.
Als klein kind op de – toen nog – lagere school speelden de leerkrachten met ons kringspelen. Vooral als het regende en we niet naar het plein konden. Dan diende de hal als speelzaal en daar ‘deden’ we o.a. ‘De boom die wordt hoe langer hoe dikker’; ‘Jan Huygen in de ton’; ‘Ik stond laatst voor een poppenkraam’, enz.
Op vrijescholen worden ze nog wel gespeeld, maar in hoeverre ze ook hier verdwijnen, weet ik niet.
Mellie Uyldert beschreef ze en op deze blog heb ik e.e.a. van haar in eigen woorden weergegeven.
Zij roert zaken aan die ik ook bij Steiner tegenkwam.
Zie bv. dit artikel, waarvan het lezen ook nodig is om het volgende spel ‘te begrijpen’.
ANNEKE TANNEKE TOVERHEKS
.
Er is een kind dat ‘de moeder’ is. De andere kinderen die meespelen zitten achter haar. Zij mogen niets zeggen en moeten heel stil zitten.
Wanneer het vroeger op straat werd gespeeld en er was een huis met drie (of meer) stoeptreden, dan werd het daarop gespeeld.
Een ander kind speelt een kreupel oud vrouwtje: Anneke Tanneke Toverheks.
Die klopt op de deur en dan volgt een gesprek:
Wie is daar?
Anneke Tanneke Toverheks!
Wat moet je?
Een kooltje vuur!
Ik héb geen vuur!
Ik heb je schoorsteen zien roken!
Dat is allemaal hete as!
Hete as kan niet smoken! ,
Daar heb je vuur!
(De moeder geeft iets aan Anneke)
En mag ik wat water hebben?
Ik heb geen water.
Ik heb je pomp horen gaan!
Dat is die van mijn buurvrouw!
Dat jok je!
Daar heb je water! (Zij geeft iets)
Wat heb je daar mooie beeldjes staan!
(Zij wijst op een van de kinderen en vraagt:) Hoeveel kost die?
Ze zijn niet te koop!
Vrouw! Je pap brandt aan!
Nu rent de moeder naar de keuken en Anneke pakt nu een van de beeldjes, d.w.z. een van de kinderen. Die moet zich verstoppen in haar rokken. Samen gaan ze haastig weg en Anneke brengt het kind naar een afgesproken hoekje. Anneke fluistert haar daar een nieuwe naam in.
Daarna gaan ze samen weer naar moeder en nu herhaalt zich het vorige, behalve ‘de pap’, want moeder trapt niet twee keer in die val. Dus Anneke moet iets anders bedenken.
Uiteindelijk neemt Anneke alle kinderen mee.
De kinderloze moeder gaat nu naar Anneke toe en probeert de nieuwe namen te raden.
Als ze alle kinderen zo weer terug heeft, is het spel uit.
Uyldert komt tot de volgende verklaring:
De moeder is Vrouw Holle of Holda. Zij heerst over onder- en bovenwereld. Deze is gescheiden van de aarde door drie sferen: die van wind, maan en zon. (De drie stoeptreden?)
Zij behoedt de zielen van de ongeborenen.
Anneke Tanneke zou dan de maangodin Anne zijn. Zij ‘bemiddelt’ bij de incarnatie.
Zij wil een kindje naar de aarde brengen naar een ouderpaar dat ernaar verlangt.
Zij is kreupel. Dat zijn in wezen alle hemelwezens, die immers nog in de
e e n-h e i d leven!
Zou je dit met Steiners aanwijzingen willen duiden, zou je m.i. moeten zeggen dat hier ‘kreupel’ staat voor ‘geen fysiek lichaam hebbend’.
Uyldert wijst nog op een variant: daar zou de plaats waar het gespeeld wordt, het hemelgewelf zijn, het rijk van Holda. ‘Een glazen berg die met glazen muiltjes betreden moet worden (Assepoester!)’
De tekst is dan anders:
Vrouwtje, mag ik op je bergje?
Mijn bergje is geschrobd.
Maar doe je glazen muiltjes aan,
en treedt er dan maar op!
Bij de incarnatie krijgen de ‘gestolen’ zielen van Anne een aardse naam.
Die verbindt hen met de aarde.
In verschillende verhalen, m.n. sprookjes, komen we tegen dat er in bepaalde gevallen haast wordt gemaakt bij de doop: geen naam: dan kun je nog teruggehaald worden.
Zie bv. Rapunsel. ‘Holda verschijnt ook als Vrouw Rosé of Vrouw Gotel.’
Dat de zielen stil zitten als beeldjes, verklaart Uyldert uit het feit dat het nog etherische wezens zijn en nog niet zelfstandig zijn.
Steiner zou hier het feit gebruiken dat ze nog geen fysiek lichaam hebben, a.h.w. nog omhuld zijn door de geestelijke wereld.
Dat lijkt Uyldert hier te noemen ‘het lopen achter Annes rokken aan, zoals zij zich verschuilen in Vrouw Luna’s (Maria’s) blauwe mantel, om naar de aarde gedragen te worden en ontvangen van Vrouw Luna hun aardse naam. Dat is niet zozeer de doopnaam, die de ouders het kind geven als veronderstelde reïncarnatie van de voorouder, wiens naam zij ontvangen, als wel ‘de naam, die volgens de getal- en letterwaarde van de horoscoop bij het kind past. Bij de dood roept Holda de ziel bij de hemelse naam terug, dan onttrekt de ziel zich immers aan de horoscoop, die slechts het aardse lot aangeeft.’
De potten of stoelen mogen evenmin als de beeldjes enige menselijke reactie vertonen. De ’winkel’ bevindt zich uiteraard ook op het punt waar geestelijke (zonne-),en ziele- (maan-) sfeer elkaar ontmoeten, op de stijgende maanknoop. Onder Vrouw Luna’s hoede begint de ziel haar incarnatie.’
Dan is het nog opvallend dat Anneke Tanneke, maar ook bij de Hoge Toren of de Gouden Ketel, het kind met list of dreigementen aan de hoede van Holda moet worden ontfutseld.
.
Ritme, waaronder ritmen in de natuur: alle artikelen
Spel: alle artikelen
Peuters/kleuters: alle artikelen
Vrijeschool in beeld: kleuters: alle beelden
.
3312-3116
.
.
.
.