Tagarchief: klas 7 leerplan

VRIJESCHOOL – 7e klas – vertelstof (Of geschiedenis?)

.

Iedere klas op de vrijeschool heeft zijn eigen vertelstofmotief.
Al op de eerste dag van de cursus die Rudolf Steiner hield voor de leerkrachten die met de 1e vrijeschool in Stuttgart zouden beginnen, gaf hij een opsomming van de vertelstof die volgens hem geschikt zou zijn voor de betreffende klassen.

1. ein gewisser Märchenschatz
2. Geschichten aus der Tierwelt in Verbindung mit der Fabel
3. Biblische Geschichte als Teil der allgemeinen Geschichte (Altes
Testament)
4. Szenen aus der alten Geschichte
5. Szenen aus der mittleren Geschichte
6. Szenen aus der neueren Geschichte
7. Erzählungen über die Volksstämme
8. Erkenntnis der Völker.

1 sprookjes
2 dierenverhalen in samenhang met de fabel
3 Bijbelse geschiedenis als deel van de algemene geschiedenis (Oude Testament)
4 scènes uit de oude geschiedenis
5 scènes uit de middeleeuwse geschiedenis
6 scènes uit de nieuwere geschiedenis
7 verhalen over volkeren
8 volkenkunde
GA 295/19
Praktijk van het lesgeven/20

Wie nu een vrijeschoolleerkracht vraagt naar de motieven van de vertelstof voor de verschillende klassen, krijgt een heel ander lijstje:

aan de 2e klas zijn toegevoegd: de legenden
de 3e klas is vrijwel uitsluitend ‘het Oude Testament”,
de 4e heeft zijn Noordse mythologie,
de 5e de Griekse,
de 6e de Romeinse mythologie, overgaand in geschiedenis
de 7e de ontdekkingsreizen
de 8e biografieën

Wanneer Caroline von Heydebrand het leerplan in 1925 op schrift stelt, staat er – ik houd als voorbeeld even de 4e klas aan:

Vertel- en leesstof voor deze klas vormen o.a. de sagen van de Germaanse mythologie en heldentijd.

Er moet dus tussen 1919 en 1925 een verandering zijn opgetreden van ‘scènes uit de oude geschiedenis’ naar ‘Germaanse mythologie’.
Ik heb (nog) niet kunnen vinden waardoor of door wie en wanneer deze verandering ontstond. 

Maar zoiets geldt ook voor de 7e klas waarover het in dit artikel gaat.

‘Verhalen over volkeren’ geeft Steiner aan.
Von Heydebrand: ‘Volkeren- en rassenkunde* bieden lees- en vertelstof’.

*In 1919 geeft Rudolf Steiner een opsomming van de vertelstofmotieven voor de verschillende klassen. Voor klas 7 geeft hij aan: ‘Erzählungen über die Volksstämme [GA 295/19] Vertaald als ‘verhalen over volkeren’. zie boven.
In de pedagogische voordrachten zegt Steiner nergens iets over ‘rassen’. 
Er is door hem ook geen vak ‘rassenkunde’ geïntroduceerd.
In zijn antroposofisch werk vinden we wél allerlei gezichtspunten over de rassen.
In de pedagogische en ook andere voordrachten vinden we dat ‘antroposofie’ – dus dan óók zijn rassenopvattingen – NIET in de lesstof thuishoort. [zie hier]
Desalniettemin hebben leraren in het verleden deze ‘antroposofische rassenkunde’ wél als periodestof aangeboden. 
In 1996 leidde dit tot een ‘rel’.
In een latere uitgave van von Heydebrands leerplan komt de ‘rassenaanwijzing’ niet meer voor.  

