Tagarchief: ethische en morele opvoeding GA 303 vdr. 16 blz. 228 e

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over godsdienstonderwijs (GA 303)

.

Als Rudolf Steiner in 1919 de cursussen geeft voor de op- en inrichting van de eerste vrijeschool in Stuttgart, worden uiteraard ook de vakken genoemd die onderwezen gaan worden.

Het was in die tijd gebruikelijk dat in het ‘openbare’ onderwijs – laat ik voor het gemak maar zeggen: dominee of pastoor – onderwijs gaven over de geloofsrichting die zij vertegenwoordigden: die dienst die ze aan hun god wilden bewijzen, dus godsdienstonderwijs.

De kinderen die naar de vrijeschool komen, krijgen geen antroposofische godsdienst. Steiner wil van de vrijeschool geen wereldbeschouwelijke school maken, ‘slechts’ een methodeschool.
Dat heeft hij vele keren benadrukt!

Maar wanneer niet-confessionele ouders – aanvankelijk de antroposofisch zich oriënterende ouders – ook voor hun kinderen godsdienstonderwijs ‘vanuit de antroposofie’ willen, geeft Steiner daar richtlijnen voor. Dat noemt hij bewust ‘wereldbeschouwing’, antroposofisch georiënteerde wereldbeschouwing’.
Nu wordt ook ‘de handeling’ genoemd.

Voordracht 16 gaat diep in op wat ‘religieuze gevoelens’ zijn en hoe belangrijk die zijn voor het opgroeiende kind. M.n. dankbaarheid en liefde.
.

GA 303         vertaald

 Die gesunde Entwickelung des Menschenwesens

Gezondmakend onderwijs

Voordracht 8, Dornach 30 december 1921

Die Einrichtung der Waldorfschule

Blz. 146     vertaald/159-160

Also eine Weltanschauungsschule wollten wir ganz gewiß nicht
schaffen, wie man leicht denken könnte, wenn man äußerlich hört: da
haben die Anthroposophen eine Schule begründet; sondern es handelt
sich darum, Anthroposophie in die pädagogische Praxis hineinzutragen.
Daher war es mir auch verhältnismäßig gleichgültig, den Gipfelpunkt des Weltanschauungslebens, die religiöse Weltanschauung, einfach den entsprechenden Vertretern der traditionellen Religionsbekenntnisse zu überlassen. Und so wurde denn der katholische Religionsunterricht ruhig dem katholischen Pfarrer, der evangelische dem evangelischen Pfarrer zur Verfügung gestellt. Wir hatten keine Angst, daß
nicht dasjenige, was sie verderben, wieder gutgemacht werden kann
durch ein anderes. Aber es stellte sich dabei die Sache so heraus, daß,
als unser Freund Emil Molt die Waldorfschule in Stuttgart begründete,
zunächst das Hauptkontingent der Kinder die Proletarierkinder seiner
Fabrik waren.

We wilden zeer zeker geen school op basis van een wereldbeschouwing oprichten. Dat zou men gemakkelijk kunnen denken als men hoort zeggen: de antroposofen hebben een school opgericht. — Nee, het gaat erom antroposofie pedagogisch in praktijk te brengen.
Daarom was het mij ook betrekkelijk om het even om het toppunt van het wereldbeschouwingsleven, de religieuze wereldbeschouwing gewoon aan de overeenkomstige vertegenwoordigers van de traditionele geloofsbekentenissen over te laten. En zo konden we dan het katholieke godsdienstonderwijs rustig aan de katholieke priester, het protestantse aan de protestantse dominee overlaten. We waren bang dat we niet dat wat zij aan uiterlijke invloeden fout zouden kunnen doen, niet weer zouden kunnen goedmaken. Maar de zaak verliep zo dat toen onze vriend Emil Molt de vrijeschool, de ‘Waldorfschule’ in Stuttgart oprichtte, het grootste deel van de kinderen uit de arbeidersgezinnen van zijn fabriek kwam.

Es waren zum großen Teil Dissidentenkinder, Kinder die, wenn sie in eine andere Schule gegangen wären, eben an gar keinem Religionsunterricht teilgenommen hätten, die religionslos aufgewachsen wären. Für die stellte sich sowohl bei den Kindern selbst in der Art, wie das eben bei Kindern in Erscheinung treten kann, wie bei den Eltern der Kinder das Bedürfnis ein, nun doch so etwas zu haben, und da mußten wir doch unseren freien Religionsunterricht für die Kinder einrichten. Er wird dann, geradeso wie der evangelische Unterricht vom evangelischen Pfarrer, der katholische Unterricht von einem katholischen Priester erteilt wird, von unseren Lehrern erteilt, die sich dann auch als gegenüber dem übrigen Lehrplan zugelassene Religionslehrer betrachten. So wird dann anthroposophischer Religionsunterricht erteilt. Und wir haben es dazu gebracht, daß dieser freie, anthroposophische Religionsunterricht, heute schon für viele andere Kinder auch, aber gerade sehr Vielversprechendes für Proletarierkinder bedeutet.
Da tritt nun eine besondere Schwierigkeit auf; denn wir haben eine

