VRIJESCHOOL – Handwerken (5-4)

.
Een oud artikel, maar het had ook recent geschreven kunnen worden.
Een vergelijking tussen handwerken en handenarbeid.
.

Hedwig Hauck, Zur Pädagogik Rudolf Steiners, 3e jrg. nr. 3-4 sept.  1929

.

Over de opvoedkundige waarde van het maken van stoffen dieren
.

Steiner noemde handenarbeid en handwerken graag ‘hard’ en ‘zacht’ handwerk.
Hij wees op een belangrijk verschil tussen de twee werkgebieden, waarvan we ons pas geleidelijk in de volle omvang bewust werden. Niet alleen worden op de twee genoemde gebieden verschillende soorten materiaal gebruikt, maar bij de verwerking van hetzelfde worden zeer verschillende soorten zielskrachten van het kind gewekt en aangesproken. De educatieve waarde van het ene en het andere werkveld ligt waarschijnlijk in afzonderlijke gebieden, die elkaar echter op een mooie manier aanvullen, en vaak in elkaar overgaan of in de diversiteit van het werk, dat zowel met de ‘zachte’ als met de ‘harde’ handarbeid kan worden vervaardigd, elkaar overlappen.

Hierna worden echter alleen de verschillen aangegeven. Als voorbeeld nemen we het dier, hoe het van hout in de harde handenarbeid gemaakt wordt en vervolgens van stof in het zachte handwerken. Eerst wordt het plat aan elkaar genaaid en vervolgens door het opvullen in vorm gebracht.

Bij handenarbeid moet het hout bewerkt worden; er wordt gehamerd, geschaafd, gesneden, enz. — het is de krachtige wil die, door direct gebruik te maken van de met leven gevulde ledematen van het kind, creatief ingrijpt in de buitenwereld.

Bij handwerken gaan de stoffen zorgvuldig door de handen. Kleurrijke materialen strelen het hart en de zintuigen en worden met liefdevol begrip bij elkaar gebracht. Hier zijn de zielskrachten van het gevoel werkzaam, die niet tot de ledematen behoren, maar tot de borststreek van de mens, die in het bloed en de adem stromen en die daarom de handen slechts indirect gebruiken om datgene wat innerlijk wordt gevoeld, uiterlijk te laten verschijnen.

Zoals een levende waterstroom de steen van buitenaf vormt en verandert, zo is het de levende wil die het werk aan het hout van buitenaf uitvoert en het kunstwerkje, het dier, vanuit de levenskrachten vormgeeft.

Levenskrachten komen van buitenaf uit de kosmos naar de mens, zielskrachten werken innerlijk aan hem aan en vormen zijn fysieke gestalte van binnenuit.

Zoals ziel en geest in de mens zelf scheppend werken, wanneer het tussen het zevende en veertiende jaar het fysieke lichaam en zijn organen van binnenuit vormgeeft en bezielt, zo schept het kind door zijn werk aan het dier dat het van binnen opvult om vorm te geven aan de buitenkant. Daarom wordt zo’n dier als het ware ook door het kind bezield. Het is vaak verrassend om te zien hoe het temperament van het kind, zijn eigen wezen, tot uiting komt in het dier dat hij heeft gemaakt. Het gaat bijvoorbeeld niet altijd om cholerische leeuwen, maar soms duikt er ook een nogal flegmatisch of melancholisch roofdier op. De dieren zijn vaak grappig, humoristisch, die vaak al tijdens het werk het lievelingsspeeltje van het kind worden.

Tot het hier besproken gebied behoren ook de poppen. “Laat maar lachende poppen maken, poppen die de ziel uitdrukken,” zei Steiner ons ooit. De meisjes maken met grote toewijding poppen en dieren, terwijl de jongens over het algemeen de voorkeur geven aan dieren.
Van het negende tot het tiende levensjaar, wanneer in het hoofdonderwijs met de plaats van de mens in de natuur begonnen wordt, wordt het voor de kinderen mogelijk om hun dier- en poppenvormen op een meer bewuste manier te maken. Bij jongere kinderen komen dier- en poppenvormen volledig uit het onbewust-psychische tevoorschijn.

