Categorie archief: heemkunde

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament (17)

.

MAALTIJDEN
.
leven O.T. 45
1. Assyrische maaltijd
Enkele mannen zitten om de grote pot (a); één daarvan rechts, schept met een nap (c) het vleesnat, de bouillon, op: zo’n nap ging dan de kring rond. Voor de vaste spijzen gebruikte men, gelijk nog heden in het oosten, de vingers. •— De hoofdmaaltijden bij de Assyriërs waren ’s morgens en ’s avonds. — In de huizen der welgestelden riep de heer des huizes de dienaren toe: Brengt mij water (b); giet het op mijn handen; ik wil eten. — De hongerige eters smakten met de tong om hun begeerte tot uitdrukking te brengen en grepen met ijver naar de spijzen, die de dienaars brachten. – Na het eten waste men het gezicht met een handdoek af; daarna goot een dienstknecht water over de handen. Kleine honden, die veel in huis gehouden werden, liepen in de kamer rond en aten van „de kruimkens hunner heren.”
.

leven O.T. 46
2. Egyptische maaltijd
Bij a is een gedekte tafel; de man links houdt een blad met vijgen in de hand. De derde man is bezig een gans te verwerken (b); de andere rechts houdt een stuk vlees in de hand. De Egyptenaar bij c links gaat de vis, die hij in de hand heeft, eten; de man rechts drinkt uit een kruik. Ook de man links bij d eet vis. Onder die tafel bij d en die bij a zijn mandjes met druiven. De tafels tonen een volheid van spijs; merkwaardig is de afwezigheid van vorken; maar de handen en vingers doen dienst. Men zit op de grond; stoelen worden bij deze maaltijden niet benut.
.
leven O.T. 473. Gastmaal (naar een Fenicische uitbeelding,
gevonden op het eiland Cyprus). Een drietal volwassen personen ligt aan tafel; bij dit aanliggen aan tafel steunt ieder met de linkerhand op de hogere leuning van de divan. Twee ervan zijn mannen: zij dragen een puntige kegelvormige muts (a, b); zij hebben een puntbaard maar hebben een gladgeschoren bovenlip. De mannen zijn verder gekleed in een lange mantel. De derde figuur (c), is een vrouw; zij draagt een hoofddoek, die ook de wangen en de kin bedekt. De man rechts (a) draagt een kind op de knie, gehuld in een lange mantel; de ronde muts wijst erop, dat het een meisje is.

Dat men in de oudheid aan een tafel zat, leert men ook uit Richt. 19 : 6; 1 Sam. 20 : 5; en met name 1 Kon. 13 : 20. Wil iemand zijn gasten bijzonder eren, dan eet hij niet mee, maar staat er bij om te bedienen (Gen. 18 : 8). Het aanliggen wordt wellicht reeds genoemd in Amos 6 : 4; in de vert. van het Bijbelgenootschap leest men in Matth. 9 : 10 dat de tollenaars en zondaars mede aanlagen; eveneens Matth. 26 : 7; Marcus 6 : 22; 14 : 3, 18; Joh. 13 : 23; 21 : 20.

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas heemkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas heemkunde

.

1079-1001

.

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament (15)

.

HANDWERK

leven O.T. 721. Lederbereiding (Egyptische voorstelling).
Links boven is een arbeider (a) die met een scherpe steen de haren van de huid schrapt; hij houdt de huid met de voeten vast. Daaronder is een arbeider, die riemen snijdt uit het leer (b); terwijl een ander het vel strak aantrekt (c). Daarnaast wordt de huid strak getrokken over een bok (d); een geprepareerde huid (e) is daarboven afgebeeld. Meer naar rechts is iemand, die doorgeeft, wat al klaar is (ƒ); er werden verschillende artikelen van leer vervaardigd bijv. sandalen (g); onderdelen van een bespanning (h) en omhulsels voor akte-stukken (i).

leven O.T. 732. Pottenbakker aan het werk bij de draaischijf
(Egyptische voorstelling). De eerste pottenbakker (a) heeft op de draaischijf (b) een leemklomp (c); hij vormt met zijn hand het inwendige van het vat. Enkele vaten (d, e, f, g, h, i) zijn al gereed. Een tweede pottenbakker (j) vormt de buitenkant van een vat; met zijn linkerhand houdt hij de bodem van het vat (k). Een derde pottenbakker (l) is juist klaar .gekomen met een vat (m); de laatste begint met een verse leemklomp (n): leem in de hand van de pottenbakkers (Jer. 18 : 6) hij maakt een werk op de schijven (Jer. 18 : 3).

leven O.T. 743. Pottenbakkers bij de oven (Egyptische voorstelling).
De eerste (a) vormt van leem een plat bord tussen zijn handen; een ander (b) maakt het vuur in de oven (c) heet; een derde (d) geeft de vormen aan de pottenbakker (e) die slechts met een gordelschort (ƒ) gekleed is; hij plaatst de vormen op de verhitte oven. Het aardewerk, dat gereed kwam, wordt door een arbeidster met een juk (g) weggebracht.

leven O.T. 754. Barbier aan het werk

leven O.T. 765. Scheermes van een barbier
De barbier oefende in de oudheid zijn beroep in de buitenlucht uit, onder de schaduw van een boom. De barbier bond het hoofdhaar om de schedel hoog op en sneed de haren bij de slapen kort af, of schoor deze. De klant zat tijdens de bewerking op een driepoot (a); daarvoor stond dan een zeepbekken (b). Voor scheren en haarsnijden benutten de barbieren een „scheermes van de barbieren” (fig. 5) dat zeer merkwaardig van vorm was en diende om „te laten gaan over het hoofd en over de baard” (Ezech. 5 : 1).

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas: Alle heemkunde-artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas heemkunde

.

1071-993

.

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament (14)

.