Dat waren voor het grootste deel ‘dissidente’ kinderen, kinderen die als zij naar een andere school waren gegaan, helemaal niet aan het godsdienstonderwijs hadden deelgenomen. Ze zouden zonder religie zijn opgegroeid. Zowel bij de kinderen zelf, op de wijze zoals dat bij kinderen kan gebeuren, als bij hun ouders ontstond de behoefte nu toch ook iets dergelijks te hebben. Toen moesten wij aan de kinderen vrij godsdienstonderwijs gaan geven. Die lessen worden dan, net als de evangelische lessen door een evangelische dominee, de katholieke lessen door een katholieke priester gegeven worden, door onze leraren gegeven, die zichzelf dan ook beschouwen als volgens het leerplan toegelaten godsdienstleraren. Zo wordt dan antroposofisch godsdienstonderwijs gegeven. En nu is het dan zover dat dit vrije, antroposofische godsdienstonderwijs tegenwoordig ook al voor vele andere kinderen, maar vooral voor arbeiderskinderen, heel veel betekent.
Nu doet zich een bijzondere moeilijkheid voor, want de

Blz. 147    vertaald/160

Anthroposophie für Erwachsene, und der Lehrer hat heute, wenn er
seinen anthroposophischen Religionsunterricht erteilt, nun damit zu
ringen, für dasjenige, was er da mit den Kindern durchzunehmen hat,
Inhalte zu schaffen. Es ist dasjenige, was anthroposophische Weltanschauung ist, erst in die Form zu gießen, in der es an das Kind herangebracht werden kann. Und an dieser Bearbeitung, nun einer modernen, dem Menschengeiste entsprechenden Weltanschauung für das Kind, arbeiten wir vielfach. Da ist es in der Tat notwendig, tief einzugehen, wie weit zum Beispiel Symbole, die man gebrauchen muß, auf das Kind wirken, und wie da Imponderabilien in Betracht kommen.

antroposofie is voor volwassenen bedoeld, en voor de leraar is het nu, wanneer hij zijn antroposofische godsdienstonderwijs geeft, een hele worsteling om inhouden te creëren voor wat hij met de kinderen wil behandelen. De antroposofische wereldbeschouwing moet eerst in een vorm gegoten worden die aan het kind kan worden aangeboden. En aan een derge
lijke bewerking van een moderne, bij de menselijke geest passende wereldbeschouwing voor het kind werken wij veelvuldig. Daarbij is het inderdaad nodig diep in te gaan op hoe sterk bijvoorbeeld symbolen die je moet gebruiken, op het kind inwerken en hoe daar imponderabilia bij in aanmerking komen.
GA 303/146-147
Vertaald/259-160

Blz. 154    vertaald/168

Ich habe gesagt, wie wir selber genötigt waren, auch eine Art an­throposophischen Religionsunterrichtes für die Kinder zu geben. Aber sehr bald stellte sich gerade zu diesem anthroposophischen Religions­unterricht hinzu ein anderes Bedürfnis ein, und wir mußten dazu über­gehen, eine Sonntagshandlung einzuführen, die etwas Kultartiges hat und an der die Kinder mit einer großen religiösen Inbrunst teilnehmen. Das Kultmäßige, das im Bilde an den Menschen herantritt, ist ja wirk­lich etwas, was von der Seite der Anschauung her in das Gemüt, in die religiöse Empfindung sich hineinzieht. Und so übt diese kleine Kultus­handlung, die an jedem Sonntagvormittag mit den Kindern vorgenom­men wird, auch einen außerordentlich vertiefenden Einfluß auf das Kindergemüt aus.

Ik heb verteld hoe wij zelf genoodzaakt waren ook een soort antroposofische godsdienstles voor de kinderen te geven. Maar al spoedig ontstond naast dit antroposofische godsdienstonderwijs een andere behoefte. We moesten ertoe overgaan een zondagshandeling in te voeren, die iets van een cultus heeft en waaraan de kinderen met grote religieuze innigheid deelnemen. Het cultusachtige, dat in beelden tot de mensen komt, is echt iets wat via het waarnemen in het gemoed, in het religieuze gevoel naar binnen trekt. En zo oefent deze kleine cultische handeling, die we iedere zondagochtend met de kinderen houden, ook een buitengewoon verdiepende invloed uit op het gemoed van het kind.
GA 303/154
Vertaald/168

