.
Over de menselijke hand zijn op deze blog verschillende artikelen verschenen.
Zo bv. bij ‘Menskunde en pedagogie en bij ‘Rudolf Steiner over handvaardigheid‘.
M.n. de relatie tussen handvaardigheid en hersenontwikkeling komt ter sprake.
Bij ‘Rudolf Steiner over dierkunde‘ vind je o.a. een meer morele benadering van het feit dat wij mensen handen hebben.
Onderstaand bericht is geen artikel in die zin, maar een stukje uit het beroemde boek van Selma Lagerlöf ‘Niels Holgersson’.
XXXIX. EEN GROOT LANDGOED
De Oude en de Jonge Heer
Een paar jaar geleden was er in een gemeente in Gotland een onbeschrijflijk goede en lieve onderwijzeres. Ze was bekwaam in het onderwijzen en kon goed orde houden; de kinderen hielden zoveel van haar, dat ze altijd hun lessen leerden, vóór ze op school kwamen. De ouders waren ook zeer met haar ingenomen. Er was maar één, die niet begreep hoe goed ze was en dat was ze zelf. Ze vond, dat alle anderen wijzer en knapper waren dan zij en treurde er over, dat ze niet zo kon worden.
Toen de onderwijzeres een jaar of wat in dienst was geweest, stelde het hoofdbestuur voor, dat ze naar de slöjdschool te Nääs zou gaan, zodat ze de kinderen voortaan niet alleen met het hoofd, maar ook met de handen zou kunnen leren werken. Niemand kan begrijpen hoe ze schrok van die uitnodiging.
Nääs lag in ’t geheel niet ver van de school. Ze was dikwijls voorbij dat mooie, statige gebouw gelopen en ze had vaak de slöjdcursus horen roemen, die op dat grote landgoed werd gegeven. Onderwijzers en onderwijzeressen uit het hele land kwamen daar bijeen, om te leren hun handen te gebruiken, ja, er kwamen zelfs mensen uit het buitenland. Ze wist vooruit hoe vreselijk bang ze zich voelen zou tussen zoveel uitstekende mensen. Ze vond, dat het meer was, dan ze zou kunnen uithouden.
Maar ze wilde ook het aanbod van het schoolbestuur niet weigeren en zond haar aanvrage om plaats in.
Ze werd als leerling aangenomen en op een mooie juni-avond, de dag vóór het begin van de zomercursus, pakte ze haar kleren in een klein zakje en wandelde naar Nääs. En hoe vaak ze ook stilstond onderweg — en zichzelf mijlen ver wenste, eindelijk kwam ze daar toch aan.
Op Nääs was er veel leven en beweging onder de deelnemers aan de cursussen. Ze kwamen van verschillende kanten en nu zouden hun kamers worden aangewezen in villa’s en hutjes, die bij het grote landgoed hoorden. Allen voelden zich wat vreemd in die ongewone omgeving, maar de onderwijzeres vond, zoals gewoonlijk, dat niemand zo raar en onhandig deed als zij. Ze had zich zo overstuur gemaakt, dat ze niets meer hoorde of zag. Ze moest ook heel wat moeilijks doormaken. Haar werd een kamer in een mooie villa aangewezen, die ze moest delen met een paar jonge meisjes, die ze in ’t geheel niet kende en ze moest het avondeten gebruiken met zeventien vreemde mensen. Aan haar ene zij zat een klein heertje met een geelachtige huid, die uit Japan kwam, en aan de andere kant een onderwijzer uit Jockmock. En er was gepraat en gelach geweest om heel de lange tafel heen van ’t eerste ogenblik af. Allen hadden samen gesproken en kennis gemaakt. Zij was de enige, die niets had durven zeggen.
De volgende morgen begon het werk. Hier, zoals in een gewone school, was de dag begonnen met gebed en gezang; toen had de directeur van de school wat over slöjd gesproken en een paar korte orders gegeven en toen, zonder dat ze goed wist, hoe het was toegegaan, stond ze opeens voor een schaafbank met een stuk hout in de ene en een mes in de andere hand, en een oude slöjdleraar probeerde haar te wijzen, hoe ze een bloemstokje moest snijden.
Zulk werk had ze nog nooit geprobeerd. Ze was er niet handig mee. En zo verlegen als ze was, kon ze er niets van begrijpen. Toen de leraar was heengegaan, legde ze ’t mes en ’t hout neer op de schaafbank en stond recht voor zich uit te staren.
In de rondte in de kamer stonden schaafbanken en bij alle zag ze mensen staan, die met frisse moed aan ’t werk begonnen. Een paar van hen, die al wat in de kunst waren ingewijd, kwamen bij haar en wilden haar terecht helpen. Maar ze kon geen aanwijzing aannemen. Ze stond eraan te denken, dat allen om haar heen opmerkten, hoe verkeerd ze deed en dat maakte haar zo ongelukkig, dat ze als verlamd was.