WATER EN MELK

leven O.T. 681. Vrouw bij de bron
Het water, dat het meest op prijs gesteld wordt is levend water, het bewegende, frisse water van borrelende bronnen en beken (Hooglied 4 : 15). Een levendig tafereel is het, als de vrouwen bij de bron komen, „op de avondtijd, ten tijde als de putsters het water halen” (Gen. 24 : 11). Als zij naderen, hebben zij de ledige kruik op de schouder, als Rebekka (Gen. 24 : 15). De volle kruik (a) wordt op het hoofd gezet. De bron (b) op de voorgrond is in een diep in de bodem gegraven gat, dikwijls tot op de rotsbodem toe. De geulen in de bronrand zijn inkervingen ontstaan door de touwen van degenen, die de putemmers optrekken. De vrouw draagt een witte hoofddoek (c) die als sluier gebruikt kan worden (zij bedekt haar mond!). Voorts is zij gesierd met armband (d) en voorhoofdsiersel (e) en een enkelring (g), zij draagt een lang kleed, dat echter hier gegord is: het is wat opgetrokken tot aan de kniestreek, doordat zij het tussen de gordel (ƒ) heeft opgenomen.

leven O.T. 692. Emmer
De lederen putemmer (c) die men beter schepbuidel zou kunnen noemen, hangt aan een houten kruis (b) dat ten doel heeft de zak open te houden. In het midden van het houten kruis is het puttouw of scheptouw (a). Zo waren de emmers ook in de oudheid (Numeri 24 : 7, Jesaja 40 : 15).

leven O.T. 703. Waterdrager
Mannen dragen het water in lederen zakken (Jozua 9:4); een man, die een kruik draagt is een zeldzame figuur, die de aandacht trekt (Lukas 22 : 10). De lederen zak (a) wordt met een touw op de rug gedragen; de stukken van de poten (b) steken vreemd omhoog. De waterdrager draagt op het hoofd een gewonden doek (c); verder heeft hij een broek (d), een hemdachtig overkleed (e) en sandalen (ƒ). De met riempjes (Gen. 14 : 23) vastgemaakte sandalen waren in de oudheid het schoenwerk, die behoorden tot de normale kleding (1 Kon. 2:5; Ezech. 24 : 17, 23; 2 Kron. 28 : 15).

leven O.T. 714. Boterbereiding
In F. J. Bruijel, Bijbel en Natuur leest men: De zoete melk, zoals wij die kennen, wordt zeer weinig gebruikt, daar ze gedurende een groot deel van het jaar spoedig bederft. Zij is vrijwel alleen van belang voor jonge kinderen. Wanneer wij in het O. T. lezen over chalab (Statenvert. „melk”) moet in het algemeen gedacht worden aan een met behulp van stukjes lebmaag gestremde en door gisting verzuurde melk, min of meer te vergelijken met de ons bekende yoghurt. Uit deze chalab wordt de chem’a, boter, bereid. Daartoe neemt men drie stokken (a) die schuin in de grond worden gestoken en waartussen een zak, van geitenhuid (b) vervaardigd gevuld met chalab wordt opgehangen. Dan gaat de vrouw erbij zitten en de zak wordt nu het doel van de welgemikte vuistslagen. (Het werkw. drukken in Spr. 30 : 33 is beter te vertalen door „het stoten” of „het stompen”). Zo komt de inhoud in voortdurend schuddende beweging en dit „stoten” heeft de vorming van boter als gevolg. Naast de dikke verzuurde melk, kent men ook zoete gestremde melk. Door verwijdering van het water wordt kaas verkregen (Job 10 : 10 … en mij als een kaas doen runnen). De vrouw draagt een lang kleed, tob (c), een jakje (d) en een van voren open mantel (e); op het hoofd heeft zij de hoofddoek (ƒ) door een hoofdband vastgemaakt.

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas: Alle heemkunde-artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas heemkunde

1067-989

.

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het OudeTestament (13)

.

AARDEWERK

.

leven O.T. 611. Grote kruik,
zonder oor en zonder hals, uit Jericho (voor-Israëlitische tijd tot ± 1600 voor Christus).

.

leven O.T. 622. Grote kruik met oor en handvat;
uit Jericho; voor-Israëlitisch. Kenmerkend is het handvat (a), dat horizontaal aan de zijde van het vat als een lap uitstulpt, met indrukken voor de vingers. Het oorspronkelijke doel van het handvat was een hulpmiddel te zijn bij het dragen op het hoofd.

.

leven O.T. 633. Kleine kruiken met oor,
uit Megiddo; voor-Israëlitisch.

.

leven O.T. 644. Mooi gevormde eivormige kruik
uit Jericho; vroeg-Israëlitisch; 16e—9e eeuw voor Christus.

.

leven O.T. 655. Kruik uit Tell Zakarije
(misschien het Bijbelsche Azeka). Vroeg-Israëlitisch. Deze kruik en die uit Jericho bewijzen tot welke hoogte de pottenbakkerskunst steeg; hierbij dient men rekening te houden met invloed van elders, misschien zelfs met import.

.

leven O.T. 666. Filistijnse kruik uit Gezer:
op een witte ondergrond met rode en zwarte verf beschilderd, gelijk deze „beugelkan” met vogelversiering.

.

leven O.T. 677. Flesje met ringen op buik en hals
(uit Thaanach; laat-Israëlitische periode; 9e—6e eeuw).

Het blijkt, dat het vaatwerk in de eeuwen van vorm verandert. Dus als men bij een opgraving potscherven vindt, kan men afleiden in welke tijd deze gemaakt zijn; en dus kan men de ouderdom van een nederzetting in een ruïneheuvel bepalen met behulp van de scherven. De kennis van de pottenbakkerskunst is daarom de onmisbare sleutel voor alle oudheidkundig onderzoek. De brokstukken van de aardewerkvaten hebben natuurlijk dan pas waarde, als deze één of ander van de typische elementen van de vorm weergeven (handvat, oor, buikwelving, halsrand) en versiering.

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas: Alle heemkunde-artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas heemkunde

1065-987

.

.

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament (12)

DE STAD EN DE MUREN

leven O.T. 561. Teil el-Hesi, een ruïneheuvel na gedeeltelijke afgraving.
Waar eens een oude stad was, verheft zich nu een ruïneheuvel. Zo’n ruïneheuvel heet in de Statenvertaling „hoop”; Jozua stelt Ai tot een teil of hoop (Joz. 8 : 28) en Jeremia zegt van Jeruzalem dat de stad herbouwd zal worden op haar hoop, op de ruïneheuvel (Jer. 30 : 18).
.
leven O.T. 572. Doorsnede van Teil el-Hesi,
waar de opgravers in opvolgende lagen de aanwezigheid van „acht steden” in onderscheiden tijden konden aflezen. Uit de cultuurresten kan men de ouderdom van een nederzetting bepalen. De stijl van het aardewerk is van belang: men kan aan de potscherven zien uit welke tijd een laag dateert. De opgraver Bliss vond in de 4e stad een kleitafeltje, dat men kon indelen bij de categorie van de Amarnabrieven en daarmee dateren als een product uit de 15e eeuw. Scarabeeën uit de 18e dynastie (zegelsteentjes in de vorm van een mestkever; typisch voor de Egyptische godsdienst) wezen er ook op, dat men zoeken moest in de richting van het jaar ± 1400 voor Christus. Zodat men de 4e stad, boven de aslaag a moet stellen rond 1400 voor Christus. Misschien is Teil el-Hesi het Bijbelsche Eglon (Jozua 10 : 3).
.

