Tagarchief: sprookjesachtergrond

VRIJESCHOOL – De beeldentaal van de sprookjes (3-2)

.
Pieter HA Witvliet, vrije weergave van het voorwoord van de uitgever van ‘Die Bildsprache der Märchen’ van Friedel Lenz
.

de beeldentaal van de sprookjes

In de inleiding van haar boek ‘Die Bildsprache der Märchen‘ zegt de schijfster Friedel Lenz:

Wilhelm Grimm zegt:

‘Wat de sprookjes gemeen hebben zijn de overblijfselen van een geloof dat in oude tijden teruggaat en dat verwoord wordt in een beeldende opvatting van bovenzintuiglijke dingen. 
Dit mythische lijkt op een edelsteen die kapot gesprongen is en die op de grond ligt waar gras en bloemen rijkelijk groeien en alleen door een scherp oog ontdekt kan worden. De betekenis ervan is allang verloren gegaan, maar wordt nog wel gevoeld en geeft aan de sprookjes de waarde, terwijl ze tegelijkertijd het natuurlijke verlangen naar het wonderbaarlijke bevredigt; nooit zijn ze alleen maar een kleurenspel van inhoudsloze fantasie.’

Hoe komt de mensheid ertoe te spreken in een taal die van inhoud beeldend is? En welke bovenzintuiglijke dingen worden dan in de sprookjes uitgedrukt?

Modern sprookjesonderzoek zegt: sprookjes zijn de ware dromen van de volkeren. In dromen wordt niet gedacht. In een bonte afwisseling komen de beelden in de ziel op. Vandaag de dag zijn deze beelden in de meeste gevallen chaotisch, nabeelden van wat er overdag gebeurde.

Een andere manier van dromen duidt op diepere samenhang. Wij kunnen bijv. dromen dat het huis waarin we wonen, in brand staat. We vluchten voor de brand, worden wakker en – hebben koorts. Het lichaam is het huis, de koorts de brand. Stervende mensen dromen vaak dat ze hun huis moeten verlaten, kinderen daarentegen dat ze een huis zoeken. Of we zijn verdwaald in een bos en vinden maar geen uitweg of rotsen en bergen rijzen hoog voor ons op en we komen niet verder. En dan moeten we zeggen: dit zijn niet alleen maar beelden van het dagelijks leven, of van de gewone chaotische droom, ze spiegelen uitzichtloze situaties waarin wij ons bevinden.

Een derde vorm van dromen is nu wel zeldzaam geworden, maar komt nog voor, vooral bij schokkende gevoelservaringen. Dat is de lotsdroom, de profetische waarheidsdroom die zich binnen in de mens uitspreekt.
Hier kom je op het terrein van de precieze waarheidsbeelden, op het terrein van het bewustzijn dat beelden schept en daaruit stammen ook de sprookjes.

In een vroegere fase van de mensheid hadden alle volkeren zo’n bewustzijn. De droom van ’s nachts is daar een laatste overblijfsel van. De mens leefde toen oorspronkelijk ook overdag, later voornamelijk ’s nachts, met een droomachtig beeldbeleven. Hij zag niet alleen – zoals de moderne mens – de wereld van de tastbare voorwerpen in de buitenwereld van de zintuigen met zijn lichamelijke ogen, maar hij nam ook de wereld waar die daarin werkzaam is. Toen zijn veel plooibaardere wezen in aanraking kwam met andere wezens, vormde hij die in zich na: een wezen sprak zich in een wezen uit met innerlijke waarheidsbeelden. Deze helderziendheid leefde als natuurkracht in hem.

Het was het mythologische tijdperk. Uit het beleven van de goddelijke oerwereld kreeg de mens zijn grootse imaginaties (imago = beeld)  over het ontstaan van de wereld en de mensheid: de mythe. 
Hij kon de goddelijke machten innerlijk zien. Ook de leidende geest van zijn volk beleefde hij niet abstract denkend zoals wij, maar schouwend als een werkzaam wezen. 
Zo werd bijv. de Duitse volksgeest die zich nog niet in één enkel volk kon uitspreken, maar nu eens in deze stam en dan weer in een andere, imaginatief als ‘Wanderer’ wandern = wandelen, rondtrekken, dwalen zonder doel’ beleefd. 