’t Koffie-uurtje kwam en na de koffie kwam er nieuw werk. De directeur hield een voordracht, toen volgden gymnastische oefeningen en toen begon weer het slöjdonderwijs. Daarop kwam de middagrust, met middagmaal en koffie in de grote vrolijke vergaderzaal en dan in de namiddag weer slöjd, zang en eindelijk spelen in de open lucht. De onderwijzeres was de hele dag in beweging, ging met de anderen mee, maar voelde zich aldoor even wanhopend. Als ze later terugdacht aan de eerste dagen die ze in Nääs had doorgebracht, was het haar, alsof ze in de mist had gelopen. Alles was donker en gesluierd geweest en ze had in ’t geheel niets gezien of begrepen, van wat er om haar heen gebeurde. Dit had twee dagen geduurd, maar de tweede dag ’s avonds, was het plotseling licht om haar heen geworden.
Toen ze ’t avondeten gebruikt hadden, had een oude volksonderwijzer, die al meermalen op Nääs was geweest, aan een paar nieuwelingen verteld, hoe de slöjdschool was ontstaan en doordat ze dicht bij hem had gezeten, had ze gehoord, wat hij zei.
Hij had er over gesproken, dat Nääs een heel oud landgoed was, maar meer dan een groot, mooi buiten was het niet geweest, vóór de oude heer, die ’t nu bewoonde, er was komen wonen. Hij was een rijk man en de eerste jaren, nadat hij er zich gevestigd had, gebruikte hij om het kasteel en ’t park mooier te maken en de woningen van de ondergeschikten daar te verbeteren. Maar toen was zijn vrouw gestorven en doordat hij geen kinderen had, voelde hij zich vaak alleen op de grote hoeve. Hij haalde dus een jonge neef, waar hij veel van hield, over om bij hem te Nääs te komen wonen.
Eerst was het de bedoeling, dat de jonge man zou helpen bij het besturen van ’t landgoed, maar toen hij zich met dat doel bewoog tussen de ondergeschikten en zag hoe er geleefd werd in de hutten der armen, kwam hij op wonderlijke gedachten. Hij had opgemerkt, dat op de meeste plaatsen noch de knechts, noch de kinderen en vaak ook de vrouwen niet met handenarbeid bezig waren op de lange winteravonden. Vroeger hadden de mensen hun handen vlijtig moeten gebruiken om hun kleren en huisraad te maken, maar nu kon men dat alles kopen en dus hadden ze met dat soort werk opgehouden. En nu meende de jonge man te begrijpen, dat uit de huizen, waar aan zulk soort huiswerk niet werd gedaan, ook de gezelligheid en de welvaart was verdwenen.
Nu en dan vond hij een huis, waar vader stoelen en tafels maakte en moeder weefde, en daar was het gemakkelijk te zien, dat de mensen er welvarender en ook gelukkiger waren dan op andere plaatsen.
Hij had hier met zijn oom over gesproken en de oude heer had ingezien, dat het een groot geluk zou wezen, als de mensen zich in hun lege uren aan handenwerk konden wijden. Maar voor het zover kon komen, was het een eerste vereiste, dat ze al van hun kindsheid af hun handen hadden leren gebruiken. De beide mannen vonden, dat ze die zaak niet beter konden bevorderen dan door een slöjdschool voor kinderen op te richten. Ze wilden hun leren eenvoudige dingen van hout te maken, omdat ze meenden, dat zulk werk voor iedereen ’t meest voor de hand lag. Ze waren er zeker van, dat iedereen, die zijn handen had geoefend om het mes te gebruiken, ook later gemakkelijker de smidshamer of het werktuig van de schoenmaker zou hanteren. Maar hij, die zijn handen niet aan ’t werk gewende, terwijl hij jong was, zou misschien nooit ontdekken, dat hij in zijn handen een werktuig bezat, dat alle andere te boven ging.
Ze waren dus begonnen de kinderen in handenwerk te oefenen op Nääs en ze hadden al gauw gevonden, dat dit zo goed en nuttig voor de kleintjes was, dat ze wensten, dat alle kinderen in Zweden zulk onderwijs konden krijgen.
Maar hoe zou dat mogelijk zijn? Er waren honderdduizenden kinde
ren in Zweden. Die kon men toch niet allemaal op Nääs bij elkaar halen om ze slöjdles te geven. Dat was immers onmogelijk!
Toen was de jonge man met een nieuw voorstel gekomen. Stel je voor, dat ze in plaats van de kinderen te onderwijzen, een slöjdschool voor onderwijzers oprichtten! Als nu eens onderwijzers en onderwijzeressen uit ’t hele land naar Nääs kwamen en slöjd leerden en dan weer slöjdles gaven aan alle kinderen in hun school!