leven O.T. 583. Muur van Teil Beit Mirsim
(het oude Kirjath Sefer, „de boekenstad”, veroverd door Othniël; Richt. 1 : 12). De muren van de steden waren in die tijd een samengesteld bouwwerk, bestaande uit een wal van zand en puin, die aan de buitenzijde (a) is afgedekt door een bekleding van zware steenblokken. Aan de binnenzijde kan dan nog een tweede muur staan om de aarden vulling vast te houden.
De figuren van de man beneden en boven tonen duidelijk de hoogte van de muur; dit maakt verklaarbaar, dat de verspieders in benauwdheid spraken: de steden zijn groot en gesterkt tot in de hemel toe (Deut. 1 : 28).
.

leven O.T. 594. Poort geflankeerd door torens
In de stadsmuur van de kleinere steden was meest één poort [„de poort van de stad”, Luk. 7 : 12]. De deuren van de poort (d) waren met ijzer beslagen (Jes. 45 : 2). Ter weerszijden de poorttorens (a); volgens Prof. de Groot waren deze mogelijk 12 m. breed en sprongen een paar meter naar voren. De poorttoren had boven kantelen (b) (getand muurwerk); de tandvormige bovendelen zijn de tinnen ter verdediging. Boven de poort (c) was de plaats van de wachter (2 Sam. 18 : 24).
.

leven O.T. 605. Dubbele muur
Een stad als Jericho was omgeven door een dubbele muur; de binnenste (c) was 3,30—3,70 m. dik; en daarvoor een voormuur (a) (1,50—1,60 m. dik); zo’n voormuur heet in de Statenvert. ook wel „voorschans” (Jes. 26 : 1). Jeremia kon van Zion klagen: Hij heeft de voormuur (a) en de muur (c) tezamen treurig gemaakt (Klaagl. 2 : 8). De muren rusten op een grondslag van veldstenen; daarop was een muur van leemtegels. Op de hoek van de hoofdmuur is een sterke toren of burcht (b) de laatste plaats van de verdediging (Richt. 9 : 49, 51). Tussen de poort van de voormuur (b) en die van de binnenmuur (e) was de plaats tussen de twee poorten (2 Sam. 18 : 24). De poort is bij de bronvijver (g); het is een levensbelang, dat de stad water ter beschikking heeft en is dus bij een bron gebouwd (bijv. Rama; 1 Sam. 9 : 11). De uitbouwen (c) dienden als „schuttersplaatsen”.

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas: Alle heemkunde-artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas heemkunde

1062-984

.

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament (11)

.
GEZICHT OP DE STAD MEGIDDO

leven O.T. 55Gezicht op de stad Megiddo in de dagen van de eerste koningen (omstreeks de 10e eeuw voor Christus, gelijk de geleerden, die de ruïneheuvel Tell-el-Moetesellim opgraven, zich dit voorstellen).
Het grote gebouw (van a-c) noemen zij „het grote huis”; het was bij de noordoostelijke muur (waarbij men aanneemt, dat de „laag” waarin „het grote huis” voorkomt, dateert uit de 10e eeuw). Vermoedelijk was dit grote huis de standplaats van de commandant, mogelijk ook was het de residentie van de landvoogd Baäna (1 Kon. 4 : 12).
Bij dit grote huis was een geplaveide binnenhof (b); daar konden de soldaten zich verzamelen en over de trap naar de stadsmuur (g) gaan. Bij de trap is ook de uitkijktoren (c) van de commandant. De toren is opgebouwd uit bewerkte, effen gemaakte, hardsteen. Karakteristiek (dit is ook op de buitenmuur van de stad de bouwwijze) is de verhouding van een kopsteen naast twee strekse stenen, met een rij van strekse stenen in de volgende laag. — De muur van het grote huis is opgetrokken uit bewerkte steen; merkwaardigerwijze „drie rijen van gehouwen steen” (zie ook 1). Op een basis van onbewerkte steen (ƒ) was deze muur opgetrokken, gestut door cederen balken (e). Op de vloer van een binnenplaats vond men as van een verbrand huis; bij een brand werd het stenen metselwerk weinig aangetast, maar de houten balken werden een prooi der vlammen. De staande balken (e) droegen de balken van de zoldering (d). Het „grote huis” van Megiddo doet denken aan het paleis van Salomo: En het grote voorhof was rondom van drie rijen gehouwen stenen met een rij van cederen balken (1 Kon. 7 : 12). De bouwwijze van Megiddo is volgens de geleerden eenerzijds met die van Salomo te Jeruzalem te vergelijken, anderzijds met Hethietische bouwwerken. Het grote huis) van Megiddo vertoont ook gelijkenis met het paleis van Achab te Samaria. Het metselen en de gehele bouwwijze toont aan, dat het geschied is door bekwame vakmensen. — Bij de fundamenten heeft men het zeldzame geval geconstateerd van houten funderingen in de vorm van liggende balken. — Links van het gebouw is de grote zware stadsmuur van Megiddo; de breedte van de muur geeft op de kruin plaats voor de wacht en de verdediging. —• Van de muur gezien vertoont zich het stadsbeeld van huizen met platte daken op ongeveer dezelfde hoogte; en tussen de gebouwen vrij nauwe straten. — In de straat bij het grote huis ziet men een strijdwagen door twee paarden getrokken. In Megiddo zijn gevonden de beroemde paardenstallen van Salomo. Megiddo was een vesting: één van de wagensteden en „de steden der ruiteren” (2 Kron. 8 : 6; 1 Kon. 9 : 17—19) ; een vesting, die de sleutelpositie had tot de beroemde vallei van Megiddo. In die vallei zijn vele veldslagen geleverd; het woord Armageddon wordt wel vertaald als „Berg van Megiddo”. De leider van de opgraving heeft daarom zijn boek over hetgeen ontdekt was, genoemd: Nieuw licht van Armageddon.

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas: Alle heemkunde-artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas heemkunde

1058-981

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament (9)

.