Op deze manier werden voor de mensen het lot en de ontwikkelingen van het volk waartoe ze behoorden of waarmee ze te maken kregen, in de beelden van de grote heldensagen duidelijk.
Vanuit de beleving van zijn eigen wezen en zijn eigen lot vormde de mens een nieuwe manier van vertellen: de sprookjes.

Sprookjes zijn beelden van het innerlijk lot en de ontwikkelingen van de individuele mens.

In het mythische tijdperk werden de waarheidsbeelden geschouwd (droomachtige imaginaties). Tijdens de ontwikkeling van het denken werden ze in woorden gekleed en verteld, De vroegere vertellers waren in het vrouwelijk tijdperk van de mensheid de vrouwen die de stammen leidden, de helderziende vrouwen, de profetessen, zoals Tacitus nog over de grote zieneres Weleda spreekt.
In het mannelijk tijdperk was het de opdracht van de barden en rapsoden, uitgezonden van de mysterieplaatsen van de Druïden bij de Kelten, van de koningshoven bij de vroegere Germanen om mythen, heldenagen en sprookjes te vertellen.

In het middelpunt van onze Germaanse mythen staat die grote bewustzijnsverandering die Simrock in de 19e eeuw in het beeldende woord ‘godenschemering’ samenvatte. Het helderziend waarnemen van een goddelijke wereld verbleekt en de op zich staande verbinding met de wereld die steeds zo als aanwezig werd beleefd, wordt steeds vager. Tegelijkertijd wordt in de mens van het Avondland de zelfstandige persoonlijkheid wakker, het Ik. Deze grandioze gebeurtenis heeft voor iedere individuele mens betekenis voor het lot.

De sprookjes die de gebroeders Grimm met niet aflatende ijver verzameld hebben, spiegelen wezenlijk deze bewustzijnsverandering: een rijk moet worden verlaten, een koningschap opgegeven; je leeft in armoe en wordt op de proef gesteld. Uiteindelijk wordt er op eigen kracht een nieuw rijk en koningschap gevonden. We herkennen de weg van de persoonlijkheidsontwikkeling, het individu-worden. 
De sprookjes tonen de gevaren van deze weg, de opdrachten  die tot een goed einde moeten worden gebracht, de beproevingen die moeten worden doorstaan; wat je bereikt hebt, moet blijvend worden. De hoogste trap die kan worden bereikt is de mens die Christus in zichzelf meedraagt. Dat wordt niet uitgesproken door christelijke namen, maar wordt duidelijk door de daden. Het gaat om het woord in Johannes: ‘Ik heb jullie tot koning gemaakt.”

Het is wel zo dat het beeldende vermogen algemeen was en sommige sprookjes kunnen hier of daar wel onder het volk ontstaan. Maar onze belangrijkste sprookjes laten zo’n diep weten van het mensenwezen zien, zo’n gave leiding van innerlijke ontwikkeling, wijzen zo doelgericht naar een toekomst, dat wij daarin de hand van grote pedagogen herkennen. De namen zijn onbekend, maar zorgvuldig waarnemen van de leerweg en de symboliek die erbij hoort, laat ons in de gangbare vertellingen bepaalde centra zien:

Sprookjes zijn bewuste ‘leerstof’, net zoals de grote opvoedings- en vormingsmiddelen van de volkeren

Tot de 9e eeuw gold in het Avondland de zgn. trichotomie, de indeling van de mens naar lichaam, ziel en geest. De pedagogen die de sprookjes schiepen, hanteerden de leer van de drieledige mens die Aristoteles al begripsmatig had geformuleerd, hoewel de tweedeling van de mens in lichaam en ziel intussen tot dogma verheven was. 

