.
In een krantenartikel vond ik interessante lesstof voor klas 6, wanneer het Romeinse Rijk behandeld wordt.
Het gaat over het leven in zuidelijk Limburg, dus als daar je school staat, is het wel belangrijk dat de leerlingen daarover iets weten en ervaren.
Als je een uitstapje wil maken naar een ‘Romeins museum’, moet je beslist naar Xanten gaan.
Ik raad je aan eerst zelf te gaan om te ontdekken wat je leerlingen echt niet mogen missen. Dan zijn natuurlijk o.a. de dingen die je in de les al behandeld hebt.
Bewerking van artikel in Trouw, 26 april 2024
.
DE ROMEINEN IN ONS LAND
.
In Zuid-Limburg vond je in die tijd grote akkers met heel veel graan.
Hier en daar hadden de Romeinen een villa gebouwd.
In onze tijd heeft deze naam een andere inhoud gekregen, maar het was toen niet zozeer één luxe gebouw, maar een minidorp ter grootte van een voetbalveld dat werd omgeven door landerijen.
Er zijn verschillende resten van villa’s gevonden bij opgravingen. Daarbij zijn uiteraard ook allerlei voorwerpen gevonden. [1]
De villa bestond uit verschillende gebouwen. Het hoofdgebouw was natuurlijk voor de eigenaar met zijn familie, vaak ook voor de opzichter(s) met familie.
Wie meewerkte op de landerijen vond er ook onderdak: de landarbeiders en de slaven leefden in eenvoudige huizen van leem.
Ook bevonden zich binnen de ommuring de opslagplaatsen voor het graan, stallen en werkplaatsen.
Voordat de Romeinen zich in Limburg vestigden, leefde er al een boerenbevolking die er met succes graan verbouwde. Hun woonomstandigheden waren echter primitiever van aard. Zij maakten hun huizen nog van organisch materiaal: leem, hout, riet e.d.
Met de komst van de Romeinen veranderde de bouwaard: zij beschikten over de technische kunst om met natuursteen te bouwen. En uiteraard bouwde men zoals men dat in Rome deed. Zo stonden er luxueuze huizen, soms wel met 30 kamers; een eigen badhuis, ramen met glas en vloerverwarming. Vloeren en muren werden wel versierd met mooie schilderingen of mozaïeken.
Het is wel duidelijk geworden dat het niet uitsluitend Romeinen waren die er leefden. De Romeinse legioenen hebben een aanzienlijk deel van Europa en Afrika b.v. bereisd en daarbij brachten zij ook inwoners uit die streken mee, vrijwillig of gedwongen.
Die kwamen ook mee naar o.a. Limburg. Daar konden dus Grieken, Galliërs, Noord-Afrikanen en Spanjaarden namen dienst. Na hun pensionering kregen ze vaak een stukje grond en bleven in de regio hangen waar ze gelegerd waren geweest.
Archeoloog Karen Jeneson van het Thermenmuseum in Heerlen: “We hebben een grafsteen gevonden van een veteraan uit het vijfde, Gallische legioen” en Heerlen graffiti op aardewerk Die brachten soldaten aan omdat ze allemaal hetzelfde aardewerk hadden en zo hun eigen aardewerk konden terugvinden. Het is net als in een studentenhuis; je zet je naam op een pak melk. Dat doe je alleen als je met meer mensen samenwoont en dat deden die soldaten dus ook. Zodoende hebben we een enorme lijst met namen en die laat zien dat hier van alles zat. We zien Romeinse, maar ook Griekse, inheemse en Germaanse namen.”
En als er ergens veel mensen wonen, komen daar weer mensen naar toe die handel drijven. En ook hier gebeurde dat: van buiten de Romeinse grens, de Limes, ondernamen probeerden verkopers hun waren te slijten aan vooral de soldaten.
En met een term, van nu zou je streek multicultureel kunnen noemen.
Op de villa’s konden veel mensen werken, want er werd naar gestreefd zo zelfstandig mogelijk te zijn, zelfvoorzienend.
Vooral tijdens de oogst, maar ook daaraan vooraf, bij het ploegen.
Die ploeg was nog heel eenvoudig: een stok die je in de grond moest duwen en die werd voortgetrokken door een os. Dan kan je niet zoveel doen per dag. Dus als je in één keer alles klaar moet maken, heb je even veel mensen nodig. Dat geldt ook voor de oogst. Het waren de kleine boeren uit de regio die bijsprongen. Ze deden hun eigen ding op hun boerderijtje en klusten dan lekker bij op de villa tijdens het ploegen en oogsten.
