VRIJESCHOOL – De Kerstspelen van Oberufer

.
Marijke van Hall-Heintz*

 

DE KERSTSPELEN VAN OBERUFER

Regie-suggesties voor nu

 Paradijsspel Herdersspel Driekoningenspel

.

Madonna, detail van de Verkondiging uit de Capponi-kapel van de Santa Feliciakerk in Florence.

 

DE KERSTSPELEN VAN OBERUFER

 

Uit de tijd of toch nog actueel?

 

Suggesties voor de regie

 

Al in de tijd, dat de Duitstalige boeren in Oberufer bij wat toen Pressburg heette, nu Bratislava (Slowakije), hun spelen jaar in jaar uit opvoerden (protestanten en katholieken samen!), hield de ‘intelligentsia’ (in de vorm van schoolmeesters en andere ‘notabelen’) zich daar verre van: primitief, ouderwets gedoe…en zo werd er dus ook niet aan gesleuteld of ‘gecorrigeerd’. En dat betekende nu juist hun redding.

Rudolf Steiner herkende ze onmiddellijk als echte, vrijwel ongerepte mysteriespelen uit de ‘begintijd’, zorgvuldig gekoesterd en met eerbied behoed door z.g. simpele mensen, die zich nog niet hadden opgewerkt tot intellectuele muggenzifterij en betweterigheden en nog open stonden voor wat zulke mysteriespelen aan geheimen openbaarden. Want waar gaat het om bij dit soort spelen? ’t Zijn niet simpelweg voor toneel bewerkte religieuze/bijbelse thema’s! Achter eenvoudige, alledaagse maar uiterst zorgvuldig gekozen bewoordingen gaan de diepste waarheden schuil, worden geheimen geopenbaard, die iedereen – ook nu nog – aangaan en actueel blijven voor wie daar oog (oor) voor heeft of…. er op gewezen wordt. En dat grandioze vermogen zulke oerwijsheden in schijnbaar simpele alledaagse woorden te gieten, bezaten die rondtrekkende broeders, Moravische monniken, die ‘onder de mensen’ kwamen, ze serieus namen, hun taal spraken, hun manier van leven en hun zorgen kenden en aansloten bij het alledaagse en dat gebruikten om diepe essenties mee te openbaren.

Karl Julius Schröer ( Presburg1825 – Wenen 1900), die de spelen aan Rudolf Steiner te lezen gaf, was taalgeleerde, wetenschapper en met name geïnteresseerd in allerlei (oude) dialectvormen en kwam zo terecht bij die enclave van ooit geëmigreerde Duitstalige boeren in een gebied dat omsloten ligt door twee Donau-armen, dus nogal geïsoleerd. Hij was daar in de herfst van de jaren 50 van de 19e eeuw, toen men ijverig de spelen aan het instuderen was en noteerde zo nauwkeurig mogelijk, wat hij daar aantrof. Over hoe dat toeging is elders uitgebreid geschreven.

Als wetenschapper sprong Schröer een gat in de lucht: het leek hem een unieke vondst, maar het bleef daar niet toe beperkt.. .hij ‘rook ‘ a.h.w. nog iets bijzonders van een andere orde, zodat hij het jaren daarna aan zijn voormalige leerling Rudolf Steiner liet zien. (Leerling? Zeker: in die
5

tijd was het heel gebruikelijk dat een student in de natuurwetenschappen ook colleges volgde over literatuur en zich schoolde in spreekvaardigheid). Rudolf Steiner herkende onmiddellijk de unieke kwaliteit van deze vondst (ondanks hier en daar verbasteringen en ontbrekende gedeeltes) en introduceerde ze op drie plekken, nl. eerst in de antroposofische vereniging in Berlijn, toen in Dornach en ten slotte op de vrijeschool in Stuttgart. Hij achtte ze van zo’n fundamenteel belang, dat hij zelfs de moeite nam ze zelf te regisseren. Hij had daarbij te maken met heel verschillende groeperingen en vaardigheden: jonge leden van de Berlijnse antroposofische vereniging, beroepsacteurs in Dornach en leerkrachten van de eerste vrijeschool in Stuttgart.

Hij legde er met name de nadruk op hoe belangrijk het was, dat kinderen deze ‘oerbeelden’ aangereikt zouden krijgen, jaar in jaar uit die fundamentele waarden zouden kunnen opnemen op een leeftijd, waarin ze nog over een zekere ontvankelijkheid/onbevangenheid beschikken. En daar zitten we dan meteen midden in de huidige situatie: het enthousiasme waarmee er destijds een explosieve verbreiding plaats vond en de spelen uitzwermden over de hele wereld in vele vertalingen, de trouw, waarmee leraren vanaf de herfstvakantie op hun vrije zaterdagmiddag (er was toen nog ’s morgens school….) of op doordeweekse avonden repeteerden en bereid waren een aantal jaren in dezelfde rol te ‘groeien’…. En voor hoeveel kinderen vormden de opvoeringen niet hoogtepunten van het jaar?….en dat is bepaald geen nostalgische, sentimentele kletskoek.

Tja, maar hoe staan de zaken er nu veelal voor? Feit is toch gewoon, dat de wereld gigantisch veranderd is. Dat het aanbod aan top-ervaringen, ook voor kinderen, fenomenaal is, van Disneyland tot pootjebaden in Thailand in de kerstvakantie…. En natuurlijk de constante overdaad aan indrukken via T.V. en computerspelletjes enz. enz. Daar hebben ook vrijeschoolkinderen mee te maken…Voor volwassenen idem dito. In een herfstnummer van een tijdschrift las ik: In september is het culturele leven weer op stoom gekomen. Als het ware met een hogedrukspuit wordt ons een overdaad aan aanbod toegediend, verpakt in aantrekkelijk seizoensbrochures en zonnige uitmarkten.” Overal worden atelier-routes uitgestippeld, tientallen cursussen lokken, van creatief tot spiritueel, iedereen schildert, bakt potten, kookt exotisch, doet yoga, tai chi of chi quong en dat is nog maar een fractie van alle mogelijkheden die ons overal via spetterende flyers worden gepresenteerd om ons toch vooral naast ons werk te ontwikkelen, te vermaken en bij te laten blijven. Feit is ook, dat ‘men’ allerminst nog onbevangen openstaat voor wat er op ons af komt. Hebben we, door schade en schande wijs geworden, niet allang
6

allerlei klapdeuren geïnstalleerd en deuren op slot gedaan voor wat toegang zoekt? Er komt toch ook zo verschrikkelijk veel ongevraagd op ons af, aan informatie, reclame + ervaringen en problemen, dat we terughoudend, kritisch, op onze hoede zijn geworden en terecht: we laten ons liefst geen knollen voor citroenen verkopen en… we willen bovendien graag wat afwisseling! Wat we een aantal keren gezien hebben hoeft toch niet altijd maar weer? Kunnen we niet eens – natuurlijk wél verantwoord – iets anders verzinnen? Vanuit dit tijdsbeeld blijkt het steeds moeilijker te worden de Kerstspelentraditie voort te zetten. Je moet wel verdraaid goed weten, waarom je ze wilt blijven opvoeren, want zodra het cliché-matig, d.w.z. een min of meer lege traditie wordt en men nauwelijks meer beseft waar het in wezen om gaat, verzandt het in traditie óm de traditie en ‘omdat Steiner het gezegd heeft…’ het gaat lijken op een oude kolenkit of een zand-zeep-soda- stelletje van oma: de functie is vervallen en je kunt er hooguit nog zonnebloemen in zetten c.q. punaises, paperclips en elastiekjes in bewaren…. Zo’n traditie suddert nog even door en op andere gebieden stort de commercie zich op de christelijke feestdagen. Wat betreft de Kerstspelen is het nog even vol te houden, men kent de rollen nog wel zo’n beetje (al wemelt het van versprekingen, eigen versies en vergissingen) en we flansen het nog wel even in elkaar, er is nog nét iemand bereid ’t te regisseren al is die vaak ook niet meer echt overtuigd van de zin ervan en zou liefst eens iets héél anders proberen… Moeten we verbaasd zijn als de kinderen er niet meer heen willen of gaan keten en er verder ook nauwelijks meer publiek komt? Een te somber beeld van de huidige situatie? Dat dacht ik niet. Of ik zelf de moed opgeef? Nee, absoluut niet. Maar we moeten wel weer eens naar de aanpak kijken en willen uitzoeken waar we mee bezig zijn, bereid zijn ons echt af te vragen wat we willen realiseren. En gelukkig gebeurt dat ook op allerlei plekken met veel vindingrijkheid en betrokkenheid.

Daarnaast kun je kinderen van nu, als het geen kleuters meer zijn, er niet meer gewoon naar laten kijken. Je moet ze zorgvuldig voorbereiden, niet door allerlei ‘verklaringen’, maar door verbindingen te zoeken met situaties, thema’s die hen bezighouden, waar ze al naar gelang hun leeftijd en belangstelling voor open staan. Een kwalitatieve en zeker niet een intellectualistische voorbereiding! En als de spelers zich dan bewust zijn van waar ze het over hebben, daarin investeren en écht betrokken zijn bij die essenties, dan heb je kans dat er weer mogelijkheden liggen om datgene over te brengen waar Steiner op doelde. Dat is dan dat ‘geschenk’ van de leraren aan de kinderen, niet de ‘geofferde’ vrije tijd voor de repetities! Als mensen van nu willen we toch ook weten waarom we iets doen. Als dat niet meer echt duidelijk is kan het hooguit nog even
7

vertier bieden of een dierbare jeugdherinnering, maar in feite kun je beter stoppen. Dus wil je ermee verder, dan is er werk aan de winkel! Je dient je er steeds opnieuw weer mee bezig te houden en te onderzoeken wat er voor dingen aan de orde zijn. Ik heb vaak te horen gekregen of ik er niet eens schoon genoeg van kreeg jaar in jaar uit hetzelfde spel te regisseren (zo’n 30 jaar). Hetzelfde? Ja, als ik op de automatische piloot was gaan werken, dan was dat zeker gebeurd en was ik er ook zeker een keer mee gestopt. Maar aan de ene kant werk je steeds weer met een paar nieuwe onervaren spelers en ontdek je telkens weer nieuwe aspecten door hoe iemand iets speelt, maar ook inhoudelijk valt je ineens weer iets nieuws op, bijv. door gebeurtenissen in je eigen leven, of je gaat op zoek door iets waarover je twijfels hebt… Dat voortdurend proberen je te realiseren waar het in essentie om gaat en anderzijds een verbinding te leggen met wat actueel speelt heeft mij in mijn optimisme gesterkt over de mogelijkheden deze spelen te kunnen blijven opvoeren. Alleen, we moeten behoorlijk investeren: praten over de rollen, de verschillende karakters van bijv. de herders, de waarden en vergelijkin­gen trekken naar dingen waar wij tegen aan lopen; kortom het actualiseren, dichtbij halen van wat daar allemaal wordt gezegd, dingen ook eens – als oefening – in je eigen woorden formuleren, kijken hoe de diverse personages op elkaar reageren of hoeveel woorden ze nodig hebben om iets uit te leggen.

En dan nog iets over het oorspronkelijke uitgesproken boerse dialect en de vertaling van Sanne Bruinier.. .een uiterst gevoelig thema. Dat Oberuferse dialect is verrukkelijk en authentiek en is in sommige streken nog redelijk hetzelfde. De vertaling van Sanne Bruinier is mij altijd nog dierbaar en heeft bepaalde mooie kernachtige elementen. Alleen: veel van dat ‘ouderwetse’, zogenaamd boerse zit voornamelijk in de schrijfwijze. Veel spelers blijken de grootste moeite te hebben het te leren en snappen er niks van en dan krijgt het soms iets kunstmatigs. Ook is er morrend (volwassen!) publiek, dat zegt het niet te kunnen volgen. Wat doe je daar aan? Stug doorzetten of plaatselijk op ideeën komen. Zoals in België waar als vanzelf het Vlaams te hulp komt; in Friesland ontstond ook al een dialectversie, in Zwitserland blijken ook plaatselijk algemeen gangbare dialecten gebruikt te worden en zelf waagde ik een Gelderse versie, omdat we in Gelderland een aantal spelers erbij hadden, die dat van zich uit al deden: dat was soms zo ontroerend, dat zich een groepje vormde om het Kerstspel zo te ‘vertalen’, waarbij heel zorgvuldig werd gelet op écht dialect en eventuele meer stedelijk ‘platte’ zegswijzen werden vermeden. Een uiterst boeiend proces. En voor velen een openbaring en een nieuwe entree. Natuurlijk kwam er ook kritiek: niet iedereen kwam uit Gelderland, ‘dus’ is het dan
8

toch ook weer niet ‘echt’. Maar wat dan te denken van al die acteurs in bijv. Dornach, die, komend uit vele landen, zich in alle bochten moeten wringen om het Oberufers min of meer accentloos onder de knie te krijgen? Kortom vele overwegingen en keuzes.

Ik zou nu vanuit de spelen zelf, vanuit de concrete rollen willen kijken naar mogelijkheden om daar ‘actueel’ mee om te gaan, als een soort gereedschap voor regisseurs en spelers om mee aan de slag te gaan. Er bestaan gelukkig talrijke publicaties in boekjes en artikelen over directe en verder reikende achtergronden betreffende het ontstaan, het karakter, dieper liggende achtergrondgegevens over de personages (ook los van deze spelen), oorspronkelijke speelwijzen en regieaanwijzingen van Rudolf Steiner in bijv. Dornach. Mijn suggesties beogen bepaald niet die opzij te schuiven, alleen hopelijk wat bij te dragen om de boel weer vlot te trekken waar het vastloopt, enthousiasme op te roepen en vooral nieuwe moed n.a.v. de impasse en het dreigende doodbloeden op talloze plekken.

Er is alleen een probleem: in al die dertig jaar, dat ik regisseerde en daarvóór ook meespeelde, heb ik zoveel gelezen, gehoord, gezien en zelf ontdekt, dat ik werkelijk met geen mogelijkheid kan traceren wat ik nu precies van anderen heb of waar ik zelf op gekomen ben. Dat loopt dus door elkaar en de eventuele eer komt dus op veel punten anderen toe! Misschien kunnen lezers me nog helpen bij het zorgvuldig in kaart brengen van wat anderen ergens al publiceerden….? Zeker is, dat die vondsten van anderen voor mij vaak ongelofelijk zinvol en inspirerend zijn geweest en zich vanzelfsprekend hebben geïntegreerd in hoe ik te werk ging. Achterin geef ik een overzicht van te raadplegen literatuur betreffende de Kerstspelen.
9

 

Adam en Eva na de zondeval, uit de Belbello-Bijbel, Biblioteca Apostolica Vaticana

10

 

HET PARADIJSSPEL

Waarom is dit spel toch zo moeilijk om te spelen?