HUIS IN UR UIT DE DAGEN VAN ABRAHAM

leven O.T. 51De tekening stelt een huis voor uit de dagen van Abraham, zoals de geleerde Woolley zich dit voorstelt op grond van opgravingen in het Bijbelse Ur.
Deze huizen, na 2100 gebouwd en verwoest in 1885 voor Christus, tonen hoe Abraham en zijn vaderen, in Ur een stad gekend hebben, die een hoge beschaving toonde: de huizen spreken van behaaglijkheid en weelde.
De ingezetenen van Ur woonden in huizen opgebouwd uit tegels, overdekt met een pleisterlaag en witte kalk. De vertrekken waren om een binnenplaats: daardoor kreeg het huis licht en lucht. Want langs de nauwe, hoekige, ongeplaveide straten hadden de huizen blinde muren zonder vensters. Door de voordeur ging men van de straatkant in een voorvertrek (v) waarin een watergoot was, opdat de bezoeker zich handen en voeten kon wassen en vandaar kwam men op de binnenplaats (b), of binnenhof. Deze was belegd met gebakken tichelsteen (a, a); het voegwerk was in Babylonië vaak asfalt; in de Statenvertaling genoemd lijm (Genesis 11 : 3). Terzijde, rechts was de trap (c) die naar de galerij (e) leidde, welke toegang gaf tot de vertrekken van de bovenverdieping. Het geheel werd afgedekt met een plat dak (ƒ), waarbij gezorgd was, het dak in de richting van de binnenhof een weinig te laten hellen. De galerij rustte op houten palen (p), die soms steunden op neuten (n).
[Ook de grote huizen der aanzienlijken in Israël hadden zulke palen, in de Statenvertaling genoemd balken (Hab. 2 : 11) of pilaren (Spr. 9 : 1)].
Op de vloer van de binnenhof staan twee grote kruiken (d), die blijkens het onderzoek van de vorm gemaakt zijn op de draaischijf van de pottenbakker (en dus niet uit de hand gevormd zijn).
Bij het onderzoek van de vloeren bleek, dat men vaak de doden hier begraven had onder een leemkist in de vorm van een omgekeerde badkuip. Deze gewoonte: iemand begraven in zijn huis heeft een parallel in 1 Samuël 25 : 1 en 1 Kon. 2 : 34. Prof. De Groot schrijft in zijn verklaring: Bij de opgravingen te Gezer en te Jericho heeft men dit ook geconstateerd; in Gezer voor de Kanaänitische, in Jericho zelfs voor de Joodse tijd.

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas: Alle heemkunde-artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas heemkunde

1049-972

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament (8)

.

HUIZEN

leven O.T. 48

1. Grotere huizen in een Oosterse stad.
Bij opgravingen heeft men op verschillende plaatsen gezien hoe binnenmuren (die de indeling van de woning in meerdere vertrekken aangeven) duidelijk zich onderscheiden van de zwaardere buitenmuren.
Sellin en Watzinger vonden in Jericho een huis met vijf kamers, gegroepeerd om een binnenhof en Macalister te Gezer een huis uit de latere Griekse tijd met twaalf vertrekken. Bij zo’n groot huis gaf de deur (a) toegang tot een vertrek, dat naar de binnenhof (b) voerde: zo’n binnenhof wordt in de Statenvertaling ook wel „voorhof” genoemd (Nehemia 8 : 17). Een galerij, rustende op balken of pilaren, omgaf de hof. De trap (d) voerde naar het platte dak; dit was omgeven door een borstwering (ƒ) in de Statenvert. “leuning” genoemd. (Deut. 22 : 8). Het huis links heeft nog een opkamer (h) op het dak; in het verhaal van Ehud genoemd een „koele opperzaal” (Richt. 3 : 20); overigens kwamen zulke optrekjes ook wel voor op het dak van meer eenvoudige huizen (1 Kon. 17 : 19). Een aanzienlijk huis kon voor het vrouwenvertrek een venster hebben met traliën (g) ; vgl. Richt. 5 : 28. Bij het bouwen werden vooral de hoekstenen (e) met grote zorg behouwen en samengevoegd om te zijn tot een hoofd des hoeks (Psalm 118 : 22).

leven O.T. 49

2. Een dorpshuis in Palestina.
Een boerenhuis in Palestina bestaat in de regel slechts uit één vertrek: alles woont op de vastgestampte vloer genoeglijk bijeen (2 Sam. 12 : 3). Alleen ligt het verblijf der dieren (b) iets lager: een paar ruwe treden in ’t midden geven toegang tot het verhoogde gedeelte (a) waar de mensen verblijf houden. Aan weerszijden van die treden zijn voederbakken of kribben (c), goed bekend bij het rund (d) en de ezel (e) gelijk Jesaja 1 : 3 zegt. Rechts de geit (ƒ), die om de melk gehouden wordt (Spr. 27 : 27). Op het midden van het verhoogde gedeelte is een vuurplaat, ’s nachts ligt men op de vloer met de voeten naar de vuurplaat (g) gekeerd. Daarom is het wel bezwaarlijk om in de nacht op te staan, teneinde aan een vriend drie broden te lenen (Lukas 11 : 7); want bij deze wijze van slapen loopt men gevaar op de anderen te trappen en de familie wakker te maken. De vrouw zit bij de handmolen (h). Het kind dat in de hangmat ligt, is in windselen (i) gewonden (Ezechiël 16 : 4).

leven O.T. 50

3. Instrument van lava voor het gladstrijken van een
muurbepleistering.
(Gevonden bij de opgraving van Teleilat Ghassoel in het Jordaandal).
De wanden van een „woning waren met leem en kalk bepleisterd” („dat de één een lemen wand bouwt en de anderen die pleisteren met loze kalk” Ezech. 13 : 10).

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas: Alle heemkunde-artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas heemkunde

1043-968

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament (7)

.

WERKTUIGEN
.

leven O.T. 401. Stenen messen
(a, b en c) uit de heuvel el ‘Oreme (aan het Meer Gennesareth). Aan de metaaltijd gaat de steentijd vooraf; deze vuursteenmessen zijn uit de jongere steentijd of neolithicum. Zulke vuursteenmessen gebruikte Jozua toen hij stenen messen nam voor de besnijdenis (Jozua 5:3). Ook Zippora nam een stenen mes voor de besnijdenis van haar zoon (Ex. 4 : 25).
.
leven O.T. 412. Mes
In de loop der geschiedenis gebruikte men messen van steen, brons of ijzer; het handvat is van hout of hoorn.

