Tagarchief: 3e klas heemkunde

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het OudeTestament (13)

.

AARDEWERK

.

leven O.T. 611. Grote kruik,
zonder oor en zonder hals, uit Jericho (voor-Israëlitische tijd tot ± 1600 voor Christus).

.

leven O.T. 622. Grote kruik met oor en handvat;
uit Jericho; voor-Israëlitisch. Kenmerkend is het handvat (a), dat horizontaal aan de zijde van het vat als een lap uitstulpt, met indrukken voor de vingers. Het oorspronkelijke doel van het handvat was een hulpmiddel te zijn bij het dragen op het hoofd.

.

leven O.T. 633. Kleine kruiken met oor,
uit Megiddo; voor-Israëlitisch.

.

leven O.T. 644. Mooi gevormde eivormige kruik
uit Jericho; vroeg-Israëlitisch; 16e—9e eeuw voor Christus.

.

leven O.T. 655. Kruik uit Tell Zakarije
(misschien het Bijbelsche Azeka). Vroeg-Israëlitisch. Deze kruik en die uit Jericho bewijzen tot welke hoogte de pottenbakkerskunst steeg; hierbij dient men rekening te houden met invloed van elders, misschien zelfs met import.

.

leven O.T. 666. Filistijnse kruik uit Gezer:
op een witte ondergrond met rode en zwarte verf beschilderd, gelijk deze „beugelkan” met vogelversiering.

.

leven O.T. 677. Flesje met ringen op buik en hals
(uit Thaanach; laat-Israëlitische periode; 9e—6e eeuw).

Het blijkt, dat het vaatwerk in de eeuwen van vorm verandert. Dus als men bij een opgraving potscherven vindt, kan men afleiden in welke tijd deze gemaakt zijn; en dus kan men de ouderdom van een nederzetting in een ruïneheuvel bepalen met behulp van de scherven. De kennis van de pottenbakkerskunst is daarom de onmisbare sleutel voor alle oudheidkundig onderzoek. De brokstukken van de aardewerkvaten hebben natuurlijk dan pas waarde, als deze één of ander van de typische elementen van de vorm weergeven (handvat, oor, buikwelving, halsrand) en versiering.

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas: Alle heemkunde-artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas heemkunde

1065-987

.

.

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament (12)

DE STAD EN DE MUREN

leven O.T. 561. Teil el-Hesi, een ruïneheuvel na gedeeltelijke afgraving.
Waar eens een oude stad was, verheft zich nu een ruïneheuvel. Zo’n ruïneheuvel heet in de Statenvertaling „hoop”; Jozua stelt Ai tot een teil of hoop (Joz. 8 : 28) en Jeremia zegt van Jeruzalem dat de stad herbouwd zal worden op haar hoop, op de ruïneheuvel (Jer. 30 : 18).
.
leven O.T. 572. Doorsnede van Teil el-Hesi,
waar de opgravers in opvolgende lagen de aanwezigheid van „acht steden” in onderscheiden tijden konden aflezen. Uit de cultuurresten kan men de ouderdom van een nederzetting bepalen. De stijl van het aardewerk is van belang: men kan aan de potscherven zien uit welke tijd een laag dateert. De opgraver Bliss vond in de 4e stad een kleitafeltje, dat men kon indelen bij de categorie van de Amarnabrieven en daarmee dateren als een product uit de 15e eeuw. Scarabeeën uit de 18e dynastie (zegelsteentjes in de vorm van een mestkever; typisch voor de Egyptische godsdienst) wezen er ook op, dat men zoeken moest in de richting van het jaar ± 1400 voor Christus. Zodat men de 4e stad, boven de aslaag a moet stellen rond 1400 voor Christus. Misschien is Teil el-Hesi het Bijbelsche Eglon (Jozua 10 : 3).
.

leven O.T. 583. Muur van Teil Beit Mirsim
(het oude Kirjath Sefer, „de boekenstad”, veroverd door Othniël; Richt. 1 : 12). De muren van de steden waren in die tijd een samengesteld bouwwerk, bestaande uit een wal van zand en puin, die aan de buitenzijde (a) is afgedekt door een bekleding van zware steenblokken. Aan de binnenzijde kan dan nog een tweede muur staan om de aarden vulling vast te houden.
De figuren van de man beneden en boven tonen duidelijk de hoogte van de muur; dit maakt verklaarbaar, dat de verspieders in benauwdheid spraken: de steden zijn groot en gesterkt tot in de hemel toe (Deut. 1 : 28).
.

leven O.T. 594. Poort geflankeerd door torens
In de stadsmuur van de kleinere steden was meest één poort [„de poort van de stad”, Luk. 7 : 12]. De deuren van de poort (d) waren met ijzer beslagen (Jes. 45 : 2). Ter weerszijden de poorttorens (a); volgens Prof. de Groot waren deze mogelijk 12 m. breed en sprongen een paar meter naar voren. De poorttoren had boven kantelen (b) (getand muurwerk); de tandvormige bovendelen zijn de tinnen ter verdediging. Boven de poort (c) was de plaats van de wachter (2 Sam. 18 : 24).
.

leven O.T. 605. Dubbele muur
Een stad als Jericho was omgeven door een dubbele muur; de binnenste (c) was 3,30—3,70 m. dik; en daarvoor een voormuur (a) (1,50—1,60 m. dik); zo’n voormuur heet in de Statenvert. ook wel „voorschans” (Jes. 26 : 1). Jeremia kon van Zion klagen: Hij heeft de voormuur (a) en de muur (c) tezamen treurig gemaakt (Klaagl. 2 : 8). De muren rusten op een grondslag van veldstenen; daarop was een muur van leemtegels. Op de hoek van de hoofdmuur is een sterke toren of burcht (b) de laatste plaats van de verdediging (Richt. 9 : 49, 51). Tussen de poort van de voormuur (b) en die van de binnenmuur (e) was de plaats tussen de twee poorten (2 Sam. 18 : 24). De poort is bij de bronvijver (g); het is een levensbelang, dat de stad water ter beschikking heeft en is dus bij een bron gebouwd (bijv. Rama; 1 Sam. 9 : 11). De uitbouwen (c) dienden als „schuttersplaatsen”.

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas: Alle heemkunde-artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas heemkunde

1062-984

.

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament (11)

.
GEZICHT OP DE STAD MEGIDDO

leven O.T. 55Gezicht op de stad Megiddo in de dagen van de eerste koningen (omstreeks de 10e eeuw voor Christus, gelijk de geleerden, die de ruïneheuvel Tell-el-Moetesellim opgraven, zich dit voorstellen).
Het grote gebouw (van a-c) noemen zij „het grote huis”; het was bij de noordoostelijke muur (waarbij men aanneemt, dat de „laag” waarin „het grote huis” voorkomt, dateert uit de 10e eeuw). Vermoedelijk was dit grote huis de standplaats van de commandant, mogelijk ook was het de residentie van de landvoogd Baäna (1 Kon. 4 : 12).
Bij dit grote huis was een geplaveide binnenhof (b); daar konden de soldaten zich verzamelen en over de trap naar de stadsmuur (g) gaan. Bij de trap is ook de uitkijktoren (c) van de commandant. De toren is opgebouwd uit bewerkte, effen gemaakte, hardsteen. Karakteristiek (dit is ook op de buitenmuur van de stad de bouwwijze) is de verhouding van een kopsteen naast twee strekse stenen, met een rij van strekse stenen in de volgende laag. — De muur van het grote huis is opgetrokken uit bewerkte steen; merkwaardigerwijze „drie rijen van gehouwen steen” (zie ook 1). Op een basis van onbewerkte steen (ƒ) was deze muur opgetrokken, gestut door cederen balken (e). Op de vloer van een binnenplaats vond men as van een verbrand huis; bij een brand werd het stenen metselwerk weinig aangetast, maar de houten balken werden een prooi der vlammen. De staande balken (e) droegen de balken van de zoldering (d). Het „grote huis” van Megiddo doet denken aan het paleis van Salomo: En het grote voorhof was rondom van drie rijen gehouwen stenen met een rij van cederen balken (1 Kon. 7 : 12). De bouwwijze van Megiddo is volgens de geleerden eenerzijds met die van Salomo te Jeruzalem te vergelijken, anderzijds met Hethietische bouwwerken. Het grote huis) van Megiddo vertoont ook gelijkenis met het paleis van Achab te Samaria. Het metselen en de gehele bouwwijze toont aan, dat het geschied is door bekwame vakmensen. — Bij de fundamenten heeft men het zeldzame geval geconstateerd van houten funderingen in de vorm van liggende balken. — Links van het gebouw is de grote zware stadsmuur van Megiddo; de breedte van de muur geeft op de kruin plaats voor de wacht en de verdediging. —• Van de muur gezien vertoont zich het stadsbeeld van huizen met platte daken op ongeveer dezelfde hoogte; en tussen de gebouwen vrij nauwe straten. — In de straat bij het grote huis ziet men een strijdwagen door twee paarden getrokken. In Megiddo zijn gevonden de beroemde paardenstallen van Salomo. Megiddo was een vesting: één van de wagensteden en „de steden der ruiteren” (2 Kron. 8 : 6; 1 Kon. 9 : 17—19) ; een vesting, die de sleutelpositie had tot de beroemde vallei van Megiddo. In die vallei zijn vele veldslagen geleverd; het woord Armageddon wordt wel vertaald als „Berg van Megiddo”. De leider van de opgraving heeft daarom zijn boek over hetgeen ontdekt was, genoemd: Nieuw licht van Armageddon.