Een belangrijke reden lijkt me het feit dat er geen eigenlijke ‘mensen’ in voor komen, in de zin van hoe wij nu in elkaar steken, hoe wij zelf zijn (na vele incarnaties + onze levensloop nu). Want ook de voor onze ogengeschapen Adam en Eva hebben daar nog allerminst de geringste overeenkomst mee! Verder het in levende lijve verschijnen van Godvader: hoe maak je dat acceptabel? Dat is echt een heel moeilijk gegeven. Al gauw wordt het óf een soort Sinterklaas óf een Kerstman.

In epische stijl worden uiterst dramatische, ingrijpende, onomkeerbare gebeurtenissen in beeld gebracht. Het spel heeft een duidelijk beeldkarakter en schetst in oerbeelden wat de mensheid in zijn oerfase heeft doorgemaakt; ’t geeft een beeld van meer innerlijke en tegelijk heel expliciete processen: het paradijselijke bestaan, het verlies daarvan, de zwaarte, het moeizame van het dan volgende aardse bestaan, maar geen – in de gebruikelijke betekenis – historisch verhaal. De enige echte mens van vlees en bloed in dit spel is in feite de Boompjesdrager! Hij heeft dan ook een belangrijke taak als ‘bruggenbouwer’, vergelijkbaar met de Sterrenzanger in het Kerstspel, maar bijna nóg essentiëler. Ook hier gaat het erom de relatie met het publiek te leggen, nadat de spelers zingend zijn binnengekomen. Omdat zijn tekst in de loop der eeuwen verloren is gegaan heeft Rudolf Steiner die opnieuw geschreven, beseffend hoe onmisbaar die start is! In heel directe bewoordingen vertelt de Boompjesdrager wat we zoal te zien krijgen en verwelkomt alle aanwezigen naar behoren, brengt de kijkers ook even aan ’t lachen door de Duvel niet te groeten, maar ‘m wel stevig in staart en haren grijpen. Denk weer aan wat “groetemens” precies betekent(=laten we ze groeten’’, zie Kerstspel). Dan volgt een lied en bedenk wel, dat er maar 6 spelers zijn. Daar moet dus extra aan het volume geoefend worden!

Dan spreekt de Engel het publiek toe en daarbij kun je al de totaal andere functie proberen te laten doorschemeren dan die van de Engel uit het Kerstspel en later die van de Engel in het Driekoningenspel of je in elk geval van die vjrschillen bewust zijn.

Dan zingt de kompanij in 8 coupletten het proces van de schepping. Weet waar je het dan over hebt! De spelers gaan rechts op een bank zitten. De Duivel links op een zwarte kruk.
11

Adam wordt geschapen en ziet al het geschapene met grote verwondering en hoort ook welke taak hem daarbij wordt toebedeeld. Hij volgt verrukt met een speelse toets de bewegingen van vissen en vogels. Tot slot volgt dan dat ene ‘gestrangh gebod’. Je hebt het gevoel dat hij het weliswaar hoort, maar de gevolgen kan hij eigenlijk niet bevatten: met dood en ‘verderven’ heeft hij immers nog geen enkele ervaring; hij schrikt er dus maar nauwelijks van. .. al beseft hij de ernst wel degelijk.

De kompanij zingt nu wat er plaats gevonden heeft en vertelt over de volgende stap in de ontwikkeling van de mens, nl. hoe Eva uit het lichaam van Adam geschapen wordt. De kompanij bevestigt dit gebeuren door letterlijk stil te staan bij de slaap die nu over Adam komt. In San Gimignano (Toscane) kun je een prachtig fresco zien waarbij Godvader Eva als complete vrouw uit de zijde van de slapende Adam wekt, waarbij zij haar handen naar Godvader opheft. Dit is een heel essentieel gebeuren! Waar het eerst de schepping van de mens als compleet geheel betrof, waarin het mannelijke én het vrouwelijke in de mens nog een eenheid was, ervaart Adam nu opeens dat hij iets mist: het middendeel is hem a.h.w. afgenomen en gaat een eigen bestaan leiden, naast hem weliswaar! Godvader helpt hem te aanvaarden wat er is gebeurd en schenkt hem Eva als zijn “ghesellinne”, en leert hem haar als steun te zien. Hij geeft hun zijn zegen. Adam bevoelt zijn eigen midden, waar nu iets heel duidelijk ontbreekt. Toch is hij blij verrast als hij ziet, dat er nu een gezellin naast hem staat en is “van herten” bereid haar tot zich te nemen. Heel behoedzaam loopt hij om haar heen, bekijkt haar van alle kanten, maar durft haar nog nauwelijks aan te raken. Ten slotte neemt hij haar voorzichtig bij de hand om haar al dat wonderbaarlijks van de schepping te tonen. Pas er voor op, Adam niet als moderne jonge­man met een begerige blik Eva te laten begluren! Probeer het vooral naïef te houden: ze leven nog in een gave, onschuldige, ongeschonden, letterlijk paradijselijke verbondenheid. Het gebod om van die ene boom af te blijven wordt dan ook meer als kinderlijke, maar wel duidelijke zaak waar ze zich aan te houden hebben uitgesproken, maar ze hebben nog geen idee wat die gevolgen werkelijk betekenen!

En zo leefden ze dan ook in volmaakte onschuld. Dit hoeft allemaal bepaald niet te betekenen, dat het een saaie boel hoeft te worden! Werk de details creatief uit, maar probeer de essentie ook duidelijk te maken. Ze leven dus voorlopig “vol heerlyckheit” tot de Duivel er lucht van krijgt en een poging waagt ze op een ander nu nog niet bedoeld spoor te krijgen. Let wel: kennelijk geeft Godvader hem die kans!
12

De Duivel vertelt ons van zijn snode plannen. (Deze duivel vertegenwoordigt duidelijk een sterk luciferisch aspect, oranje pruik!). Hij heeft er duidelijk zin in. Draaiend en kronkelend gaat hij Adam zoeken. Die heeft het gebod nog rechtstreeks ‘uit de eerste hand’ gekregen en wijst het voorgespiegelde idee (“soo wort ghy aen u god gelyck”) zeer beslist van de hand.

Wat er nu volgt is machtig interessant! Afgezien van het feit, dat Eva het gebod ‘uit de tweede hand’ ontving, zie je nu voor ’t allereerst het verschijnsel ‘verleiding’ in z’n volle glorie in werking treden! Tussen Adam en Eva speelde dat tot nu toe nog geen enkele rol! Maar de Duivel opent z’n hele trukendoos op dat gebied en Eva maakt kennis met iets nog totaal onbekends en hoogst aanlokkelijks! Ze is gefascineerd en staat, zoals blijkt, helemaal open voor dit nieuwe. Ze plukt de appel, bijt * erin en gaat nu met die zojuist geleerde verleidingstactiek Adam bewerken; zij heeft net van een aspect van het aardse kennis genomen, dat haar buitengewoon aantrekkelijk voorkomt. En ja hoor: Adam bezwijkt voor haar charmes en verleidingskunsten, ontvangt een appel van de Duivel, bijt erin en wat gebeurt er dan: niet te vergelijken met wat er bij Eva gebeurde. Adam ervaart zonder meer een verduistering van “sijn gemoet” ( géén volledige black-out zoals meerdere keren in het Driekoningenspel, maar een korte verduistering), en werpt de aan­gebeten appel weg.

De kompanij beschrijft in 2 coupletten wat er gebeurd is: opeens is die gave wereld ‘verwond’ geraakt.

De Duivel ontvouwt nu zijn verdere plannen met het mensenpaar en die liegen er niet om. Hij beseft terdege, dat het nu afgelopen is met hun verblijf in het Paradijs (de Hof van Eden) en wil ze de wanhoop in jagen: dat het geen pretje zal zijn om jezelf en je partner het leven zuur te maken en dat je er dus maar beter meteen een eind aan kunt maken. Hij zegt ronduit, dat hij hun heeft voorgelogen en geniet uitbundig met de toevoeging, dat het allemaal veel beter voor ze was geweest als ze pruimedanten hadden genuttigd! Deze Duivel heeft in tegenstelling tot die in het Driekoningenspel bepaald nog iets ‘aantrekkelijks’. Werk dat dus goed uit! Er kan hier zeker door het publiek gelachen of gegrinnikt worden!

Adam ervaart nu hoe grondig, onherroepelijk en zondig de verandering is die hij heeft ondergaan, ziet zich “naekend en oock bloot”. Eva trekt zich beschaamd terug achter een boom.
13

Onmiddellijk wordt Adam bij Godvader ontboden en nadert traag en vol schaamte. Godvader wijst meteen al op de onherroepelijkheid van de gevolgen. En let nu op, in wat voor weer zo’n kwalijke menselijke zwakheid hij al terecht is gekomen! Het was immers Eva, die Godvader hem nota bene zelf heeft geschonken, die in feite buiten haar boekje is gegaan: zonder haar was dit heus nooit gebeurd, hij stond erbij en keek ernaar. Kortom het was haar schuld. Dan wordt Eva ontboden: onder veel tegenstribbelen moet ze wel. Adam duwt haar vanachter die boom, waar ze zich schuil houdt, tot voor de troon van Godvader. Zij legt dan uit, dat het de boze slang was die haar zover heeft gekregen en belooft plechtig dat ze voortaan echt zullen doen wat Godvader hun zegt. Een cruciaal moment. Want wat gebeurt er nu? Godvader gaat met geen woord in op deze ‘onderhandelingspoging’! Niets van: nou vooruit dan maar meisje, jullie krijgen nog een kans. Er is hier namelijk iets gebeurd, dat onomkeerbaar is, dit kan onmogelijk ongedaan gemaakt worden en het is goed je van zulke onherroepelijke, onomkeerbare zaken bewust te zijn.

Gabriël wordt nu geroepen om Adam en Eva met zijn blinkend zwaard uit dit paradijselijk oord te verjagen, dat nu gesloten wordt.

De Engel formuleert nu duidelijk wat zijn opdracht is en Adam en Eva krimpen enige keren iets ineen als hun over de aardse weg wordt verteld. Eva heeft meteen medelijden met ‘die arme vrouwen die na haar in barensnood zullen komen’, maar is volledig bereid zich geheel naar Gods leer te gedragen.

Nu slaat Adam liefdevol en beschermend een arm om haar heen en daarmee zie je er een echt aards element erbij komen. Tegelijk smeekt hij Godvader hen niet al te lang te laten wachten tot hij hen weer terugroept. Gabriël gaat daar op in door ze nu weliswaar dringend weg te sturen, maar stelt hun wel in het vooruitzicht: “tot ik u langsaem wederkeeren heet’’. Met zwaard + machtige armzwaaiingen in grote cirkels begeleidt Gabriël de uitdrijving.

Nogmaals smeekt Eva Godvader hen niet aan hun lot over te laten en weer is het de Engel die elke twijfel daaromtrent wegneem, mits ze zich op de juiste wijze van hun aardse taken kwijten!

Ja en dan komt de Duivel weer op en meent nu volledig de vrije hand te hebben hun het leven op aarde te verzuren en onmogelijk te maken en hen totaal in zijn macht te hebben. Hij ketent hen met een stevige ijzeren ketting aan elkaar en sleurt ze heen en weer tot voor Godvaders troon, doet z’n wrede plannen uit de doeken en waagt het tenslotte uit te roepen: “niemand en rukt z’uyt mynen handen!’
14

Dat gaat te ver! Godvader grijpt in en dwingt de hellehond voortaan ”stof ende aerd” als spijs tot zich te nemen en zich uitsluitend op z’n buik voort te bewegen. En dan de slotzinnen! Daar ontstond jaren geleden grote consternatie over in Dornach tijdens een bijeenkomst voor regisseurs, waar ik bij was!

Wat zegt Godvader namelijk nu?

“Siet hoe is Adam thans soo ryck,

geworden enen god gelyck,

daer hij het goed en quaadt beseft,

wanneer hy syne handen heft

en leeve in alle eeuwicheid”.

Nu is er een qua tekst vrijwel identieke versie van het paradijsspel opgedoken, waarin deze passage uitvoeriger beschreven wordt, maar met een andere betekenis die duidelijk overeenkomt met wat er in Genesis staat!

“Toen zeide de Heere God: De mensch is geworden als onzer één, kennende het goed en het kwaad: nu dan, dat hij zijne hand niet uytsteke en neme ook van den boom des levens, en ete en leve in eeuwigheid Zoo zond de Heere God hem weg uit den hof van Eden om den aardbodem te bebouwen waar hij uitgenomen was; en hij dreef den mensch uit en stelde cherubs tegen het oosten des hofs van Eden, en een vlammig lemmet eens zwaards, dat zich omkeerde, om te bewaren den weg van den boom des levens. ”

Het gaat in het Paradijsspel dus om de boom van goed en kwaad, in Genesis gaat het ook nog om de boom des levens. Je kunt dus zeggen, dat er wellicht gewoon enkele regels in ‘onze’ vertrouwde versie zijn ‘weggevallen’ in de loop der eeuwen. Maar is dat Rudolf Steiner dan niet opgevallen? Dat geloof ik echt niet. Er is door die weglating wel degelijk een andere, nieuwe ‘waarheid’ ontstaan! Daar ben ik heilig van , overtuigd. En dus heeft Steiner het volgens mij bewust zo gelaten. Waarom? – daar moeten we zelf achter zien te komen.

Destijds in Dornach dacht men er over het algemeen ook zo over, al klonk er ook een zeer verontruste stem van iemand die vond, dat we
15

spoorslags onze tekst moesten gaan ‘verbeteren’. Hoe het ook zij: boeiend genoeg om bij dit alles even stil te staan!

De kompanij zingt jubelend het slotlied en Adam heeft nu de knellende ijzeren band losjes over z’n schouder hangen. En de Engel vat het gebeurde kort samen met de hoopvolle belofte dat eens Godvader zijn zoon zal sturen, die voor ons ‘losgeld’ betaalde na talloze moeizame zware ervaringen en beproevingen op aarde.
16

17 leeg

  • Aanbidding van het Kind in de stal, uit 1415, Hessisches Landesmuseum, Darmstadt

18

 

HET GEBOORTE- EN HERDERSSPEL

 

Let al meteen op hoe het begint: de ‘kompanij’ komt zingend de zaal binnen en loopt dwars door het publiek. Dat is bepalend voor de stemming. Dat zingen spreekt het publiek meteen aan in het gevoel. Vergelijk dat met de start van het Driekoningenspel: daar komen de spelers zwijgend links van opzij achter op het toneel vanuit de coulissen op, je hoort alleen die voetstappen, ze kijken voor zich uit en zwijgen. Ais ze allemaal voor de zitbanken staan, draaien ze een kwartslag, staan even oog in oog met het publiek en gaan zitten. Dat werkt heel confronterend, geen mooi beginlied, je bent meteen alert: wat gaat hier gebeuren?

