.
TARWE
De boer werkt met de bodem, met planten en dieren (en mensen). Al deze factoren staan in een wisselwerking met elkaar. Ze vormen een groter geheel, een bedrijfsorganisme. De mens vormt de ruggengraat van dit organisme; hij maakt het tot een individualiteit.
Kenmerkend voor organismen is, dat ze een ontwikkeling doormaken. Bij een individualiteit kun je spreken van een biografie. Als boer schrijf je mee in de biografie van het bedrijf. Elk facet van het bedrijfsorganisme vertelt in zijn of haar taal een deel van de biografie van het bedrijf. Je kunt leren luisteren naar de taal van een bepaald gewas, van een grondsoort, een bemestingssoort, enzovoorts. De talen ervan kennen betekent dat je bewuster kunt meeschrijven aan de biografie van het geheel.
Wanneer je de taal van een gewas wilt leren, doe je dat door nauwkeurig waarnemen. Je kunt daarbij zo exact mogelijk kijken naar wat er met de plant gebeurt tijdens het groeiproces. Wanneer je daarbij ook let op de eigen gevoelens tijdens dat waarnemen, kun je een besef krijgen van het wezen van het gewas. Dat besef noem ik: kwaliteitsgevoel. Zowel voor de boer als voor de medewerkers van het Bolkinstituut is een wezenlijke vraag: hoe ontwikkel je dat kwaliteitsgevoel?
Laten we eens gaan luisteren (kijken) naar de taal van tarwe.
De tarwekorrel wordt gezaaid in de donkere, lucht en water bevattende, kruimelige grond. Aanvankelijk groeien er drie worteltjes uit. Een witte spruit zoekt de weg omhoog. Zodra deze spruit vlak onder het grondoppervlak het licht ontmoet, ontstaat een ‘knoop’ en worden nieuwe wortels gevormd, die uitgroeien tot het uiteindelijke wortelstelsel van de plant. Het tussenstuk, de zogenaamde halmheffer, ontstaat alleen als de korrel enkele centimeters diep gezaaid is.
In het luchtelement groeit nu de spruit omhoog, aanvankelijk nog binnen een grijs vlies, de schede. Maar al snel steekt ze er als een groene lancet boven uit. Er hangt nu een heel zacht groen waas over het veld.
Het eerste blad ontrolt als het ware in de vertikaal gerichte groeibeweging. Met het verder gaan van deze vertikale groei, ontrolt ‘vanzelf’ ook het tweede blad. (Bij wintertarwe die in oktober gezaaid is speelt zich dit af in november-december, voordat de winter echt zijn intrede doet. Zomertarwe wordt omstreeks maart gezaaid).
Een nieuw aspect komt naar voren, er ontstaan zijspruiten. De plant stoelt uit. Na enige tijd is een (gras-)polletje gevormd. De grootte hiervan kan sterk variëren, afhankelijk van de groei-omstandigheden. De akker lijkt nu (mei) op een weelderig grasveld. Het groene blad bedekt de gehele bodem.
Na deze meer in een horizontaal vlak optredende groei, schieten één of meer stengels de hoogte in.
In juni zitten meerdere bladeren aan de stengel. De onderste beginnen al af te sterven. Onder het bovenste blad is een verdikking zichtbaar, waaruit de aar te voorschijn komt. Deze groeit voorbij het laatste blad (het vlag- blad). Uit de kafjes van de aar hangen op een gegeven ogenblik meeldraden: de tarwe bloeit.
Het groeiproces richt zich nu steeds meer op het bovenste gedeelte van de plant: het vlagblad, de hals en de aar. Onderin wordt het afsterven van de bladeren steeds duidelijker. Ook sterven kleine, niet aardragende spruiten af.
In juli wordt de korrel gevormd, waarbij de productie van suikers, als basis voor het zetmeel, grotendeels plaatsvindt in vlagblad, hals en aar. In de korrel bevindt zich eerst een waterige vloeistof (waterrijp), die steeds dikker en witter wordt (melkrijp). Dit ver- stevigingsproces gaat verder (deegrijp) tot de korrel hard wordt (hardrijp) en tenslotte niet of nauwelijks met de nagels te splijten is. Het afstervingsproces is nu doorgedrongen tot het bovenste deel van de plant. Ook vlagblad, hals en aar zijn (nagenoeg) geel geworden.
De plant bestaat nu uit enkele droge, gele, rechte stengels met aren. De bladeren zijn ingedroogd, vergeeld hangen zij onopvallend langs de stengel. Als je in het gewas staat, is de grond tussen de planten weer goed te zien. Het bovenste laagje grond is nu ook vaak uitgedroogd door de hoogstaande zomerzon. ‘Plotseling’ treedt er iets nieuws op: het stengeldeel direkt onder de aar gaat buigen. De aar ‘knikt’ meer of minder. Dit is een meer horizontaal gerichte ontwikkeling, waarbij de plant weer een ‘driedimensionaal karakter’ krijgt, al blijft de vertikale tendens in de plant sterk overheersen.
Peter Brul, Jonas, 24 01-08-1980
.
Grohmann: over de granen
Plantkunde: alle artikelen
5e klas: alle artikelen
VRIJESCHOOL in beeld: plantkunde
VRIJESCHOOL in beeld: 5e klas
.
1402-1313
.
.