In 1987 schrijft W.F. Veltman in ‘Vrije Opvoedkunst‘ waar het over de 7e klas gaat:

Het gezicht wordt ook al iets minder rond; er komen wat hoekiger vormen, de neus, de kaken. Wat gebeurt hier eigenlijk? De mens groeit naar de aarde toe en ontwikkelt dat stelsel dat het meest aardse, meest gevormde, maar ook meest dode is: het skelet. Deze ontwikkeling is het sein dat in het denken de mogelijkheid tot abstractie gaat ontwaken. In het Vrije School* leerplan zien we als vak de algebra optreden. Het algebraïsche, abstracte denken ontstaat in de mensheid veel en veel later dan men meestal aanneemt. Pas met de komst van de Renaissance en het Humanisme, dus bij het aanbreken van de Nieuwe Tijd, gaat dit soort denken zich echt ontplooien. De Arabieren hadden het al eerder ontwikkeld, zodat zij in dit opzicht de leermeesters van de mensheid geweest zijn. Het is niet verwonderlijk dat het leerplan van de 7e klas ook in andere opzichten het aanbreken van de Nieuwe Tijd als leerstofmotief vertoont. We zeggen dan: de 7e klas is de klas van de ontdekkingsreizen en we zorgen ervoor dat de kinderen in dat jaar een spannend toneelspel kunnen instuderen dat hiermee te maken heeft.

Maar uit het voorafgaande zien we direct, dat dit niet een gezellig zoethoudertje is, of dat we Columbus ook best in de 6e klas Amerika kunnen laten ontdekken. Dat moet in de 7e gebeuren. De ontdekkingsreizen hangen samen met de drang in de mensheid de aarde te leren kennen. Hiervoor moest het intellect, het abstracte denken, zich ook losmaken van bijgeloof, van niet meer begrepen oude spiritualiteit die opgedroogd of misvormd was. Waarneming van de uiterlijke wereld en nuchter nadenken over het waargenomene, dat is aan de orde bij de overgang van de middeleeuwen naar onze tijd. En dat is ook aan de orde bij de overgang naar de puberteit bij de individuele mens.

Er wordt in vrijeschoolkring vaak gezegd dat ‘het kind in zijn ontwikkeling de ontwikkelingsfasen van de mensheid herhaalt’, maar zo’n opvatting is a.h.w. te ongenuanceerd, als er niet meteen bij wordt gezegd dat het om de ‘bewustzijnsontwikkeling’ gaat. Dan zie je inderdaad parallellen, zoals Veltman hierboven beschrijft.

In haar boekjeVan roodkapje tot parcifalschrijft Wil van Houwelingen over klas 7: (1977)

Klas VII – PARC I FA L

“In de glans der Middeleeuwen
als aan koninklijke hoven
bij het haardvuur van de burchten
in de stilte van de kloosters,
troubadours en barden komen,
als men stil, aandachtig luistert
naar ’n lied, ’n schoon verhaal
bloeit het grootst verhaal van alle,
ongekend in spanning, kracht.

Van een ridder, Parcifal
hoog van afkomst, en bestemd
met de krans der ridderdeugden
die hij, zwaar beproefd, verwerft,
eens te vinden het geheim
door niet zoekend, toch te zoeken
dwars door alle dalen heen,
het geheim van Montsalvanche
van de wonderbare Graal. “

Zo begon het Parcifal-boek van een zevende klas, toen men van het verhaal voor zichzelf *n boek wilde maken, met eigen gedichten en tekeningen, ’n Ervaring om nooit te vergeten en intens dankbaar voor te zijn. Mee te maken, hoe kinderen in de ban van zo’n diepe, verheven levensgang het beste in zichzelf ontdekken en onder woorden brengen.

Bijna-zwijgend, verlegen, was men het erover eens, dat op de laatste bladzij alleen moest staan:

De Graalsvraag.
“Oom, wat deert U?
Wat heeft U in verwarring gebracht? “

Dit was nl. de vraag, die Parcifal in zichzelf moest vinden, om de lijdende koning Amfortas te verlossen. Met deze vraag werd hij” Graalskoning.

’t Sleutelwoord van de 7 klas zou men kunnen noemen: “t ontwaken van het geweten”, nog dieper naar binnen maar ook praktisch naar buiten in bv. het nieuwe vak: gezondheidsleer.