Voordracht 16, Dornach 7 januari 1922

Die ethische und religiöse Erziehung im besonderen

Blz. 294     vertaald/328

Man fühlt sich gedrängt, wenn es heute auch nur aphoristisch ge­schehen kann, von der ethischen, von der moralisch-religiösen Erzie­hungskunst zu reden, man fühlt sich ja gerade dann auf der einen Seite gedrängt, an das Allgemein-Menschliche, das als solches Allge­mein-Menschliches über die ganze Erde hin ausgebreitet ist und den Unterschied von Völkern und Rassen nicht kennt, an dieses Allgemein-Menschliche zu appellieren. Man weiß aber auch auf der anderen Seite, daß es schier unmöglich ist, gerade auf diesen Gebieten, die so sehr mit dem Inneren des Menschen zu tun haben, heute schon von einem allge­mein menschlichen Gesichtspunkte aus so zu sprechen, daß man von den Angehörigen aller Nationen restlos verstanden werden könnte. Denn man braucht sich es nur an einem Beispiel einmal zu veranschaulichen

Je voelt dringend de behoefte, ook al kun je dat nu slechts kernachtig doen, over de ethische, over de moreel-religieuze opvoedkunst te spreken. Enerzijds voel je je juist dan gedrongen te appelleren aan het algemeen menselijke, het algemeen menselijke dat als zodanig over de hele aarde is verspreid en het onderscheid tussen volkeren en rassen niet kent. Anderzijds weet je echter ook dat het welhaast onmogelijk is juist op deze gebieden, die zo sterk met het innerlijk van de mens te maken hebben, tegenwoordig al vanuit een algemeen menselijk gezichtspunt zo te spreken dat je door de inwoners van alle naties volkomen begrepen kunt worden. Want je hoeft maar door een voorbeeld aan te tonen hoe

Blz. 295

wie differenziert die Menschen über die Erde hin in bezug auf ihre mora­lischen Empfindungen und in bezug auf ihre religiösen Lebensauffas­sungen sind, und man wird schon sehen, wie beengt man sich fühlt, wenn man an irgendeinem Punkte der Erde über das ethisch-religiöse Gebiet sprechen will, weil einfach gerade dieses mit dem Innersten des Menschen so eng zusammenhängende Gebiet nur richtig verstanden werden kann, wenn es aus Volkstum und aus Religionsbekenntnis her­aus verstanden wird.
In bezug auf alles, was ich bisher schon vorgebracht habe, konnte
ich etwas viel mehr Allgemein-Menschliches sagen, als ich Ihnen heute
werde sagen können. Anthroposophische Weltanschauung ist einmal
dazu da, um die verschiedensten Brücken zu schlagen über dasjenige
hin, was die Menschen in Nationen, in Rassen und so weiter trennt.
Sie fühlt sich ihrer tiefsten Anlage nach gedrungen, durchaus international zu sprechen. Und sie fühlt es daher auch ganz besonders, wie schwierig es ist, über die intimsten Gebiete des menschlichen Lebens gerade im Sinne der heutigen Zivilisation der Erde – und das ist ja nun schließlich die Wirklichkeit, mit der wir es in der Gegenwart zu tun haben -, gerade im Sinne der heutigen Zivilisation über die Erde hin zu sprechen. Daher werde ich Sie bitten müssen, dasjenige, was ich heute vorbringe, durchaus von dem eben angedeuteten Gesichtspunkte aus zu fassen. Denn, wie gesagt, man braucht sich nur an einem Beispiel klarzumachen, wie differenziert die Menschen in bezug auf das
Charakterisierte sind.

verschillend de mensen over heel de aarde met betrekking tot hun religieuze levensopvattingen zijn. En je ziet al hoe beperkt je je voelt als je waar dan ook op een of ander punt op aarde over het ethisch-religieuze gebied wilt spreken, omdat juist dit met het meest innerlijke van de mens gewoonweg zo nauw samenhangende gebied alleen goed begrepen kan worden als het vanuit de volksaard en de religieuze opvatting begrepen wordt. Met betrekking tot alles wat ik tot nu toe al ter sprake heb gebracht, kan ik iets veel meer algemeen-menselijks vertellen dan ik u vandaag zal kunnen zeggen. De antroposofische wereldbeschouwing is er nu eenmaal om de meest uiteenlopende bruggen te slaan tussen alles wat de mensen in naties, in rassen enzovoort scheidt. Zij voelt zich in haar diepste aanleg gedrongen absoluut internationaal te spreken. En ze voelt dan ook heel sterk hoe moeilijk het is om te spreken over de intiemste gebieden van het menselijk leven juist in de zin van de huidige beschaving van de aarde — en dat is toch uiteindelijk de werkelijkheid waarmee we tegenwoordig te maken hebben -, juist in de zin van de huidige beschaving overal op aarde. Vandaar dat ik u zal moeten verzoeken dat wat ik vandaag ter sprake breng, beslist vanuit het zojuist aangegeven gezichtspunt op te vatten. Want, zoals gezegd, je hoeft maar aan de hand van een voorbeeld duidelijk te maken hoe verschillend de mensen zijn met betrekking tot wat hier genoemd wordt.
GA 303/294-295    
Vertaald/328