Ik hoorde vaak van spelers: bij het Kerstspel ben je meteen in de stemming, bij het Driekoningenspel is dat veel moeilijker, er klinkt niet dat beginakkoord. En zo moet het ook: het gaat in dat spel duidelijk om een ander soort aandacht, een bewust appel op de toeschouwer: let op op wat zich hier gaat afspelen! Wees op je hoede.

De Sterrenzanger.

Een belangrijk personage! Hij moet de mensen in de stemming brengen, het contact leggen tussen spelers en publiek en wendt zich dan ook steeds tot beide groepen.

Hoe doet hij dat? Hij begint ermee de spelers op een kluitje bijeen te drijven (“als de spiering in de pan”), maar ziet dat dat zo niks wordt (veel te dicht op elkaar) en laat ze dan geordend, overzichtelijk uitwaaieren in een halve kring en stelt voor eerst eens even wat te zingen: met dat zingen spreek je de mensen ook weer aan in hun gevoel, zoals dus ook aan het begin, waarbij je al meteen een betrokkenheid hebt gecreëerd. Maar hij beseft dan opeens, dat hij toch eigenlijk eerst de hogere wereldorde moet groeten in z’n drie aspecten, alom tegenwoordig (dat uit zich in dat groeten naar drie richtingen) en dat gebeurt met eerbied. Dan volgen Jozef en Maria en het Kind + os en ezel en daar kun je dan al meteen enorm gaan variëren ‘in de manier van groeten! Doe je dat allemaal zo’n beetje hetzelfde dan wordt het stereotiep en oervervelend. Je kunt bijvoorbeeld even met je armen een wiegende beweging maken bij het kindeke, met je gebaren het robuuste, omvangrijke van de os aangeven, ook met je stem (en iemand kan bijv. even een geloei laten
19

horen) en dan ook zoiets met die fijnere bouw en bijv. de lange oren van de ezel. Enorm bewegelijk en plastisch aan de gang gaan!

Ja en dan dat “groetemens deur son en de maneschijn” wat betekent dat? Wat wordt daarmee bedoeld?

Groeten me se deur = laten we ze (nl. Maria, Jozef etc.) groeten via (door) de zon en de maan, als de poorten naar hogere werelden. Er bestaat een oude rozenkruiserspreuk, waarin staat dat “de Mensenzoon uit zon en maan ontstaat”. D.w.z. Liefde (zon) en Wijsheid (maan) komen samen, worden één. (In andere samenhangen spreekt Steiner over de aarde als ‘Kosmos van de liefde’).

Dan volgt : “groetemens deur kruydeken en de blad …” en de regen wordt genoemd: Laten we ze groeten via de wereld van het z.g. etherische: het levende, de planten en het levenschenkende water- element, waarin ook het goddelijke beleefd kan worden; de heilige regen staat er! Dat hoeft allemaal heus niet braaf en kleurloos gespeeld, nee, heel opgewekt en levendig, maar je moet wel weten waar het over gaat, anders sta je maar wat te zwammen. En dan wordt de manier van groeten opeens heel anders: Met gepast werelds respect wordt nu de keizer, de hoogste aardse leidinggevende gegroet, op een heel andere manier dan Vader, Zoon en Geest! Met aardse correcte gebaren, een beetje stijfjes misschien. Het kan zijn dat daar in die herberg zijn portret ergens aan de muur hing! Dan switch je weer over naar een meer kameraadschappelijke begroeting van de ‘meester’ (kan in dit geval de pianist zijn, aangezien aan het slot de regisseur/leermeester wordt gegroet). Ik zag eens een sterrenzanger op de vleugel gaan staan!

Dan ziet hij op de voorste rij meneer pastoor en andere kerkelijke functionarissen zitten. Probeer voortdurend de spelers erbij te betrekken, als je ze groet en dat doe je dus ook met een zeker ontzag voor deze verlengstukken van de Paus.

En ja hoor, achter in de zaal ontwaar je opeens ook een stelletje schepenen en daar in de hoek zelfs de schout! En zoek nog even op in een encyclopedie wat voor functies zulke figuren ooit precies hadden in de samenleving…Zie ze daar echt zitten, lokaliseer ze nauwkeurig! Maak er wat van! Wijs ze exact ergens aan, zet grote ogen op, sleur er bijv. een van de herders bij. Dus ze eerst ontdekken en dan pas groeten, dat verlevendigt de zaak enorm. Publiek op de eerste rij krijgt soms de neiging even achterom te kijken! Je krijgt in deze start de kans van je leven, dat moet je uitbuiten! Straks speel je niet meer mee.
20

Ten slotte groet je het publiek, waar je allerlei bekenden in signaleert, dat kan heel enthousiast, samen met de spelers (alleen Maria, Jozef en de Engel moeten zich wat inhouden natuurlijk).

Maar dan kom je tot de pijnlijke ontdekking, dat je een groep belangrijke hoogwaardigheidsbekleders over ’t hoofd gezien hebt, de vroedschap. Je ziet ze opeens zitten. Die had natuurlijk vóór de “agtbare gemeent” gegroet dienen te worden. Uiterst pijnlijk. Wat doe je in zo’n geval? Je gaat ze wat overdrevener groeten en slaat een beetje door: laten we ze groeten door de “wortelkens so in der eerde staan, zonder één wortelken over te slaan”. Dat zegt hij tegen de spelers, die dan kris-kras door elkaar lopend al die worteltjes gaan groeten. Het loopt een beetje uit de hand en er dreigt chaos. Hoe krijgt hij het zaakje weer in de vorm? (ondertussen kun je wel vaststellen, dat er wel degelijk een ordening zit in die gebieden, waar doorheen al die groepen gegroet worden: eerst via zon en maan, dan plantengroei en de groeizame regen en tot slot kom je helemaal beneden aan, op/in de grond, waar de wortels/de roots in vastzitten).

Maar… de zaak moet weer op orde komen en de sterrenzanger zegt dus: “laten we ’t anders beginnen” en concentreert op de bij uitstek heldere vorm van de “star”, het kristallijne. Iedereen vindt z’n plek weer, eventueel kan die oude dove Chrispijn, die nog ergens rondscharrelt er nog even bijgeplukt worden.

Om welke ster gaat het nu? Om twee sterren, nl. de zesster (lelie) van de Engel en de vijfster (roos) van de sterrenzanger. Hij groet ze duidelijk allebei. En daar steekt natuurlijk ook weer een heleboel achter!

De zesster van de Engel ( op oude schilderijen zie je de verkondigings- engel vaak afgebeeld met een lelie: die heeft altijd zes bloembladeren, zoals in principe alle andere bolgewassen). Die stervorm is van oudsher in verband gebracht met wiisheidskrachten, die ook weer met de maan samenhangen. Het is de Joodse Davidsster; uit de stam Davids werd Jezus geboren. De oude voorspellingen leefden al heel lang onder het joodse volk. Dit z.g. hexagram bestaat uit twee in elkaar geschoven losse driehoeken, waarvan bij de ene de punt omhoog wijst en bij de andere naar beneden en samengevoegd het beeld zijn van de macrokosmos. De oude Alchemisten gebruikten het hexagram ook als beeld van de mens, zoals die was samengesteld uit de vier elementen aarde, water, lucht en vuur.

De vijfster, die de sterrenzanger op zijn “scheer’ heeft, geeft een ander aspect van de mens weer, nl. als microkosmos, met twee benen op de
21

grond, ‘geaard’ dus (zie bijvoorbeeld de schets van Leonardo da Vinci !) en vanuit één punt opgebouwd tot een geheel. Deze ster heeft verwantschap met de zon, is ook het teken van Michael. Daarbij hoort de roos, die zoals alle rosaceeën viifbladiq is. Deze hangt samen met liefdekrachten. In Christus komen uiteindeliik beide principes bij elkaar: wijsheid en liefde. De sterrenzanger wijst daarop en begroet ze. Met alle grappen erbij zoals bijv. die herder die z’n vingers tussen de schaar krijgt bij het begroeten van al die losse houtjes.

Ten slotte wil hij nog even gepaste aandacht voor zichzelf en slaat daarbij een beetje op hol, hij geniet ervan lang aan het woord te zijn en in het middelpunt te staan. Hij is eigenlijk een gewóón mens, zoals iedereen uit het publiek.

Dat hij zelf gegroet wil worden pikken zijn medespelers nog net, maar als hij hetzelfde eerbetoon voor zijn hoed vraagt wordt hij te grazen genomen; één pakt zijn hoed af en gooit die naar een ander. Het wordt dan duidelijk tijd de boel af te ronden! Hij pakt/krijgt zijn hoed terug, groet de leermeester, de regisseur en met een stralend, groots gebaar van hoe aan alles is gedacht en alles is gegroet kan het eigenlijke spel beginnen.

Deze rol kan best wat acteertalent gebruiken, levendigheid en een grondige investering in het kleur geven aan al die details!

 

————————-

 

Dan begint ‘Het spel van Christi geboorte’, dat gaat over de bereidheid om te ontvangen en toe te laten, een plek/ruimte te geven of juist niet, door de deur gesloten te houden en af te wijzen wat vraagt om te worden opgenomen. Na een lied volgt de verkondiging aan Maria. Overigens bestaat er verschil van mening over de plaats in het spel, waar de begroeting door de Engel plaats vindt: vóór de verkondigings-scène of erna. Dat laat ik hier in het midden, hoewel ik zelf kies voor het tweede.

Een goede hulp kan zijn op zoek te gaan naar afbeeldingen van de verkondiging op oude schilderijen, dan kom je heel opvallende kenmerken tegen; de aanvankelijk verstilde ingekeerde stemming van Maria, die dan die overweldigende verschijning beleeft van de Engel (Aartsengel), die haar een boodschap brengt. In Florence zag ik ooit een
22

schilderij, waarop het boek waar Maria in las, op de grond is gevallen: ze schrikt echt, al moet je dat natuurlijk niet overdreven gaan spelen, maar je mag ‘t je wel realiseren en voelen hoe overweldigend zo’n ervaring moet zijn! En je kunt eventueel met je handen iets van een openend gebaar maken (probeer iets). Het is immers niet gewoon wat haar overkomt! Realiseer je daarbij hoe jong deze Maria is (er valt daar veel over te lezen bij bijvoorbeeld Emil Bock: “Tussen Bethlehem en de Jordaan”). Natuurlijk is er niet vaak een heel jonge, maagdelijke Maria beschikbaar en dat hoeft ook absoluut niet, maar ook al is het een ouder iemand: probeer dat element toch bij jezelf op te roepen, na te voelen, die zuiverheid, die bijna kinderlijke, onbevangen, religieuze stemming.

Op sommige oude schilderijen zie je een oud kuisheidsgebaar bij dat tafereel, waarbij Maria haar rechterhand op haar hart legt en haar linker op haar buik: dat zou je zo kunnen doen, als de Engel zegt: “want gij sult bevrugt worden en enen soon baren”, maar alleen als je dat aanvoelt en er achter staat: dat zijn heel subtiele zaken.

Belangrijk acht ik ook, dat de Engel vooral niet oog in oog met Maria staat, dat het dus niet om een ontmoeting tussen twee mensen gaat. Dat moet je duidelijk maken. Maria zou frontaal naar de zaal gekeerd met iets gebogen hoofd kunnen staan en opkijken wanneer de engel schuin achter haar verschijnt. Zij ziet hem op een ‘andere’ manier.

De gebaren, die Maria maakt moeten iets uitdrukken en dus niet zomaar wat bewegingen maken en vooral ook niet teveel. Aan het slot, als ze zegt: “Siet de dienstmaagd des heren…” kan ze haar handen gekruist over de borst leggen, helemaal bij zichzelf, de opdracht aanvaardend.

Nog kort iets over de Engel. Dat is bepaald een moeilijke rol. Door het simpele feit, dat het niet om een mens van welk niveau dan ook gaat. Hoe geef je dat vorm? Zeker niet door zoetelijke elegantie. Dat is iets heel anders dan harmonische bewegingen, die hier beslist wél op hun plaats zijn. Deze Engel is bovendien een Aartsengel, dus van een hogere rang dan bijv. Maria’s eigen (bescherm-) engel, met een heel speciale opdracht/boodschap. Het gaat hier om Gabriël (ga op zoek naar zijn algemene kwaliteiten en functies), en besef de kracht, de over­weldigende werking van zijn verschijning. Ik heb een aantal keren engelen door mannen zien spelen (het woord ‘engel’ is ook mannelijk in het Duits!): dat kan prachtig zijn, het zoetsappigheidsrisico is dan meestal te verwaarlozen. Al kun je ook kijken in welk van de drie spelen dat iets meer of wat minder past qua stemming, maar in feite zou het bij alle drie kunnen denk ik. (Oorspronkelijk werden trouwens alle rollen door mannen en jongens gespeeld).
23

Na de ommegang “Als Maria…” volgt de begroeting door de Engel, die hier niet zozeer specifiek als Gabriël optreedt, maar ook niet als gewoon mens zoals de sterrenzanger. Hij benadert het publiek heel anders, serieuzer, geeft aan waar het over zal gaan en wijst erop, dat het niet om heidense verzinsels gaat, vraagt om gepaste aandacht en adviseert goed te luisteren. Probeer het ook te ‘vullen’, een zeker gewicht mee te geven, het moet echt ‘indrukwekkend’ zijn en niet een wat overbodig, saai praatje worden. Maar wat misschien wel het belangrijkste ‘advies’ is:

“Swijght stil en opent wijd u oren”: dat lijkt me de kern: luister écht goed naar wat er gezegd wordt, wat geopenbaard wil worden, stel je daarvoor open, houd even je alledaagse commentaar en oppervlakkige logica terug. Luister naar wat toegang zoekt.

Na het krachtig gezongen lied “Keizer Augustus…” (breng vooral ook duidelijk nuances aan in manier van zingen van de liederen: die gaan nl. over verschillende onderwerpen en je kunt dat in de manier van zingen tot uitdrukking brengen) zien we Jozef en Maria in hun woning in Nazareth. Nu gaat het erom aandacht te hebben voor hoe ze op elkaar reageren, met elkaar omgaan en probeer dat even door te trekken naar vergelijkbare (problematische) situaties in je eigen leven, waar bijvoor­beeld een van de twee er geen gat meer in ziet, niet weet hoe iets op te lossen. Hoe dan de ander probeert een mogelijke oplossing aan te dragen……Dat heen en weer, dat afwegen, het wel of nog niet zien van verschillende mogelijkheden. Weer gaat het om het dichtbij te laten komen, herkenbaar maken voor jezelf.

