VRIJESCHOOL – Ontwikkelingsbelemmeringen – autisme (7-1/5)

.

Waarom ik deze oudere berichten toch nog een plaats geef.

.
Eindhovens Dagblad, 06-12-1997

Autisten werden nog maar een paar jaar geleden automatisch onder de verstandelijk gehandicapten geschaard. De internaten leken een logische plek voor deze in zichzelf gekeerde en contactgestoorde mensen, van wie poorten van hun ziel hermetisch op slot zaten. Tachtig procent van alle autisten blijkt inderdaad verstandelijk gehandicapt te zijn, maar de rest is normaal begaafd tot zeer intelligent en vraagt om een andere benadering van de samenleving, door de hulpverlening. De groep heeft enkele handvatten nodig om in het leven van alledag mee te kunnen doen. Sint Marie*, het orthopedagogisch instituut in Eindhoven dat mensen met taal-, spraak- en hoorstoornissen helpt, probeert (twaalf) kinderen met autisme die handvatten aan te reiken. Sinds kort in een nieuw paviljoen. Een van onze verslaggevers was daar een dag te gast.
.

Een autistisch schiereiland
.

De kring is het begin, het vaste begroetingsritueel in het Mosveldje, de leefgroep van de kleintjes. Vijf vrolijke snoetjes zingen het goedemorgenlied. Elke dag opnieuw. ‘Structuur moet zijn’, zegt de leiding. Zonder die zekerheid zouden de op het eerste oog doodgewone kinderen onhandelbaar worden.

Joop wijst leidster Ilse van de Ven op zijn mond. „Tand is eruit gevallen”, meldt hij droogjes. „Onder uit de tanden komen de grootste tanden, hele grote mensentanden.”

Op een flapover tekent de leidster een gehavend gebit. Ze noteert ‘Joop’ en maakt een tekstballon. Hij mag de groep straks vertellen dat ook het gebit van jonge autisten wisselt. Ilse van de Ven: „Voor ons zijn zij in de eerste plaats kinderen en pas daarna kinderen met autisme. We zien de handicap, maar ook het persoontje’.

Tony mag het grote alfabet vasthouden. „Is de 0 een letter”, wil Jack weten. „Of een getal?” kaatst de leidster de bal terug. Jack met stemverheffing: „Nee, een letter.” Hij gooit van de weeromstuit z’n benen in de lucht. Autisme wil zich nogal eens openbaren in ongecontroleerde motoriek.
Anita Singor, ook groepsleidster, snelt vanuit de achtergrond toe om Jack te corrigeren. Jack moet eerst netjes leren zitten, pas daarna kan hij letters leren. Andersom is niet de bedoeling, zou ook zinloos zijn omdat Jack dan nauwelijks iets oppikt.

Schoolse zaken zijn bij Sint Marie ondergeschikt aan het bijbrengen van sociale vaardigheden en zelfredzaamheid, zonder welke een autist weinig hoop rest op een enigszins normaal bestaan. Over dat toekomstperspectief heeft men bij Sint Marie reële verwachtingen: de meeste autisten zullen nooit zonder bescherming kunnen leven in onze maatschappij. Ze krijgen bagage mee voor een meer zelfstandig en gelukkig bestaan, maar afhankelijk zullen ze blijven.

Ilse van de Ven: „Mensen denken dat autisme overgaat, maar het is een blijvende handicap.”

Gekleurde tekeningen van regen, sneeuw, wind en de jaargetijden sieren de muren van het klasje in het nieuwe paviljoen. Een pijl wijst naar de papieren herfst. ‘Praten is zien’. Op dit autistisch schiereilandje van Sint Marie moeten boodschappen zichtbaar zijn om begrepen te kunnen worden. Dat is de essentie van de gehanteerde Teacch-methode.

Voor de kinderen is een wereld geschapen van pictogrammen, eenvoudige afbeeldingen: een tandenborstel voor tanden poetsen, een lopend poppetje voor wandelingen. Elk kind heeft op de centrale gang een eigen dagschema met picto’s. Die wijzen hem of haar de weg door de dag. De tekeningen maken wat komen gaat voorspelbaar. Alsjeblieft voorspelbaar. Want verrassing is gevaarlijk. Verrassing bedreigt wat vertrouwd is. Dat maakt angstig. En angst lokt autistische stoornissen uit.