Blz. 297   vertaald 331

Und man muß, wenn man für die Menschheit auf der Erde überhaupt Verständnis gewinnen will in bezug auf ihre ethisch-reli­giösen Ziele, sich auf der einen Seite die Vorurteilslosigkeit aneignen, nicht irgendein Ideal an sich für wertvoller zu halten als das andere, sondern ein jedes nur verstehen zu wollen. Man muß auf der anderen Seite aber auch versuchen, ein jedes zu verstehen.

Aber gerade das will anthroposophische Weltan­schauung, daß die Menschen die Möglichkeit gewinnen, sich über die Erde hin zu verständigen. Sie will daher eine, zwar nicht im physischen Sinne gemeinte, aber doch eine Sprache sprechen, welche auch gegen­über der heutigen, unmittelbar gegenwärtigen Zivilisation überall ver­standen werden kann. Das wird heute natürlich nur in eingeschränk­tem Maße der Fall sein können. Aber gerade dann, wenn wir dieses eingeschränkte Maß beobachten wollen, werden wir zu dem hingeführt werden können, was uns dann die Sache von einem etwas weiteren Gesichtspunkte empfinden läßt.

En je moet, als je voor de mensheid op de aarde überhaupt begrip wilt krijgen met betrekking tot hun ethisch-religieuze doelstellingen, je enerzijds de onbevangenheid eigen maken om niet het ene ideaal op zich als waardevoller te beschouwen dan het andere, maar beide te willen begrijpen. Je moet anderzijds ook proberen beide idealen te begrijpen.
Maar dit is precies wat de antroposofische wereldbeschouwing wil, dat de mensen de mogelijkheid ontwikkelen elkaar overal op aarde te verstaan. Ze wil daarom een, weliswaar niet in de fysieke betekenis bedoelde, maar toch een taal spreken die ook tegenover de huidige, direct aanwezige beschaving overal verstaan kan worden. Dat zal tegenwoordig natuurlijk slechts in beperkte mate het geval kunnen zijn. Maar juist als wij deze beperkte mate willen beschouwen, kunnen we daar heen geleid worden, wat ons dan de zaak vanuit een wijder perspectief laat ervaren. Want zodra je eenmaal wat hier gezegd is helder inziet, wordt het je direct duidelijk hoe weinig wij eigenlijk op ethisch-religieuze manier kunnen bereiken als wij bepaalde religieuze inhouden of zelfs al ethische inhouden aan de kinderen leren. We zouden de kinderen dan hoogstens tot christenen of tot joden, tot katholieken of tot protestanten kunnen opvoeden, in de zin zoals wij dat zelf zijn. Maar uit iedere opvoedkunst moet buitengesloten worden dat we ernaar streven de mensen zo op te voeden dat zij zoals wijzelf worden.
GA 303/297
Vertaald/331

Blz. 299  vertaald  334

An das Inhaltliche von Weltauffassungen, Religionsbekenntnissen, ethischen Impulsen, werden wir uns also, wenn wir ein ethisch-reli­giöses Leben wirklich heranerziehen wollen, nicht halten können. Wir werden vielmehr das Innere des Menschen so ergreifen müssen, daß er sich in der Weise, wie es ihm nach seiner Lebenssituation, man möchte sagen, vom Schicksal aufgegeben ist, in einer freien Weise in dasjenige hineinfindet, was er auf diesem Gebiete mit seinen Mitmenschen Ge­meinsames haben muß, damit er mit ihnen sozial zusammenwirken kann. Also werden wir, wenn wir eine ethisch-religiöse Erziehung geben wollen, zunächst nicht an die Erkenntnis appellieren müssen; denn die

Aan het inhoudelijke van wereldbeschouwingen, geloofsbelijdenissen, ethische impulsen zullen we ons dus, als we de kinderen werkelijk een ethisch-religieus leven door opvoeding willen bijbrengen, niet kunnen houden. Veeleer zullen we het innerlijk van de mens zo moeten aangrijpen dat hij op de manier zoals die hem al naargelang zijn levenssituatie, laat ik zeggen, door het noodlot gegeven is, op een vrije manier vertrouwd raakt met wat hij op dit gebied met zijn medemensen gemeenschappelijk moet hebben om met hen sociaal te kunnen samenwerken. Dus zullen we, als we een ethisch-religieuze opvoeding willen verzorgen, in eerste instantie niet aan de kennis moeten appelleren. Want kennis