Dit is een belangrijke sleutel om de sprookjes van hieruit te bekijken. De geest van de mens, zijn eeuwige kern, het Ik verschijnt ten tonele in het mannelijke beeld en alle krachten die daarbij horen worden als mannelijk voorgesteld.
De ziel spreekt zich in de beeldentaal van alle volkeren uit als een vrouwelijk wezen en alle zieleneigenschappen verschijnen als vrouwelijke wezens.
Het lichaam als beschermende omhulling vertoont zich als huis, slot, hut, toren.
Ieder sprookje is een klein drama dat zich afspeelt op ons innerlijk toneel. De menselijke figuren zijn personificaties van de krachten van geest en ziel; driften en instincten daarentegen verschijnen in deze samenhang als dieren. De gebeurtenissen worden als handelingen in hun beelden uit de uiterlijke wereld met de dingen, de voorwerpen, genomen, maar moeten als volledig zich in het binnenste afspelende gebeurtenissen worden gezien. Ieder landschap is een innerlijk toneel.
We moeten tegenwoordig met vernieuwde inzet proberen om het sprookje te begrijpen, want de moderne mens begrijpt de beeldentaal niet meer. Hoewel onze taal vol beeldspraak zit.
De meeste woorden zijn uit beelden ontstaan. Taal is verstard beeld. Maar het intellectuele denken ziet het beeld niet meer. De beelden in woorden te herkennen is nog een belangrijke sleutel.

Waarom zijn sprookjes belangrijk voor de geestelijke ontwikkeling van een kind?

Een sleutel om de betekenis van het sprookje en dat bij de opvoeding van het kind te betrekken, kan wel de uitspraak zijn van een tijdgenoot van Goethe: ‘De geschiedenis van een individu dat volledig tot ontwikkeling is gekomen is tegelijk de geschiedenis van zijn soort’ (Wieck).

De ontwikkeling die de mensheid als geheel gaat, wordt in een individueel mens herhaald, de vroege tijd van de mensheid vindt een spiegel in het kind, het herhaalt die mythische tijd. Het kind is nog geen abstract denkend wezen, maar een wezen dat in zijn beleving beelden schept, zoals ieder spel van een kind direct laat zien. En daar komt een belangrijke wetmatigheid bij: de mensheid heeft te maken met de verandering van het bewustzijn. (R.Steiner) Het bewustzijn is voortdurend aan verandering onderhevig en daarmee moet de opvoeding rekening houden.
Het kleine kind herhaalt het mythische tijdperk. Dat speelt zich af tussen het vierde en het achtste jaar, de eigenlijke fase van de beelden.
Hier heeft het kind de echte volkssprookjes nodig met die onvervalste beeldspraak en ook als je met het kind spreekt moet de beeldspraak overheersen.

Na dit mythische tijdperk begon de ontwikkeling van het denken en de mens bevond zich in een droomachtig-helderziend waarnemen, maar ook in het denken. 
De vertellingen spreken zich nu uit in beelden én in gedachten. uiterlijke gebeurtenissen worden in de taal van alledag onder woorden gebracht, de innerlijke in beelden. Deze fase vindt een herhaling in het kind als een beeld-denkfase, vanaf zo het achtste jaar Hier horen de sagen en de legenden bij, ook de heldenverhalen van het eigen volk en andere sagen. Een groot document van deze mensheidsfase is het Oude Testament, dat deze twee talen spreekt.

Met de beginnende aarderijpheid wordt de eigenlijke fase van het denken bereikt. In deze fase hoort pas het kunstsprookje. Dat komt volledig uit een andere sfeer, het is een product van het verstand en de fantasie. Het kunstsprookje is literatuur, het echte sprookje imaginatie.