Voor kleine Bert, die niet praten kan, duurt De Kring iets te lang. Hij begint aan z’n kleren te trekken. Hij mag naar buiten gaan maar gooit de deur hard achter zich dicht. Joop schrikt en grijpt naar zijn hoofd. „Doet beetje pijn in de oren.” Een paar maanden geleden zou hij nog in grote paniek opgesprongen zijn.

Het voorlezen boeit Jack niet. Die schuift heen en weer op z’n stoel en bromt: „Ik heb hoofdpijn, godverdomme.” Het wordt tijd om De Kring te sluiten. Leidster Ilse deelt daartoe blanco overgangskaarten uit. Die zijn niet onpersoonlijk bedoeld, maar brengen de boodschap ‘einde activiteit, terug naar het dagschema’ beter over. Praten is zien.

De persoonlijke picto’s leiden Joop, Tony en Jack naar het zaaltje ‘Alleen Werken’. Op het bureau van Joop prijken gele kaartjes met cijfers die corresponderen met uit te voeren opdrachten in de werkkast. Tony heeft groene kaartjes met letters. Zijn tandenborstelbakje is ook groen. (Structuur moet zijn!)

De werkopdrachtjes van Jack staan in een rek naast zijn bureautje. Hij moet leren van boven naar onder en van links naar rechts te werken. Zonder die routine zou hij niet weten wat hij moet doen. Zou hij niets doen.

Alle drie zitten met het gezicht naar de muur om onnodige prikkels te vermijden. Als Bert binnenkomt, kijkt niemand op. Bert weet wat hij moet doen, hij sorteert in een noodvaart een bak met bestek. De structuur, de zekerheid geeft hem rust. Langzaamaan krijgt hij handelingen onder de knie die relevant zijn voor een zinvolle dagbesteding in de toekomst, thuis, op school of waar dan ook.

In het zaaltje met het bordje ’Leren’ krijgt Joop een praatpicto en Tony een luisterpicto. Leidster Ilse toont een ’f. ’Ffuhhh’, roept Joop. Van de letters ’i’ en ’k’ moet hij een woord vormen. „Ik”, is Tony hem voor. Wanneer die de praatpicto krijgt en met dezelfde plastic letters een woord moet maken, legt hij ’ki’. Praten is zien. De k-klank hoorde hij het laatst. Een woord als ’kin’ begrijpt het duo alleen als het lichaamsdeel wordt aangewezen.

Het dagelijkse halfuurtje in de speeltuin is vaste prik. Daar, in de zandbak, komt het egocentrisme bovendrijven. De kinderen spelen met verve, maar wel naast elkaar, ieder voor zich. Spelen mét een ander vinden ze leuk noch vervelend, voor hen is het spelen met een instrument. Vriendschap zegt hen weinig, vriendschap is met te veel twijfels omgeven.

Dus staat Bert in z’n uppie op het speelrek, rent Jack met een speelgoedauto heen en weer door de zandbak en fietst Joop alleen rond. Alsof je naar een slecht geregisseerd toneelspel kijkt.

Lunchtijd in de Heuvelakker, het paviljoengedeelte van zeven opgroeiende jongeren (9-14 jaar). Aan een van de tafels zitten Ben, Terry, Peter en leider Toon Meeuwis. Ben heeft een sigarenkistje en een handvol rode, papieren mondjes bij zijn bord liggen. Hij praat en plaagt – met Terry als slachtoffer – te veel tijdens het eten. Telkens als hij de maaltijd verstoort, moet hij een mondje in het kistje doen. Halverwege de lunch zijn de papiertjes op en moet Ben zwijgen. Dat doet hij grijnzend.