Behalve Parcifal, die tot de relatie met de andere mens moet komen, in wat het allersimpelste lijkt: ‘Wat scheelt eraan? Kan ik iets voor je doen?” biedt ook de geschiedenisstof van de 7e klas wéér die inhoud waar het kind zelf aan toe is. Verantwoording tegenover zichzelf. Maarten Luther op de Rijksdag te Worms: “Hier sta ik – ik kan niet anders. ” Willem van Oranje, Thomas More en vele anderen. Maar ook de ontdekkingsreizigers die alle ontberingen er voor overhebben de aarde verder te ontdekken. Hier wordt ook veel lectuur geboden die het kind zelf kan lezen. Aardrijkskunde – volkenkunde; ’n Engelsman is anders dan ’n Spanjaard, anders dan ’n Hollander, maar dat wil niet zeggen beter of slechter. De oordeelsvorming wordt begeleid.

De klimatologie van de 6e klas wordt uitgebreid tot kosmografie. Het kind hoort van het Platonische jaar. Zijn ademhalingsritme staat in verband met ’t ritme van de zon in zijn gang door de dierenriem.

Zo kan, naar ik hoop, zelfs ’n onvolledige gang door ’t leerplan (veel vakken werden niet eens genoemd – de vertelstof stond centraal) tóch aantonen dat juist een algemene ontplooiing in alle gebieden in elk kind, ook ’t bijzonder kunstzinnige, ook het al te dromerige en ook het kind dat toch zo goed kan leren, ’n vruchtbare basis legt voor het ontwikkelen van in aanleg aanwezige vermogens en ’t geboren worden van de eigen Individualiteit.
ill. Chris v.d. Most 

Parcifal als vertelstof voor klas 6 en 7 hoor je nauwelijks genoemd als de leerkracht anno nu over ‘vertelstof’ spreekt.
In 1935 besteedde Max Stibbe er een artikel aan in Vrije Opvoedkunst.
Parcifal is vooral een periode geworden in klas 11.

De Zwitserse vrijeschoolleerkracht Hans Rudolf Niederhäuser († 1983) werkte Steiners aanwijzing uit in zijn boekje:
‘Fremde Länder, fremde Völker’

Van Houwelingen noemde een aantal historische figuren over wie verteld zou kunnen worden. 
Hier raakt ‘vertelstof’ aan geschiedenis. Daarmee is niets mis. Steiner was een groot voorstander van vakkenintegratie.
Juist omdat de geschiedenisperiode veel stof omvat, is het zeker niet onverstandig om bepaalde inhoud als vertelstof te gebruiken, buiten de geschiedenisperiode om.
Aanwijzingen vind je bij Lindenberg:Geschiedenis leren

.

Leerplan: alle artikelen

7e klas: alle artikelen

Vertelstof: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: 7e klas

.

2947-2765

.

.

.

VRIJESCHOOL – 7e klas – leerplan

Er was een tijd dat een vrijeschool de klassen kleuters t/m  12 onder één dak had. Deze scholen stonden alle in grote steden.

Toen het aantal basisscholen – vanaf 1975 – fors groeide in kleinere plaatsen, waren de leerlingen voor de middelbare afdeling aangewezen op bestaande scholen in de grotere stad.

De basisschool bestond toen uit kleuters t/m klas 7.

Maar ook klas 7 – die de wet niet kent – werd op zeker ogenblik bij de basisschool weggehaald en als een soort middenklas (samen met klas 8) opgenomen door de bovenbouw (de klassen 9 t/m 12).

Hoe zag het leerplan van de 7e klas eruit toen het nog een basisschoolklas was. 
Dat is hieronder te zien. 
Het wil niet zeggen dat de 7e klas anno 2016 dit leerplan heeft.

Waarom ik het dan toch hier weergeef?