Jozef maakt zich enorme zorgen: op reis moeten gaan met zijn jonge, hoogzwangere vrouw, financieel staan ze er niet best voor: hij redt het nauwelijks meer zijn beroep goed uit te oefenen: reumatische vingers misschien? En daarmee maak je het niet platvloers! Nee, het gaat erom je werkelijk in te leven. En dan die heel jong Maria, vol vertrouwen, dat er vast wel een oplossing te bedenken valt: er is heus wel iemand die hun het benodigde geld wil lenen, zij zal het wel gaan vragen aan een vriend. Jozef, duidelijk meer ervaren in zulke zaken, ziet dat absoluut niet zitten: wij hebben toch geen kapitaalkrachtige connecties, iedereen heeft ’t moeilijk. En met een zucht legt hij het dan maar in Gods hand…. Hoe praktisch is dan de suggestie van Maria om hun osje mee te nemen en het in Bethlehem te verkopen aan de slager. Maar Jozef, somber als hij hoe dan ook al is, vindt dat een slecht idee: misschien is het beestje nog wat jong en kan hij er later als het zwaarder is veel meer voor vangen. Bovendien moeten ze toch ook nog verder ergens van leven? Maar ja, uiteindelijk ziet hij dan wel in, dat dit misschien toch de beste oplossing
24

is. Prachtig, dit wikken en wegen, idee opperen, aanvankelijk afwijzen, maar dan toch… Dat kennen wij toch ook. Zoek naar eigen voorbeelden.

Als ze dan in de buurt van Bethlehem komen, zien we hoe Jozef even het tempo wil opvoeren, bang dat ze net te laat arriveren, de poorten gesloten zijn en ze buiten moeten overnachten! Maar Maria is aan het eind van haar krachten, ze kan gewoon niet meer. Wij kennen zulke situaties ook wel, als je een lange wandeling met kinderen maakt en het langer duurt dan iedereen dacht. Ze krijgen blaren, dorst of andere ongemakken en beginnen te jengelen. Wat doe je in zo’n geval? Afleiden met een prettig vooruitzicht! Bijvoorbeeld een warme beker chocolade­melk of een krentenbol bij de bakker. Vooral blijven praten en er wat van maken. En dan opeens ben je waar je wezen wilt.

Wat doet Jozef? Uiterst liefdevol (slaat een arm om haar heen), heel rustig doorlopend, begint hij over warme doeken en dat hij daarmee straks haar ledematen ‘zoetjes’ zal warm wrijven. En ja hoor, kijk, we zijn er al! Dat is toch prachtig en zo dierbaar gehanteerd! Dat spéél je dan niet, dat maak je waar! Maar nu nog onderdak vinden. Dat zal vast wel lukken bij Rufinus, die oude kennis van hem.

En dan spelen zich tekenende beelden af van hoe ‘de wereld’ op heel verschillende manieren afwijst wat toegang zoekt, wat om opname vraagt. Rufinus hoort het trieste verhaal van Jozef laconiek aan, maar helaas, alles is vol, niks aan te doen, “zowaar als ik hier sta”, geen speld tussen te krijgen. Pech gehad jongen. Je ziet hier een houding van onverschilligheid, lamlendigheid, vadsige gezapigheid (dikke pens), reden voor mij hem frontaal, plomp, breed neer te zetten, bijv. een pollepel aflikkend, z’n schouders ophalend, breeduit verklarend waarom het allemaal niet kan, absoluut niet bereid wat ruimte te ‘creëren’. Een houding van: wat zal ik me uitsloven? Alles loopt toch lekker zo?

Bij die waarden kun je ook eens bij jezelf nagaan, hoe dat kan gaan, wat jou wel eens is overkomen of als je zelf misschien onverwacht bezoek krijgt, wanneer dat niet zo goed uitkomt of waar je echt niet op zit te wachten. Dat kan zich in allerlei vormen voordoen. ‘Ze’ kondigen bijv. aan, met z’n vieren te willen komen logeren en je hebt maar twee slaapplaatsen. Leen je dan een luchtbedje bij de buren? Laat je er eentje op de bank slapen? Creëer je dus een mogelijkheid of zeg je direct dat het niet kan. Ik bedoel natuurlijk niet, dat je altijd extreem gastvrij moet zijn als je zelf misschien totaal aan je eind bent, maar probeer herkenbare overwegingen/situaties op te roepen, alweer om wat zich daar afspeelt te ‘actualiseren’ (Je kunt het ook breder doortrekken naar situaties waarin vluchtelingen een plek zoeken) en laat zien wat er
25

precies gebeurt als het langverwachte kind geboren wil worden. Weer zo’n glashelder ‘beeld’ in drie varianten.

Bij de tweede herberg zien we dus weer een andere manier van afwijzen. Jozef krijgt amper de kans zijn vraag naar voren te brengen. Deze Servilus vertegenwoordigt het type, dat uitsluitend uit is op winstbejag. Hij ziet direct, dat hij te maken heeft met een stelletje armoedzaaiers, scheldt ze uit en houdt het kort: wegwezen jullie. Hij verdoezelt zijn oogmerk niet en wenst verder geen tijd aan dit ‘ bedelvolk’ te verspillen. De mentaliteit van: tijd is geld en de rest is flauwekul. De keiharde moneymaker. Ook dit type kennen we natuurlijk en komen dat in de zakenwereld, maar ook in het klein vaak genoeg tegen.

En wat gebeurt er dan? Maria is wanhopig en vraagt God om erbarmen te hebben. Met wie? Dat staat er niet specifiek, maar min of meer ‘algemeen’: nl. of God zich wil erbarmen. Ze omschrijft wel haar situatie en vraagt om hulp van ‘bovenaf’. Tegelijkertijd ervaar ik er een vraag in om erbarmen te hebben met iemand, die zo keihard en zonder enig begrip reageert. Misschien wat ver gezocht? Maar ik acht dat bij iemand als Maria niet ondenkbaar en het overwegen waard. ..

Het lijkt me goed deze waard ‘en profil’ te spelen, dat geeft hem een scherpere contour. Hij zou misschien vooraf een glaasje azijn kunnen nuttigen om in de stemming te komen…

Maria’s noodkreet klinkt op straat en is blijkbaar gehoord door weer een andere herbergier. Aangezien er soms meer vrouwen-aanbod is om mee te spelen, lijkt mij deze rol geknipt om door een (nieuwsgierige) vrouw te laten spelen. Waarom? In tegenstelling tot de vaak gehoorde benaming ‘goede’ waard, raad ik aan hem/haar eens goed onder de loep te nemen: wat zien we gebeuren? Deze figuur hoort iets op straat en is nieuwsgierig naar wat er allemaal aan de hand is, gaat kijken en informeert naar de problemen, wijst erop dat ook haar logement helemaal vol gasten zit, maar voor het oog van de hele buurt biedt ze als ‘voorlopig’ onderkomen haar stal aan: wat een goede daad! En alle buren zien hoe goed zij is! Maria is diep dankbaar. Kortom: voor het oog van de hele buurt hangt hij/zij de goedheid zelve uit, die die arme sloebers een plekje aanbiedt en zelfs – later – een bed in haar helaas nu nog overvolle logement. Maar… is zij dat wérkelijk van plan? Al gauw zal ze haar ware aard tonen. Nu gaat ze hen, zeer tevreden met zichzelf, voor naar de stal.
26

Eerst installeren Jozef en Maria zich daar, Maria vraagt in haar lied aan Jozef haar ‘trooster’ te willen zijn, nu de geboorte zich aankondigt en er volgt nog een gesprek tussen hen over het osje. En dat verloopt anders, a.h.w. omgekeerd aan toen in Nazareth: nu is opeens Jozef vol goede moed en vertelt wat hij allemaal de volgende dag gaat regelen, geen zorgelijke, pessimistische stemming! Maar nu Maria het moeilijk heeft, ziet zij het opeens somber in. Maar Jozef stelt haar gerust, nu is hij degene, die het wel weer ziet zitten. Prachtig, hoe zij om beurten, elkaar steunen en opbeuren.

Dan vindt de geboorte plaats. Daar zijn van ouds mooie vormen voor gevonden, al blijken er bijv. in Dornach en in Stuttgart verschillende tradities te leven (op beide plekken gaf Steiner aanwijzingen, kennelijk kan het op verschillende manieren). Jozef heeft zich iets afgewend, ‘slaapt’ min of meer. Het blijkt nog steeds zeer bevredigend, dat de Engel het kind bij liermuziek laat ‘afdalen ‘in Maria’s armen.

Maar als spelers moet je wel proberen hier heel intens ‘bij’ te zijn. Dan kan het in al z’n eenvoud als heel bijzonder en intiem en voor kleine kinderen heel reëel worden. Maria vraagt dan aan Jozef even te gaan vragen of ze nu alsjeblieft in het logement mogen (stel je die situatie even voor!). Maar Jozef, amper wakker, ziet het kind nog niet en sputtert wat tegen: we moeten nu niet meteen al moeilijk gaan doen en teveel vragen. Maar dan dat moment waarop hij het kindje ziet! Laat duidelijk zien hoe verrast hij is. Dat kan zo ongelofelijk ontroerend zijn (maak daar wat van!) en hij aarzelt dan ook geen seconde meer, pakt de lantaarn en haast zich naar de waard(in). Het schijnt dat Steiner ooit bij het voorspelen van de Jozef-rol, misschien wel op dit punt, struikelde en viel. Iedereen schrok enorm, maar hij zei toen iets van dat Jozef ongeveer zo stuntelig gespeeld mocht worden. Natuurlijk moeten wij hem niet met opzet laten struikelen maar iets onbeholpens (zonder kluchtig te worden!) mag hij zeker hebben.

En dan komt de aap uit de mouw: je moet je voorstellen, dat waarschijnlijk helemaal niet uiterlijk te zien was dat Maria hoogzwanger was; met al die gewaden, ook nu nog in het Midden Oosten, is dat volstrekt niet direct duidelijk! Als Jozef dan uitlegt wat er aan de hand is en of ze daarom nu …. enz. laat dan vooral die waard(in) behoorlijk schrikken; dit kan heel concreet uitgedrukt worden, laat dat duidelijk zien, dus niet alleen in de tekst maar ook uitgesproken in het spel met wat voor een schijnheilig mens we hier te maken hebben! Als het er namelijk op aan komt geeft ook zij niet thuis, is de deur ook gesloten en ze heeft nota bene net 24 nieuwe gasten (wél met een volle beurs, kun
27

je aannemen) binnengelaten en hadden we niet allemaal gehoord, dat Maria en Jozef eerst aan de beurt zouden komen? Goede waard? Niks daarvan! En zingt Maria niet, als Jozef haar deze teleurstellende reactie komt vertellen, over hoe “ontrouw de wereld toch is, dat het een schande is om hen in dat mensonwaardige onderkomen te laten zitten? Je kunt niet opmerkzaam genoeg zijn wat betreft al die details. Als Jozef met het slechte bericht terug gaat kun je hem eerst wat langzaam, piekerend laten lopen, niet wetend hoe het nu verder moet en dan halverwege als hij iets bedacht heeft (de krib) opeens wat sneller laten lopen. En als je dat werkelijk tot in al die kleine, maar zo duidelijke aspecten herkent en navoelt, en in je rol vorm geeft, dan mag je hopen dat je dat overbrengt op het publiek, zodat het (weer) geboeid kan raken. Dan wordt het ‘waar’ en niet alleen een weer even in te weinig tijd opgelapt toneelstukje…

 

——————————–

 

En dan volgt het ‘Herdersspel’, waarin het gaat om de oproep, de boodschap, het appel om op weg gaan, te gaan zoeken en vinden.

Daar openbaart zich ook een enorme veelheid van verschillen en karaktertrekken, die je absoluut moet uitbuiten en zien vorm te geven. Het gaat hier niet alleen om drie personen met hetzelfde beroep, maar ook om mensen, die niet alleen in leeftijd verschillen maar ook totaal verschillend omgaan met wat hun overkomt, vanuit een volkomen eigen innerlijke gesteldheid, die zich uitdrukt in hoe ze dingen verwoorden, hoe ze op elkaar en situaties reageren en wat ze over hun dromen vertellen. Het begint al karakteristiek; Gallus komt haastig op, denkend dat hij de laatste zal zijn: dat duidt al op een zeker pessimisme (ik zal wel weer…). Hij heeft ’t behoorlijk koud, z’n voor de zoveelste keer aan Stiegel uitgeleende wanten heeft hij ook al niet terug gekregen, bij hem lijkt alles bepaald niet van een leien dakje te gaan, een piekeraar ook, zoals we later nog zullen horen.

Daartegenover Stiegel, stomverbaasd, dat hij niet als eerste arriveert. Die beseft niet, dat hij Gallus’ enige paar wanten aanheeft. Hij is de jongste van de drie, is géén zwartkijker, beetje overmoedig, nog weinig tegenslag gehad of gewoon wat primair ingesteld. Tenslotte komt de oudste van dit stel, zoals altijd, weer eens te laat. Hoe komt dat? Hij is getrouwd en zit thuis een beetje onder de plak. Daar doen z’n maten wat lacherig over, maar ze zien ook wel pluspunten: Witok zit redelijk verzorgd in de kleren, hij krijgt geen natte voeten: z’n schoenen heeft hij
28

voor vertrek nog moeten repareren. En hij heeft altijd eten bij zich, voor alle drie!

Maar eerst nog even aandacht voor hun beroep: het is echt aan te bevelen je ook hier weer goed te realiseren waar dat op neer komt, wat je daarvoor moet kunnen. Die herdersrollen worden graag gespeeld, maar toch is het niet zo makkelijk die sfeer te pakken; het gaat echt niet zo maar om een stelletje naïeve lomperiken of ongemanierde lolbroeken., (zonder borden en bestek aan tafel eten betekent toch niet automatisch vies eten?). De vraag is om te beginnen: hoe kom je tot een ‘oerbeeld’ van wat een herder is. Dat kan bijvoorbeeld vanuit de tegenstelling herder – koning. Maar zoek vooral ook naar algemene karakteristieken:

* ze staan onderaan de maatschappelijke ladder, arme mensen, die voor de schapen van anderen moeten zorgen.

* Ze zijn het minst ontwikkeld in de zin van intellectueel geschoold en opgeleid, ze leven in hoofdzaak in en met de natuur en zijn daar volkomen afhankelijk van en er ook enorm mee verbonden: ze moeten de weersomstandigheden leren inschatten, geschikte weidegronden uitzoeken, alert zijn voor dreigend gevaar (wolven). Dat vraagt een uiterst subtiele georiënteerdheid op de aarde en de elementen.