3. Priem
(o. m. gebruikt bij de zelfmarteling der Baälspriesters; 1 Kon. 18 : 28).

4. Sikkel
De sikkel werd gebruikt om het staande koren (Deut. 16 : 9) met de rechterhand af te snijden; in de linkerhand hield de maaier de halmen vast (Ps. 129 : 7; Jes. 17 : 5).

5. Hamer
De hamers waren vaak van behakte steen; het maken van een opening voor het houten handvat eist veel geduld. De hamer is in Israël het werktuig van de smid (Jes. 44 : 12).

6. Zaag
Zagen zijn gevonden gemaakt van steen, brons en ijzer. De zaag werd getrokken (Jes. 10 : 15) door de timmerman; echter ook bij dwangarbeid in tichelovens volgens 2 Sam. 12 : 31 naar de vertaling van Prof. de Groot: „De manschappen die erin waren liet hij wegvoeren en zette hen aan het werk bij de steenzagen, bij de ijzeren houwelen en bij de ijzeren bijlen.”
(2—6 naar R. A. S. Macalister).
.
leven O.T. 427. Stenen gewichten
(volgens foto van Prof. Böhl) gevonden bij de opgravingen in Teil beit Mirsim = Kirjath Sefer. Eerlijkheid met weegstenen was goddelijk voorschrift (Deut. 25 : 13; Spr. 16 : 11).
.
leven O.T. 438. Afwegen van gouden ringen
op een weegschaal volgens Egyptische voorstelling. Rechts de ringen (a) links het gewicht (b); deze gewichten (b en c) hadden een diervorm.
.
leven O.T. 449. Zonnewijzer,
een instrument dat de ware zonnetijd aangeeft door de richting waarin de schaduw van een stang op een vast vlak valt.

Een staande stift wierp de schaduw op een vlak, dat met behulp van een schaalverdeling, de lengte en de richting van de schaduw aangeeft. In het midden bij a is het gat voor de stift aangegeven; rechts ziet men bij b de schaalverdeling; links bij c: in een boot de godheid Re-Harmachis met valkenkop en scepter in de hand; voor hem knielt Farao Merenp’tha. Boven de godheid en de koning een zonneschijf met adders; daarnaast rechts en links ringen met de namen van de koning.

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas: Alle heemkunde-artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 3e klas heemkunde

1041-966

.

VRIJESCHOOL – 3e klas: het leven in het Oude Testament (6)

.

JACHT EN VISSERIJ

leven O.T. 291. Jachtnetten (afb. op een monument te Hermel, in Syrië).
Een dier (a) dat bekneld raakt door een slagboom (b) en gevangen kan worden in een jachtnet (c) dat vastgehouden door twee stokken (d) over de kop van het dier kan worden geworpen. In Jesaja 51 : 20 is sprake van een dier (het Hebr. woord kan beduiden: antilope, of naar oudere opvattingen: onyx of wilde os) dat gevangen wordt in zo’n net; de profeet vergelijkt de in onmacht gevallen kinderen ermee, die op straat liggen gelijk een wilde os in het net. Zo’n jachtnet wordt uitgeworpen; de profeet Ezechiël spreekt Gods bedreigingen over Juda en zijn koning uit: Ik zal mijn net over hem heen werpen (Ezech. 12 : 13).

leven O.T. 302. Vogelvangst (Egyptische voorstelling).
Twee Egyptenaren trekken het slagnet (a) dicht waarin grotere en kleinere vogels gevangen zijn.
.
leven O.T. 313. Vissen met de angel (Egypt. voorstelling).
Een visser in lendenschort (a) heeft in de hand een hengelstok (b) waaraan een snoer (e) waaraan de angel is met het lokaas. (Verg. Jes. 19 : 8). Men viste niet alleen in de Nijl, maar ook in daartoe met sluizen afgesloten viswater („lustige staande wateren” Jes. 19 : 10).

leven O.T. 324. Vissers (Egyptische voorstelling).
De rustig voortvloeiende wateren van Egypte waren zeer visrijk; een veel opbrengende visserij was daarvan het gevolg: de Israëlieten in de woestijn behielden daaraan de herinnering („wij gedenken aan de vissen, die wij om niet aten, Numeri 11 : 5). Men ving met de vishaak (angel), men trachtte de vissen te steken met de speer, of men gebruikte een fuik, of een sleepnet. Aan lange touwen (a) werd het net (b) bezwaard met zinkstenen (c) neergelaten en daarna opgetrokken.

leven O.T. 335. Visvangst aan het Meer Gennesareth
Op de achtergrond rijst de rotswand uit het water: hier is het bergland van Golan of Gaulanitis (a). Links zien wij een visser in het water staan; hij staat bij de zegen, waarvan de kurken (b) op het water drijven. Op de voorgrond trekken de vissers de zegen (c) in. Het is bij dit net, dat niet van alle vissen hier en daar een enkele vangt, maar dat over een grote oppervlakte alle vissen omvat, dat het koninkrijk der hemelen vergeleken wordt in Matth. 13 : 47. De vissers waren in de oudheid licht gekleed, ja ze legden hun gewaad af (Joh. 21 : 7); wij lezen van Petrus dat hij zijn kort hemd, zoals nu nog de vissers dragen van zich wierp en in zee sprong.

leven O.T. 346. Visser met het werpnet
(a); een rond net;  ca 4 m. wijd; dat met een zwaai over het water wordt geworpen. (Ezech. 26 : 5; Matth. 4 : 18; Joh. 21 : 6).
.

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas: Alle heemkunde-artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 3e klas heemkunde

1037-962

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament (5)

.