Zie hiervoor:  ‘Verslag Informatiebijeenkomst Anders Verantwoorden 20 januari 2016 door Yvonne van Oorsouw en Saar Frieling’ in ‘Antroposofie in de pers’ 

voor scholen die na periodes van inspectiestress hun eigen concept willen terugveroveren

LEERPLAN KLAS VII

NEDERLANDSE TAAL

a. Vertelstof:
Land- en volkenkunde,
Middeleeuwse riddersagen,
het Finse Kalevala-epos
Geschiedenis van de 15e en 16e eeuw

b.Spreken:
Spraakoefeningen,
klassengesprek,
spreekbeurt,
temperamentsoefeningen,
reciteren van gedichten,
voordragen van prozastukken.

c.Schrijven:
Zuiver schrijven,
goed gestelde zakenbrieven,

d.Lezen:
Moeilijker stukken door stillezen opnemen en inhoud in vragende vorm weergeven

e. Spelling en interpunctie:
Moeilijke dictees.
Vervolmaking interpunctie,

f.Grammatica:
Behandeling van de samengestelde zin.
Nauwkeuriger behandeling van voornaamwoorden en voegwoorden.
Het kind moet door de taal de goede uitdrukkingen kunnen hanteren, die een wens, een verwondering, een gevoel van verbazing, ook van bewondering, kortom een hele configuratie van gevoelens uitdrukken. Vergelijken van een wenszin met een bewonderzin om de plastiek van de taal te beleven.

g. Opstellen:
Onderwerpen uit natuurkunde en biologie nauwkeurig weergegeven

h. Stijloefeningen:
In vier temperamentstijlen kunnen spreken en schrijven. In de Nederlandse literatuur voorbeelden bestuderen.

Middelen: Papier in verschillende soorten, schriften, periodeschriften, pennen, kleurkrijt, kleurpotloden, leesboeken, toneelattributen, toneel-kleding, hout, klei.

Werkvorm: Individueel, groep, temperamentsgroep, klassikaal.

FRANS OF DUITS EN ENGELS

Grammaticale regels worden uit het hoofd geleerd.
Grotere gedichten en balladen worden behandeld.
Brieven en korte opstellen gemaakt.
Globale vertalingen geoefend.
De onderwerpen komen uit land- en volkenkunde.

Middelen: Papier, schriften, leesboeken.

Werkvorm: Klassikaal, groep, temperamentsgroepen, individueel.

REKENEN/ ALGEBRA

Aan de orde komen:
Machtsverheffen,
worteltrekken,
de negatieve getallen,
vergelijkingen,
algebra in de vier hoofdbewerkingen.
Ook inhouds- en oppervlaktematen en vreemd geld.
E.e.a. aan de hand van praktische vraagstukken.

MEETKUNDE

De meetkunde wordt voortgezet tot en met de stelling van Pythagoras.

Dit is een van de kernstukken van de zevende klas.

Verder nog: Vermenigvuldigen van figuren,
gelijkvormigheid en congruentie.
Verhouding en evenredigheid van lijnstukken.
Eenvoudige bewijzen i.v.m. congruentie en gelijkvormige driehoeken.

Middelen:Papier, potloden, karton,passers,driehoeken, gradenbogen,klei.

Werkvorm: Klassikaal en individueel

VORMTEKENEN

Do meetkundige constructies met passer, liniaal en driehoek worden voortgezet.

Middelen: Papier, potloden, krijt.

Werkvorm: Klassikaal, in temperamentsgroepen, individueel.

SCHILDEREN EN TEKENEN

Voortzetting en herhaling van onderwerpen uit de vorige klassen.
Spiegeling (in water);
stemmingen in chemische processen (kristalliseren, verbranden e.d.); architectuur; coulissen. [1]

Middelen: Papier, waterverf, sponzen, penselen, waskrijt, kleurkrijt, kleurpotloden, karton, houtskool, waterbakjes.

werkvorm: Klassikaal, in temperamentsgroepen, individueel.

HANDENARBEID

De zevende klas staat in het teken van het beweeglijke speelgoed.

Het maken daarvan loopt parallel met de intrede van het vak mechanica, waarin de takels, de weegschaal, het hellende vlak, etc. worden behandeld.