* Ze beschikken over een grote openheid voor allerlei gewaarwordingen en staan wat betreft een aantal aspecten ook dicht bij de boeren, al is er natuurlijk een fundamenteel verschil (denk aan het Kaïn/Abel-contrast). Ik maakte één keer mee, dat een oudere boerenknecht de rol van Witok speelde: dat was een ontroerende ervaring: je hoefde hem geen enkel advies te geven, geen enkele regieaanwijzing. Hij was een herder, vanzelfsprekend.

De meesten van ons moeten zo’n kwaliteit zien te verwerven. Weet je bijvoorbeeld, hoe zo’n dikke, vettige schapenvacht voelt? Hoe schapen grazen, keurig en systematisch en hoe totaal anders geiten daarentegen hun voedsel tot zich nemen links en rechts, hap-snap.

Je komt als bewuste 21e-eeuwer al een heel eind als je probeert iets van die basis-stemming te pakken en ’waar’ te maken, je in te leven in iets van die naïeve spiritualiteit, vervuld van een diepe eerbied en innige vroomheid. En daarnaast stevig op de grond te staan, niks geen sentimentaliteit, maar met pittige humor. En probeer bij de eerste stap al als een herder, als dié herder te lopen, ook bij de ommegangen!
29

Dit alles als algemene basis. Maar dan! Probeer de onderlinge verschillen op te sporen en werk die met verve uit! Want een herder is wel een herder, maar ook een mens met een eigen karakter, leeftijd, gezinssituatie, sociale plek in dat groepje.

Hoe kom je die dingen op het spoor? Door gewoon goed te luisteren.

a. ) Wat zeggen ze (inhoud)?

b. ) Hoe formuleren ze dat (weinig/veel woorden, woordkeuze)?

c. ) Hoe reageren ze op elkaar, op gebeurtenissen, op ervaringen?

Dat blijken ‘gouden sleutels’! Dan leer je ze namelijk kennen.

Gallus blijkt goed georiënteerd over allerlei actuele zaken en verordeningen en maakt zich daar zorgen over.

Stiegel weet nergens van en vraagt zich af of ’t maar een kletsverhaal is of echt waar (Gallus kan daar dan ietwat beledigd heftig van ja knikken) omdat ‘het volk’ nu juist betere tijden verwacht.

Witok, al wat ouder en met verantwoordelijkheid voor misschien wel een talrijk gezin, begint erover te jammeren, dat hij de eindjes maar nauwelijks aan elkaar kan knopen en dat iedereen aldoor maar tegenslagen ervaart.

Dan komt er meteen weer die kant van Gallus naar de oppervlakte: nou, zó zielig heeft Witok het toch zeker niet en hij start een lange tirade van zelfbeklag, waar de andere twee op een gegeven moment schoon genoeg van krijgen. Hij gebruikt altijd veel woorden en houdt zeker niet van vaagheden. Als hij over de wolf begint en de andere twee, maar Gallus zelf óók, bij dat woord alleen al schrikken, probeert Stiegel die allergrootste dreiging in hun bestaan wat te verdoezelen en suggereert dat het net zo goed de hond van de slager geweest kan zijn. Alsof dat wat uitmaakt! En “bij ongeval doodgebeten” is helemaal vage onzin. Maar hij verdraagt het domweg niet dat Gallus het zomaar bij de naam noemt. Dat is toch ook iets wat wij kennen? Wij verdragen vaak niet dat iemand iets cru uitdrukt, een rechtstreekse formulering gebruikt, die nogal bedreigend overkomt en hanteren z.g. eufemismen, waardoor de klap iets minder hard aankomt, ook al houd je jezelf daarmee soms enigszins voor de gek; denk aan CA in plaats van kanker. Maar ook bij het overbrengen van een vervelende boodschap of ‘t bespreken van steken die je collega heeft laten vallen. Doe je dat zonder er doekjes om
30

te winden, door ongezouten man en paard te noemen, dan heb je grote kans op bonje. Iets dergelijks speelt zich hier ook af tussen Gallus en Stiegel. Gallus blijft bij zijn manier van weergeven en die twee krijgen ruzie. Ook al zo interessant om na te gaan hoe dat knokpartijtje nu precies ontstaat. Wie begint daarmee? Gallus is goed van de tongriem gesneden, Stiegel is daar niet zo goed in en dan zie je wat er bijv. ook kan gebeuren bij kinderen, wanneer de één niet meer tegen het gelijkhebberige geredeneer van de ander opkan: hij gaat op de vuist! Ook dit zijn weer zulke ongelofelijk treffende processen, waarbij je die typerende karakteristieken op het spoor komt! Stiegel deelt vanuit een soort machteloosheid de eerste mep uit. En wat gebeurt er nu? Grijpt Witok die vechtjassen bij hun, nekvel? Hij heeft grote moeite met dat geruzie, maar is absoluut niet het type dat ze uit elkaar haalt en met gezag beveelt dat het afgelopen moet zijn. Hij is een zachtmoedig mens en wijs! Zijn taktiek is ‘afleiden’, ook al zo’n prachtig, oeroud recept. En dat werkt onmiddellijk. Met het eten dat zijn vrouw hem heeft meegegeven zwaait hij tussen het tweetal en de ruzie is voorbij.

Drie totaal verschillende karakters, in combinatie met leeftijd en sociale plek binnen hun ‘beroepsgroep’:

Gallus: middelbare leeftijd, veertiger, nuchter denkend.

Witok: ouder, getrouwd, levend vanuit het middengebied, levenservaring.

Stiechel: jonge knul, energiek, impulsief, vanuit de wil reagerend.

Ze gaan eten en dat vraagt ook aandacht: er wordt soms overdreven ongemanierd gedaan. Daar moet je toch mee oppassen. Natuurlijk eten ze niet met mes en vork en natuurlijk kunnen ze best een stukje spek tussen hun tanden uitpeuteren en tegen vingers aflikken is ook niks en verzin nog maar wat … Stiechel kan ook best proberen nog iets extra uit Witoks tas te pikken (omdat hij, vergelijkend, vindt dat hij te weinig heeft gekregen) en hem met dat doel even afleiden door bijvoorbeeld naar een ster aan de hemel te wijzen, maar ga niet zogenaamd lollig vies zitten eten, dat is zo goedkoop.

En dan verandert opeens de stemming. Witok vertelt over die verwachting onder het joodse volk, de vervulling die nabij lijkt. De andere twee zijn een en al aandacht. Gallus uit zijn verlangen en stelt zich de intense vreugde voor, maar tegelijk in een vorm die uitdrukt: was het maar zover! Maar helaas … nu nog niet. Weer die wat zorgelijke, piekerende zielenhouding. Daartegenover Stiechel, die heel nuchter even
31

exact wil weten: wanneer en waar. Als Witok dan antwoordt, dat hij alleen iets over de plaats weet, namelijk vlakbij en over de uitverkoren maagd spreekt, zie je ze a.h.w. opgaan in dat beeld en in een dromerige sfeer komen, waar dat gapen en ’t voorstel even een uiltje te knappen vanzelf in uitmondt.

Als dan de Engel in hun droom verschijnt en hen aanspoort op weg te gaan, krijgen we weer een uniek beeld van hoe fundamenteel verschillend deze drie dat opnemen, ervaren en later verwoorden: ook hier zijn hun teksten onderling absoluut niet verwisselbaar!

Gallus is als eerste even half wakker, te wakker en te dicht bij het aardse om die andere wereld zuiver waar te nemen: het is niet pluis, spookt het soms? Hij heeft last van het nuchtere intellect. Stiechel ervaart al het wonder en neemt iets lichtends waar. Alleen Witok, dicht bij de essenties, kan precies benoemen wat het is: een duidelijke stem en een engelenschaar. En dezelfde verschillen zien we als ze, wakker geworden, elkaar vertellen, wat ze hebben gedroomd. Natuurlijk is Gallus het eerst wakker: hij is gewoon de meest ‘wakkere’ van ’t stel, in die zin modern. Stiechel, als impulsief wilstype slaapt letterlijk ’t langst en komt pas bij z’n positieven als hij eerst, wakker gepord, een flinke smak maakt en zich daardoor realiseert: er is iets bijzonders gebeurd. Als ze dan zingend verslag doen, merk je hoe Gallus veel woorden nodig heeft om een nauwkeurige uiterlijke beschrijving te geven van de situatie in Bethlehem. En Witok? Zijn hart vloeit over van zoete vreugde en honing en bloeiende rozen! Hij geeft een gemoedsbeeld. Stiechel beschrijft het op weg gaan, de actieve kant, een engel neemt hen mee naar de plek, waar het wonder heeft plaatsgevonden. Als Gallus dan voorstelt om er heen te gaan, kun je bijvoorbeeld Stiechel onmiddellijk laten vertrekken, maar bij z’n mouw laten pakken door Gallus, die hem erop attent maakt, dat ze iets dienen aan te bieden. Ook dat weet Stiechel meteen, heel praktisch een kruikje melk (verwant met het etherische), Witok kiest een lam (verwant met het astrale) en Gallus neemt twee ‘producten’, fysiek geworden, ’losgemaakt’ van het dier: de wol en ‘losgemaakt’ van de plantenwereld en bewerkt: ‘het meel’, ook weer volkomen passend bij elk van hen en tegelijkertijd heel logische zaken, passend bij hun leefwijze Onderweg raken ze eerst toch even het spoor bijster in de duisternis, maar typisch weer, hoe Gallus zijn ogen de kost geeft en als eerste dat “strooi huis” waarneemt en daar dan naar de precieze weg wil informeren. Maar bij Jozef weet hij eigenlijk niet hoe hij onder woorden moet brengen, waar ze precies naar op zoek zijn en schuift daarom Stiechel naar voren, die geen enkele moeite heeft hun vraag heel direct met weinig woorden te formuleren. Dan de ontroerende scène rond de
32

krib. Weer heeft Gallus twee keer zoveel tekst nodig om alles onder woorden te brengen, maar wat een roerende benadering: hij ziet alle details van de erbarmelijke entourage, voelt a.h.w. al die prikkerige strootjes, beschrijft alles wat hij waarneemt aan het hele gezichtje zo liefdevol: een prachtig voorbeeld van fenomenologisch kijken! Het is een hele opgaaf om die aanbiddingsscène werkelijk in al z’n intieme devotie waar te maken en de verschillen ook hier weer aan te brengen. Er bestaat een groot schilderij van Hugo van der Goes (Florence), waarop rond het geboren kind een groot aantal engelen te zien is met allemaal verschillende aanbiddingsgebaren, elk een andere nuance van aanbidding karakteriserend; zo kun je ook zoeken welk aanbiddingsgebaar het best bij het karakter van elk van de drie herders past.

Ten slotte komen ze buiten, alle drie vervuld van wat ze zojuist hebben beleefd. Wat zien we nu gebeuren? Ze hebben alle drie dat heel bijzondere beleefd. Maar… hoe gaan ze daarmee om? Gallus begint er meteen over, diep onder de indruk, maar tóch begrijpt hij het niet, er klopt iets niet: in zulke erbarmelijke omstandigheden is geboren Hij die regeert “de wereld wijd….”, waarop Witok hem uitlegt, waarom dat nu juist zo de bedoeling is, namelijk als voorbeeld dat we het niet moeten zoeken in uiterlijkheden, in statie en pracht, maar in de deemoed en dat Hij zó dichtbij iedereen kan zijn. Gallus luistert vol aandacht en lijkt het nu te begrijpen, maar hoe moet hij er dan zijn makkers over vertellen, die zullen beslist denken dat hij niet goed bij z’n hoofd is en ’t “nooit niet geloven” want “deuse saek gaat het verstand te boven” en dat verstand is nou net het gebied waarin hij zich thuis voelt: hij verliest hier vaste grond onder de voeten. Witok daarentegen heeft geen enkele moeite er met wie dan ook over te spreken en deelt mee dat hij de belangrijkste wereldlijke autoriteiten (landheer en stadhouder) morgen op de hoogte gaat stellen. Laat zien hoe Gallus dat gewoon nauwelijks kan vatten, nl. hoe Witok er niet alleen moeiteloos over kan spreken, maar ook nog eens zomaar alle hiërarchische barrières durft doorbreken! Dan nog Stiechel: die heeft affiniteit met het ontwikkelingsaspect, hoe je vanuit een heel bescheiden plek tot het hoogste kan komen. Hij ziet de dynamiek van ‘de weg’, de mogelijkheden, en noemt daarbij David, die toch ook maar als simpele herdersman begon en wat heeft die niet allemaal bereikt!

Geniaal hoe binnen die herderlijke beroepskarakteristiek zo genuanceerd en subtiel de kwaliteiten van Denken (Gallus), Voelen (Witok) en Willen (Stiechel) zijn uitgewerkt op een volkomen natuurlijke, haast onopvallende manier.
33

En dan lijkt het spel afgelopen. Maar nee, daar komt op het nippertje nóg een herder aanschuifelen, oud, krakemikkig, dovig. Wat vertegenwoordigt hij? Van waar komt hij? Vanuit het publiek. Dat zijn in principe wij allemaal: geen engelboodschap ontvangen, hij niet, wij niet.

Maar… hij heeft iets opgevangen, geruchten doen de ronde. .. Wat kun je zoal met geruchten doen?

a) . je schouders ophalen en denken: ’t zal allemaal wel, ze zeggen zoveel; en het dan gewoon laten voor wat het is.

b) . of…’t gevoel krijgen: hé, daar wil ik meer van weten! En dan ga je erop af, dan ga je vragen stellen.

Dat laatste doet dus Chrispijn. En al herhalend wat hij hoort, zie je dat hem een licht opgaat, een verband leggend met die oude voorspellingen en hij realiseert zich wat er aan de hand is, waar ze ’t over hebben! Hij kiest als geschenk “een slip van zijn pelsvacht”. Is dat maar een wat krenterig gebaar? Nee, hij is de enige die iets echt van hemzelf afstaat, dat deel van zijn eigen warmteomhulling, dat hij kan missen. (Vergelijk ’t met Sint-Maarten die ook niet zijn hele maar zijn halve mantel wegschenkt). En wanneer zijn makkers hem voorstellen de volgende dag met hen mee te gaan en hij vraagt hoe ver het eigenlijk is, is dan hun antwoord alleen maar grappig bedoeld? Bepaald niet. Het is ’t enig denkbare, reële antwoord. Want hoelang duurt het tot je ‘er bent’, tot je het kind vindt? Dat is voor ieder mens verschillend. Het is de weg van het individuele Ik.

Zijn nu al die achtergrondgegevens echt nodig?