broodbakken

leven O.T. 24

1.Koninklijke bakkerij in het oude Egypte
In de bovenste rij een korfzeef (a) en daarnaast een rij kruiken (b). Daaronder kneden twee slaven, met een stok in de hand het deeg (dat anders met de hand gekneed werd) met blote voeten in de trog (c). Rechts daarvan dragen twee slaven (d) deeg en een oliekruik (Levitikus 2 : 4) naar een arbeider, die het deeg op een tafel (e) dun uitspreidt en vormt. Rechts daarvan wordt een ringbrood (ƒ) door een bakkersknecht met twee staven omhoog gehouden. De pan (g) is door een vlak deksel met handvat gesloten; omdat het heet is moet de kok (h) het deksel met een soort van tang optrekken. Bovenaan is een vuur met een kookpot (i); een bakker kookt moes uit vruchten, die in twee korven (j) liggen; een knecht (k) brengt hout aan. Daaronder staat een man voor een bakoven (k); de bakker steekt zijn hand in de bakoven om de gebakken broden eruit te halen; de broden zijn op een tafel (l) neergelegd. Dezelfde bakoven ziet men nog eens in de onderste rij (m): het is „een bakoven, die heet gemaakt is van de bakker” (Hosea 7:4); het is een leemcilinder; het hout wordt er boven in geschud, dan aangestoken en als de oven heet is, wordt het deeg aan de binnenkant als broodvlaaien er tegenaan gekleefd en gebakken. Rechts draagt een bakker de deegvormen aan (n), die hij op een plank boven op het hoofd draagt (vgl. Genesis 40 : 16). In de smalle strook daarboven knielt een bakker (o) voor een lage tafel en garneert het brood met amandelpitten; rechts bestrooit een bakker (p) het brood met kruiden. Onderaan rechts is een brouwerij. Twee mannen (q, q) dragen een stang over de schouder; daaraan hing een bierkruik (de Egyptische tekening is hier stuk). Rechts staan twee brouwers (r, r) met puntmutsen; zij arbeiden bij een korfzeef (s). Daarboven zijn kruiken (t).

leven O.T. 25

2.Bakken op gloeiende as
Men legt dan het platte deeg (in de vorm van een pannenkoek) of op een verhitte steen en doet daarover hete as of men bakt het tussen twee aslagen. Het zo gebakken brood is ongezuurd en moet direct genuttigd worden. Zo’n „hete-as-brood (a)” werd door Elia gegeten (1 Kon. 19 : 6) en door de Heiland met de discipelen, (Joh. 21 : 9 en 13).

leven O.T. 26

3.Bakplaat.
De bakplaat (a) is een ronde schaal van gesmeed ijzer. De bakplaat rust op een paar stenen en daaronder is een vuurtje van takjes (b) en van mest. De bakplaat heet in de Statenvert. „pan” (Lev 2 : 5); in de vertaling van Prof. Noordtzij in Ezech. 4 : 3: een ijzeren bakplaat. — Achter de bakplaat staat een houten deegschotel (c) (in de Statenvert. „baktrog” bijv. Deu’t. 28 : 5).

leven O.T. 27

4.Bakoven
Deze vorm van bakoven (tannoer) is een cilinder van gebakken klei. Beneden bevindt zich een opening voor luchttoevoer (a). De bovenste rand is een weinig naar binnen gebogen (b), om het voor de bakkende vrouw gemakkelijk te maken de broodvlaaien (broodvladen) tegen de binnenwand te doen kleven. Daarnaast is een toestel (c) van hout en leem (c), waar bovenop het deeg kan gevormd worden.

leven O.T. 28

5.Bakoven
Een bakoven als deze heeft een aparte ruimte voor het vuur (a), daarboven is de bakplaat. Boven de bakplaat is een koepelvormig-gewelfde overkapping (b), aan de voorzijde daarvan is een opening (c) om het brood in te leggen. Naast de bakoven ligt een rond brood (d).

Landbouw in het O.T.  [1]   [2]   [3]   [4]

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas: Alle heemkunde-artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 3e klas heemkunde

1034-959

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament (4)

.

METEN EN MALEN

leven O.T. 13

1. Landmeten op het veld (Egyptische voorstelling)
Op de achtergrond (a) enkele sycomoren of wilde vijgenbomen. Een oude boer (b) steunend met de linkerhand op een naakte jongen (c) in de rechterhand een staf (d) is de leider. Twee mannen hebben behalve het lendenschort ook een hemd (e, f); de anderen alleen het lendenschort. Het veld wordt gemeten met een meetsnoer (g).

leven O.T. 14

2. Het meetsnoer en de grensstenen.
Onder de dorpelingen in Palestina heeft ieder recht op een gedeelte, dat door het lot wordt aangewezen. Zo’n apart stuk land heet chakel (in de Hebr. Bijbel
chelka); bijv. 2 Kon. 9 : 25 het stuk land van Naboth of Ruth 2 : 3 het deel van het veld van Boaz. Het deel, dat aan een landbouwer voor een jaar wordt aangewezen, wordt gemeten met een meetsnoer (a). Amos bedreigt de goddeloze Israëlieten, dat hun land door het meetsnoer aan anderen verdeeld zal worden; in Psalm 105 : 11 wordt gezegd dat Kanaän aan Israël ten deel gevallen is door het meetsnoer; in Psalm 16 : 6 stelt de dichter er prijs op, dat God Zijn lot handhaaft, omdat de meetsnoeren vielen in liefelijke plaatsen. Was eenmaal ieders deel door het meetsnoer aangewezen, dan was men erop bedacht, de grenzen daarvan tegenover de buurman duidelijk af te bakenen. Men deed dit door het plaatsen van grensstenen (b) in de Statenvert. „landpale” genoemd. Het behoorde tot de schandelijke misdaden „zijns naasten landpale te verzetten” (Job 24 : 2) waarom in Deut. 27 : 17 de vloek wordt uitgesproken over hem, die zijns naasten landpale verrukt (Prof. Dr H. Th. Obbink).

leven O.T. 15

3. Handmolen.
Een ronddraaiende handmolen bevindt zich in Palestina in elke boerenwoning en elke Bedoeïenentent. Zij bestaat uit een vaste onbeweeglijke ondersteen (a) (Job 41 : 15), en een bovensteen (b). Het materiaal is bijna altijd basalt uit Basan. Beide molenstenen hebben in het midden een opening. In de bovensteen is op 4 a 5 c.m. van de rand een kleine opening, waarin een houten pen (c) is gestoken. De handmolen was een werktuig, dat men elke dag nodig had; daarom schrijft de wet voor: Men zal beide molenstenen, immers de bovenste molensteen, niet te pand nemen (Deut. 24 : 6).

leven O.T. 16

4. Twee vrouwen uit Bethlehem maalsters (Pred. 12 : 4) die tezamen de handmolen draaien (Matth. 24 : 41). De vrouw links is een getrouwde vrouw (a), die draagt een muts (b) met munten of penningen (c). Zij draagt een overkleed (d) met lange mouwen, (die zij heeft opgeslagen); en daaronder een gestikt jakje (e); rechts de ongetrouwde vrouw (ƒ) met witte hoofddoek (g) over de muts, waaraan een ketting van penningen (h) hangt. Het malen is het werk van de vrouw, als voorbereiding van het bakken en koken. Omdat ’s morgens gebakken wordt, geschiedt het malen vaak ’s nachts; zij maalt dan het meel dat voor één dag nodig is (Spr. 31 :15). De ene vrouw heeft een vlakke korf (i) met koren, waaruit zij het koren neemt om het te brengen in het gat van de bovenste molensteen. Als twee vrouwen malen, hebben zij beiden een hand om het handvat; de een boven, de ander onder. Malen is vrouwenwerk; het is niet toevallig, dat een vrouw een molensteen op Abimelech werpt (Richt. 9 : 53); het gold voor een vernedering en een schande als een man (Richt. 16 : 21) of jongelingen moesten malen (Klaagl. 5 : 13).