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas: Alle heemkunde-artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas heemkunde

1058-981

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament (9)

.

HUIS IN UR UIT DE DAGEN VAN ABRAHAM

leven O.T. 51De tekening stelt een huis voor uit de dagen van Abraham, zoals de geleerde Woolley zich dit voorstelt op grond van opgravingen in het Bijbelse Ur.
Deze huizen, na 2100 gebouwd en verwoest in 1885 voor Christus, tonen hoe Abraham en zijn vaderen, in Ur een stad gekend hebben, die een hoge beschaving toonde: de huizen spreken van behaaglijkheid en weelde.
De ingezetenen van Ur woonden in huizen opgebouwd uit tegels, overdekt met een pleisterlaag en witte kalk. De vertrekken waren om een binnenplaats: daardoor kreeg het huis licht en lucht. Want langs de nauwe, hoekige, ongeplaveide straten hadden de huizen blinde muren zonder vensters. Door de voordeur ging men van de straatkant in een voorvertrek (v) waarin een watergoot was, opdat de bezoeker zich handen en voeten kon wassen en vandaar kwam men op de binnenplaats (b), of binnenhof. Deze was belegd met gebakken tichelsteen (a, a); het voegwerk was in Babylonië vaak asfalt; in de Statenvertaling genoemd lijm (Genesis 11 : 3). Terzijde, rechts was de trap (c) die naar de galerij (e) leidde, welke toegang gaf tot de vertrekken van de bovenverdieping. Het geheel werd afgedekt met een plat dak (ƒ), waarbij gezorgd was, het dak in de richting van de binnenhof een weinig te laten hellen. De galerij rustte op houten palen (p), die soms steunden op neuten (n).
[Ook de grote huizen der aanzienlijken in Israël hadden zulke palen, in de Statenvertaling genoemd balken (Hab. 2 : 11) of pilaren (Spr. 9 : 1)].
Op de vloer van de binnenhof staan twee grote kruiken (d), die blijkens het onderzoek van de vorm gemaakt zijn op de draaischijf van de pottenbakker (en dus niet uit de hand gevormd zijn).
Bij het onderzoek van de vloeren bleek, dat men vaak de doden hier begraven had onder een leemkist in de vorm van een omgekeerde badkuip. Deze gewoonte: iemand begraven in zijn huis heeft een parallel in 1 Samuël 25 : 1 en 1 Kon. 2 : 34. Prof. De Groot schrijft in zijn verklaring: Bij de opgravingen te Gezer en te Jericho heeft men dit ook geconstateerd; in Gezer voor de Kanaänitische, in Jericho zelfs voor de Joodse tijd.

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas: Alle heemkunde-artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas heemkunde

1049-972

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament (8)

.

HUIZEN

leven O.T. 48

1. Grotere huizen in een Oosterse stad.
Bij opgravingen heeft men op verschillende plaatsen gezien hoe binnenmuren (die de indeling van de woning in meerdere vertrekken aangeven) duidelijk zich onderscheiden van de zwaardere buitenmuren.
Sellin en Watzinger vonden in Jericho een huis met vijf kamers, gegroepeerd om een binnenhof en Macalister te Gezer een huis uit de latere Griekse tijd met twaalf vertrekken. Bij zo’n groot huis gaf de deur (a) toegang tot een vertrek, dat naar de binnenhof (b) voerde: zo’n binnenhof wordt in de Statenvertaling ook wel „voorhof” genoemd (Nehemia 8 : 17). Een galerij, rustende op balken of pilaren, omgaf de hof. De trap (d) voerde naar het platte dak; dit was omgeven door een borstwering (ƒ) in de Statenvert. “leuning” genoemd. (Deut. 22 : 8). Het huis links heeft nog een opkamer (h) op het dak; in het verhaal van Ehud genoemd een „koele opperzaal” (Richt. 3 : 20); overigens kwamen zulke optrekjes ook wel voor op het dak van meer eenvoudige huizen (1 Kon. 17 : 19). Een aanzienlijk huis kon voor het vrouwenvertrek een venster hebben met traliën (g) ; vgl. Richt. 5 : 28. Bij het bouwen werden vooral de hoekstenen (e) met grote zorg behouwen en samengevoegd om te zijn tot een hoofd des hoeks (Psalm 118 : 22).

leven O.T. 49

2. Een dorpshuis in Palestina.
Een boerenhuis in Palestina bestaat in de regel slechts uit één vertrek: alles woont op de vastgestampte vloer genoeglijk bijeen (2 Sam. 12 : 3). Alleen ligt het verblijf der dieren (b) iets lager: een paar ruwe treden in ’t midden geven toegang tot het verhoogde gedeelte (a) waar de mensen verblijf houden. Aan weerszijden van die treden zijn voederbakken of kribben (c), goed bekend bij het rund (d) en de ezel (e) gelijk Jesaja 1 : 3 zegt. Rechts de geit (ƒ), die om de melk gehouden wordt (Spr. 27 : 27). Op het midden van het verhoogde gedeelte is een vuurplaat, ’s nachts ligt men op de vloer met de voeten naar de vuurplaat (g) gekeerd. Daarom is het wel bezwaarlijk om in de nacht op te staan, teneinde aan een vriend drie broden te lenen (Lukas 11 : 7); want bij deze wijze van slapen loopt men gevaar op de anderen te trappen en de familie wakker te maken. De vrouw zit bij de handmolen (h). Het kind dat in de hangmat ligt, is in windselen (i) gewonden (Ezechiël 16 : 4).

leven O.T. 50

3. Instrument van lava voor het gladstrijken van een
muurbepleistering.
(Gevonden bij de opgraving van Teleilat Ghassoel in het Jordaandal).
De wanden van een „woning waren met leem en kalk bepleisterd” („dat de één een lemen wand bouwt en de anderen die pleisteren met loze kalk” Ezech. 13 : 10).

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas: Alle heemkunde-artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas heemkunde

1043-968

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament (7)

.

WERKTUIGEN
.

leven O.T. 401. Stenen messen
(a, b en c) uit de heuvel el ‘Oreme (aan het Meer Gennesareth). Aan de metaaltijd gaat de steentijd vooraf; deze vuursteenmessen zijn uit de jongere steentijd of neolithicum. Zulke vuursteenmessen gebruikte Jozua toen hij stenen messen nam voor de besnijdenis (Jozua 5:3). Ook Zippora nam een stenen mes voor de besnijdenis van haar zoon (Ex. 4 : 25).
.
leven O.T. 412. Mes
In de loop der geschiedenis gebruikte men messen van steen, brons of ijzer; het handvat is van hout of hoorn.

3. Priem
(o. m. gebruikt bij de zelfmarteling der Baälspriesters; 1 Kon. 18 : 28).

4. Sikkel
De sikkel werd gebruikt om het staande koren (Deut. 16 : 9) met de rechterhand af te snijden; in de linkerhand hield de maaier de halmen vast (Ps. 129 : 7; Jes. 17 : 5).

5. Hamer
De hamers waren vaak van behakte steen; het maken van een opening voor het houten handvat eist veel geduld. De hamer is in Israël het werktuig van de smid (Jes. 44 : 12).

6. Zaag
Zagen zijn gevonden gemaakt van steen, brons en ijzer. De zaag werd getrokken (Jes. 10 : 15) door de timmerman; echter ook bij dwangarbeid in tichelovens volgens 2 Sam. 12 : 31 naar de vertaling van Prof. de Groot: „De manschappen die erin waren liet hij wegvoeren en zette hen aan het werk bij de steenzagen, bij de ijzeren houwelen en bij de ijzeren bijlen.”
(2—6 naar R. A. S. Macalister).
.
leven O.T. 427. Stenen gewichten
(volgens foto van Prof. Böhl) gevonden bij de opgravingen in Teil beit Mirsim = Kirjath Sefer. Eerlijkheid met weegstenen was goddelijk voorschrift (Deut. 25 : 13; Spr. 16 : 11).
.
leven O.T. 438. Afwegen van gouden ringen
op een weegschaal volgens Egyptische voorstelling. Rechts de ringen (a) links het gewicht (b); deze gewichten (b en c) hadden een diervorm.
.
leven O.T. 449. Zonnewijzer,
een instrument dat de ware zonnetijd aangeeft door de richting waarin de schaduw van een stang op een vast vlak valt.

Een staande stift wierp de schaduw op een vlak, dat met behulp van een schaalverdeling, de lengte en de richting van de schaduw aangeeft. In het midden bij a is het gat voor de stift aangegeven; rechts ziet men bij b de schaalverdeling; links bij c: in een boot de godheid Re-Harmachis met valkenkop en scepter in de hand; voor hem knielt Farao Merenp’tha. Boven de godheid en de koning een zonneschijf met adders; daarnaast rechts en links ringen met de namen van de koning.