Blz. 300      vertaald 334-335

Erkenntnis ist ja gerade dasjenige, was uns zwar die Inhalte abgibt, was uns aber keine Möglichkeit gibt, uns in ein intim Seelisches hineinzuleben. Dennoch aber, indem wir die Erkenntnis, indem wir das Den­ken von den drei Seelenkräften Denken, Fühlen und Wollen in der Schule werden pflegen müssen, werden wir auch dem Denken gegenüber uns klar sein müssen, daß dieses Denken wird einmünden müs­sen in ein religiöses, in ein ethisch-sittliches Ziel. Dasjenige, an das wir uns werden halten müssen bei der sittlichen, bei der moralisch-religiösen Erziehung, das wird das menschliche Fühlen sein. Auch das Wollen kann es nicht unmittelbar sein; denn in bezug auf sein Wollen wird der Mensch in die Sozietät hineingestellt, und dasjenige, was er im Wollen vollbringen muß, wird vielfach durch diese Sozietät und ihre Forderungen bestimmt.
Weder an das Denken, das die eindeutige Richtung geben will, noch an das Wollen, welches seine Impulse aus der Sozietät aufnehmen muß, können wir uns wenden, wohl aber besonders an das Fühlen, das in einer gewissen Beziehung jeder Mensch für sich hat.

is nou juist dat wat ons weliswaar van inhoud voorziet, maar wat ons geen mogelijkheid biedt ons op een intiem psychisch element in te leven. Maar toch, doordat we de kennis, doordat we het denken van de drie zielenkrachten denken, voelen en willen in de school zullen moeten verzorgen, zal het voor ons ook wat betreft het denken helder moeten zijn dat dit denken zal moeten uitmonden in een religieus, in en ethisch-moreel doel. Waar we ons aan zullen moeten houden bij de morele, bij de moreel-religieuze opvoeding, dat zal het menselijk voelen zijn. Ook het willen kan het niet rechtstreeks zijn; want met betrekking tot zijn willen wordt de mens in de maatschappij gezet, en dat wat hij in het willen tot stand moet brengen, wordt veelal door deze maatschappij en haar eisen bepaald.

Noch tot het denken, dat de eenduidige richting wil aangeven, noch tot het willen, dat zijn impulsen uit de maatschappij moet oppakken, kunnen we ons wenden; wel echter tot het voelen, dat ieder mens in zekere zin voor zichzelf heeft.

Und wenn wir an das im Unterricht und in der Erziehung appellieren, dann werden wir diejenigen Kräfte in der Menschenseele treffen, die moralisch und religiös zu fassen sind. Aber wir müssen doch den Unterricht über Denken, Fühlen und Wollen ausdehnen. Wir müssen gleichmäßig alle Seelenkräfte ausbilden. Wir können selbstverständlich nicht das Den­ken nur so ausbilden, daß es eine Sache für sich ist, und auch das Wol­len können wir nicht so ausbilden, daß es eine Sache für sich ist, son­dern wir werden das Gefühlsleben in das Denken und in das Wollen gerade zum Ziele der Erziehung und des Unterrichts hineintragen müssen.
Und da kann uns in bezug auf das Denken nur eine auf anthropo­sophische Grundlage gestellte Welt- und Menschenerkenntnis entge­genkommen; denn diese, auf solche Grundlage gestellte Welt- und Menschenerkenntnis, darf durchaus auf einer physischen Grundlage auf­bauen. Sie darf in unbefangener Weise Physik, Chemie und so weiter pflegen, ohne daß der Mensch diese Dinge so pflegt, daß er von ihnen nicht aufsteigen könnte, indem er sich in den Gedankeninhalt vertieft, der ihm von der Welt gegeben wird, zu einer geistigen, zu einer übersinnlichen

En als we daaraan in onderwijs en opvoeding appelleren, dan zullen we die krachten in de ziel van de mens oproepen die moreel en religieus te vatten zijn. Maar we moeten het onderwijs toch uitbreiden over denken, voelen en willen. We moeten gelijkmatig alle zielenkrachten ontwikkelen. Vanzelfsprekend kunnen we niet het denken slechts zo ontwikkelen dat het op zichzelf staat, en ook het willen kunnen we niet zo ontwikkelen dat het op zichzelf staat; nee, we zullen het gevoelsleven in het denken en in het willen moeten brengen, juist als doel van onze opvoeding en ons onderwijs.
En daarbij kan ons wat betreft het denken alleen een op antroposofische grondslag geplaatst inzicht in mens en wereld tegemoetkomen. Want deze op zo’n basis geplaatst inzicht in mens en wereld mag beslist op een fysieke basis zijn gebaseerd. Ze mag op onbevangen wijze natuurkunde, scheikunde enzovoort beoefenen zonder dat de mens deze dingen zo beoefent dat hij daarvan, doordat hij zich verdiept in de gedachte-inhoud die hem door de wereld gegeven wordt, niet zou kunnen opstijgen naar een geestelijke, naar een bovenzinnelijke