Dat is op de leeftijd van 12 a 13 jaar, waarin het lichaam hoekiger gaat worden en de aanhechting van de spieren met het skelet vaster wordt (mechanischer) .

Rijdende en waggelende eenden verschijnen, voorzien van ingebouwde krukassen, apen die langs een stok klimmen, houthakkers die tot activiteit kunnen komen etc.

Nu moet de fantasie omgezet worden in denkend voorstellen en daarna met de realiteit laten wedijveren.

Het wordt een zeer bedrijvig jaar, vooral voor de leraar, die mede gestalte moet geven aan al die uitvindingen, waarvan de toepassingen veel denkkracht vereisen.

HANDWERKEN

De leerlingen naaien en versieren eenvoudige kledingstukken voor zichzelf

Middelen:Verschillende soorten natuurlijk materiaal.

Werkvorm: Klassikaal, in temperamentsgroepen, individueel

EURITIIMIE

In aansluiting’ op het taalonderwijs worden de uitdrukkingsvormen van wensen, bewonderen, zich verwonderen, e.d. door het gehele lichaam in bewegingen gedaan.

Er worden moeilijker geometrische vormen gelopen, begeleid door muziek.

De oefeningen, die de leerlingen helpen hun groeiende ledematen te beheersen, worden voortgezet. Bij de tooneuritmie treedt het mineurelement weer op de voorgrond. Er worden nu muziekstukken ingestudeerd, waarbij enkele kinderen uit deze klas op hun instrumenten spelen en de rest van de klas daarbij euritmiseert.

MUZIEK

Het behandelen van het octaaf krijgt een aparte betekenis door het begin van de stemwisseling van de jongens. Hun stem zakt nl. een octaaf, zodat in het bijzonder de negro-spirituals hun volle klank krijgen.

Laat men aan de ene kant de muziek der grote meesters horen, het is voor opgroeiende kinderen aantrekkelijk en op deze leeftijd zelfs noodzakelijk de grondbegrippen van de jazzmuziek te leren kennen. Daarbij vooral biografieën behandelen. Een eigen bandje naast het schoolorkest valt te overdenken.

BIOLOGIE/TUINBOUW

Gebaseerd op de plantkunde, dierkunde en mineralogie, wordt nu de menskunde behandeld i.v.m. voedings- en gezondheidsleer. Verschillende gezichtspunten worden besproken. Ook de stofwisseling, spijsvertering en ademhaling komen aan de orde.

In de tuinbouwlessen komt de kwaliteitsvraag naar voren: Hoe verzorg je de grond, de plant en hoe bewaart men en bereidt men hem. Dit wordt alles zoveel mogelijk in praktijk gebracht.

Middelen:Boeken, werkboeken en tuingereedschap.

Werkvorm: Klassikaal, in temperamentgroepen, individueel.

VOEDINGSLEER

Op deze jonge leeftijd kan het kind op niet-egoïstische wijze begrip krijgen voor voeding en gezondheid. Behalve theoretisch zijn de leerlingen ook praktisch bezig. Ook komt aan de orde hoe de voedingswijze in de loop der tijden is veranderd.

Middelen: Werkboekjes, kookgerei, boeken.

Werkvorm: Klassikaal, in temperamentsgroepen, individueel.

GESCHIEDENIS/VOLKENKUNDE

De periode in de zevende klas concentreert zich op de 14e, 15e en 16e eeuw. Van groot belang kan het worden geacht, dat de kinderen die nu in een zo andere ontwikkelingsfase van hun wezen komen, in aanraking worden gebracht met die ontwikkelingsfase van de West-Europese mens die wij Renaissance noemen. Evenals bij onze ongeveer 13-jarigen kenmerkt zich deze tijd door het zoeken naar een ontplooiing van het individu.