De uitleg van de hier besproken sprookjes is niet bedoeld voor het kind, vanzelfsprekend. In de kinderleeftijd moet de ziel nog niet vanuit het beeld naar het intellectuele begrip worden geleid. 
Maar ouders, kleuterleid(st)ers, leerkrachten krijgen meer verantwoording bij de keuze van de sprookjes en bij het mondeling vertellen, wanneer ze over de zin en de betekenis van deze oude overleveringen iets weten.

De interpretaties die in dit boek bij elkaar zijn gebracht, zijn gedeelten uit voordrachten die in verschillende steden in diverse landen gehouden werden.
Ze staan hier wel als een afrondend verhaal.
Omdat ieder sprookje een zelfstandig geheel moet blijven, was het niet te vermijden dat bepaalde motieven en beelden steeds terugkomen.

Een klein overzicht van de symbolen die in deze sprookjes voorkomen, staat achterin het boek {3-3]

[3-3/0] In alfabetische volgorde 

Een aantal opvattingen: De beeldentaal van de sprookjes

.

Sprookjesalle artikelen, waaronder ook sprookjes uit bovengenoemd boek

Vertelstofalle artikelen

Vrijeschool in beeldsprookjes

.

2310-2166

.

.

.

VRIJESCHOOL – De beeldentaal van de sprookjes (2-2)

.

Pieter HA Witvliet, vrije weergave van het voorwoord van de uitgever van ‘Die Bildsprache der Märchen’ van Friedel Lenz
.

Oversprookjeskan verschillend worden gedacht.

Waarom Rudolf Steiner ze in het leerplan van de vrijeschool opnam als vertestof voor klas 1, kan begrepen worden uit zijn opmerkingen over de sprookjes, zoals deze:

‘Sprookjes zijn geweldige voeding voor de ziel van het kind en een goede engel op de levensreis van de mens’.  (Te vinden in een voordracht die vertaald is inSprookjes

In een andere voordracht, eveneens in bovengenoemd boekje opgenomen, staat: ‘Het tot leven wekken van sprookjesinhouden in de vorm van de
tegenwoordige geesteswetenschap’.

O.a. Friedel Lenz heeft dit als een taak gezien en ze heeft haar bevindingen neergelegd in het boek:Die Bildsprache der Märchen‘.

Inleiding (in vrije weergave)

De uitgever schrijft in de 1e druk van 1970 in het voorwoord – uiteraard gebaseerd op uitspraken van Rudolf Steiner:

Over hoe de mens zich in oudere tijden losmaakte van de grote schepping en langzamerhand bewuster werd; hoe hij niet meer door drong tot de geheimen van het menselijk bestaan en de natuur – hoe zijn manier van waarnemen veranderde. Toen verscheen het sprookje. Want er waren nog mensen die in het levend scheppende iets zagen en gaven de beelden daarvan door.

Een sprookje is anders dan een sage of legende –  bij deze gaat het meer om latere historische of lokale betekenis. Het sprookje heeft meestal niet de beeldenvorm van één volk, ze ontstonden overal: er zijn bijv. Keltische, Byzantijnse, Indische, Arabische. 

Als het direct vanuit een geestelijke bron was ontstaan, bleef er een onvergelijkbare levendigheid in bewaard: de verbinding met een goddelijke oorsprong bleef voor het intellectuele denken bestaan.

Volgens de uitgeverij was er in de dorps- en stamgemeenschappen van het Oosten iemand die verteller was van beroep; hij zou zijn materiaal van ingewijden hebben gekregen en nu zou hij hij het doorgeven aan de ‘grootmoeder’, de vrouw als behoedster. 
Met dit ‘aflossen’ veranderde de betekenis van de sprookjes steeds verder in de richting van een ‘opvoeding voor de ziel’: het schudt je wakker, troost, lost raadsels op; er zit veel humor in, hoop, medelijden, moraliteit, levenswijsheid.

Hoe ziet de beeldenwereld van de jonge mensheid en het kind eruit; wat betekenen reuzen, tovenaars, dwergen, feeën, elfen, de sprekende dieren, planten en stenen? Is het niet wat vermetel om te beweren dat sprookjes spiegelbeelden zijn van een geestelijk scheppingsproces? 