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas: Alle heemkunde-artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 3e klas heemkunde

1041-966

.

VRIJESCHOOL – 3e klas: het leven in het Oude Testament (6)

.

JACHT EN VISSERIJ

leven O.T. 291. Jachtnetten (afb. op een monument te Hermel, in Syrië).
Een dier (a) dat bekneld raakt door een slagboom (b) en gevangen kan worden in een jachtnet (c) dat vastgehouden door twee stokken (d) over de kop van het dier kan worden geworpen. In Jesaja 51 : 20 is sprake van een dier (het Hebr. woord kan beduiden: antilope, of naar oudere opvattingen: onyx of wilde os) dat gevangen wordt in zo’n net; de profeet vergelijkt de in onmacht gevallen kinderen ermee, die op straat liggen gelijk een wilde os in het net. Zo’n jachtnet wordt uitgeworpen; de profeet Ezechiël spreekt Gods bedreigingen over Juda en zijn koning uit: Ik zal mijn net over hem heen werpen (Ezech. 12 : 13).

leven O.T. 302. Vogelvangst (Egyptische voorstelling).
Twee Egyptenaren trekken het slagnet (a) dicht waarin grotere en kleinere vogels gevangen zijn.
.
leven O.T. 313. Vissen met de angel (Egypt. voorstelling).
Een visser in lendenschort (a) heeft in de hand een hengelstok (b) waaraan een snoer (e) waaraan de angel is met het lokaas. (Verg. Jes. 19 : 8). Men viste niet alleen in de Nijl, maar ook in daartoe met sluizen afgesloten viswater („lustige staande wateren” Jes. 19 : 10).

leven O.T. 324. Vissers (Egyptische voorstelling).
De rustig voortvloeiende wateren van Egypte waren zeer visrijk; een veel opbrengende visserij was daarvan het gevolg: de Israëlieten in de woestijn behielden daaraan de herinnering („wij gedenken aan de vissen, die wij om niet aten, Numeri 11 : 5). Men ving met de vishaak (angel), men trachtte de vissen te steken met de speer, of men gebruikte een fuik, of een sleepnet. Aan lange touwen (a) werd het net (b) bezwaard met zinkstenen (c) neergelaten en daarna opgetrokken.

leven O.T. 335. Visvangst aan het Meer Gennesareth
Op de achtergrond rijst de rotswand uit het water: hier is het bergland van Golan of Gaulanitis (a). Links zien wij een visser in het water staan; hij staat bij de zegen, waarvan de kurken (b) op het water drijven. Op de voorgrond trekken de vissers de zegen (c) in. Het is bij dit net, dat niet van alle vissen hier en daar een enkele vangt, maar dat over een grote oppervlakte alle vissen omvat, dat het koninkrijk der hemelen vergeleken wordt in Matth. 13 : 47. De vissers waren in de oudheid licht gekleed, ja ze legden hun gewaad af (Joh. 21 : 7); wij lezen van Petrus dat hij zijn kort hemd, zoals nu nog de vissers dragen van zich wierp en in zee sprong.

leven O.T. 346. Visser met het werpnet
(a); een rond net;  ca 4 m. wijd; dat met een zwaai over het water wordt geworpen. (Ezech. 26 : 5; Matth. 4 : 18; Joh. 21 : 6).
.

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas: Alle heemkunde-artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 3e klas heemkunde

1037-962

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament (5)

.

broodbakken

leven O.T. 24

1.Koninklijke bakkerij in het oude Egypte
In de bovenste rij een korfzeef (a) en daarnaast een rij kruiken (b). Daaronder kneden twee slaven, met een stok in de hand het deeg (dat anders met de hand gekneed werd) met blote voeten in de trog (c). Rechts daarvan dragen twee slaven (d) deeg en een oliekruik (Levitikus 2 : 4) naar een arbeider, die het deeg op een tafel (e) dun uitspreidt en vormt. Rechts daarvan wordt een ringbrood (ƒ) door een bakkersknecht met twee staven omhoog gehouden. De pan (g) is door een vlak deksel met handvat gesloten; omdat het heet is moet de kok (h) het deksel met een soort van tang optrekken. Bovenaan is een vuur met een kookpot (i); een bakker kookt moes uit vruchten, die in twee korven (j) liggen; een knecht (k) brengt hout aan. Daaronder staat een man voor een bakoven (k); de bakker steekt zijn hand in de bakoven om de gebakken broden eruit te halen; de broden zijn op een tafel (l) neergelegd. Dezelfde bakoven ziet men nog eens in de onderste rij (m): het is „een bakoven, die heet gemaakt is van de bakker” (Hosea 7:4); het is een leemcilinder; het hout wordt er boven in geschud, dan aangestoken en als de oven heet is, wordt het deeg aan de binnenkant als broodvlaaien er tegenaan gekleefd en gebakken. Rechts draagt een bakker de deegvormen aan (n), die hij op een plank boven op het hoofd draagt (vgl. Genesis 40 : 16). In de smalle strook daarboven knielt een bakker (o) voor een lage tafel en garneert het brood met amandelpitten; rechts bestrooit een bakker (p) het brood met kruiden. Onderaan rechts is een brouwerij. Twee mannen (q, q) dragen een stang over de schouder; daaraan hing een bierkruik (de Egyptische tekening is hier stuk). Rechts staan twee brouwers (r, r) met puntmutsen; zij arbeiden bij een korfzeef (s). Daarboven zijn kruiken (t).

leven O.T. 25

2.Bakken op gloeiende as
Men legt dan het platte deeg (in de vorm van een pannenkoek) of op een verhitte steen en doet daarover hete as of men bakt het tussen twee aslagen. Het zo gebakken brood is ongezuurd en moet direct genuttigd worden. Zo’n „hete-as-brood (a)” werd door Elia gegeten (1 Kon. 19 : 6) en door de Heiland met de discipelen, (Joh. 21 : 9 en 13).

leven O.T. 26

3.Bakplaat.
De bakplaat (a) is een ronde schaal van gesmeed ijzer. De bakplaat rust op een paar stenen en daaronder is een vuurtje van takjes (b) en van mest. De bakplaat heet in de Statenvert. „pan” (Lev 2 : 5); in de vertaling van Prof. Noordtzij in Ezech. 4 : 3: een ijzeren bakplaat. — Achter de bakplaat staat een houten deegschotel (c) (in de Statenvert. „baktrog” bijv. Deu’t. 28 : 5).

leven O.T. 27

4.Bakoven
Deze vorm van bakoven (tannoer) is een cilinder van gebakken klei. Beneden bevindt zich een opening voor luchttoevoer (a). De bovenste rand is een weinig naar binnen gebogen (b), om het voor de bakkende vrouw gemakkelijk te maken de broodvlaaien (broodvladen) tegen de binnenwand te doen kleven. Daarnaast is een toestel (c) van hout en leem (c), waar bovenop het deeg kan gevormd worden.

leven O.T. 28

5.Bakoven
Een bakoven als deze heeft een aparte ruimte voor het vuur (a), daarboven is de bakplaat. Boven de bakplaat is een koepelvormig-gewelfde overkapping (b), aan de voorzijde daarvan is een opening (c) om het brood in te leggen. Naast de bakoven ligt een rond brood (d).

Landbouw in het O.T.  [1]   [2]   [3]   [4]

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas: Alle heemkunde-artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 3e klas heemkunde

1034-959

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament (4)

.

METEN EN MALEN

leven O.T. 13

1. Landmeten op het veld (Egyptische voorstelling)
Op de achtergrond (a) enkele sycomoren of wilde vijgenbomen. Een oude boer (b) steunend met de linkerhand op een naakte jongen (c) in de rechterhand een staf (d) is de leider. Twee mannen hebben behalve het lendenschort ook een hemd (e, f); de anderen alleen het lendenschort. Het veld wordt gemeten met een meetsnoer (g).

leven O.T. 14

2. Het meetsnoer en de grensstenen.
Onder de dorpelingen in Palestina heeft ieder recht op een gedeelte, dat door het lot wordt aangewezen. Zo’n apart stuk land heet chakel (in de Hebr. Bijbel
chelka); bijv. 2 Kon. 9 : 25 het stuk land van Naboth of Ruth 2 : 3 het deel van het veld van Boaz. Het deel, dat aan een landbouwer voor een jaar wordt aangewezen, wordt gemeten met een meetsnoer (a). Amos bedreigt de goddeloze Israëlieten, dat hun land door het meetsnoer aan anderen verdeeld zal worden; in Psalm 105 : 11 wordt gezegd dat Kanaän aan Israël ten deel gevallen is door het meetsnoer; in Psalm 16 : 6 stelt de dichter er prijs op, dat God Zijn lot handhaaft, omdat de meetsnoeren vielen in liefelijke plaatsen. Was eenmaal ieders deel door het meetsnoer aangewezen, dan was men erop bedacht, de grenzen daarvan tegenover de buurman duidelijk af te bakenen. Men deed dit door het plaatsen van grensstenen (b) in de Statenvert. „landpale” genoemd. Het behoorde tot de schandelijke misdaden „zijns naasten landpale te verzetten” (Job 24 : 2) waarom in Deut. 27 : 17 de vloek wordt uitgesproken over hem, die zijns naasten landpale verrukt (Prof. Dr H. Th. Obbink).