Het denken gaat een zelfstandige plaats eisen, en maakt zich daarbij vrij van oude waarden. Aan de hand van biografieën kunnen in kleurrijke beelden de levens geschilderd worden van de grote vernieuwers uit die tijd; de ontdekkingsreizen n.a.v.Hendrik de Zeevaarder, Columbus e.a.; de veranderde ideeën op het gebied van de godsdienst n.a.v. Johannes Hus, Maarten Luther e.a.

Schilders, beeldhouwers, uitvinders kunnen behandeld worden. Het ontstaan van nieuwe staatkundige ideeën vanuit de oude gildemaatschappij en de feodale overheersers wordt meebeleefd.

Centraal staat steeds dat de leerlingen innerlijk déél kunnen nemen aan het denken en worstelen van de mensen, die aan het begin van een nieuwe bewustzijnsstroom stonden, die uitmondt in onze huidige technocratische maatschappij waar kinderen nu met hun eigen, zich ontplooiende bewustzijn, in staan.

Middelen: Schriften, Boeken en Werkboeken.

Werkvorm: Klassikaal, in temperamentsgroepen, individueel.

AARDRIJKSKUNDE/STERRENKUNDE

De werelddelen en oceanen worden behandeld. Metalen en hun economische betekenis voor de mensen. Belangrijke volkeren en hun culturen worden behandeld voor wat betreft hun samenhang met materiële, economische en spirituele factoren.

Voorts worden de astronomische verschijnselen aan de hemel besproken: zon, maan, de zeven planeten en de twaalf sterrenbeelden van de dierenriem .

Middelen: Schriften, papier, atlassen, wandkaarten, sterrenkaart, telescoop.

Werkvorm: Klassikaal, in temperamentgroepen, individueel.

NATUURKUNDE

Geluidsleer, licht- en kleurenleer, warmteleer, magnetisme en elektriciteit worden uitgebreid; de belangrijkste mechanische elementen komen erbij: hefboom, katrol, takel, hellend vlak, schroef e.d.

Middelen: Materiaal voor het nemen van proeven, schriften, werkboeken.

SCHEIKUNDE

Uitgaande van de verbranding leren de kinderen de eenvoudigste chemische voorstellingen kennen: Zuren, basen, zouten in hun onderlinge verhouding en karakter, in hun gebruik en voorkomen in het dagelijkse leven en de techniek, worden aan de hand van de belangrijkste voorbeelden geleerd.

Middelen: Schriften, werkboekjes, materiaal voor het nemen van proeven.

GYMNASTIEK

Voor kinderen in de zevende klas geeft het ervaren van de zwaartekracht en de eigen kracht daar tegenin veel voldoening.

De vrije val in de ruimte wordt gepraktiseerd( vallen en opstaan): het springen over allerlei hindernissen.
Verschillende teamspelen.

VERKEER

Het verkeersonderwijs moet zo worden ingericht, dat het kind zich dusdanig leert gedragen, dat hij uit eigen verantwoordelijkheidsgevoel en uit eerbied voor het leven in de omgang met anderen speciaal in het verkeer zo weinig mogelijk zijn medemens en zichzelf in gevaar brengt. Het verkeersonderwijs omvat de volgende aspecten:

1. De praktische oefening van de verkeersregels.
2. De oefening in het waarnemen, oriënteren, concentreren en reageren.
3. Goede gewoontevorming t.a.v. de gestelde gedragsregels. Het gaat daarbij ook vooral om het aanleren van goede “verkeersregels” in en om de school.

In de midden- en hogere klassen komen de verkeersregels aan de orde, die bestemd zijn voor de fietser en voor de automobilist, voorzover deze tevens betrekking hebben op de fietser.

In de klassen kan worden gewezen op de verscheidenheid aan vervoersmiddelen en de daarmee samenhangende problemen.

nadere gegevens ontbreken

[1] (eind) 7e klas: zwart/wit arceren 

zie ook: Opspattend grind (21)

Van veel onderwerpen is op deze blog achtergrondinformatie gegeven; ook voorbeelden uit de praktijk.

7e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld:  7e klas: alle beelden

1056-979