Blz. 301   vertaald  335-336

Welt. Und indem er von der Erkenntnis aus zu der geistig-übersinnlichen Welt kommt, wird eben nicht bloß sein Denken in An­spruch genommen, sondern auch sein Gefühl; denn in demselben Mo­mente, wo wir die Erkenntnis in dieser Art bis zum Übersinnlichen weit genug treiben, beginnen wir ein moralisches Verhältnis zu den Weltengründen, zu den übersinnlichen Wesenheiten zu bekommen.
Und dieses Gefühl, das ist das erste Element unter den drei Seelenelementen, an das wir für die moralisch-religiöse Erziehung appellie­ren müssen. Es ist dieses Gefühl das Gefühl der Dankbarkeit. Dieses Gefühl der Dankbarkeit, das in einer gewissen Beziehung in unserem heutigen Erziehungswesen eine ziemlich unbewußte Rolle spielt, ist dasjenige, was wir ganz systematisch in allen seinen Formen vom Be­ginne der Schulerziehung heranentwickeln müssen in den einzelnen Stücken des konkreten Lebens, wo wir versuchen sollen, schon in dem Kinde allem gegenüber, das ihm gegeben wird, das Dankbarkeitsge­fühl zu entwickeln.

wereld. En doordat hij vanuit het inzicht tot de geestelijk-bovenzinnelijke wereld komt, wordt niet alleen op zijn denken een beroep gedaan, maar ook op zijn gevoel. Want op hetzelfde moment waarop we het inzicht op deze wijze ver genoeg voeren tot in het bovenzinnelijke, beginnen we een morele verhouding te krijgen tot de wereldgronden, tot de bovenzinnelijke wezens.
En dit gevoel is het eerste element onder de drie zielselementen waaraan we voor de moreel-religieuze opvoeding moeten appelleren. Dit gevoel is het gevoel van dankbaarheid. Dit gevoel van dankbaarheid, dat in zeker opzicht in onze huidige opvoeding een tamelijk onbewuste rol speelt, is dat wat we heel systematisch in al zijn vormen vanaf het begin van de schoolopvoeding moeten aanleren in de verschillende delen van het concrete leven, waar we moeten proberen al in het kind het dankbaarheidsgevoel te ontwikkelen jegens alles wat hem gegeven wordt.

Und wenn dieses Dankbarkeitsgefühl in der richtigen Weise ent­wickelt wird, dann steht es so da im Seelenleben, daß es bis in die höchsten Gebiete der Weltgesetzmäßigkeit’ die wir durch die Erkennt­nis gewinnen, hinaufgehen kann. Dann fühlt der Mensch die Natur um sich herum, lernt deren Gesetze kennen, sieht sich dann als Mensch in diese Natur hineingestellt, lernt wissen, daß dasjenige, was er mit sei­nen Sinnen von dieser Natur erkennen lernt, ihn niemals zum Men­schen machen würde, sondern er lernt eine solche Menschenwissenschaft erkennen, die ihn auf dasjenige hinweist, was über die Natur hinaus­geht und doch durch Erkenntnis sich erreichen läßt. Er fühlt als Mensch in sich nicht nur eine alles überschreitende, universelle Gesetzmäßig­keit der Welt, er fühlt ein Wesenhaftes der Welt im Geiste, und seine Erkenntnis beginnt da von selbst in das Dankbarkeitsgefühl überzu­gehen gegenüber denjenigen Wesen, die ihn in die Welt hereingestellt haben, gegenüber den übersinnlichen Wesen; zu dem Dank gegenüber dem göttlichen Wesen erweitert sich die Erkenntnis. Und keine Er­kenntnis ist dem jungen Menschen richtig beigebracht, die nicht zu­letzt in Dankbarkeitsgefühle gegenüber der übersinnlichen Welt aus­quillt.

En als dit dankbaarheidsgevoel op de juiste manier wordt ontwikkeld, dan is het zo in het zielenleven aanwezig dat het tot in de hoogste gebieden van de wereldwetmatigheid, die we door kennis verkrijgen, kan opgaan. Dan voelt de mens de natuur om zich heen, leert de wetten ervan kennen, ziet zich dan als mens in de natuur geplaatst, leert weten dat wat hij met zijn zintuigen over deze natuur leert kennen hem nooit tot mens zal maken. Maar hij leert een menswetenschap kennen die hem erop wijst wat boven de natuur uitgaat en toch door inzicht te bereiken is. Hij voelt als mens in zich niet alleen een alles overschrijdende, universele wetmatigheid van de wereld, hij voelt iets wezenlijks van de wereld in de geest, en zijn inzicht begint daar vanzelf over te gaan in het dankbaarheidsgevoel jegens de wezens die hem in de wereld hebben gezet, jegens de bovenzinnelijke wezens. Het inzicht breidt zich uit tot de dank jegens de goddelijke wezens. En geen enkele kennis wordt de jonge mensen goed bijgebracht die niet uiteindelijk in dankbaarheidsgevoelens jegens de bovenzinnelijke wereld uitstroomt.