Sprookjes spreken in een ‘beeldentaal’, ze schilderen als het ware met woorden. Maar niet willekeurig vanuit een persoonlijke dichterlijke fantasie. 
Aan de diepere blik wordt getoond – en daar wijst dit boek op – dat de sprookjesbeelden oorspronkelijk door geestelijke wetmatigheden geschouwd werden. Daarin bevinden zich echte, maar op oudere zielenkrachten berustende ‘imaginaties’.

Je kan het woord ‘sprookje’ terug vervolgen naar een oud-Ierse stamvorm die ‘groot’, ‘beroemd’ betekent, maar ook naar ‘boodschap, bericht’. 
Luther gebruikt in zijn lied ‘Vom Himmel hoch da komm ich her, ich bring euch gute neue Mär’, het woord ‘Mär’, dat bij ons nog te herkennen is in ‘mare’, dus als ‘boodschap, verkondiging’. 

Zolang het sprookje van generatie op generatie gezongen of verteld werd, werd het als cultuurgoed mondeling doorgegeven, de inhoud veranderde niet.
Toen de mens wakkerder werd, vanuit een droomachtige toestand van de ziel naar een Ik-bewustzijn groeide, werd het voor hem steeds moeilijker direct één te zijn met deze sprookjesbeelden.

Toen men in de nieuwere tijd het sprookje begon te zien als een literaire kunstvorm en opschreef, zelfs illustreerde, toen de groep van uitgesproken kunstsprookjes kon ontstaan, sloop daarin ook het element van het onwerkelijke, het onware.
Het sprookje werd niet meer als een levenswerkelijkheid serieus genomen.

Sinds de 16e eeuw zien we pogingen het sprookje literair ‘op te poetsen’. 
In ons taalgebied hebben in de 19e eeuw de gebroeders Grimm, Bechstein en Tieck het sprookje onttrokken aan dit verbloemen; ze verzamelden ze, maakten de beginbeelden vrij van alle opsmuk, brachten orde aan. Ze keken naar de schoonheid van de taal. Vanuit een echte fijngevoeligheid en met bewustzijn voor de evolutie schreef Jacob Grimm in het voorwoord bij zijn ‘Duitse mythologie’ van de sprookjes, ‘die de jeugd en het volk tot nu toe gezonde voeding hebben gegeven, waar het niet vanaf moet worden gebracht, hoeveel voedsel men nog voorzet.’
Dat was in 1854. Vijftig jaar later maakte de psycho-analyse van Freud met verstrekkende gevolgen zich meester van alle lagen die zich wezenlijk onttrekken aan de zintuigen. Het sprookje werd tot een drager van symbolen van een onmenselijk onderbewustzijn gedegradeerd.

Met de woorden van Grimm zou hier wel eens ‘een andere spijs naar voren geschoven’ kunnen zijn die echter het verlangen naar de ‘gezonde voeding’ op den duur niet waar kon maken.

De uitgever zegt dat het sprookje overleeft, omdat het niet uitgedacht is, maar waargenomen, dat het uit de echtheid van de ontwikkeling ontsproten is.  

Voor het kind dat stap voor stap het aardse leven aangaat, blijft het logisch. Het staat voor het kind tegenover de karikaturale comic-strips (waarom eigenlijk geen horror-strips?), het werkt de invloeden tegen die de fantasie lamleggen, zoals televisie en film, (toen nog) grammofoonplaat, waarbij het kind innerlijk maar ook uiterlijk in een onnatuurlijke passiviteit terechtkomt. 
De kinderlijke fantasie is nog een laatste voelspriet voor het ons omringende beeldenrijk van de imaginatie. Die beeldenstroom bereikt nog een kind van negen of tien jaar, maar de volwassene moet op dit gebied over het algemeen zijn onvermogen, zijn alleen-staan onder ogen zien. Dat hij zich daaruit kan losmaken en hoe, met welke achtergrond zijn vertellen aan de kinderen waár is, laat Friedel Lenz in haar boek zien.