Landbouw in het O.T.  [1]   [2]   [3]   [5]

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas: Alle heemkunde-artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 3e klas heemkunde

1033-958

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament (3)

.

WANNEN, ZEVEN, METEN

leven O.T. 8

1. Wannen (Egyptische voorstelling)
De zware korrels vallen loodrecht neer; het kaf (a) met een boog rechts en links in de lucht. De wannende vrouwen dragen een hoofddoek (b) en een lendenschort (c). Zij hebben een wannersschop in de hand, waarmee zij het koren opwerpen. Een vrouw veegt de korrels samen met gebundelde takken (d). Bovenaan een oogstoffer: een schaal water (e) en daarboven is een stellage waaraan gebonden zijn de eerstelingsgarven (ƒ) van de oogst.

leven O.T. 9

2. Werpschoffel
Bij het wannen in Israël waren twee werktuigen in gebruik gelijk Jesaja 30 : 24 leert, waar sprake is van de werpschoffel en de wan (soms vertaald als wannersschop en vork). De afb. vertoont een werpschoffel, zoals die gebruikelijk is in het land Gennesareth. Noodzakelijk voor het wannen is wind: niet te sterk (Jeremia 4 : 11), maar een bries, zoals die ’s avonds of ’s morgens nog waait (Ruth 3 : 2). Want door middel van de wannersschop en de werpschoffel wierp men het graan tegen de wind omhoog; de zwaardere korrels vielen loodrecht neer; en het stro ter zijde van de dorsvloer; als het hard woei zag men ver weg gaan „het kaf, dat wegstuift voor de wind” (Ps. 1:4). Het overblijfsel: het kaf werd wel met vuur verbrand (Matth. 3 : 12).

leven O.T. 10

3. Zeven van het koren op de dorsvloer
Het dorsen, wannen en zeven geschiedt op de dorsvloer (a) onder de vrije hemel, wat door de regenloze zomer mogelijk is. Reeds Amos spreekt „gelijk als zaad geschud wordt in een zeef” (Amos 9 : 9) en bekend is het doordringende woord van Jezus als hij zegt tot Simon: de Satan heeft ulieden zeer begeerd om te ziften als de tarwe (Lukas 22 : 31).
“De mazen in de zeef zijn zeer fijn, dat geen korrel er door kan vallen; alleen het ietwat kleinere onkruidzaad, kleine steentjes en kaf valt er door. Nu schudt men de zeef enkele malen krachtig heen en weer, waardoor zand, kaf en onkruidzaad door de zeef (b) valt en het lichte stro boven zich bijeen verzamelt. Daarna voert de zeefster (c) een andere beweging uit: zij houdt de zeef een weinig schuin voor zich uit en werpt handig de inhoud van de zeef in de hoogte. Onderwijl blaast ze uit alle macht in de opgeworpen massa. Als zij het goed doet, reinigt zij het koren, zó dat er niets onreins in blijft en zonder één korrel te verliezen. Hierop berust de beeldspraak van Amos 9:9: „Zie ik geef bevel, en ik zal het huis van Israël onder al de heidenen schudden, gelijk als zaad geschud wordt in een zeef; en niet één korrel zal ter aarde vallen” (Obbink). Op de achtergrond een muur of jedar van los opgestapelde stenen (d); wel verschillend van de huismuur (e).

leven O.T. 11

4. Zeef
Ronde houten omraming; ongeveer 8 cm. hoog, met een net gemaakt van schapen- of geitendarmen.

leven O.T. 12

5.Meten van het koren (bij het Bijbelsche Beëroth)
Het koren wordt op de dorsvloer gemeten. Door drukken en schudden wordt voor de goede vulling gezorgd („een goede, neergedrukte, en geschudde, en overlopende maat” Lukas 6 : 38). De „meter” (a) heeft voor zich het meetvat, de maat (b) tot dat doel heeft hij de mouwen van zijn mantel of overkleed (c) omhooggeschoven. De man draagt een hoofddoek (d) met een strik op het achterhoofd vastgemaakt. Op de achtergrond een muur van los opgestapelde stenen, een jedar (e).

Landbouw in het O.T.  [1]   [2]   [4]   [5]

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas: Alle heemkunde-artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 3e klas heemkunde

.

1031-956

.

VRIJESCHOOL – 3e klas heemkunde – landbouw in het O.T. (2)

.

LANDBOUW

landbouw 6

1. Oogst (Egyptische voorstelling).
Een Egyptische man (a) slaat met een sikkel (6) in de rechterhand het koren, dat hij in de linkerhand vasthoudt. Hij snijdt de aren kort af; de vrouw (c) achter hem verzamelt het koren in een mandje (d).
De man is gekleed in een lang kleed; zijn hoogere stand blijkt ook uit zijn kunstbaard; de vrouw is gekleed in hemd en mantel (dit is natuurlijk niet de gewone kleedij bij de oogst; de tekening is een wensvoorstelling omtrent een gedroomde overvloed na dit leven).

landbouw 7

2. Dorsen (Egyptische voorstelling).
De eigenaar, gekleed in hemd (a) tot over de knie, geleund op een stok, ziet toe. Een man met vork of werpschoffel (c), als de andere arbeiders gekleed met lendenschort (d) werpt het koren om. Vier ossen onder het juk (e) treden het koren (de dorsende os is niet gemuilband!) De drijver (ƒ) jaagt ze met een tak voort. Een knecht met een schort als broekje vastgebonden (g) brengt het koren in twee korven (h) welke door een gezadelde ezel (i) zijn gebracht.