Graan was wel het allerbelangrijkste, maar meestal was er ook een moes- en kruidentuin, fruitbomen en wat vee. Vaak stond er ook een grote kastanjeboom voor de deur. De kastanjes werden tot meel vermalen wanneer de graanoogst tegenviel. Zo was er altijd wat meel voorhanden.
Van het graan was niet de tarwe, zoals nu, het belangrijkste, maar de spelt.
Het was makkelijk te oogsten en de Romeinen aten het graag, veel liever dan boekweit en rogge die de inheemse boeren verbouwden.
De Romeinen hielden ook kippen; ze brachten abrikozen en kersen mee.
Voor het oogsten hadden de Romeinen een oogstmachine, de vallus. Daar kon je makkelijker spelt mee lostrekken, dan met tarwe waarvan de aren veel vaster zijn.
Omdat broodbakken van spelt lastig is, kwam er ook een deel in het hoofdvoedsel dat men driemaal daags at: gruttenpap. Om dat te variëren werd er soms honing of vlees in verwerkt.
Zuid-Limburg was voor de landbouw uitstekend geschikt: de löss is vruchtbaar, het is een kleisoort en geen onvruchtbaar zand, zoals b.v. in Brabant, zacht om te bewerken, niet te nat of te droog.
En dwars door Zuid-Limburg liep ook de beroemde Via Belgica. Deze weg was de hoofdverbinding tussen Rome en de noordelijke gebieden van het Romeinse Rijk. Hij liep vanuit het zuiden via Maastricht en Heerlen naar Keulen, de hoofdstad van de provincie Germania Inferior.
Voor het graan was er een groot afzetgebied, steden als Heerlen (Coriovallum), Xanten (Colonia UlpiaTraiana) en Keulen (Colonia Claudia Ara Agrippinensium) en de grote Romeinse legermacht in het gebied was een belangrijke afnemer van spelt. Maar de oogst kwam ook bij Romeinse garnizoenen langs de muur van Hadrianus in het huidige Groot-Brittannië terecht. Dat blijkt uit onderzoek van de zaden en pollen van het onkruid dat tussen graankorrels zat.
Het verbouwen en verhandelen van de spelt bracht veel welvaart. Daardoor konden er uit Rome ook veel goederen aangekocht worden. In Heerlen zijn bij grafvondsten prachtige barnstenen voorwerpen gevonden. Barnsteen kwam vanuit regio’s bij de Oostzee.
Het telen en verkopen van spelt was zo winstgevend dat het de regio grote welvaart bracht. “Er was een enorme goederenstroom vanuit de rest van het Romeinse Rijk of uit andere streken naar deze regio. In Heerlen zijn bijvoorbeeld prachtige grafvondsten van barnsteen gedaan. Barnsteen vind je alleen in de Oostzee, buiten het Romeinse Rijk.
Van rond de Vesuvius zijn er amforen gevonden van een uit de streek bekende wijnproducent. Om die dure wijn te kopen, moest je geld hebben, dat was er dus kennelijk.
Na het jaar 250 verdwenen de villa’s uit het Limburgse landschap. Het waren waarschijnlijk de invallen van de Franken halverwege de derde eeuw die verantwoordelijk waren voor het verdwijnen van de villa in Germania Inferior. Mensen trokken zich terug in steden en militaire fortificaties. Natuurlijk werd er nog landbouw bedreven, maar aan het einde van de derde eeuw waren de villa’s vrijwel allemaal verlaten. Het villasysteem was gebroken en zou in deze regio nooit meer terugkeren.
Voor wie het weet, zijn er nog een paar mooie herinneringen. Neem de kerk van Klimmen: die staat op exact dezelfde plek waar ooit een Romeinse wachttoren stond. En de A79 loopt in grote lijnen over hetzelfde traject als de Via Belgica. Dus wie nu de snelweg neemt van Maastricht naar Heerlen, treedt letterlijk in het voetspoor van de Romeinen.
Veel meer, met illustraties
[1]
In verschillende musea kun je de vondsten bewonderen:
Rijksmuseum van Oudheden in Leiden
tot 25 augustus tentoonstelling over de Limburgse villa
Limburgs Museum (Venlo)
Thermenmuseum (Heerlen).
Geschiedenis 6e klas: alle artikelen
Klas 6: alle artikelen
Geschiedenis: alle artikelen
Menskunde en pedagogie: alle artikelen
Vrijeschool in beeld: 6e klas geschiedenis
.
3237-3047
.
.
.
.