Zij sluit aan bij de methode die voor het eerst door Rudolf Meyer in zijn werk ‘Die Weisheit der deutschen Volksmärchen‘, werd ontwikkeld.
Friedel Lenz is haar leven lang met sprookjes bezig geweest – niet alleen maar de Duitse van de gebroeders Grimm, maar ook die van andere Europese volken. Dat zij zo’n beslissende verbinding is aangegaan, een groot opgezette studie van de sprookjes is begonnen, vond zijn oorsprong in de behoefte de Evangeliën te leren begrijpen. Haar diepe innerlijke behoefte doorleefde zij met de beeldenwereld van de cultus zoals die in de Christengemeenschap nieuw tot uitdrukking komt. Zo ontstond er een intensieve geestelijke wisselwerking en daarbij kwam in gelijke mate de studie van de antroposofie die Rudolf Steiner bracht. Christelijke religie en geesteswetenschap vormden voor Friedel Lenz de basis voor het werk en de ervaringen. Vanuit haar inlevingsvermogen en haar heldere blik ontwierp ze stap voor stap een sprookjesduiding en daarmee een duiding van het leven die niet alleen gelijkwaardig is aan een verklaring van de wereld met het verstand, maar als blik over geestelijke ontwikkelingsfasen daar nog bovenuit gaat. Met haar werk heeft ze niet alleen maar een ‘weten’ willen verzamelen, want dit was in de kern toch heel oorspronkelijk iets levends. 

En zo hield Friedel Lenz voordrachten, beter: sprookjesuren voor volwassenen waarin ze met een vanzelfsprekendheid haar toehoorders meenam naar die onuitputtelijke levensbeelden. 
Het vertellen vol overgave, de levendige beeldverhalen, de waarachtige verklaringen hadden voor Friedel Lenz tot gevolg dat er een schare trouwe luisteraars ontstond. Zo gaf ze via de kinderen een niet-beschadigde sprookjeswereld terug.
Op deze manier richtte Friedel Lenz zich tientallen jaren in het openbaar tot de volwassenen, ouders, grootouders, kleuterjuffen, leerkrachten, aan iedereen die zijn hart voor de rijkdom en diepgang van de beeldentaal wil openen, om begrip vragend voor dit kostbare geestesgoed .

Net zo is dit boek voor volwassenen bedoeld en het komt uiteindelijk ten goede aan de kinderen.

Omdat kinderen de sprookjes verteld of voorgelezen krijgen, is de uitleg niet voor hen bestemd. De tekst van het sprookje – naar de gebroeders Grimm – is eveneens opgenomen. Hier zijn vijfentwintig van de bekendste en meest wezenlijke sprookjes samengebracht. In een aanhangsel geeft Friedel Lenz nog belangrijke uitleg.

In november 1970 is de schrijfster overleden. De uitgeverij beschouwt haar werk als een testament. Friedel Lenz heeft op haar laatste ziekbed dit boek vanuit haar voordrachten vormgegeven om de oogst van haar levenswerk te bewaren.
Dit werk komt bij haar andere: Iwan-Johannes (1957); Die Keltische drachenmythe (1961) en Mahle, mahlke Grützchen (1965).

Voor de vormgeving van één hoofdstuk dat als nr. 2 had moeten komen, vond ze de kracht niet meer. De verklaring van ‘Sneeuwwitje’ in dit boek is van Dr. Elisabeth Klein die haar werk ter beschikking stelde, waarvoor dank. Zij probeerde in te voelen hoe zij de stijl van haar werk kon aanpassen aan dat van Friedel Lenz.

.

Sprookjes: alle artikelen, waaronder ook sprookjes uit bovengenoemd boek

Vertelstof: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: sprookjes

.

2306-2162

.

.

.

.