leven O.T. 15

3. Handmolen.
Een ronddraaiende handmolen bevindt zich in Palestina in elke boerenwoning en elke Bedoeïenentent. Zij bestaat uit een vaste onbeweeglijke ondersteen (a) (Job 41 : 15), en een bovensteen (b). Het materiaal is bijna altijd basalt uit Basan. Beide molenstenen hebben in het midden een opening. In de bovensteen is op 4 a 5 c.m. van de rand een kleine opening, waarin een houten pen (c) is gestoken. De handmolen was een werktuig, dat men elke dag nodig had; daarom schrijft de wet voor: Men zal beide molenstenen, immers de bovenste molensteen, niet te pand nemen (Deut. 24 : 6).

leven O.T. 16

4. Twee vrouwen uit Bethlehem maalsters (Pred. 12 : 4) die tezamen de handmolen draaien (Matth. 24 : 41). De vrouw links is een getrouwde vrouw (a), die draagt een muts (b) met munten of penningen (c). Zij draagt een overkleed (d) met lange mouwen, (die zij heeft opgeslagen); en daaronder een gestikt jakje (e); rechts de ongetrouwde vrouw (ƒ) met witte hoofddoek (g) over de muts, waaraan een ketting van penningen (h) hangt. Het malen is het werk van de vrouw, als voorbereiding van het bakken en koken. Omdat ’s morgens gebakken wordt, geschiedt het malen vaak ’s nachts; zij maalt dan het meel dat voor één dag nodig is (Spr. 31 :15). De ene vrouw heeft een vlakke korf (i) met koren, waaruit zij het koren neemt om het te brengen in het gat van de bovenste molensteen. Als twee vrouwen malen, hebben zij beiden een hand om het handvat; de een boven, de ander onder. Malen is vrouwenwerk; het is niet toevallig, dat een vrouw een molensteen op Abimelech werpt (Richt. 9 : 53); het gold voor een vernedering en een schande als een man (Richt. 16 : 21) of jongelingen moesten malen (Klaagl. 5 : 13).

Landbouw in het O.T.  [1]   [2]   [3]   [5]

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas: Alle heemkunde-artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 3e klas heemkunde

1033-958

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament (3)

.

WANNEN, ZEVEN, METEN

leven O.T. 8

1. Wannen (Egyptische voorstelling)
De zware korrels vallen loodrecht neer; het kaf (a) met een boog rechts en links in de lucht. De wannende vrouwen dragen een hoofddoek (b) en een lendenschort (c). Zij hebben een wannersschop in de hand, waarmee zij het koren opwerpen. Een vrouw veegt de korrels samen met gebundelde takken (d). Bovenaan een oogstoffer: een schaal water (e) en daarboven is een stellage waaraan gebonden zijn de eerstelingsgarven (ƒ) van de oogst.

leven O.T. 9

2. Werpschoffel
Bij het wannen in Israël waren twee werktuigen in gebruik gelijk Jesaja 30 : 24 leert, waar sprake is van de werpschoffel en de wan (soms vertaald als wannersschop en vork). De afb. vertoont een werpschoffel, zoals die gebruikelijk is in het land Gennesareth. Noodzakelijk voor het wannen is wind: niet te sterk (Jeremia 4 : 11), maar een bries, zoals die ’s avonds of ’s morgens nog waait (Ruth 3 : 2). Want door middel van de wannersschop en de werpschoffel wierp men het graan tegen de wind omhoog; de zwaardere korrels vielen loodrecht neer; en het stro ter zijde van de dorsvloer; als het hard woei zag men ver weg gaan „het kaf, dat wegstuift voor de wind” (Ps. 1:4). Het overblijfsel: het kaf werd wel met vuur verbrand (Matth. 3 : 12).

leven O.T. 10

3. Zeven van het koren op de dorsvloer
Het dorsen, wannen en zeven geschiedt op de dorsvloer (a) onder de vrije hemel, wat door de regenloze zomer mogelijk is. Reeds Amos spreekt „gelijk als zaad geschud wordt in een zeef” (Amos 9 : 9) en bekend is het doordringende woord van Jezus als hij zegt tot Simon: de Satan heeft ulieden zeer begeerd om te ziften als de tarwe (Lukas 22 : 31).
“De mazen in de zeef zijn zeer fijn, dat geen korrel er door kan vallen; alleen het ietwat kleinere onkruidzaad, kleine steentjes en kaf valt er door. Nu schudt men de zeef enkele malen krachtig heen en weer, waardoor zand, kaf en onkruidzaad door de zeef (b) valt en het lichte stro boven zich bijeen verzamelt. Daarna voert de zeefster (c) een andere beweging uit: zij houdt de zeef een weinig schuin voor zich uit en werpt handig de inhoud van de zeef in de hoogte. Onderwijl blaast ze uit alle macht in de opgeworpen massa. Als zij het goed doet, reinigt zij het koren, zó dat er niets onreins in blijft en zonder één korrel te verliezen. Hierop berust de beeldspraak van Amos 9:9: „Zie ik geef bevel, en ik zal het huis van Israël onder al de heidenen schudden, gelijk als zaad geschud wordt in een zeef; en niet één korrel zal ter aarde vallen” (Obbink). Op de achtergrond een muur of jedar van los opgestapelde stenen (d); wel verschillend van de huismuur (e).

leven O.T. 11

4. Zeef
Ronde houten omraming; ongeveer 8 cm. hoog, met een net gemaakt van schapen- of geitendarmen.

leven O.T. 12

5.Meten van het koren (bij het Bijbelsche Beëroth)
Het koren wordt op de dorsvloer gemeten. Door drukken en schudden wordt voor de goede vulling gezorgd („een goede, neergedrukte, en geschudde, en overlopende maat” Lukas 6 : 38). De „meter” (a) heeft voor zich het meetvat, de maat (b) tot dat doel heeft hij de mouwen van zijn mantel of overkleed (c) omhooggeschoven. De man draagt een hoofddoek (d) met een strik op het achterhoofd vastgemaakt. Op de achtergrond een muur van los opgestapelde stenen, een jedar (e).

Landbouw in het O.T.  [1]   [2]   [4]   [5]

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas: Alle heemkunde-artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 3e klas heemkunde

.

1031-956

.

VRIJESCHOOL – 3e klas heemkunde – landbouw in het O.T. (2)

.

LANDBOUW

landbouw 6

1. Oogst (Egyptische voorstelling).
Een Egyptische man (a) slaat met een sikkel (6) in de rechterhand het koren, dat hij in de linkerhand vasthoudt. Hij snijdt de aren kort af; de vrouw (c) achter hem verzamelt het koren in een mandje (d).
De man is gekleed in een lang kleed; zijn hoogere stand blijkt ook uit zijn kunstbaard; de vrouw is gekleed in hemd en mantel (dit is natuurlijk niet de gewone kleedij bij de oogst; de tekening is een wensvoorstelling omtrent een gedroomde overvloed na dit leven).

landbouw 7

2. Dorsen (Egyptische voorstelling).
De eigenaar, gekleed in hemd (a) tot over de knie, geleund op een stok, ziet toe. Een man met vork of werpschoffel (c), als de andere arbeiders gekleed met lendenschort (d) werpt het koren om. Vier ossen onder het juk (e) treden het koren (de dorsende os is niet gemuilband!) De drijver (ƒ) jaagt ze met een tak voort. Een knecht met een schort als broekje vastgebonden (g) brengt het koren in twee korven (h) welke door een gezadelde ezel (i) zijn gebracht.

landbouw 8

3. Oogsttafereel
(Egyptische voorstelling). Mannen met een wannersschop (a) werpen het graan omhoog. Een jongen met een vork of werpschoffel (b) werpt het koren om. Drie runderen (c) treden het koren; zij worden gedreven door de drijver (d) die de dieren met een zweep (e) jaagt. Een man in geknielde houding drinkt water uit de lederen zak (ƒ), die opgehangen is in een sycomore of wilde vijgeboom (g). Een schrijver (h) noteert het getal korenmaten (i); een andere (j) tekent het aan voor de controle der graanschuren.

landbouw 9

4. Dorsslede
De dorsslede is een zwaar houten bord, dat aan de onderkant voorzien is met scherpe stukken steen of metalen punten (a) heeft; deze zitten in rijen aan de onderzijde. Vandaar dat Jes. 41 : 15 zegt: ik heb u tot een scherpe nieuwe dorsslede gesteld. Een trekdier wordt er voor gespannen en de fellah (boer) gaat op de dorsslede, om het gewicht te verzwaren. De dorsslede wordt over het koren heen en weer getrokken, waardoor de korrels uit de aar gaan en het stro tot grof haksel wordt.

landbouw 10

5. Dorswagen
Een dorswagen bestaat onder uit 2 sleebomen (a) die door dwarshouten aan elkander verbonden zijn; daarop staan houten stutten voor zitplaats (6) van de dorser, die op de dorswagen plaats neemt (als op een „Deense weidesleep”). Hij wordt getrokken door een paard of muildier aan een touw, dat aan het voorhout en de sleebomen bevestigd is. Tussen de sleebomen zijn ronde walsen (c) die bezet zijn met ijzeren of stalen schijven (d) ongeveer 32 cm. doorsnede en 3 mm. dikte; de tanden zijn ± 1 cm. breed en 8 mm. hoog. Wordt het bewogen dan draaien de schijven, die in de onderliggende aren snijden en de aren uiteen doen vallen in korrels.

landbouw 11

6.Tarwe en dolik
 Tussen de tarwehalmen (a) komen vaak ook die van de dolik (b). De bevolking in Palestina meent dat de dolik betoverde tarwe is. In werkelijkheid is de dolik het gevolg van onzuiver tarwezaad, terwijl de verspreiding van het dolikzaad ook wel schuld zal hebben. De dolik is misschien bedoeld in Job 31 : 40 waar de Statenvert. heeft „voor gerst stinkkruid”. In de gelijkenis van het onkruid onder de tarwe (Matth. 13 : 25 en 28) is waarschijnlijk van de dolik sprake.