Blz. 302      vertaald 336-337

Das erste also, was uns innerhalb der drei Elemente des menschlichen Seelenlebens in das ethisch-religiöse Gebiet hinleitet, das wir
heranerziehen müssen, ist das Dankbarkeitsgefühl; das schließt auch
sonst im Leben schon die Erkenntnis ein; denn wir müssen eine erkenntnismäßige Anschauung von dem haben, wofür wir dankbar sein
sollen. In Dankesgefühlen umschlingt das Gefühlsleben schon im äußerlich praktischen Leben das Erkenntnisleben. Und so appellieren wir
nicht an irgendwelches Übermitteln eines traditionellen Religionsbekenntnisses – das überlassen wir eben dem besonderen Religionsunterricht, der dann aber auch in der richtigen Weise sich in das Leben hineinstellen kann, wenn ihm in dieser Weise vorgearbeitet wird -, wir appellieren zunächst mit Bezug auf das Denken an das Dankbarkeitsgefühl.
Und wenn wir dann an das eigentliche Gefühlsleben herantreten,
dann entdecken wir im Gefühlsleben erst in der rechten Weise dasjenige, was nun das menschliche Innenleben aus sich selbst herausführt,
das menschliche Innenleben in die äußere Welt hineinführt. Im Dankbarkeitsgefühl stehen wir den anderen Wesen gegenüber. Wenn wir
aber mit unserem eigenen Leben uns in das andere Wesen so hineinfinden, daß wir es in einem gewissen Sinne miterleben, dann entwickelt
sich für das Gefühlsleben dasjenige, was wir die Liebe nennen in Wirklichkeit.

Dus het eerste wat ons binnen de drie elementen van het menselijke zieleleven het ethisch-religieuze gebied binnenvoert, wat we door opvoeding moeten bij brengen, is het dankbaarheidsgevoel. Dat sluit dat inzicht ook in de andere facetten van het leven in. Want we moeten een op inzicht gebaseerde opvatting hebben van dat waarvoor we dankbaar moeten zijn. In dankgevoelens omhelst het gevoelsleven in het uiterlijke praktische leven al het kennisleven, het inzicht. En zo appelleren we niet aan het overbrengen van een traditionele religieuze belijdenis — dat laten we gewoon aan het speciale religieuze onderwijs over, dat zich echter ook op de juiste manier in het leven kan plaatsen wanneer op deze manier het voorwerk ervoor wordt gedaan —; we appelleren in eerste instantie met betrekking tot het denken aan het gevoel van dankbaarheid.
En als we dan het eigenlijke gevoelsleven betreden, dan ontdekken we in het gevoelsleven pas op de juiste wijze wat nu het menselijk innerlijk leven uit zichzelf wegvoert, het menselijk innerlijk leven in de uiterlijke wereld binnenvoert. In het dankbaarheidsgevoel staan we tegenover de andere wezens. Maar als we met ons eigen leven zo met het andere wezen vertrouwd raken dat we het in zekere zin meebeleven, dan ontwikkelt zich voor het gevoelsleven datgene wat we liefde in de ware zin van het woord noemen.

Die Liebe ist das zweite Element, das gepflegt sein will im
Hinblicke auf das moralisch-religiöse Leben. Die Liebe, die wir in der
Schule pflegen können, praktisch dadurch, daß wir alles tun, damit die
einzelnen Schulkinder untereinander sich lieben; die Liebe, der wir
eine feste Grundlage geben, wenn wir dasjenige, was aus dem Nachahmungsprinzip zum Autoritätsprinzip geworden ist zwischen dem
neunten und zehnten Lebensjahre, so übergehen lassen können durch
unser ganzes Gebaren in der Schule, daß die Autoritätsempfindung sich
ganz allmählich in die Liebe-Empfindung, in die wahre Liebe-Empfindung, die mit Hochachtung verknüpft ist, gegenüber dem Lehrer und
Erzieher verwandeln.
Dann begründen wir ein Zweifaches für das Leben. Wir begründen
dasjenige, was in einem uralten Wahrspruch enthalten ist: «Liebe deinen Nächsten als dich selbst.» Da wir aber zu gleicher Zeit die Dank-

De liefde is het tweede element dat verzorgd wil worden met het oog op het moreel-religieuze leven. De liefde die we op school kunnen verzorgen, praktisch kunnen verzorgen door alles te doen om ervoor te zorgen dat de schoolkinderen elkaar liefhebben; die liefde die we een vaste basis geven als we datgene wat uit het nabootsingsprincipe tot autoriteitsprincipe geworden is, tussen het negende en tiende jaar zo kunnen laten overgaan door onze hele manier van doen op school, dat we het autoriteitsgevoel heel geleidelijk omvormen tot het liefdegevoel, tot het ware liefdegevoel, dat met eerbied verbonden is, jegens de leraar en de opvoeder.