Peter hoort te veel. Hij hoort meer dan andere mensen, het ruisen van tl-buizen bij voorbeeld. De binnenkomende prikkels kan hij niet filteren. Speciale oordopjes moeten het volume verminderen. „Anders heb ik pijn en ga ik me vreemd gedragen”, vertelt hij kalm en duidelijk. Met zijn correcte voorkomen zet hij buitenstaanders makkelijk op het verkeerde been. Wat doe jij hier’, zou je hem willen vragen. Maar als hij even later met een elektrospel moet spelen en zich daarbij verveelt, begint hij zonder aanleiding met het spel hard op de tafel te slaan. En hij schreeuwt enigszins paniekerig naar anderen. Plotseling lawaai is olie op het vuur bij autisten. Ben laat Terry weer eens schrikken als deze nietsvermoedend van het toilet komt. Terry herstelt zich en grijpt onmiddellijk de rechterarm van Ben, draait die met een ruk om totdat Ben het uitschreeuwt van de pijn. Eerst zou Terry om hulp geroepen hebben, in paniek geraakt zijn. Nu, dank zij de intensieve, bijna een-op-een begeleiding, geeft hij steeds beter aan wanneer hem iets te veel wordt.
Soms dreigt hij daarbij naar de verkeerde kant door te slaan. Dan moet hij vijf minuten de ‘Time Out’ in, een kale isoleerruimte waar een verscheurd telefoonboek op de vloer de stille getuige is van Terry’s incidentele woede. Via een doorkijkwand houdt de leiding hem nauwlettend in de gaten: hij zou niet de eerste autist zijn die zichzelf verwondt.

Later in de middag zit Terry in de gezamenlijke woonkamer te dammen, tegen z’n alter ego. Wiegen is een andere geliefde, solitaire bezigheid. Als je ’t hem vraagt, dreunt hij woordelijk de Disney-film De Leeuwenkoning uit zijn hoofd op: elke dialoog, ieder stemmetje. Van nut is het niet en lol beleeft Terry er niet aan, maar hij kan het en daarmee basta.

Ook de anderen citeren uit het hoofd delen uit boeken en films. Uitgestelde echolalie heet dat. Soms plaatsen ze, onbedoeld, zinnen in de goede context. Het blijven holle frasen. (Een van de jongens was laatst het paviljoen binnengerend met de mededeling: ’Nu weet ik wat er met mij aan de hand is; ik heb een atypische pervasieve ontwikkelingsstoornis.’ Op de vraag wat dat inhoudt, was een veelzeggend zwijgen gevolgd.)

Picto’s tref je in De Heuvelakker al minder aan. In de hal hangen wel net als bij de kleintjes persoonlijke dagschema’s (structuur moet zijn!), maar dan met hoofdzakelijk geschreven taal. Zes van de zeven jongens blijven de hele week en soms ook in de weekenden intern, ze hebben ieder een eigen slaapkamer. Wanneer ze naar huis gaan, krijgen ze een schema mee dat vooraf doorgesproken wordt met de ouders.

‘Structuur moet zijn’ en ‘Praten is zien’. Daarom loodst een stappenplan sommige jongens door de douche. De lijst vermeldt op welke dagen zij hun haren moeten wassen met shampoo en geeft enkele wenken van logica: bij het wassen met het gezicht beginnen, niet met de piemel.

Op de deur van de woonkamer kleven nog enkele spelregels. Plagen of pesten is goed voor vijf minuten op de kruk op de gang. Weglopen kost tijd: hoe langer je wegblijft, des te eerder moet je naar bed. En iets vernielen kost een kwartje. (De kinderen krijgen per week een gulden zakgeld.) Leerdoelen zijn heel concreet en erop gericht dat de kinderen naar een school kunnen. Ze zijn in staat te leren hoe je veters strikt, maar ‘zelfvertrouwen kweken’ is te abstract voor hen. Ze worden getraind in het maken van keuzes. En ze oefenen in sociale omgang. Wat voor veel mensen iets vanzelfsprekends is, blijkt voor de meeste autisten een pad te zijn vol onvoorspelbare valkuilen en struikelblokken.

Onvoorspelbaarheid! Laat in de middag neemt leider Toon een gok door onderweg naar het bos de bestemming te wijzigen in Eindhoven Airport. Deze onverwachte wending doet de hele bups aanvankelijk gruwen (veel gewiebel en gestotter) totdat hun nieuwsgierigheid het van de angst en de onrust wint. Alleen Harrie draait wild met z’n arm. Hij heeft geen trek in het onbekende en wil naar huis. Structuur moet zijn!

De namen van de kinderen zijn op verzoek van instituut Sint Marie en de ouders gefingeerd

.
*De naam Sint Marie is nu verbonden aan een ander instituut

.

Ontwikkelingsbelemmeringenalle artikelen

Opvoedingsvragen: alle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3396-3194

.

.

.

.

 

Plaats een reactie

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.