Landbouw in het O.T. [1]  [3]   [4]   [5]

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas: Alle heemkunde-artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 3e klas heemkunde

.

1029-954

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament (1)

.

ZAGEN, SPADEN, HOUWELEN

.

landbouw 1

1. Zagen, spaden, houwelen
Het voorbereidende werk tot het aanleggen van akkers kon omvatten het uithouwen van geboomte (Jozua 17 : 15, 18) en het wegnemen van stenen (Jesaja 5:2). Daartoe werd gebruik gemaakt van zagen (a), spaden (b) en houwelen (c).

.

landbouw 2

2. Babylonische ploeg
Twee bultrunderen (a) trekken de ploeg (b) die door drie mannen bediend wordt. De hoofdpersoon, waarschijnlijk de eigenaar, in lang overkleed (c) houdt de beide ploegstaarten (d) vast in beide handen. De knechten hebben, omdat zij slaven zijn, een kleed tot aan de knieën. De een (e) met opgeheven handen drijft de runderen aan; de ander (ƒ) laat uit een zak het zaad vallen in een zaadtrechter (g) die met de ploeg verbonden is.

.

landbouw 3

3. Palestijnse ploeg,
om het land gereed te maken voor het zomerkoren in de vlakte van Jizreël. De ploeger heeft in de rechterhand de ossenstok (a) om de dieren te drijven (Richt. 3 : 31). Met zijn linkerhand houdt hij de ploegstaart (b) vast, die naar onder (onder de grond) eindigt in een punt (c), die te vergelijken is met de ploegschaar van onze ploegen. Tussen de runderen is de aanspanning (d), daaraan is verbonden de ploegboom (e); het houten stuk (ƒ) dient om de stompe hoek tussen de ploegboom en de ploegstaart niet te verkleinen. Door onze ploegen wordt de grond door het kouter deels losgesneden, door de ploegschaar van onderen losgesneden en opgelicht, en door het rister (het grote holle blad) omgelegd. De strook aarde, die uit de voor komt, wordt gekanteld en komt er naast te staan. De ploegen in het oosten maken met de dikke punt de grond meer los, dan dat de grondstrook wordt omgekanteld; de voren en de kluiten (g) (Psalm 65 : 11) zijn dus veel kleiner. De ploeg der oude Israëlieten had een metalen ploegschaar (1 Sam. 13 : 20 en 21) en werd door runderen getrokken (1 Kon. 19 : 19). De landman moet de ploegstaart bij het handvat goed vast hebben om de ploeg te sturen; grote stenen en struiken gaat men wel uit de weg, want de wrakke ploeg die onder een boomwortel of steen komt, zal gemakkelijk breken; het is dus een dubbele zorg om vooruit te kijken; de ploeger, die ziet naar hetgeen achter is (Lukas 9 : 62) is niet bekwaam.

.

landbouw 4

4. Ploegen naar Egyptische voorstelling
1. Een landarbeider met een soort van schoffel of hak (a) een voorwerp van hout in de vorm van de letter A; één der stukken eindigt puntig.
2. De ploeger, die met beide handen de ploegstaarten (b) vasthoudt.
3. De drijver (c) die de langgehoornde runderen aanspoort.
4. Een ton (d) die het zaad bevat.
5. Een Egyptenaar met lendenschort (e) evenals de andere in de typische houding de armen gekruist voor de borst, de handen op de schouders. Deze houding is de gewone.
6. Een andere ploeger (ƒ). De oude Egyptenaren waren klaarblijkelijk even verzot op praten tijdens het werk als hun nazaten.

.

landbouw 5

5. Zaaien (Egyptische voorstelling).
1.Egyptenaar, geknield, doet zaad in de korf (a).
2. De zaaier (b) neemt het zaad uit de korf en werpt het zaad uit achter de ploeger in het omgeploegde land.
3. Runderen voor de ploeg (c) daarvoor huppelt het „ongewende kalf” (d).
(ongewend: nog niet gewend aan (het trekken van de ploeg), nog dartel, speels)

.

Landbouw in het O.T   [2]    [3]    [4]   [5]

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas: Alle heemkunde-artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 3e klas heemkunde

.

1023-948

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – heemkunde – de ploeg

In onderstaand artikel wordt gedetailleerd ingegaan op de ontwikkeling van de ploeg.
Die geschiedenis hoeven de kinderen m.i. niet in hoofdzaak te leren. Wat belangrijk is, staat in het artikel: ‘heemkunde: over ‘hand’elingen.
Ook niet allerlei namen van ploegen en onderdelen, een paar soorten natuurlijk wel en wanneer je dit weet en kunt aanwijzen wanneer je bijv. in een museum (Openluchtmuseum Arnhem) bent waar ze staan: ploegboom; ploegstaart; zoolijzer; rister; schaar; slof; meskonter – ja, dan weet je als 9-jarige wel wat!
N.a.v. de verhalen over Thubal-Kaïn kunnen de kinderen meedenken over hoe het gereedschap eruit moet zien om de aarde te kunnen bewerken.
Het uitgangspunt is steeds de hand.
Ze zullen dan ‘vanzelf’ op de hak en ander gereedschap komen en dan kun je laten zien dat de mensen ‘vroeger’ dat ook zo deden.
Gaffel- en hakachtige vormen zijn nog steeds in het bos te vinden.
Ga ze met de kinderen zoeken of stimuleer hen ze zelf op te zoeken en mee te nemen naar de klas.
Dan ermee werken in de grond of in de zandbak.
Als de kinderen met hun handen zelf een soort ploegblad hebben gevormd, begrijpen ze de ontwikkeling naar de grote metalen ploegbladen heel goed en ook dat er met de tractor ‘meer handen’=ploegbladen tegelijk kunnen worden ingezet.
Zo’n tractor met ploeg zou je ook bezig moeten kunnen zien.
Heemkunde is niet terug naar nostalgische tijden, maar vanuit het verleden een verbinding leggen naar vandaag de dag. Met bewondering voor wat de menselijke geest vermag te scheppen en daardoor ook bewondering voor de technische hoogstandjes van nu.

.

ploeg

De ploeg in het heemkunde-onderwijs op de vrijeschool

De wordingsgeschiedenis en de praktische toepassing

Opmerking vooraf:
Deze bijdrage is bedoeld als hulp bij het werk voor zowel de tuinbouw- als ook de klassenleerkracht aan een vrijeschool.

Omdat  het ploegen in de 3e klas vaak sterk afhankelijk is van de plaatselijke omstandigheden, wordt er hier alleen het allernoodzakelijkste over gezegd. Het deel met het ontstaan van de ploeg krijgt de meeste aandacht. Veel illustraties  leek mij* belangrijker en stimulerender voor een verder gebruik in het onderwijs. Wanneer je deze stof bestudeert, doe je interessante ontdekkingen. Zo viel het mij op dat al in heel oude tijden een koehoorn of een gewei een rol speelden, dus van die dieren die we bij het maken van preparaten weer tegenkomen. Ook de beschrijvingen van de ploeg en de woorden daarbij laten belangrijke samenhangen zien. De meeste woorden uit andere talen komen van de ploegenshow in Hohenheim in het jaar 1958. Een paar talen werden er nog bijgezet. Wat ik van de geschiedenis van de ploeg aanduidt, heb ik voornamelijk uit het boek van Emil Werth: ‘Graafstok, hak en ploeg’. De meeste oude afbeeldingen komen, in zoverre niet anders vermeld, uit dit boek; die van de gaffelspade bv. uit het werk van Karutz (zie literatuuropgave).

De ontwikkeling van de ploeg waarvan ik de wezenlijke trekken inzichtelijk wil maken, kan niet los gezien worden van de cultuurplanten, dier en mens. Daarom werd de tabel met de verspreiding van de cultuurstromen toegevoegd.