Ik denk, dat willen we niet vastlopen in vaak misschien nog best leuk maar toch vaak enigszins gedachteloos spel of merken, dat ‘men’ er geen zin meer in heeft (zoals dat op sommige plekken al zo is), maar het nog even ‘uitzingt’, omdat we het nu eenmaal altijd gedaan hebben en het er nu eenmaal bij hoort, dus als pure traditie, die min of meer leeg is geworden, dat het dan verwatert tot een misschien nog net acceptabele traditie, die echter ongemerkt is leeggelopen. Wij willen als moderne mensen toch weten waarom we iets doen, wat de zin ervan is! Hoe meer we ons ervan bewust zijn waar we het over hebben en ons afvragen wat voor betekenis er achter een aantal aspecten schuilt naast het puur in beeld brengen van het Bijbelse verhaal en de inhouden als actueel kunnen ervaren, des te sterker kan de werking ervan worden. Want het
34

hele spel zit boordevol met min of meer verstopte wijsheden! Daarom vond Steiner het zo ontzettend belangrijk, dat met name kinderen dit soort essentiële waarden krijgen aangereikt. Ook kan er een enorme intensivering optreden als iemand een paar keer dezelfde rol speelt (dus niet even het oude maniertje van een vorig jaar uit de mottenballen vist!). Hoe meer we ons bewust zijn van waar we het over hebben, des te sterker kan de werking zijn en dat hoeft absoluut niet ten koste te gaan van creatief en levendig spel. Integendeel! Want je kunt dan uiteindelijk alles waarin je je hebt verdiept, wat je je bewust geworden bent en je gezoek naar hoe je dat uiteindelijk vorm kunt geven, ook weer loslaten en je open en vrij, zonder geredeneer in het spel en de sfeer voegen.

 

 

36

HET DRIEKONINGENSPEL

Hoe fundamenteel anders dan het Kerstspel! Vanaf het allereerste ogenblik word je als toeschouwer al min of meer gedwongen op het puntje van je stoel te gaan zitten en uiterst scherp op te letten. Je niet in die blije, warme, verwachtingsvolle stemming openen voor de sfeer, die het op het Evangelie van Lukas gebaseerde Kerstspel meteen al bij de start aandraagt. Nee, het op het Mattheus-Evangelie gebaseerde, uitgesproken dramatische, Driekoningenspel is confronterend, vraagt om uiterste alertheid en om de uitspraken en gebeurtenissen op een goudschaaltje te wegen. Ook hier gaat het weer om een ‘mysteriespel’, d.w.z. dat er ongelofelijk veel diepgaande wijsheid schuilgaat achter schijnbaar min of meer ‘gewone’ woorden en vormgeving van dit spel. En weer komt het erop aan door de teksten heen zicht te krijgen op de essentiële ‘boodschappen’, waar we ook in ons eigen leven mee te maken hebben!

Het begin: open toneel, lege banken tegen een witte achterwand met op 1/3 van bovenaf een gouden band (zoals in Dornach van oudsher gebruikelijk). Geen deur die opzij in de zaal, dichtbij het publiek, de spelers binnenlaat, geen begin-akkoord en gezang. Nee, stilte. Dan hoor je van links opzij (gezien vanuit de toeschouwers) op het toneel langzame voetstappen en er verschijnt een lange rij spelers die zwijgend opkomen en het publiek dus niet aankijken. Ritmisch, stap, stap, stap zo lopen ze naar rechts, de groep draait een kwartslag zodat ze oog in oog staan met de toeschouwers. En dat kan best wat onbehaaglijk voelen. En dat moet ook! Laat niemand het in z’n hoofd halen alvast toch maar met een lied te beginnen om ‘beter in de sfeer te komen’!

Alle spelers gaan dan tegelijk zitten (op een teken van de Duivel). De Engel kondigt aan waar dit spel over zal gaan en dat het bepaald geen heidens verzinsel is. Hij kan goed door een man worden gespeeld of door een vrouw, die krachtig maar vooral niet elegant moet willen overkomen! De Engel draagt een staf met bovenaan een afbeelding van de Sixtijnse Madonna.

Hier en daar zie je dat men het eerste optreden van de drie koningen maar weg laat, omdat het anders te langdradig zou kunnen worden…. Dat is een trieste zaak, want nu komt het erop aan je grondig bezig te houden met: wat zijn eigenlijk koninklijke kwaliteiten? Maar speciaal met de grote onderlinge verschillen tussen deze drie priesterkoningen. Heb je
37

last van wat er nu nog in enkele landen aan koningshuizen bestaat, denk je aan Beatrix of Queen Elisabeth, dan gaat het makkelijk mis. Je krijgt dan al gauw een beeld van deftige, ietwat saaie stijve harken en zich onberispelijk gedragende heren (hoewel ze natuurlijk niet even een sok moeten gaan ophijsen of op hun hoofd krabben). Dat beeld heeft niets te maken met werkelijke koninklijke kwaliteit en waardigheid! Ga eerder na of je mensen kent, die zich onder bedreigende omstandigheden, onverwachte ernstige tegenslag altijd ‘waardig’ konden gedragen, bij wie het opviel, dat ze een a.h.w. koninklijke houding konden behouden en hun lot dragen, zonder voortdurend anderen de schuld te geven of te lopen schelden over wat hun zo ‘onverdiend’ was overkomen. Zo kun je proberen in mensen om je heen iets van zulke ‘koninklijke’ kwaliteiten op te sporen.

En dan kom je al direct bij een andere figuur in dit spel nl. Koning Herodes. Hoe zit dat dan?

Deze figuur is een zetbaas van de Romeinse overheid met de opdracht de boel in dat land onder controle te houden met alle denkbare middelen. Hier komen we direct bij het begrip ‘macht’, dat in feite snel kan leiden tot misbruik.

Ten slotte staat in het centrum van het hele verhaal: de Hoogste Koning.

Drie aspecten van ‘koning’, waar je je bewust mee uiteen zou moeten zetten.

En zo is het hele spel vol van tegenstellingen: echt en vals koningschap, echte dienstbaarheid tegenover slaafse, op angst gebaseerde onderworpenheid, echte wijsheid tegenover pure kennis of verstarde, krampachtige, dogmatisch geworden wijsheid en ten slotte: het willen luisteren naar de influisteringen van Duivel of Engel. We komen dat in dit spel telkens tegen en moeten als spelers die contrasten bewust herkennen, benoemen en tegenover elkaar plaatsen.

We zien nu om beurten de drie ‘Koningen’ verschijnen. Goed is eerst even hun andere benamingen te noemen: priesterkoningen, wijzen uit het Oosten, magiërs, wat een essentieel en verhelderend accent legt op hun werkelijke kwaliteit en functie: zij zijn in feite de laatste ingewijden uit de oude, inmiddels al decadent geworden, mysteriescholen.

We zien dan eerst Melchior (middelbare leeftijd), hij speurt de verschijnselen aan de hemel af, kijkt heel zorgvuldig en neemt iets bijzonders waar, laat zich instrumenten brengen, “Gatterkompas” = Kwadrant en
38

kompas (het kan heel boeiend zijn hem die instrumenten op de juiste wijze te zien gebruiken, daarvoor kan iemand misschien eens de verschillende kwadrant-soorten bestuderen en nagaan hoe ze precies gebruikt werden) en bestudeert de geschriften, om exact na te gaan wat er gaande is. Ten slotte laat hij een deskundige komen, Viligratia. Die kan iets pedants hebben, maar let goed op! Hij bladert in zijn boek, vermeldt wat hij daaruit te weten is gekomen, maar… ‘hij gaat niet buiten zijn boekje’! Zeer beslist klapt hij het boek dicht en gaat niet speculeren. Hij bezit kennis, hij vertegenwoordigt de pure wetenschapper, maar blijft bescheiden. Natuurlijk mag hij best een tikje belachelijk overkomen als dorre, droge kamergeleerde, maar vooral niet overdrijven! Want anders zou Melchior, die vanuit zijn wijsheid nu weet wat er gaande is en op weg wil gaan, toch nóóit aan Viligratia vragen om tijdens zijn afwezigheid het regiment te voeren! Viligratia is namelijk uiterst betrouwbaar en zal geen staatsgreep plegen tijdens Melchiors afwezigheid. Maak er dus geen belachelijke paljas van! Melchior en Viligratia buigen ook voor elkaar ten afscheid. In Dornach noemden ze zijn manier van lopen: ‘Storchenschritt’: dus lopen als een ooievaar, heel bedachtzaam zijn voeten hoog optillend.

Nog even aandacht voor de page. Vergelijk die met de lakei van Herodes. Beide staan dienstbaar hun heer terzijde, maar hoe lichtvoetig en zonder enige angst handelt de page! Straks bij de ontmoeting van de koningen in de woestijn komt er nog een heel bijzondere eigenschap naar voren.

Dan komt de oude Balthasar op (de oudste van de drie, geen baard, anders heeft hij al gauw een soort Godvader uitstraling!). Heeft hij de ster ook gezien? Nee. Hij heeft van zijn hofstoet vernomen, dat er een wonderbaarlijke ster aan de hemel is verschenen en realiseert zich onmiddellijk wat dat betekent. Gaat niet eerst zelf eens kijken, gebruikt geen instrumenten, raadpleegt geen deskundige. Op grond van een diepe vertrouwensband met zijn ‘personeel’ en door zijn eigen inzichten en wijsheid wéét hij dat het lang verwachte nu plaats vindt en besluit zo snel mogelijk de reis erheen te aanvaarden en roept iedereen op (hij richt zich nadrukkelijk tot de toeschouwers!) dat ook te doen.

Ten slotte komt Caspar, de jongste, op met een veerkrachtige pas, dynamisch, wilsmatig en bijna uitbundig van opperste vreugde en roert al even de tragiek van de schriftgeleerden aan. Dan is er een moment van bezinning. Hij gaat even zitten en overweegt wat een passend geschenk zou zijn en veert weer overeind als hij het heeft bedacht.
39

Volgens de ‘officiële’ aanwijzingen plaatst de Duivel (puur als toneelknecht) hun troon en ruimt die weer weg. Maar dat blijkt nogal wat verwarring te scheppen, dus dat doet meestal de page.

Over de geschenken valt van allerlei te zeggen en de staven moeten ook even genoemd. Die laatsten worden in de linkerhand gedragen en nooit als wandelstok gebruikt! Het zijn tekenen van hun koninklijke waardigheid en ze worden bij de aanbidding van de Hoogste Koning dan ook even weggezet. De staf van Melchior is zwart en dat heeft te maken met zijn kwaliteit van denker, exacte waarneming en ‘aards’ kunnen berekenen. Die van Balthasar is goud (denk nu niet: dat hoort dan toch bij Melchior die het goud als geschenk biedt). Bij Balthasars staf geeft het zijn hartenkwaliteit aan, de innerlijke warmte. Caspars staf is van blank, onbewerkt hout: dat duidt op het toekomstaspect, dat ligt nog open, daar moet het nieuwe gebeuren!

Wat betreft de geschenken: daarbij kun je denken aan: goud is het edelste, kostbaarste qua materie, dat de aarde biedt en weegt het zwaarst. Het oxideert niet (wordt niet dof) en behoudt altijd zijn zuivere stralende glans en is het metaal dat bij de zon hoort (zoals zilver bij de maan, koper bij Venus enz.). Wat is de bijzondere kwaliteit van wierook? Het bestaat uit schijnbaar bescheiden producten uit de natuur, die door verbranding hun geur ontwikkelen en opstijgend naar de hemel de gebeden begeleiden van de mensen, die hun innerlijk openen voor de onzichtbare wereld. Wierook verkrijgt pas zijn werking als de materie ‘verdwijnt’! Caspar geeft de bittere mirre: dat is van oudsher een product dat werd gebruikt bij het balsemen van gestorvenen in Egypte, werkt samentrekkend, conserverend, maar is ook een geneeskrachtige plant en duidt op wat de komst van Christus betekent: Hij wordt toch ook ‘Heiland’ genoemd, dat betekent: hij die geneest (helen, Duits: heilen). Maar zoek vooral nog naar andere gezichtspunten hierover!

Bij de ontmoeting in de woestijn, stelt Melchior aan de anderen de vraag naar hun doel. Het kan geen kwaad om je daarbij ook de lange en bezwaarlijke tocht door hitte en droogte te realiseren, een uiterst veel vergende, risicovolle onderneming, die hen door de woestijn voert. Ze zijn hogelijk en blij verrast als hun doel hetzelfde blijkt, maar let vooral op wat de page nu doet: die wordt niet weggestuurd omdat de heren even rustig samen alles willen bespreken, nee, hij voelt dat zelf heel zuiver aan en trekt zich stilletjes terug! De page beweegt zich vrij, heeft een zekere frisheid, staat klaar om alles te doen wat er van hem wordt gevraagd, maar toont eigen initiatief, let op en denkt mee. Aan dat contrast tussen de page en de lakei kun je je realiseren hoe je je als
40

‘ondergeschikte’ autonoom en verantwoordelijk kunt voelen, ruimte kunt creëren binnen de jou toebedeelde taken en functie en dus niet zonder meer en uitsluitend naar de pijpen van een luimige baas hoeft te dansen. Dat is een keuze: voel ik mij een slaaf of een vrij mens?

Samen gaan de koningen nu verder. Telkens komen er momenten waarop zij even het spoor bijster zijn en een beslissing moeten nemen. Ze kiezen voor informatie inwinnen bij de plaatselijke autoriteit.

Dan zijn we aan het hof van Herodes. De ervaring leert dat iedereen daarop zit te wachten, nu wordt het spannend! Dat legt een grote verantwoordelijkheid bij degenen die de drie koningenrollen spelen! Die dienen enorm te investeren in hun kwaliteiten en verschillen om voor het publiek zo sterk en indrukwekkend en overtuigend te verschijnen, dat ze een reële optie vormen om voor te kiezen: de kinderen zouden a.h.w. door hun stoeltjes moeten zakken van ontzag.

Herodes kan op vele manieren gespeeld worden: niet van koninklijken bloede mag hij het zeker in uiterlijkheden zoeken: een arrogante pose, een fonkelende ring, als hij gaat zitten zorgvuldig z’n mantel plooien enz. Zijn scepter( kubusvorm bovenop) houdt hij in z’n rechterhand en slaat er regelmatig mee op de leuning van zijn zetel om duidelijk te laten merken wie het hier voor het zeggen heeft en om bepaalde uitspraken te benadrukken.

Intussen heeft de slaafse, domme, maar ook angstige (hij kan tenslotte telkens weer ergens voor op z’n donder krijgen) lakei omslachtig alles rond de zetel van z’n baas (door de Duivel, die hier toneelknecht is, slordig neergezet en nog even met z’n staart opgepoetst, ook kan hij er zelf even grijnzend op gaan zitten) in orde gebracht: de troon rechtgezet, gepoetst (met of zonder een beetje spuug), misschien even een vlo gevangen en die met z’n nagels geknakt, daar kun je heel wat fantasie op loslaten!

