid moet er ieder ogenblik weer worden veroverd. Alles is er in voortdurende ontwikkeling. Dat geldt ook voor de liefde. Wie beweert, dat ware, eeuwige liefde niet bestaat, ontkent het bestaan van een geestelijke wereld. ‘Love is eternal’, schreef Chesterton, ‘even if it is only eternal for a month.’ – ‘Liefde is eeuwig, zelfs al is het slechts eeuwig voor ’n maand.’ (Appreciations and critcismes).

Men moet wel wakker blijven, om haar steeds opnieuw te kunnen scheppen, haar steeds opnieuw te veroveren. Dit hoeft ons niet te verontrusten, want je krijgt toch steeds meer vaardigheid in dat scheppen! Liefhebben is evenzeer een kunst als het hele leven. Wezenlijk leven is eeuwig, wezenlijke liefde ook. Leven en lieven, geen van beiden kunnen op aarde altijd lukken. Geen van bei­den zijn een veroverde toestand. Het zijn onophoudelijke bezigheden. Wat af is staat stil en is dood. Wat óp komt beweegt en leeft. Het blijvende leven is niet te vinden in de aardse materie. De wezenlijke liefde vindt men niet in het zintuigelijk lichaam, maar in dat, waar dit lichaam de schaduw van is. Hoe kan men iets werkelijk kennen, als men al­leen kijkt naar de schaduw ervan? Het blijvende wezen nemen wij wel degelijk waar in de ander. Het is echter moeilijk om ons dat bewust te maken. De aardse materie schuift zich ervoor. Nu en dan ziet men het, herkent men het, maar zeer snel is het weer voor onze waarneming verdwenen. Is men er op bedacht, dan duikt het steeds weer op, kijkend en vooral… luisterend. In onszelf is het ons ‘geweten’ en stelt het ons in staat om moreel te hande­len. Het is dat wat ons bewust doet zijn. Naarmate het in ons wakker is, zijn wij ver­antwoordelijk voor onze daden. Deze wezenskern van iedere mens streeft naar éénheid met de ander zonder daarbij zijn individualiteit te verliezen. Wie over één­heid spreekt veronderstelt reeds een twéé- of meer-dan-tweeheid. Voor liefde is nodig het beminnende en het beminde. Als één van deze twee zijn individualiteit opgeeft, houdt de liefde op te bestaan.
Meer dan ooit wordt in het tijdperk waarin wij leven de persoonlijkheidskern belaagd. Er wordt meedogenloos jacht gemaakt op ieders eigen aard, op het creatieve beginsel, het ware Ik, het Zelf van ieder mens. Dit wezen komt uit de geestelijke wereld, waar het een unieke totaliteit is, een groeiende kosmos op zich en waar het als groeiende eenheid-in -zich deel heeft aan de goddelijk-geestelijke werkelijkheid. In die wereld streven wij allen naar een-heid.

Bij onze geboorte op aarde maakt ons gees­telijk wezen, juist doordat het zelf-bewust-zijn veroorzaakt, ons tot enkelingen. Een al­tijd groeiend wezen komt in een toestand, waar alles naar voltooidheid verlangt, waar alles af is. Het schept in het bewegende aardeleven een tijdelijk verblijf en in de levende ziel een steeds veranderende leger­stee. Maar materieel gezien is de enige werke­lijke zekerheid op aarde: de dood. Zou er geen geestelijke wereld bestaan, zou er geen geestelijk wezen zijn, dan hadden aarde en leven en psyche en bewustzijn geen zin. Het ontkennen van die wereld, het twij­felen eraan en zelfs de opvatting dat zij wel bestaat, maar dat de mens er geen kennis van kan nemen, veroorzaakt genadeloze ‘afzon­dering’, levenslange celstraf. Afzondering zonder uitzicht op vereniging ontneemt aan de mens zijn bestaansgrond en is de oorzaak van alle angst. De enige redding is het streven naar wezenlijke liefde. Wezenlijke liefde be­staat uit bewuste, moreel verantwoorde da­den, waarmee mijn Ik ‘antwoord’ geeft op de daden van anderen.