De eerste ontmoeting met bodem en ploeg hebben de leerlingen in de 3 klas tijdens de heemkunde. De klassenleerkracht schetst de oerberoepen: de boeren en het daarmee verbonden handwerk (smid, molenaar, bakker enz). Op veel vrijescholen is het een gewoonte geworden dat deze beleving niet alleen in de klas plaatsvindt of dat de klas toekijkt hoe de boer ploegt, maar dat de kinderen zelf in de schooltuin ploegen. Hier kunnen ze beleven hoe de grond gekeerd wordt. Die ploegdag zullen leerkracht en kinderen niet gauw vergeten. De leerkracht kan veel waarnemen bij zijn leerlingen. En hoe gelukkig zijn de kinderen bij het ploegen niet, wanneer het hen lukt om een mooie rechte voor te trekken. Ook kunnen de kinderen waarnemen hoe tot hun verwondering als na een paar rondjes de lichte roest verdwenen is en de schaar en het ploegblad glanzen! (Rust-roest). Met het ploegen begint het praktische gedeelte van het heemkunde-onderwijs in klas 3 dat zich over de hele 3e, maar ook tot in de 4e klas kan uitstrekken: zaaien van de belangrijke graansoorten, oogsten, dorsen, broodbakken.

kinderen trekken ploeg
Vrijeschool Kassel: 3A en 3B samen aan het ploegen op de Essenhof: de eerste vore is getrokken!

De wiel- of karploeg
Om met de 3-klassers te ploegen, is de kantelploeg goed geschikt. Hier moet de boer zelf de diepte en breedte bij het ploegen regelen. Veel scholen beschikken over een karploeg. Bij deze kan de diepte en breedte van te voren ingesteld worden, waarbij de ploeg makkelijker te sturen is, maar meestal moeilijker te trekken. Omdat de meeste scholen geen os of paarden bezitten, trekken de kinderen zelf de ploeg en op deze leeftijd spelen ze nog graag de rol van trekdier. Voor een kleine ploeg zijn 8 kinderen genoeg. Het aantal is afhankelijk van de grond en de grootte van de ploeg.
Als de voren breed zijn, is het bijna niet te vermijden dat het trekkende kind aan de rechterkant over de geploegde grond moet lopen. Mij lijkt het belangrijk dat dat de kinderen een stuk ploegen dat dan later in het passende jaargetijde weer bewerkt wordt.Daarom moeten ze ook ervaren hoe de boer op grote stukken ploegt.

Bovengenoemde ploegen werken naar rechts en zijn alleen geschikt voor het zgn. ‘bedden’ploegen. Hierbij ga je aan het einde van een vore of naar links of naar rechts. Bij grote lappen grond worden ze beide afgewisseld naast elkaar
ploeg 21=ploegboom; 2=ploegstaart; 3= zoolijzer; 4=rister; 5=schaar; 6=slof; 7=meskonter

uitgevoerd. In beide gevallen wordt vooraf een ondiepe vore getrokken zodat dan bij de eerste echte vore de aarde niet op ongeploegde grond valt. Bij het spitten in de tuin gaat het net zo.

De kantelploeg om met derdeklassers te ploegen kan makkelijk gebouwd worden. Ploegboom en ploegstaart kunnen van hout worden gemaakt. Het ploegblad kun je beter ergens kopen. De maten die erbij staan zijn die van de ploeg van de vrijeschool in Stuttgart (Uhlandshöhe) die al 30* jaar meegaat.

ploeg 3

Omdat de leerlingen de daaropvolgende jaren weinig meer met de ploeg doen – ook bij de tuinbouw gaat het meer om de spade, volgt nu een kort overzicht over de ontwikkeling van de ploeg. In de 5e klas bij de geschiedenis van de oude culturen kan je er als klassenleerkracht weer op terugkomen. Ook de tuinbouwleerkracht kan, wanneer het buiten te slecht weer is om te werken, het over de ploeg en de ontwikkeling daarvan in de geschiedenis, ingaan en in de klas een paar ploegmodellen tekenen.

Wetenschappelijk onderzoek heeft aan het licht gebracht dat de ontwikkeling van de ploeg ontstaan is in het gebied waar ook de hak gebruikt werd. De ploeg is in een bepaalde streek ontstaan en heeft zich vandaaruit verspreid. Hij is niet bepaalde plaatsen gelijktijdig ontstaan. De verschillende typen ploeg hebben zich wel op een afzonderlijke manier verder ontwikkeld en verspreiding gevonden. De streek waar de hak werd aangetroffen omvat Midden- en Zuidafrika, India, het Maleise eilandengebied en loopt wel tot in Amerika. Het belangrijkste element van de hak is de graafstok.

ploeg 4Gaffels uit Klein-Azië, van de Basken en uit Nuristan (Afghanistan)

ploeg 5Werken met twee graafstokken. Batak (Sumatra)

ploeg 6Baskenland: werk met de gaffel (daar Laya geheten)
Een man werkt er met twee; meerdere mannen naast elkaar stoten in een ritme de laya in de grond

Er waren ook huisdieren: kippen, honden en geiten; in bepaalde streken ook runderen, schapen en varkens; in Afrika zou al een eenvoudige bijenhouderij zijn geweest. Als voedingsgewas speelt de banaan een belangrijke rol. Het gebied waar de ploeg werd gebouwd strekte zich uit van Noord-Afrika en Europa tot in Azië. In India en de Maleise eilanden overlapt deze de gebieden van de hak. Als begin van de ploegcultuur worden India en Afghanistan genoemd. Met de ploeg raakt ook het rund en later het paard in zwang. Je treft er gerst en tarwe (vooral de oervorm ervan) als cultuurplanten aan. In Voor-India en de buurlanden vind je de grootste variatie aan ploegvormen binnen het gebied van de ploegbouwcultuur.

ploeg 7Graafstokvormen uit Zuidoost-Azië. Rechts een graafstok met koehoorn als punt – eiland Sylt.

ploeg 8Hakken uit Zuidoost-Azië en Afrika.
Naast hout werden ook antilopenhoorns, koehoorns, hertengeweien gebruikt; later metaal.

ploeg 9Bijlen uit het neolithische tijdperk

De ploeg is niet uit de hak ontstaan, maar uit de graafstok ontwikkeld. De graafstokploeg bestaat uit een graafstok die een bepaalde trekmogelijkheid heeft (ploegboom, soms een touw)

ploeg 10Graafstokploeg, haakploeg. De vorm is een van de oudste.

De graafstokploeg vind je verspreid over heel het gebied waar ploegen worden gebouwd en in een paar streken is hij tot kort geleden blijven bestaan, ook voor speciale doeleinden. In Bohuslän (Zweden) ontdekte men rotstekeningen uit de bronstijd die zo’n type ploeg met runderen ervoor en de ploeger laten zien.

ploeg 11Indiase ploeg uit Bengalen

De Indiase ploeg onderscheidt zich boven alles door zijn korte zool die meestal met de schuin naar achter gerichte ploegstaart uit één stuk bestaat. In een stompe hoek zit met pen- en gatverbinding de ploegboom eraan vast, schuin naar voren omhoog; aan het vooruiteinde kan het dubbele juk voor de trekdieren bevestigd worden. Er zijn ook Indiase ploegen waarbij zool en staart samengesteld zijn, waarbij de pen- en gatverbinding voor de ploegboom door deze combinatie geboord wordt.

ploeg 12Ploeg uit Pendik aan de Zee van Marmora

ploeg 13Eenvoudige ploeg (Duits: Vierkantpflug -geen juiste vertaling kunnen vinden-) uit Breddin (Oostpriegnitz)

De Maleise ploeg kan uit de Indiase ploeg worden afgeleid. De zool is sterker ingekort, bovendien heeft deze een ploegschaar die vervangen kan worden; deze bestaat  uit bijzonder hardhout, later ook uit ijzer vervaardigd.
Graafstokploeg, Indiase en Maleise ploeg zijn uitgesproken  jukploegen.

Dat de ploegen zich niet alleen na elkaar, maar ook gelijktijdig ontwikkeld hebben, is te zien aan de Chinese ploeg die terug te voeren is tot de graafstokploeg. Bij de Indiase ploeg vind je vaak een houten steunstuk tussen ploegstaart en ploegboom, aangebracht in de bovenhoek. Bij de chinese ploeg zit dit in de benedenhoek tussen staart en boom, omdat hier geen jukbespanning gebruikelijk is; de ploeg wordt met trekbanden en zwenghout getrokken. Daarom zit de ploegboom schuin naar beneden en is er een steun van onderaf nodig. Door dit verstevigingshout zet de ontwikkeling naar zoolploeg in. Het steunhout wordt zoolijzer en zo zie je een vierkante ploeg voor je. Er is wel verschil met het Europese vierkant dat maar een ploegstaart heeft, steeds zwenkploeg blijft en een rister voor het zoolijzer heeft. Deze ontwikkeling kun je aan de oude Chinese rijstploeg aflezen.

ploeg 14Zuid-Chinese ploeg

De kruimelploeg is vanaf de nieuwste steentijd tot in de laathistorische en het jongste verleden te vinden. Hij kan wel de meest bekende ploeg van de wereld worden genoemd. De kruimelploeg is genoemd naar het deel achteraan dat gebogen is, dus een kromme ploegboom is, die in het onderhavige geval met de zool uit één stuk is samengesteld. De aan de voorkant spits toelopende  zool dient als schaar of er wordt een opzetstuk opgezet. Achter aanhechtpunt van de kruimel bevindt zich dikwijls de loodrecht opgebrachte staart met handgreep.

ploeg 15Ploeg uit Walle (jonge steentijd)