Hij haalt Herodes en samen komen zij op, waarbij de lakei zijn heer wat tracht te imiteren: hij stelt zelf namelijk niets voor, is een nul, zijn ‘ik’ is er uitgeranseld zou je kunnen zeggen. Een interessante oefening tussendoor kan zijn voor de spelers: loop eens als een hoog of lager geplaatste1 hoveling aan het hof van Herodes: altijd op je hoede, wordt er over mij geroddeld?, sta ik misschien al op de lijst van personen die uit de weg geruimd gaan worden? heb ik net – voor hoe lang? – een bevoorrechte positie gekregen door een paar anderen zwart te maken? Enz. enz. Of beweeg ik me zonder angst aan het hof van een van de drie koningen.
41

Herodes maakt zijn positie duidelijk en waarschuwt: pas op als ik kwaad wordt. Hij zal vandaag ‘rechtspraak’ houden, maar dan krijgt hij hoog bezoek en wil via de lakei vooraf weten waar ze vandaan komen en wat ze van plan zijn, en gaat nog even in een passende houding zitten om indruk te maken. Wanneer ze vertellen waar ze voor komen zie je Herodes heel ingehouden behoorlijk van slag raken en daarover ook, terzijde, een opmerking maken. Dan reageert hij allerbeminnelijkst dat ze maar moeten gaan kijken en hem komen vertellen wat ze hebben gevonden om het Kind dan zelf ook te kunnen aanbidden en geschenken te geven (die laatste zinnen komen er duidelijk geforceerd uit). De koningen, zo intens vervuld van hun wens het Kind te vinden, dat ze de doortraptheid van Herodes niet door hebben, beloven dat te zullen doen! Dat is weer zo’n typisch moment om even bij stil te staan. Want later zullen we horen, dat ze op grond van nieuwe inzichten besluiten dat niet te doen. Leerden we als kinderen niet: ‘wat je beloofd hebt moet je ook doen!’ (Kikkerkoning) en dat is ook zo. .. in principe. Je moet wel heel gegronde redenen hebben om dat niet te doen!

Intussen laat Herodes, totaal van de kaart, de schriftgeleerden komen. Daar zitten we meteen met een gigantisch probleem! Wat zijn dat voor figuren? Het is belangrijk je te realiseren, dat we hierbij ook te maken hebben met een van de enorme contrasten in het spel: tegenover elkaar: het allerbeste, edelste vanuit de joodse traditie en cultuur: Maria en Jozef en het Kind en daar tegenover deze schriftgeleerden, vastgelopen en verkrampt in dogmatiek (komen we dat nu ook nog tegen?).

Hoe speel je nu die schriftgeleerden? Daar wordt nogal wat mee gesold en geëxperimenteerd De situatie is zo, dat deze priesters oorspronkelijk de grote taak hadden de komst van de Messias voor te bereiden. Maar hier zien we, dat ze wel degelijk over veel oude inzichten beschikken, maar het tegelijk op een akkoordje gooien met de zetbaas van de Romeinen, zich daardoor op politiek terrein begeven en daarmee proberen zo veel mogelijk voordelen uit die ‘goede verstandhouding’ en medewerking te slepen en dat betekent dat ze hun eigenlijke opdracht uit het oog verliezen. Hun oorspronkelijk wijsheid is zodanig tot dogmatische theorie geworden, dat ze niet open staan voor wat er in werkelijkheid gaande is. Daarin ligt hun tragiek. Ze zijn daardoor behoorlijk onzeker, angstig, nerveus, op hun hoede. Dat moet je laten zien. Dus pas op voor dat gewapper met de handjes! Wél kun je ze met hun handen schrikachtige bewegingen laten maken, zoals je zelf misschien ook zou doen als je opeens onverwacht geconfronteerd wordt met iets waar je van schrikt. Dat moet je echt oefenen om het niet tot dat clichématige gewapper te laten ontaarden! Ook het geschuifel zonder de
42

voeten op te tillen kan zinvol zijn als je het ervaart als een te diep met het aardse materiële verbonden zijn, ze zijn te ‘laag bij de gronds’ geworden … In deze situatie bij Herodes zijn ze gewoon erg angstig en onzeker! (maar hijzelf is óók uiterst achterdochtig). Ze weten heel goed, dat hij niet te vertrouwen is. Herodes heeft allerlei vragen en zegt dat ze ‘ongestraft’ kunnen antwoorden, een hele geruststelling. We krijgen nu te maken met het feit dat ze allerlei woorden van Herodes herhalen; je moet duidelijk kiezen welke. Dat ‘ongestraft’ herhalen ze opgelucht naar elkaar, maar met “mishagen mag’’ schieten ze weer in dat schrikachtige, meteen gevolgd door “geern van u liet raden” weer opgelucht en  ten slotte bij “wat gij bevont” aangesproken op hun kennis en deskundigheid. Je moet dat zorgvuldig uitwerken en nuanceren! Ze overleggen dan even apart met hun schriftrollen erbij om dan samen uit één mond (als een leeg geworden formule) exact te vertellen wat de verwachtingen zijn, zelfs even verder dat het beslist niet zal gaan om een bedreiging voor Herodes’ wereldlijke machtspositie! Ook dat de nieuwe Koning door zijn eigen volk zal worden bespot en ter dood gebracht. Herodes, ongelofelijk geschrokken, oppert het idee om al meteen maatregelen te treffen, waarop de schriftgeleerden hun best doen hem te kalmeren en hem aanraden eerst maar eens even de bevindingen van die drie koningen af te wachten. Na nog enkele vragen en de melding dat het allemaal in Bethlehem zal plaatsvinden, jaagt Herodes ze in opperste irritatie en angst weg, waarbij de lakei een handje helpt en zich daarbij geweldig flink en stoer voelt.

Waarom dit uitweiden over de schriftgeleerden? Om af te rekenen met de beschamende persiflage van hoe ‘joden’ zich zouden gedragen, maar het accent te leggen op de tragiek van deze figuren. Dat neemt niet weg dat er best hier en daar wat komische situaties mogen ontstaan, als er bijvoorbeeld een van het bankje valt of dat bankje omvalt als ze weggejaagd zijn bij Herodes: er moet ook ruimte zijn om even uit die loodzware tragiek los te komen! Maar het moet functioneel zijn en niet voortkomen uit het belachelijk willen maken van joden, hoewel dat in de oude tijden in Oberufer wel degelijk zal hebben meegespeeld.

Zodra de schriftgeleerden vertrokken zijn, uit Herodes, volkomen van slag, zijn plan om het kind te doden (op de achtergrond lacht de Duivel). Het is een onverdraaglijke gedachte voor hem dat die nieuwe koning hem mogelijk van zijn positie kan beroven (ondanks het feit dat de schriftgeleerden dat duidelijk ontkenden) en vraagt of er dan echt niemand is die hem behulpzaam kan zijn, maakt niet uit wie…
43

We zien dan hoe de Duivel zich ‘aangesproken’ voelt en Herodes pesterig van links en dan weer van rechts benadert. Nu gaat het erom na te gaan met welk aspect van de Duivel we hier te maken krijgen. Er is een groot verschil tussen de Duivel uit het Paradijsspel en deze satanische duivel. Die van het Paradijsspel is de grote verleider, die het versgeschapen ‘mensenpaar’ de schitterendste illusies voorspiegelt, balancerend tussen ‘waar’ maar ook weer ‘niet-waar’, Eva aanspreekt op haar schoonheid (iets waar Adam op die manier nog niet op gekomen zou zijn) en haar zo heel geraffineerd verleidt tot het plukken en eten van de verboden vrucht. Zijn manier van lopen is ook draaiend en slingerend en hij heeft bepaald iets charmants zou je kunnen zeggen. Eva zet dat verleidingsproces (een volkomen nieuw aspect in haar relatie tot Adam! Zorg er voor dat je die omslag duidelijk maakt) moeiteloos voort tegenover Adam, die dan ook voor de bijl gaat, een hoogst subtiel gebeuren.

Maar in het Driekoningenspel is bij de Duivel dat verleidingsaspect totaal afwezig, het gedraai eveneens. Deze Duivel tapt uit een heel ander vaatje, windt er geen doekjes om: hij hanteert een ijzingwekkende logica, is heel direct in zijn advies en geeft, als Herodes nog een probleem ziet, het advies om maar meteen alle jongetjes van 0 tot 2 jaar te doden, gewoon voor de zekerheid, dan zit het kind waar het om gaat er gegarandeerd bij! Bij Emil Bock kun je lezen hoe in vroeger tijden rituele satanisch-zwartmagische moorden werden gepleegd om daaruit, met name de zuivere, ongebruikte energie van kinderen ten eigen bate (macht) te gebruiken. Deze Herodes heeft, uit angst van de troon te worden gestoten, zijn twee zoontjes laten vermoorden, nadat zijn oudste zoon uit een eerder huwelijk deze kinderen als een groeiend risico afschilderde; hetzelfde liet hij ook met zijn vrouw Mariamne doen. Aanvankelijk wilde hij zich, door met deze nakomelinge van de Makkabeeën te trouwen, acceptabel maken bij het Joodse volk, dat toen inderdaad zijn hoop vestigde op haar twee zoontjes (die zouden dan namelijk doordat ze een joodse moeder hadden joods zijn)! In feite wilde hij graag zelf in feite de Messias zijn (daarom schrikt hij ook zo als koning Caspar zegt, dat de Messias geboren is!) en liet daartoe de Tempel herbouwen, nadat hij eerst alle werklieden tot priester had laten wijden, want het was van oudsher nu eenmaal een voorwaarde, dat de Tempel door priesters zou worden gebouwd!

[In Dornach werd er op gewezen, dat we ons moeten blijven realiseren, dat we met boerenspelen te maken hebben, hetgeen o.a. betekent, dat we vanuit onze antroposofische kennis vooral niet moeten proberen die duivels uiterlijk extreem uit te werken tot een volmaakte Lucifer en Ahriman! Een al te slanke Paradijsspelduivel gaven ze soms zelfs een
44

kussentje op z’n buik om er een stevige boer van te maken. Maar natuurlijk kun je wel bescheiden accenten aanbrengen, zoals de manier van lopen, bij deze ‘driekoningen-Duivel’ wat hinkender en met hoekige bewegingen. Vanouds kreeg de ‘paradijs-Duivel’ altijd al een oranje pruik en de ‘driekoningen-Duivel’ een zwarte pruik of kap] Direct na deze scène gaat de kompanij rond met een jubelzang: “Geboren is in Bethlehem…”

De spelers moeten zich bewust zijn van deze radicale omslag en krachtig en stralend het lied inzetten en dat zo volhouden!

Vervolgens zien we de drie koningen, niet wetend hoe nu verder. Caspar vraagt om hulp in een gebed. Typerend voor Melchior: die kijkt naar de wegen op aarde, ziet er twee en vraagt zich af welke ze moeten nemen? En typerend voor Balthasar: die kijkt omhoog en ziet de ster, die stil staat boven de stal (hier zie je overigens wel, dat zich al een vermenging van de twee evangeliën begint af te tekenen: de stal hoort bij het Lucasverhaal, als tijdelijk onderkomen, want dat ouderpaar woont eigenlijk in Nazareth! Zij hadden daar nauwe contacten met de naburige Essenen-gemeenschap). Bij deze Maria uit Nazareth kun je spreken van een heel ‘jonge’ ziel met een paradijselijke onschuld als kernelement. Zij moesten daarvandaan op weg naar Bethlehem om zich daar te laten inschrijven. Ze gingen later weer terug, volkomen onbekende, onopvallende mensen.

Het ouderpaar in het Mattheusverhaal woont in een echt huis in Bethlehem en geniet hier ook een zeker aanzien, ze zijn ‘bekend’ en worden daarom later gewaarschuwd door de Engel om snel te vluchten. In Assisi in Toscane kun je in een van de kerken een prachtig voorbeeld van hun woonsituaties zien: Naast elkaar worden de beide verhalen afgebeeld: je ziet Jozef en Maria in de stal met os en ezel en de herders die het Kind bezoeken. Rechts daarvan zie je een keurig huis, zonder os en ezel waar de drie koningen hun eer bewijzen, maar naast dat huis is een stal, waarin hun kamelen staan en die stal ziet er exact hetzelfde uit als het tijdelijke armoedige verblijf van het Lucaskind! Belangrijk is je te realiseren dat het hier echt om en ander Maria en Jozefpaar gaat!

In de apocriefe evangeliën valt veel te lezen over deze Maria, een zeer ontwikkelde rijpe ‘oude’ ziel, met een sterk morele zuiverheid, opvallend getalenteerd: ze leerde snel en kreeg allerlei vaardigheden in korte tijd onder de knie; ze werd als driejarig meisje door haar bejaarde ouders, Joachim en (H)anna, naar de tempel gebracht om daar opgeleid te worden tot tempeljonkvrouw, besteeg zonder nog een keer naar haar ouders om te kijken de trappen van het tempelcomplex, was heel
45

zelfstandig en protesteerde aanvankelijk tegen het plan van de priesters om te trouwen met Jozef. Pas toen men haar uitvoerig had uitgelegd wat haar opgave was en dat dit werkelijk de bedoeling was, voegde zij zich naar haar bestemming. Ook het verhaal over deze Jozef is indrukwekkend. Hij vindt zichzelf eigenlijk te oud om gevolg te geven aan de oproep dat alle afstammelingen uit de stam Juda, de koninklijke geslachtenreeks van Salomo en David, naar de tempel moesten komen om te zien wie de juiste echtgenoot zou moeten zijn. Vanuit de tempel was een oproep gekomen, dat al de mannelijke afstammelingen een kaal takje moesten komen brengen naar de tempel. Het twijgje dat zal ontluiken geeft dan de juiste echtgenoot aan. Jozef brengt weliswaar een klein kaal takje, maar gaat het niet ophalen. Als alle andere takjes dor blijven bij het vervolgens weer ophalen komt er nóg een dringende oproep. Dan voelt deze oude Jozef zich toch verplicht om te gaan en zie daar…! Ik ontdekte tot mijn grote verrassing een afbeelding van deze Jozef (Giuseppe) met een ontluikende staf in de pinacotheek van Volterra (Toscane) en nam stiekem een foto.

Over de achtergronden van de Maria en Jozef van het Lukas-evangelie is eigenlijk niets bekend. Maria is een ‘jonge’ ziel. Lees alles maar na bij Emil Bock (“Tussen Bethlehem en de Jordaan’).