Dan leggen we voor het leven de basis voor twee dingen. We leggen de basis voor wat in een oeroude kernspreuk is overgeleverd: ‘Heb je naasten lief als jezelf. Maar omdat we gelijktijdig de dankbaarheid ontwikkelen en deze dankbaarheid

Blz. 303  vertaald  blz.  337

barkeit entwickeln, und diese Dankbarkeit uns hinüberweist zur Erkenntnis der Welt, so fügt sich zu diesem: «Liebe deinen Nächsten als dich selbst» hinzu das: «Liebe das göttliche Wesen über alles.»
Solche Wahrsprüche sind heute natürlich jedem geläufig, denn sie
klingen aus uralten Jahrhunderten zu uns herüber; aber darauf kommt
es nicht an, daß wir sie in theoretischem Denken wiederholen, sondern
daß wir aus unserer unmittelbaren Gegenwart heraus – und in jedem
Zeitalter wird ja das Leben der Menschheit ein neues – die Mittel finden, sie wiederum praktisch in das Leben hineinzustellen. Das heutige Leben betont immer: «Liebe deinen Nächsten als dich selbst und Gott über alles.» Man kann nicht viel davon sehen! – Gerade das Schulleben wird dazu beitragen müssen, daß diese Dinge nicht bloß besprochen werden, daß sie wiederum belebt werden.

ons doorverwijst naar het inzicht in de wereld, dan voegt zich bij dit ‘Heb je naasten lief als jezelf het ‘Heb het goddelijk wezen lief boven alles’.

Dergelijke kernspreuken zijn tegenwoordig natuurlijk voor iedereen heel bekend, want ze klinken ons uit oude tijden tegemoet. Het gaat er echter niet om dat we ze in een theoretisch denken herhalen, maar dat we vanuit onze directe aanwezigheid – en in ieder tijdperk wordt het leven van de mensheid nieuw – de middelen vinden hen weer praktisch in het leven te plaatsen. Het leven van tegenwoordig benadrukt steeds: ‘Heb je naasten lief als jezelf en God boven alles”. Daar is nu niet veel van te zien! Juist het schoolleven zal er een bijdrage aan moeten leveren dat deze dingen niet alleen besproken worden, maar dat ze weer tot leven gewekt worden.
GA 303/299
Vertaald/337

Fragenbeantwortung

Beantwoorden van vragen

Dornacht, 1 januari 1922

Het gaat om ‘slecht gedrag van de leerlingen’. Steiner gaat dan in op ‘de schuld geven’, een vorm van ‘zonde’. 
‘Zonde’ is ook iets wat een onderwerp in het godsdienstonderwijs zou kunnen zijn. Daarover zegt Steiner:

Blz. 318   vertaald/353

( )  dieses Beibringen eines solchen Verständnisses für die Sünde würde etwas in die Seele des Kindes gießen, was das ganze Leben hindurch bliebe als eine ge­wisse Unsicherheit im Leben. Ich möchte sagen, wenn ich mich psycho­analytisch ausdrücken will, eine verborgene Seelenprovinz würde man schaffen, die im wirklichen Leben dann eine Art Vakuum schaffen würde, eine Art Seelenprovinz, die gewissermaßen immer eine Leere in sich hat und eine Schwäche bedeutete gegenüber einem mehr tat­kräftigen Zugreifen im Leben.

Maar juist dit we willen dit nu echt zonder religieus vooroordeel bezien —, juist dit aanleren van een dergelijk begrip van zonde zou iets in de ziel van het kind gieten wat het hele leven lang als een bepaalde onzekerheid aanwezig zou blijven. Ik zou willen zeggen, als ik mij psychoanalytisch wil uitdrukken, je zou een verborgen zielsgebied creëren dat in het werkelijke leven dan een soort vacuüm zou scheppen, een soort zielsgebied dat in zekere zin altijd leegte in zich zou hebben en een zwakte zou betekenen in plaats van een meer daadkrachtige aanpak van het leven.
GA 303/318
Vertaald/353 

.

Rudolf Steiner: godsdienstonderwijs alle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Opvoedingsvragenalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3502-3290

.

.

.

.