Op die manier zouden misschien alle kinderen in Zweden hun handen evengoed kunnen ontwikkelen als hun hersens. Toen ze eenmaal door die gedachten sterk waren aangegrepen, konden ze die niet meer loslaten, maar trachtten ze uit te voeren.
De beide mannen hielpen elkaar trouw. De oude heer bouwde slöjd-zalen, een vergaderlokaal, een gymnastiekzaal, en zorgde, dat zij, die naar de school kwamen, kost en inwoning konden vinden. De jonge man werd directeur van de slöjdschool. Hij regelde het onderwijs, controleerde het werk en hield voordrachten. En meer dan dat, hij leefde voortdurend met de leerlingen mee, onderzocht hoe ieder van hen het had en werd hun warmste en trouwste vriend.
En wat een toeloop van leerlingen kwam er al dadelijk bij het begin! Er werden ieder jaar vier cursussen gehouden en voor alle meldden zich meer leerlingen aan dan er geplaatst konden worden. De school was ook in het buitenland bekend geworden en onderwijzers en onderwijzeressen uit alle landen der wereld kwamen naarNääs om te leren, hoe ze de ontwikkeling van de handen konden bevorderen. Er was geen plaats in Zweden, zó bekend over de hele wereld als Nääs en geen Zweed had zoveel vrienden overal, als de directeur van de slöjdschool te Nääs.
De jonge onderwijzeres zat hiernaar te luisteren en hoe meer ze hoorde, hoe lichter ’t om haar heen werd. Ze had eerst niet begrepen, waarom de slöjdschool op Nääs was. Ze had er niet over gedacht, dat die was opgericht door twee mannen, die hun volk goed wilden doen. Ze had helemaal niet begrepen, dat ze dat deden zonder iets te verdienen, dat ze alles opofferden, wat ze maar konden om mensen beter en gelukkiger te maken.
Toen ze nu aan de grote welwillendheid en mensenliefde dacht, die achter dit alles lag, maakte dat zo’n sterke indruk op haar, dat ze wel had willen huilen. Aan zoiets had ze nog nooit meegewerkt.
De volgende dag begon ze aan ’t werk met een heel ander gevoel. Nu haar alles uit welwillendheid werd aangeboden, moest ze het beter dan tot nu toe waarderen. Ze hield op aan zichzelf te denken, ze dacht alleen aan ’t slöjd en aan ’t grote doel, dat daarmee bereikt moest worden.
En van dat ogenblik ging alles uitstekend, want ze kon héél goed leren, als ze maar niet aan zichzelf twijfelde. Nu haar ogen van de duisternis waren bevrijd, merkte ze overal die grote wonderbare welwillendheid. Nu zag ze hoe liefderijk alles was ingericht voor hen die de school bezochten. De deelnemers aan de cursus ontvingen veel meer dan onderwijs in handenarbeid. De directeur hield voordrachten over opvoeding; ze deden gymnastiek, vormden een zangvereniging en bijna elke avond waren er samenkomsten met muziek en voordrachten. En ook waren er boeken, boten, een piano en een badhuis te hunner beschikking. De bedoeling was, dat ze het goed zouden hebben en gelukkig zijn.
Zij begon te begrijpen welk een onschatbaar voorrecht het was in de mooie zomerdagen op een groot Zweeds landgoed te mogen zijn. Het kasteel, waar de oude heer woonde, lag hoog op een heuvel, bijna geheel omsloten door een lang kronkelend meer en was met het land verbonden door een mooie stenen brug. Ze had nog nooit zoiets moois gezien als de bloemengroepen op de terrassen voor het kasteel, als de oude eiken in ’t park, als de wegen langs de oevers van ’t meer, waar de bomen over ’t water hingen, of als ’t paviljoen op de rots boven aan het meer. De schoolgebouwen lagen op het vaste land, vlak over het kasteel, op groene, beschaduwde velden, maar ze mocht vrij door ’t park zwerven, als ze tijd en lust had. Ze vond, dat ze nog nooit geweten had, hoe heerlijk de zomer was, vóór ze die had mogen genieten op zo’n mooie plaats.
Het verhaal gaat nog verder en beschrijft nog meer van de zielenstemmingen van de onderwijzeres. Daarbij gaat het niet meer over ‘de handen’.
Selma Lagerlöf ‘Niels Holgersson’s wonderbare reis‘
Over ‘slöjd‘
.
Algemene menskunde: alle artikelen
Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog
Menskunde en pedagogie: alle artikelen
Vrijeschool in beeld: alle beelden
.
3509-3296
.
.
.
.