Prachtig is, nadat de koningen eerst hun staven hebben afgegeven en hun geschenk aangereikt gekregen hebben door de page zij (meestal samen, tenzij Melchior een goede stem heeft) een lied hebben gezongen en zich dan afvragen wie als eerste zal gaan. Caspar en Balthasar zijn van mening dat Melchior als eerste moet gaan (hij toonde al vaker initiatief te kunnen nemen) waarop Melchior dit expliciet niet als eer wil zien maar “mit God” wil gaan en niet langer wil wachten.

Wanneer ze hun eerbiedige en koninklijke groet brengen is het weer van ’t grootste belang de onderlinge verschillen uit te werken: let goed op wat ze zeggen en welke persoonlijke toon daarbij past! Laat bijvoorbeeld dat enthousiasme van Caspar weer duidelijk naar voren komen, het intieme meer verstilde van Balthasar. Ze knielen om beurten als ze hun geschenken als offer aan het Kind aanbieden, waarbij ze knielen door op hun linker knie en onderbeen en op hun rechtervoet te steunen. Hun handen vouwen ze ook alle drie door de vlakke handen tegen elkaar te leggen. Waarom? Het benadrukt de gevormdheid, de koninklijke herkomst in tegenstelling tot de herders die je in die situatie gedifferentieerder, ongedwongener, eenvoudiger vorm kunt geven. Jozef en Maria bedanken. Let op: Maria zingt uitsluitend haar teksten, hetgeen een aanduiding kan zijn van haar ontwikkeling en begaafdheid. De koningen
46

nemen waardig buigend afscheid, de armen over de borst gekruist, waarbij Melchior eerst een zegening uitspreekt. Van de page krijgen ze hun staven weer aangereikt en laat die dat in rust om de beurt doen en niet met een ‘bos’ stokken komen aanzetten! Ze zijn nu vast van plan Herodes verslag te gaan doen… maar achten het gezien het late uur verstandig om eerst te gaan slapen en doen dat leunend op hun staf staand of geknield. In hun slaap verschijnt dan de Engel met het dringende advies rechtstreeks naar huis te gaan, omdat Herodes moorddadige plannen heeft. Bij het wakker worden vertellen ze elkaar over hun droom waarbij opvalt, dat Balthasar nadrukkelijk zijn diepe geschoktheid toont, maar daarbij niet opeens cholerisch wordt. Ze besluiten op grond van deze nieuwe ‘informatie’ hun belofte aan Herodes niet na te komen. Dat is zo’n ‘modern’ bewustzijnsmoment!

Dan verschijnt de Engel aan Jozef met de dringende boodschap direct te vluchten naar Egypte. Hij voorziet grote problemen, maar Maria is vol vertrouwen.

Nu komen de lange dramatische acties en gebeurtenissen rond Herodes. Die voelt zich bedrogen en is dat in zekere zin ook en in zijn ziekelijke achtervolgingswaan bedenkt hij een listig plan om die nieuwe koning uit de weg te ruimen en schuwt niet er een paar beeldende vergelijkingen bij te halen (vos met kapoen, kat met muis). Dat is hét moment voor de Duivel zich er mee te gaan bemoeien en per influistering, zonder er doekjes om te winden een feilloos werkende methode aan te dragen. En Herodes spreekt dat dan als lumineus idee uit en dat hij zich niks zal aantrekken van alle jammerende moeders. Een laatste appel op zijn geweten, een beroep op zijn barmhartigheid door Maria overschreeuwt hij, stuift daarbij overeind, niet van plan zich door die “dwazin” iets te laten verordineren! Dit is een duidelijk moment van ‘keuze’. Let er daarbij wel op, dat de lakei hierbij niet met wat voor reacties dan ook de aandacht afleidt van dit essentiële gebeuren!

Herodes gaat onmiddellijk over tot het regelen van de uitvoering van zijn plan en geeft zijn Hoofdman via een mandaat de opdracht. Een van de schriftgeleerden (oorspronkelijk was dit een vierde: Judas) die het hoort leest mee en uit zijn wanhoop en ontzetting over wat er gaat gebeuren. Zijn jammerklacht moet bepaald het hart raken, mag zeker heftig zijn en bloedstollend, maar niet in het belachelijke getrokken (de gebruikelijke valkuil bij de schriftgeleerden!). Hij wordt jammerend afgevoerd naar het gevang De hoofdman ontvangt nu een zwaard plus genoeg helpers om de opdracht snel te kunnen afwikkelen. Hij heeft er duidelijk zin in en de
47

lakei heeft ook al de smaak te pakken en zal zich zeker niet laten “besteken” (= omkopen, Duits: bestechen).

Ze vertrekken als ze de soldaten zien arriveren, waarbij de hele kompanij tegelijk van de banken opstaat en ze geschokt nakijkt en het gezicht afwendt zodra ze na gedane zaken weer verschijnen. Hoofdman, Krijgsknecht en Lakei illustreren alle drie hoe ze te werk zijn gegaan, waarbij het belangrijk is dat de meegebrachte kindertjes eenvoudige slappe lappenpoppen te laten zijn en dus niet uitgewerkte ‘echt’ lijkende baby’s! De Duivel komt ook aanzetten met een duivelskind, dat zich misdragen heeft en dus morsdood gemaakt wordt.

Maar dan komt de grote schok voor Herodes: de Hoofdman deelt mee dat ze weliswaar al die jongetjes onder de twee jaar gedood hebben, maar nergens een spoor van die nieuwe koning vonden, maar ja de klus is verder wel geklaard. Herodes beseft dat het Kind gevlucht is en dat zijn eigen leven nu schier verloren is en zegt, dat hij nu zelf wil gaan zoeken waar hij hem kan vinden. Hij krimpt ineen van angst. Dat ziet de Lakei en roept om een appel en een mes om hem er weer wat bovenop te helpen. De Duivel reikt dat aan, maar Herodes slaat ’t de lakei uit handen. Nu verschijnt de Engel achter zijn troon, beschuldigt hem van zijn walgelijke daad en zegt hem aan dat hij zal sterven, waarbij hij zijn staf (met 6-ster en afbeelding van Maria met kind langzaam naast Herodes naar de grond richt). Herodes ziet een lichtglans en ervaart die even als een positief verschiet voor hemzelf, laat de Hoofdman roepen om hem de beloofde duiten te overhandigen, maar die laat de buidel bij het woord ‘Duivel’ op de grond vallen. Dan roept de Engel de hellegeesten op om Herodes af te voeren naar waar hij hoort en hem de hellekroon op te zetten, hetgeen de Duivel dan ook doet. Op dat moment beseffen Hoofdman, Krijgsknecht en Lakei hoe makkelijk er een eind kan komen aan troon, scepter, kroon en regiment.

Nu verschijnt de Duivel om zijn prooi te halen, waarbij hij met sarcastisch genoegen de mislukte actie beschrijft. Herodes probeert met een kwantitatief steeds meer opgevoerd aanbod (ossen, rossen, z’n halve koninkrijk) z’n leven te behouden of op z’n minst te rekken, maar dat heeft geen effect: de Duivel voelt niets voor die onderhandelingen: hij wil hem nú mee, met de mededeling, dat hij heus niet alleen zal zijn in de hellepijn! Dan test hij even het gewicht van zijn prooi en merkt dat die zo licht is (: Herodes ging immers zó makkelijk in op de suggesties van de Duivel) dat het met een paar katten, ratten en muizen zonder meer zal lukken hem mee te slepen! En onder gejammer van Herodes sleurt hij hem weg.
48

Dan verschijnt de Hoofdman nog een keer en daarover zijn al heel wat discussies gevoerd! Deze botte brute soldaat, een lompe vechtjas, die zonder aarzelen de moordopdracht had uitgevoerd is tot inkeer gekomen en beseft wat Herodes heeft gedaan en heeft nu oprecht spijt van het feit, dat hij gehandeld heeft volgens het uitgangspunt ‘Befehl ist Befehl’ zonder zelf te bedenken of hij dat wel met zijn eigen geweten in overeenstemming kon brengen. Maar daar is het nu te laat voor. Hij schuift de schuld niet af. Hij kan geen enkele straf voor zichzelf verzinnen, die hij erg genoeg acht en kiest er dan, a.h.w. plaatsvervangend voor Herodes, voor met hetzelfde zwaard, waarmee hij de kinderen vermoordde, zichzelf te doorsteken, waarbij hij op Herodes’ troon in elkaar zakt en weer even alle lichten uitgaan en hij zich snel weer in de rij van spelers voegt.

Regelmatig komt de vraag op of zelfmoord wel ‘de juiste oplossing’ is. In het Mattheus-Evangelie lezen we, dat ook Judas voor deze optie kiest, nadat hij eerst nog heeft geprobeerd de 30 zilverlingen aan de hogepriesters terug te geven, als hij spijt heeft van zijn daad, maar die nemen ze niet terug.

De kompanij is dan in het donker direct opgestaan en heft zegevierend en jubelend het lied “Wilt nu zingen, jubileren ” aan, meteen krachtig en juichend, terwijl de Duivel (toneelknecht) vlug de troon en andere ‘rommel’ wegruimt.

Ten slotte rondt de Engel het geheel af met het verzoek eventuele missers de spelers niet al te kwalijk te nemen en probeer dat dan ook echt te menen en niet als een standaardformule te hanteren! Hij wenst de toeschouwers goedenacht en de kompanij herhaalt dat.

DOEK

Dus geen slotlied maar weer die stilte, waarin ieder voor zich kan overdenken wat hij/zij heeft gezien en beleefd.

Dan nog even iets over de paar keer dat het licht uit gaat. Waar het bij het Paradijsspel gaat om één keer een korte ‘verduistering’, nl. als Adam de appel waarvan hij een hap neemt wegsmijt (“hoe dat het mijn gemoet verwandelt!”), gaat het bij het Driekoningenspel om 5x een korte totale duisternis!

1) Na ”roek ende rat”, als de Duivel zijn advies aan Herodes heeft gegeven en verdwijnt.
49

2) Als de jammerende schriftgeleerde (Judas) wordt afgevoerd.

3) Als de Hoofdman vertrekt na: “wij sellen vergieten het kinde syn bloet”.

4) Als de Duivel Herodes meesleurt naar de Hel “rits rats met hem ter helle vaar”.

5) Wanneer de Hoofdman zichzelf doorstoken heeft en in Herodes’ zetel is gezakt.

Bekijk ook vooral de talloze schilderijen (reproducties) die de vroegere schilders van de twee geboorteverhalen maakten! En let op de altijd weer grote verschillen zoals de stal met os en ezel en meestal véél engelen, het Kind altijd liggend (horizontaal) met een lichtglans rondom, vaak vanuit het hele lichaam bij het ‘nathanische’ Lucaskind (Herdersspel). Daar tegenover: een ster boven het huis, soms één Engel, geen os en ezel, het kind altijd rechtop op schoot bij Maria met alleen een lichtaura rond het hoofd van dit ‘salomonische’ Mattheuskind (Driekoningenspel).

Een boeiende en zinvolle oefening om de verschillen tussen de drie koningen uit te werken kan zijn om tot hun ‘oerbeelden’ te komen: als je ze al enigszins hebt leren onderscheiden bijvoorbeeld hun eerste zin eens beurtelings volgens de stemming/het karakter van de twee anderen uit te spreken, dus “mijn gatterkompas ”, enz. op z’n Balthasars en op z’n Caspars zeggen. En zo ieders openingszin. Verrassende ervaring! Dat kun je trouwens ook bij de herders in het Kerstspel doen.

Een aantal van deze gegevens heb ik jaren geleden gehoord en gezien, toen er in Dornach 3 jaar achtereen bijeenkomsten waren voor regisseurs, waarbij elk spel telkens 2 keer voor ons door de Dornachse acteurs werd opgevoerd en velen ijverig zaten te pennen. Men kon natuurlijk ook vragen stellen over het waarom en hoe van een aantal zaken. En natuurlijk waren er soms heftige discussies, maar het bleek ook heel verhelderend. Het leuke was, dat een van die oudere acteurs adviseerde vooral ook met respect met je plaatselijke (soms dierbare) gewoontes om te gaan, maar eventueel voorzichtig een aantal zaken onder de loep te nemen, te bespreken en eventueel te veranderen als het essentieel leek.
50

LITERATUUR:

Tussen Bethlehem en de Jordaan” (=”Kindheit und Jugend Jesu” door Emil Bock; uitg. Urachhaus)

Cäsaren und Apostel” (Emil Bock, uitg. Urachhaus)

Die Oberuferer Weihnachtsspiele im Urtext” (uitg H. Sembdner, Verlag Freies Geistesleben).

Weihnachtsspiele aus altem Volkstum” (teksten+inleiding,Verlag der R.St. Nachlassverwaltung).

Ansprachen zu den Weihnachtsspiele aus altem Volkstum“ (Rudolf Steiner, R.St.Verlag, Dornach).   Op deze blog vertaald

Hirten und Könige in den Oberuferer Weihnachtsspielen” (Michael Martin, Verlag am Goetheanum).

Herders en Koningen” (Rudolf Steiner, voordr. 1 jan. 1921, uitg. Pentagon, A’dam).

Weihnachtsspiele aus altem Volkstum, eine Christfest-Erinnerung“ (Philos. Anthrop. Verlag am Goetheanum).

De Kerstspelen” (div. bijdragen over de achtergrond en betekenis, Uitg. Vrij Geestesleven).

Tekst en muziek van het kerstspel uit Oberufer + essays” (uitg. Pentagon, A’dam).

Über die Oberuferer Weihnachtsspiele” (K.J.Schröer, Verl. Fr. Geistesleben).

Spuren auf den Weg, Erinnerungen” (Heinz Müller.J.Ch.Mellinger Verlag).

Er bestaat nog een uitgave van de Duitse teksten met daarbij alle bewaard gebleven aanwijzingen van R.Steiner, zoals die destijds zijn genoteerd in Dornach en waar men zich daar nog stipt aan houdt. Interessant hierbij is het feit dat R. St. ook in Berlijn en Stuttgart regie-aanwijzingen gaf, die soms iets anders waren dan in Dornach, waaruit wel blijkt, dat je ter plekke moet afwegen wat mogelijk/haalbaar is:

“Weihnachtspiele aus altem Volkstum, Die Oberuferer Spiele. Ausgabe mit Regieangaben” (Rudolf Steiner Verlag, Dornach/Schweiz. ISBN 3-7274-5240-4)
Op deze blog: Alle aanwijzingen over het Paradijsspel; Herdersspel; Driekoningenspel

*Verschenen ca 2005

Marijke van Hall-Heintz † 2014

Het is niet meer voorradig.
Van de heer Lars van Hall kreeg ik toestemming het hier te publiceren. 
Waarvoor dank.

.

Kerstspelen: alle artikelen

Kerstmis: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: Kerstspelen

.

3359-3160

.

.

 

 

Plaats een reactie

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.