Een heel goed voorbeeld is de ploeg van Walle bij Aurich (Oost-Friesland – Duitsland). Hij werd gevonden onder een 1.70m diepe turflaag. De ploeg is van eikenhout, die zool is 60 cm., de kruimel(stok?) 3 meter lang. Door analyse van pollen heeft men vast kunnen stellen dat de ploeg uit een jongere fase van de jongste steentijd stamt. Ook in Papau bij Thorn vond men in een moeras een ploeg van dit type uit eikenhout met gelijke maten, ook uit die tijd. De kruimelploeg is ons bekend uit vondsten en afbeeldingen uit het neolithicum, de bronstijd, ijzertijd, maar ook uit afbeeldingen uit de Hallstadtijd, de Etruskische, Griekse en Romeinse tijd. In het Middellandse Zeegebied kun je deze vorm ook nu nog vinden.

ploeg 16Ploeg uit Dabergotz

Een verdere ontwikkeling van de kruimelploeg vind je in de prehistorische ploeg van Dabergot (Brandenburg). Deze heeft een roeipootvormig blad, voor de zoolpunt is een versterking bevestigd en de steel ervan gaat door een gat.
Deze ploeg heeft zich later ontwikkeld tot de Mecklenburger haak die tot in de 19e eeuw in gebruik was.

ploeg 17Mecklenburger haakploeg

De Mecklenburger haakploeg is een hoog ontwikkelde vorm van een kruimelploeg die wel beperkt bleef tot het Duitse gebied. Hij staat in samenhang met het Nederduits en de daarbij horende boerderijvorm. De Mecklenburger haakploeg onderscheidt zich vooral door de staart die door de kruimel naar de zool gaat. Met de verdere ontwikkeling hangt ook de verbouw van (amel)koren samen.

Naast de al genoemde rotstekeningen in Bohuslän zijn daar ook afbeeldingen te vinden van voorlopers van de vierkantploeg.
Hier zie je het gespan, de horizontale ploegboom en de sterk gebogen achterboom die tegelijkertijd de ploegkop en de staart voorstelt met de loodrechte verkruimelaar. Zulke ploegen bestaan nog steeds.

ploeg 18Rotsgraveringen uit Bohuslän, Zweden, bronstijd

Ook de Turkse ploeg hoort hierbij. Bestaan bij de kruimelploeg ploegboom en zool meestal uit één stuk, staan bij de vierkantploeg staart en zool in verband. De ploegboom zit in of dichtbij de hoek van de zool en de staart, bovendien is er nog een steun voorhanden.
In Turkije laten deze ploegen een belangrijke verbetering zien. Meteen na de kruimelstok schuin naar achter gericht zitten twee ‘oren’die de ploegvoor verbreden. Je kunt er het begin van onze strijkborden in zien. Later worden uit deze oren smalle borden waaruit zich dan weer de ploeg met het eenzijdig grote strijkbord kan ontwikkelen. Een nog verdere ontwikkeling komt met de voorsnijder, de kouter. Tenslotte krijgt de ploeg een betere beweeglijkheid door de wielen. Een technisch volmaakte vorm is bereikt, die tot nu toe gebleven is (tot de trekker het trekdier verdrong).
In de vorm met dubbelstaart, eenzijdig strijkblad en wielen treffen we de ploeg aan in de 10e eeuw na Chr. Ook Plinius (79 na Chr.) zou de wielploeg al beschreven hebben.
Kouter en ijzeren ploegschaar zijn al in de laatste eeuwen voor Chr. in gebruik. Dit type ploeg was sterk verbonden met de cultuur van het noorden.
De Romeinen hebben de vierkantploeg hoofdzakelijk van de Germanen overgenomen. Het uitbreidingsgebied van de vierkantploeg dekt in hoofdzakelijk het gebied waar eenkoren verbouwd werd.  Het gebogen strijkblad zoals wij het kennen bij de aangespannen ploeg verschijnt voor het eerst in hert begin van de 18e eeuw.

ploeg 19Oud-Chinese voorstelling van een ploeger

ploeg 20Graafstokploeg uit Libanon

ploeg 21Oud_Egyptisch, twee staartenploeg, dubbele schaar. Grafschildering

ploeg 22Voorstelling van een kruimelploeg op een oud-Griekse drinkschaal van Nikosthenes uit de 6e eeuw v.Chr.

Een ander type is de ploeg met twee ploegstaarten, soms met twee ploegscharen die in de Egyptisch-Babylonische tijd heel belangrijk waren. Nu zie je hem nog in de Russische (Duits: Zoch). De ploegboom is een vorkdissel geworden.
Door de grafschilderingen zijn er mooie afbeeldingen van de Egyptische ploeg.
Uit de Babylonische tijd zijn er afbeeldingen die deze ploeg met een daarop geplaatste zaaitrechter laten zien.

Om de ontwikkelingsgang van de ploeg verder te volgen, zullen we nu het oerverleden verlaten en ons richten op de nieuwe tijd.
We kunnen aansluiten bij de al genoemde aangespannen ploeg. Tot de 2-schaarploeg behoren ook de meerscharenploegen die hoofdzakelijk vroeger voor het vlakploegen werden gebruikt. De keerploeg (draaiploeg, wentelploeg) kunnen in dezelfde voor terugploegen. Ze hebben zich bijzonders bewezen op glooiend terrein.

Wanneer je met de leerlingen over de ploegen in deze tijd spreekt, zij gewezen op het boek van Max Eyth: ‘Hinter Pflug und Schraubstock’
Hierin wordt o.a. op een aanschouwelijke manier een wedstrijd tussen twee systemen van stoomploegen (Fowler en Howard) weergegeven die 100 jaar geleden in Egypte plaatsvond. Deze vertelling is heel geschikt als een spannend verhaal. Zo’n ‘locomobiel’ met een bijbehorende ploeg staat tegenwoordig op het terrein van de landbouwhogeschool in Stuttgart-Hohenhem.

ploeg 23Oude ploegtypen die er nu nog zijn: houten ploeg uit de Hunsrück

ploeg 24Houten ploeg uit Tenerife

ploeg 25Vanuit het centrum van de ploegbouw uitgaande ploegcultuurstromen

Op veel vrijescholen worden in de bovenbouw landbouwpractica gehouden** Zo zou er nog een keer een ontmoeting met de ploeg kunnen plaatsvinden.
Van een beschrijving van moderne ploegen en apparaten kan hoer worden afgezien. Door de zich ontwikkelende techniek zullen de leerlingen nauwelijks gelegenheid krijgen  met een aangespannen ploeg het ploegen te leren. Ook ploegen met een tractor kan maar in een paar gevallen mogelijk zijn.
De leerlingen kunnen wel bekend worden gemaakt met de problemen van het bewerken van de bodem.
Het moet nog worden opgemerkt dat de boer die achter de aangespannen ploeg loopt, zijn akker zeer grondig leert kennen. Door zijn voeten weet hij hoe de verschillende plaatsen zijn. Vanaf de tractor kun je dat niet meer zo subtiel vaststellen. Ook is het bij het ploegen met de trekker de kans groter dat je te diep of te nat ploegt, waarbij je de bodem beschadigt.

De moderne landbouw houdt zich voor een deel  met de vraag bezig of er nog wel geploegd moet worden of dat het losmaken van de grond genoeg is. Beantwoording van die vraag zal steeds afhankelijk zijn van de bodemstructuur en de manier van landbouw bedrijven.
Al deze vraagstukken moeten voor de leerlingen tijdens het practicum aan de orde komen
Het werken met de biologisch-dynamische landbouwmethode  maken het mogelijk de techniek op een positieve manier in te schakelen; meer nog moeten de kosmisch-aardse samenhang in ogenschouw worden genomen die nodig is voor een gezondhouden van de plantengroei. Daarom is het belangrijk dat een practicum op een biologisch-dynamische boerderij nog volgt.

Wanneer er tijdens de schooltijd een herhaalde ontmoeting met de ploeg (praktisch en theoretisch) plaatsvindt, kunnen de leerlingen later misschien inzien hoe sterk de ploeg met name de ontwikkelingsgang van de mens begeleid heeft.

.

Literatuur:
Emil Werth: Grabstock, Hacke und Pflug -niet vertaald
Eduard Hahn: Die Entstehung der Pflugkultur  – niet vertaald, vanaf de link te downloaden
R.Karutz: Die Völker Europas – niet vertaald
K.Dieckmann: Der kleine Schlipf – niet vertaald

*Reinhart Ziller, Erziehungskunst *7/8- 1976

**Voor zover bekend: niet in Nederland. De practica vinden plaats in het bedrijfsleven, winkels, scholen, zorginstellingen enz.
.

3e klas: Alle heemkunde-artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 3e klas heemkunde

Musea:o.a.

Anna Pauwlona
Arnhem
Borculo
Luttenberg
Oldenbroek: video met voorbeelden van werken op het land
Overasselt
Reusel

aanvulling welkom: pieterhawitvliet -voeg toe apenstaartje gmail punt com

1019-945

VRIJESCHOOL – 3e klas – heemkunde (7)

3e klas heemkunde

Over de vierde klas kun je soms lezen hoe het kind van 9 à 10 daar kan gaan veranderen. Hoe daar een ontwikkelingsperiode wordt afgesloten en een nieuwe begint. “De poort is-gesloten”, staat daar dan te lezen.