Zoals bij het zachte handwerken een zielvol dier ontstaat, zo ontstaat bij de harde handenarbeid een levendig dier. Het dier kan puur uiterlijk bewegen en door zijn bewegingen zijn ze vaak heel grappig en humoristisch waardoor ook emotionele aspecten tot uiting komen.

De stoffen dieren, met hun directe gevoelsuitdrukking en vaak onnavolgbare humor, hebben meestal geen uiterlijke beweeglijkheid. Maar ze leven van binnenuit toch. Als een kind bijvoorbeeld een aanstormende olifant met zijn slurf omhoog maakt, dan rent de olifant daadwerkelijk en in de verbeelding van het kind zwaait hij hard met zijn slurf. heen en weer. Het kind wordt door zo’n speeltje gestimuleerd tot steeds nieuwe fantasierijke activiteiten, waarvan het zeker het idee heeft dat het leeft. Dit heeft een vormend en structurerend effect op de hersenen. Het kind krijgt via dergelijk speelgoed een heel andere ontwikkelingskans dan via veel ‘mooi’ modern speelgoed, waarbij de fantasie, omdat het niets meer heeft om aan te vullen, moet afhaken en de hersenen verkommeren.

Er wordt over het algemeen veel te weinig aandacht besteed aan de ontzettend belangrijke educatieve waarde van poppen en dieren die kinderen zelf maken. Daarnaast is er nog iets anders belangrijks. Zo biedt een pop met dergelijke kleding de beste voorbereiding op het naaien van bijpassende kledingstukken die het kind – als het wat ouder is – voor zichzelf en anderen moet maken.

Op deze manier wordt het kind van spel naar zinvol werk geleid – en ook naar morele impulsen. Poppen en dieren worden door de kinderen altijd met liefde verzorgd. Door hen worden de kinderen tot die onbaatzuchtige liefde voor dieren en mensen aangezet – waaruit op latere leeftijd de mooiste sociale impulsen kunnen bloeien. —

Het zijn de vermogens van het gevoel, de vermogens van de liefde, die in het kind worden gewekt door het zachte handwerken, en vooral de wilskracht die wordt ontwikkeld door de harde handenarbeid. —

In de vrijeschool zijn euritmie en gymnastiek op een vergelijkbare manier met elkaar verbonden als de twee hierboven genoemde werkgebieden. In deze school, zoals uit vele andere voorbeelden kan blijken, ervaren gevoel en wil hun overeenkomstige, gelijke steun en vorming naast al het intellectuele, zodat de gehele mens, niet alleen de intellectuele, zich kan ontwikkelen. —

Zowel het zachte als het harde handwerk hebben beide kunstzinnig beleven en vormgeving als doel. Door kunstzinnig ervaren, door het plezier voor het mooie, wordt de ziel van het kind tot ontwikkeling gebracht en het gevoel voor waarheid, het gevoel voor morele goedheid in het kind aangelegd.

Een woord van Rudolf Steiner kan deze overweging wellicht afsluiten:

‘ Voor het gehele verdere leven is een vruchtbare bodem gelegd, waaruit vreugde, levensblijheid en werkkracht kunnen opbloeien, wanneer het gevoel voor schoonheid en kunst in de jeugd ontwikkeld is. En de verhouding van mens tot mens, hoeveel edeler en zuiverder wordt deze niet door de zin voor het schone.
De moraliteit, die in deze jaren ook ontwikkeld wordt door de beelden van de wereld en het leven, door het voorbeeld van de opvoeder, die als autoriteit aanvaard wordt, krijgt vastheid, wanneer door de schoonheidszin al het goede tevens als schoon, al het slechte als lelijk wordt aangevoeld.’
GA 34/340
Vertaald: De opvoeding van het kind

De zwart-wit foto’s zijn uit het artikel van Hauck, de andere via Pinterest, van veel recentere datum:

.

Handvaardigheid: alle artikelen

Opvoedingsvragen: alle artikelen

Algemene menskunde: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3380-3179

.

.

.

Plaats een reactie

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.