Wie onbevangen om zich heen kijkt, ziet hoe er gejaagd wordt op dat Ik. Men twijfelt er­aan of noemt het onzin, waardoor alleen de zucht van het aardse ik, de zelfzucht, grenzeloos de kans krijgt. Men streeft naar ge­lijkheid, niet naar eenheid. Bijgevolg raakt men op elkaar uitgekeken, want men ziet toch steeds hetzelfde. De oor­zaak van mislukkingen, bijvoorbeeld van een kapot huwelijk, wordt gezocht in zon- en sterrenstand. De eigen, vrije verantwoorde­lijkheid wordt uitgeschakeld en er gebeuren rampen door… ‘een fout van de computer!’

In de lente staat de natuur weer op uit de dood. Met Pasen verrijst Christus uit het graf van de aarde. Wij vieren het feest van de ver­rijzenis op de eerste zondag na de eerste volle maan na het lentepunt, wanneer de zon precies in het Oosten oprijst en dag en nacht gelijk zijn, maar de levensdag de doodsnacht overwint. Pasen is het feest van de liefde­daad. Wat voor voorstelling wij ons ook ma­ken van God, hoe wij ook het wezen noe­men, dat alles in stand houdt, alles leidt en alles liefheeft, het goddelijk woord, het god­delijk antwoord op de jacht, waarbij ons geestelijk Ik door de binding aan de materie verloren dreigt te gaan, was de menswording van Christus. Hij onderging de dood van de materie, maar behield het leven in al het bovenzinnelijke. Hij verbindt Zijn leven met dat van de aarde. Door Hem, met Hem en in Hem kan het wezenlijke Ik van de mens be­houden blijven. Daardoor kan op aarde de liefde gaan ontstaan.

Vanuit vóórhistorische tijden tot nu toe, maakt men om de geestelijke wereld beter te leren kennen, gebruik van beeldentaal. In sprookjes en kinderspelen, in en op kathe­dralen, in beelden en op schilderijen, in oude tradities en gebruiken, zelfs nog in onze da­gelijkse omgangstaal vindt u beelden, herkenningstekens van het bovenzinnelijke. Als de aardse tegenslagen en aanvallen door onbegrip zó ondragelijk worden, dat het we­zenlijke Ik weer moet wegspringen om zijn identiteit en zijn integere liefde niet in ge­vaar te brengen, dan zegt men: ‘Ik ben ’t haasje’.

Omstreeks 4500 vóór Christus, toen het be­wustzijn van dat hogere wezen in de mens begon te ontwaken, stond de zon in haar lentepunt tussen het sterrenbeeld van de Stier en de Tweelingen. De stier is de imaginatie voor de geweldige aandriften, de bewegende krachten in de stofwisseling en in de libido van de mens. De tweeling is een beeld van de menselijke liefdekracht, het streven naar een­heid, vol vertrouwen en openheid. Tussen die beiden staat Orion, de geweldige knappe jager, gekeerd naar de Stier. De jager is het zinnebeeld van de waakzame, doelgerich­te kracht in de mens, die de driften opspoort, doodt of temt, om ze niet de overhand te la­ten krijgen en om het Ik-wezen voor onder­gang te behoeden. Onder de voeten van Orion staat, – slechts op winteravonden in ons land nog net zichtbaar boven de zuidelij­ke horizon – het sterrenbeeld van de Haas. De haas is het herkenningsteken der werking van het geestelijke Ik. ‘Je kunt nooit weten, hoe een koe (stier) een haas vangt.’ De Christus-haas is de Zonnehaas, de Paas­haas. Hij brengt ons de geestelijke levenskie­men als fraai gekleurde eieren, die binnen hun kalkschaal zon(dooier) en maan(wit) dragen. Als Hij in ons is, en wij allen in Hem, kunnen wij elkaar vinden. Dan hoeven we geen jacht te maken op de karikatuurhazen, die omstreeks Pasen overal opduiken en die onze echte haas en de haas in zijn allerhoog­ste vorm, de Liefde van Christus, proberen te ontluisteren tot een wezenloze grap of een afgezaagde verkoopstunt. Laten we met Pasen innerlijk trachten, bij elkaar ‘Haasje over’ te springen, zoals het middeleeuwse minnelied zingt:

‘Willen wij, willen wij, ‘
’t haasje jagen door de hei,
Ja, het haasje, gij en ikke
Door de dunne, door de dikke,
’t Haasje willen wij jagen gaan, ‘
t Haasje willen wij jagen gaan!
Hup haasje, lieflijk haasje,
Hup haasje door de hei.´                                                       (muziek)

Dat ‘Paashaasje’ willen wij jagen gaan, niet om het te doden, maar om het in de anderen en in onszelf te ontdekken en te laten leven op de aardse hei.

Nog iets over het zoogritueel:

Het zoogritueel

Sim Broekhuizen (1937) deed van 1966 tot 1976 onderzoek naar hazen bij verschillende wetenschappelijke instituten. “Op een dag tipte een jachtopzichter me dat een boer in de uiterwaarden van Brummen jonge haasjes op zijn land had gevonden. Hij had het hele land gemaaid, behalve de pol gras waarin de jonge haasjes lagen. Ik ging met mijn medewerker kijken en we besloten te blijven. We hebben ze de hele zoogperiode geobserveerd, een maand lang, 24 uur per dag. In een caravan aan de rand van het weiland sloegen we apparatuur op, zoals warmtecamera’s.”

Ze ontdekten dat de jonge haasjes eenmaal in het etmaal werden gevoed, op de plaats waar ze geboren zijn. ’s Avonds kwam de moederhaas en werden de jongen gezoogd. Dat gebeurde een uur na zonsondergang. De jongen verspreidden zich naarmate ze ouder werden na het zogen steeds meer. Ze trokken naar de randen van het weiland, maar drie kwartier na zonsondergang verlieten ze hun schuilplek om terug te keren naar de plek waar ze waren geboren – ook toen de graspol eenmaal gemaaid was. “Een kwartier later kwam dan steevast de moeder aangehuppeld. Dat zogen duurde gemiddeld een minuut of drie. Dan keken de jongen nog even van: ‘Is het echt afgelopen?’ en daarna verdwenen ze weer.”

Om te achterhalen of het zoogritueel uniek was voor dit nest of algemeen bij hazen, volgden Broekhuizen en collega’s nog zo’n 25 andere nestjes. Steeds bleek de moederhaas een uur na zonsondergang de jongen te zogen. “De jonge haasjes gingen voor die tijd al bij elkaar zitten. Als ze wat ouder waren, hadden ze soms de neiging om naar de moeder toe te hippen zodra ze haar zagen aankomen, maar dat werd niet geaccepteerd. De moeder ging precies terug naar de plaats waar ze de jongen had geworpen. Het is belangrijk dat zo’n jong haasje daar op tijd is, want anders moet hij 24 uur wachten voordat hij weer melk krijgt.”

Na een maand zogen houdt de moeder het voor gezien en moeten haar jongen zichzelf redden. Vaak is ze dan alweer drachtig van een volgende worp. “De jongen komen nog twee dagen voor niks, en blijven daarna ook weg.” Als de moeder na haar laatste worp in de herfst niet opnieuw drachtig wordt, blijft ze de jongen vaak nog lang zogen. “Het is een ritueel”, zegt Broekhuizen. “Soms worden ze maar 10 seconden gezoogd, maar ze blijft melk geven.”

 

Palmpasen/Pasen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

 

107-104

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.