Niet zonder begeleiding laten wij het kind de poort uitgaan.

In de derde klas proberen we het kind zekerheid en geborgenheid mee te geven. De vertelstof geeft dit gevoel zeer nadrukkelijk.

In de scheppingsverhalen [1] beleven ze nog eens hoe de gehele aarde doordrongen is van de God-Vaderwereld.
De verhalen van de drie Kaïnszonen vertellen hoe de mens langzamerhand. burger van de aarde wordt; hoe hij de aarde gaat ontdekken en bewerken.
Dan volgt de geschiedenis van het volk Israël; een doorlopende geschiedenis van vallen en opstaan, van het zich onttrekken aan de macht van Jahwe en dan weer terugvinden. Steeds weer is Jahwe er die hen tegemoed komt, die tot hen spreekt, die hun de helpende, hand reikt.

Geborgenheid en vertrouwen ook in de leerstof die in de derde klas duidelijk het karakter van oefenstof heeft.
Dat wat in de eerste twee jaren is aangelegd moet in de 3e klas een vaardigheid worden. Het kind moet er zich zeker in gaan voelen; van zichzelf het gevoel hebben dat hij de vaardigheden van schrijven, lezen, rekenen kan hanteren.

En dan de heemkunde, een vak waar voor het eerst in de derde klas periodes aan gewijd worden, in de lagere klassen wordt het eerder verwerkt in de leerstof.

In de verhalen laten we zien hoe de aarde is opgebouwd uit de krachten van de vier elementen. ln een verhaal heb ik verteld hoe wij aan onze bakstenen komen (later nodig voor de huizenbouw).

Hoe regen, wind, zon en vorst uitwerken op de massieve bergmassa’s en door de rivier afgezet, wij langs onze wateren de klei vinden, die later tot bakstenen gevormd in de wind staan te drogen en dan door het vuur weer tot bikkelhard gesteente wordt gevormd.

Steeds weer komen de elementen terug. Ook als we later met de hele klas bij de smid staan en de  smid het in het vuur verhitte ijzer in één slag buigt, (Een klassikaal ooh’! onderschrijft de verbazing én beleving van de kinderen).

Ja ook de ambachten horen tot de heemkunde, naast de periodes over het graan en de huizenbouw.
.

M.Brouwer in ‘Triangel, Zutphen, datum onbekend
.

[1] En het werd licht – Jakob Streit

3e klas: Alle heemkunde-artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 3e klas heemkunde

heemkunde 4

.
1005-931

VRIJESCHOOL – 3e klas – heemkunde – huizenbouw (4-3)

.

huizenbouw in de derde klas

Ha fijn, huizenbouw. De hele klas gonsde van genoegen. Vol goede moed en met een blijde verwachting in hun ogen kwamen de kinderen – op maandagmorgen de klas in. Het beloofde een periode te worden vol verrassingen en fijne dingen. Nadat ik. maandag verteld had hoe Jabal, zoon van Kain, het eerste huis bouwde en hoe de mensen in die tijd hun hutten hadden gebouwd van takken en zand, gingen we het dinsdag zelf proberen in het bos. De drie groepen kinderen begonnen ijverig te sjouwen met takken, De eerste groep bouwde over een kuil ’n vlechtwerk van takken, takjes en bladeren heen, dat steunde op een stevige paal. De volgende groep koos een mosrijk stukje grond waar een boom bij stond. Deze boom had een lage vertakking zodat er met behulp van twee vorkachtige palen een driehoekig huis ontstond, want drie dwarspalen werden tussen de vork van de drie “steunen” geplaatst. Tegen deze dwarspalen werden takken neergezet en er bovenop een bladerdak. De derde groep bouwde rond een kuil en ’n boom een ronde hut. De takken werden tegen de boom aan gezet, daar waar een vertakking was. Sommige meisjes begonnen hun hut al gezellig te maken voordat de muren klaar waren.

Toen het tijd was om terug naar school te gaan zijn we met elkaar de hutten gaan bekijken. Alle drie waren het gezellige hutten, warm en veilig. Op school schreven en tekenden de kinderen in hun periodeschrift hierover.

Niet altijd hebben de mensen hun huizen van hout gemaakt. Immers, niet in elk land is er volop hout. Waar het koud is en altijd vriest, bouwen de mensen hun huizen van ijs – waar het droog en warm is maken de mensen huizen van doek – waar veel bergen zijn bouwen de mensen hun huizen van brokken steen – waar veel water en klei is, maken de mensen hun huizen van bakstenen. Uit het water en de klei vormen ze stenen en bakken die in hete ovens.

Met cement bouwen de mensen van deze stenen een muur en dat ging de derde klas ook leren.

We trokken, gewapend in overall of in werkkleding, naar de technische school op de Dijnselburgerlaan, waar we hartelijk ontvangen werden door de metselleraar in zijn grote metselklas. Aan een kant van de klas waren jongens bezig allerlei verschillende muurtjes te bouwen. Aan de andere kant stonden speciale tafels klaar waar wij op mochten metselen. Grote emmers specie en stapels stenen. De metselleraar liet zien hoe hij met zijn troffel de eerste laag specie op de tafel neerlegde. Daarna mochten de kinderen met z’n vieren aan een tafel (twee aan elke kant) het ook proberen. Vakkundig werd de eerste laag specie aangelegd, nadat er flink geoefend was kon het echte werk beginnen.

Hoe stoer stonden daar die kleine derdeklassers met hun grote troffels steen voor steen neer te zetten in de specie. En laag voor laag groeide daar een muurtje in halfsteensverband. Jammer dat de tijd juist dan zo snel gaat en dat de muurtjes weer afgebroken moesten worden en de stenen schoongemaakt. Maar we wisten in ieder geval hoe we moesten metselen. De volgende dagen hebben we veel samen gepraat over hoe je huizen bouwen moest en telkens ontdekten we weer nieuwe dingen. Elk huis heeft een stevig fundament nodig, anders is het niet stevig genoeg. We oefenden ijverig de verschillende verbanden. We tekenden ze heel precies op een groot stuk papier. Dat was behoorlijk moeilijk want als je de ene kop (dit is de korte kant van de steen) kleiner maakte dan de andere, dan klopte het hele verband niet. We leerden veel vaktermen: de kop is dus de korte kant van de steen. De strek de lange kant. Is er een laag van alleen koppen dan is dit een koppenlaag en een laag met alleen strekken heet een strekkenlaag. De specieranden tussen de stenen heten voegen. De horizontale voegen zijn lintvoegen en de vertikale stootvoegen. Bij een verband moeten stoot- en lintvoegen op een zodanige afstand van elkaar zijn dat de muur stevig wordt en niet omvalt. Dit hebben de kinderen zelf ontdekt toen ze aan het oefenen waren met “droge” stenen die vooraan in de klas op een tafel lagen.

Over het bouwen van een huis speelden we toneel. De gravers, heiers, metselaars, timmerlui, leidekkers, schilders, stucadoors, schrijners vulden de klas met hun gereedschap. Elk beroep werd door en door beleefd en met enthousiasme en ernst gespeeld. Jongens, wat was dat een feest, samen te bouwen aan een warm en gezellig huis. En de pret kon niet op toen we samen naar een steenfabriek gingen in Lienden.

In auto’s met de pont over het water, een steenfabriek vol dichtgevroren plassen – heerlijk baantje glijden; over enge bruggetjes lopen die tussen de machines in stonden en ademloos kijken hoe daar honderden, duizenden stenen gevormd werden uit die grote vette brokken klei; de lange hoge droogovens waar de stenen in drogen en dan het meest spannende van allemaal: de vuurovens. Als je door een luikje keek zag je langwerpige vlammen uit ’t plafond komen die vreselijk heet waren. We hebben lang naar het vuur staan kijken Na al die hitte was een flesje prik nog lekkerder dan anders en na een dankuwel aan de vriendelijke meneer en nog één keertje baantje glijden terug naar school.

De kinderen hebben genoten van dit alles. Heel belangrijk voor ze was de beleving, dat de vier elementen nodig waren voor het bouwen van ons huis en hoe alles in z’n werk ging. Ze hebben stenen gevoeld, ze hebben gezien hoe stenen worden gemaakt, ze hebben leren metselen, Ze hebben gegraven, geheid, gemetseld, getimmerd, daken gesloten, geschilderd, meubels gemaakt. We hebben op straat naar de verschillende vormen van huizen gekeken en naar hun verbanden.

We hebben bij de bouw van ’n huis stilgestaan, een huis om in te wonen. Samen met elkaar, maar ook ons eigen huis. Dat huis dat een derde klasser die naar z’n 10e levensjaar gaat, voor zichzelf moet gaan bouwen. Ons huis met een stevig fundament. Dat huis van het kind zelf van waaruit het de wereld kan gaan bekijken.

Tine Timmermans-van Merwijk, nadere gegevens onbekend)
.

huizenbouwspel; de paalwoning; voorbeelden van huizen

3e klas: Alle heemkunde-artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 3e klas heemkunde

915-846