landbouw 8

3. Oogsttafereel
(Egyptische voorstelling). Mannen met een wannersschop (a) werpen het graan omhoog. Een jongen met een vork of werpschoffel (b) werpt het koren om. Drie runderen (c) treden het koren; zij worden gedreven door de drijver (d) die de dieren met een zweep (e) jaagt. Een man in geknielde houding drinkt water uit de lederen zak (ƒ), die opgehangen is in een sycomore of wilde vijgeboom (g). Een schrijver (h) noteert het getal korenmaten (i); een andere (j) tekent het aan voor de controle der graanschuren.

landbouw 9

4. Dorsslede
De dorsslede is een zwaar houten bord, dat aan de onderkant voorzien is met scherpe stukken steen of metalen punten (a) heeft; deze zitten in rijen aan de onderzijde. Vandaar dat Jes. 41 : 15 zegt: ik heb u tot een scherpe nieuwe dorsslede gesteld. Een trekdier wordt er voor gespannen en de fellah (boer) gaat op de dorsslede, om het gewicht te verzwaren. De dorsslede wordt over het koren heen en weer getrokken, waardoor de korrels uit de aar gaan en het stro tot grof haksel wordt.

landbouw 10

5. Dorswagen
Een dorswagen bestaat onder uit 2 sleebomen (a) die door dwarshouten aan elkander verbonden zijn; daarop staan houten stutten voor zitplaats (6) van de dorser, die op de dorswagen plaats neemt (als op een „Deense weidesleep”). Hij wordt getrokken door een paard of muildier aan een touw, dat aan het voorhout en de sleebomen bevestigd is. Tussen de sleebomen zijn ronde walsen (c) die bezet zijn met ijzeren of stalen schijven (d) ongeveer 32 cm. doorsnede en 3 mm. dikte; de tanden zijn ± 1 cm. breed en 8 mm. hoog. Wordt het bewogen dan draaien de schijven, die in de onderliggende aren snijden en de aren uiteen doen vallen in korrels.

landbouw 11

6.Tarwe en dolik
 Tussen de tarwehalmen (a) komen vaak ook die van de dolik (b). De bevolking in Palestina meent dat de dolik betoverde tarwe is. In werkelijkheid is de dolik het gevolg van onzuiver tarwezaad, terwijl de verspreiding van het dolikzaad ook wel schuld zal hebben. De dolik is misschien bedoeld in Job 31 : 40 waar de Statenvert. heeft „voor gerst stinkkruid”. In de gelijkenis van het onkruid onder de tarwe (Matth. 13 : 25 en 28) is waarschijnlijk van de dolik sprake.

Landbouw in het O.T. [1]  [3]   [4]   [5]

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas: Alle heemkunde-artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 3e klas heemkunde

.

1029-954

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament (1)

.

ZAGEN, SPADEN, HOUWELEN

.

landbouw 1

1. Zagen, spaden, houwelen
Het voorbereidende werk tot het aanleggen van akkers kon omvatten het uithouwen van geboomte (Jozua 17 : 15, 18) en het wegnemen van stenen (Jesaja 5:2). Daartoe werd gebruik gemaakt van zagen (a), spaden (b) en houwelen (c).

.

landbouw 2

2. Babylonische ploeg
Twee bultrunderen (a) trekken de ploeg (b) die door drie mannen bediend wordt. De hoofdpersoon, waarschijnlijk de eigenaar, in lang overkleed (c) houdt de beide ploegstaarten (d) vast in beide handen. De knechten hebben, omdat zij slaven zijn, een kleed tot aan de knieën. De een (e) met opgeheven handen drijft de runderen aan; de ander (ƒ) laat uit een zak het zaad vallen in een zaadtrechter (g) die met de ploeg verbonden is.

.

landbouw 3

3. Palestijnse ploeg,
om het land gereed te maken voor het zomerkoren in de vlakte van Jizreël. De ploeger heeft in de rechterhand de ossenstok (a) om de dieren te drijven (Richt. 3 : 31). Met zijn linkerhand houdt hij de ploegstaart (b) vast, die naar onder (onder de grond) eindigt in een punt (c), die te vergelijken is met de ploegschaar van onze ploegen. Tussen de runderen is de aanspanning (d), daaraan is verbonden de ploegboom (e); het houten stuk (ƒ) dient om de stompe hoek tussen de ploegboom en de ploegstaart niet te verkleinen. Door onze ploegen wordt de grond door het kouter deels losgesneden, door de ploegschaar van onderen losgesneden en opgelicht, en door het rister (het grote holle blad) omgelegd. De strook aarde, die uit de voor komt, wordt gekanteld en komt er naast te staan. De ploegen in het oosten maken met de dikke punt de grond meer los, dan dat de grondstrook wordt omgekanteld; de voren en de kluiten (g) (Psalm 65 : 11) zijn dus veel kleiner. De ploeg der oude Israëlieten had een metalen ploegschaar (1 Sam. 13 : 20 en 21) en werd door runderen getrokken (1 Kon. 19 : 19). De landman moet de ploegstaart bij het handvat goed vast hebben om de ploeg te sturen; grote stenen en struiken gaat men wel uit de weg, want de wrakke ploeg die onder een boomwortel of steen komt, zal gemakkelijk breken; het is dus een dubbele zorg om vooruit te kijken; de ploeger, die ziet naar hetgeen achter is (Lukas 9 : 62) is niet bekwaam.

.

landbouw 4

4. Ploegen naar Egyptische voorstelling
1. Een landarbeider met een soort van schoffel of hak (a) een voorwerp van hout in de vorm van de letter A; één der stukken eindigt puntig.
2. De ploeger, die met beide handen de ploegstaarten (b) vasthoudt.
3. De drijver (c) die de langgehoornde runderen aanspoort.
4. Een ton (d) die het zaad bevat.
5. Een Egyptenaar met lendenschort (e) evenals de andere in de typische houding de armen gekruist voor de borst, de handen op de schouders. Deze houding is de gewone.
6. Een andere ploeger (ƒ). De oude Egyptenaren waren klaarblijkelijk even verzot op praten tijdens het werk als hun nazaten.

.

landbouw 5

5. Zaaien (Egyptische voorstelling).
1.Egyptenaar, geknield, doet zaad in de korf (a).
2. De zaaier (b) neemt het zaad uit de korf en werpt het zaad uit achter de ploeger in het omgeploegde land.
3. Runderen voor de ploeg (c) daarvoor huppelt het „ongewende kalf” (d).
(ongewend: nog niet gewend aan (het trekken van de ploeg), nog dartel, speels)

.

Landbouw in het O.T   [2]    [3]    [4]   [5]

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas: Alle heemkunde-artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 3e klas heemkunde

.

1023-948

.