VRIJESCHOOL – Muziek – de canon

.

De schrijver probeert dat wat een canon is, in verband te brengen met hoe in ons ether- en astraallijf functioneren. Daar komen gezichtspunten uit die m.i. de moeite waard zijn, nader te bestuderen. 
Wat hier niet aan de orde komt, is ‘waarom gaan we na het 9e levensjaar (pas) canons zingen. 
We weten uit de mededelingen van Steiner dat er met het 9- à 10-jarige kind – menskundig – iets gebeurt, dat de verhouding ademhaling-bloedsomloop verandert. Heeft dat ermee te maken?
Is daar weleens onderzoek naar gedaan vanuit de vrijeschoolachtergronden?

.

Dietmar Liebsch, Lehrerrundbrief, nadere gegevens onbekend
.

Menskunde en de canon
.

De vraag

De canon verschijnt ons als een vorm. Waar een vorm ontstaat, kan men op zoek gaan naar de schepper. De eerste vraag wordt dus: waar in de complexe mens liggen de bronnen, de krachten die, wanneer zij het ‘materiaal’ van de klinkende tonen gebruiken, er een canon van maken?
De canon klinkt, wordt gehoord, als mooi ervaren en opgenomen. Hij werkt op de mensen. Hier ontstaat de tweede vraag: op welke diepere samenhangen in de mens heeft de canon invloed, waarheen stuurt hij zijn ordenende, ondersteunende krachten?

De bron en het verzorgende gebied liggen beide allereerst in het donkere, onbewuste gebied. Alleen de klinkende canon is als eerste waarneembaar voor de open zintuigen. We zullen nu proberen door een nauwkeurige beschrijving van de canon en een gelijktijdige blik op de menselijke natuur, het verband tussen die twee duidelijk te maken of te verhelderen.

II. Menskunde en de  van de cirkelcanon

a) We willen uitgaan van de beschrijving van de cirkelcanon, omdat deze in de loop van de uiteenzetting in het middelpunt van de canontypen zal blijken te staan.

In de eerste plaats hebben we te maken met wat melodisch, lineair stroomt. Als de hele klanklijn eenmaal is gevolgd, vloeit deze in een nieuwe doorgang alsof deze blijft stromen. Dit stromende biedt de mogelijkheid om het ogenblik van ten einde zijn, om slechts eenmaal aanwezig te zijn, op te heffen om een ​​vorm te worden die steeds in de tijd als geheel aanwezig is door het in de tijd uitgestelde begin, steeds onderweg, steeds in de tijd een geheel vormend. Er klinkt een stroomorganisme waarin, hoewel er een begin en einde lijkt te zijn van de melodische voortgang, deze niet bestaat ​​in de zin van begin en doel of van verlangen en bereiken.

Als je het beschrevene verdicht tot een innerlijk beeld en vervolgens je aandacht richt op de menselijke organisatie, wordt een extern beeld in het innerlijke beeld ingevoegd, waarin de lineaire stroom ritmisch geordend wordt tot een stromend organisme; er klinkt een ritmisch, circulair proces en dat doet denken aan de bloedstroom.

Laten we naar de bovenzintuiglijke kant kijken. De meest authentieke circulatiestroom bij mensen is die van de lymfe, die vanuit de periferie naar binnen stroomt – en de retourstroom ervan via het bloed naar de periferie. De arts Lothar Vogel beschrijft deze lymfe als de substantie “die het meest direct draagt ​​wat Rudolf Steiner de etherische vormkracht noemt” [1]. Nu is er, naast de circulariteit van de canon en de bloedstroom, vooral de geordende aard van de ritmische pulsatie, de systolisch-diastolische beweging van de bloedpuls. Vogel beschrijft deze beweging als voortkomend uit de afwisseling en wisselwerking van vormen, komend van de wisselwerking en het op elkaar inspelen van astrale krachten en het stromend vrijkomen van etherische krachten. En wanneer hij de ademhaling en de hartactiviteit als de twee belangrijkste ritmische processen vergelijkt, schrijft hij: ‘In het ritme van de ademhaling zijn het vooral de ziel-lichaamsfuncties die actief zijn (het astrale lichaam), in het bloed is voornamelijk het etherische werkzaam.’

Samenvattend kunnen we zeggen: Het leven van de bloedstroom lijkt, net als dat van de canon, gedragen te worden door een interactie van voornamelijk etherische en astrale krachten waarbij de nadruk gezocht moet worden aan de etherische kant.

b) De beschreven bovenzintuiglijke krachtsverhouding blijkt ons ook uit twee verdere observaties bij de canon.
De individuele stem beleeft een constante, onveranderlijke herhaling van de canonmelodie; er komt geen einde. En ook de volledige meerstemmige stromen leven in een constante, onveranderlijke herhaling; daar komt ook geen einde aan.
Deze omstandigheden komen overeen met de zuiver vegetatieve, etherische groei in het plantenrijk, wanneer de ene bladvorming de andere volgt en er geen einde lijkt te komen, zoals het geval is met de klimoprank. Het einde van een meerstemmige canon kan alleen worden bereikt als de individuele stemmen, met verhoogde aandacht, een mate van bewustzijn, om zo te zeggen, zichzelf integreren onder een hoger, verenigend, eindigend principe. In het plantenrijk komt deze beëindigingshandeling overeen met het verzamelen van de bladeren in het bloemdek en het gelijktijdig stoppen van de groei. Maar deze vorming van bloemen – en dus het einde van de canon – is een daad van de astrale krachten die rond de plant weven, die de etherische groeikrachten terughouden en deze organiseren volgens een hoger, verenigend principe.

Bovendien kan men bij het spelen en luisteren naar canonmuziek opmerken dat in de eerste plaats de zanglijnen vloeien en klinken, en dat pas in de tweede plaats de harmonieën uit deze onafhankelijke stroom voortkomen. Opnieuw hebben we de vloeiende, levendige stroom op de voorgrond, ruimtelijke harmonie staat op de achtergrond. Dit komt overeen met het feit dat de plant door zijn etherische groei alleen lineaire en oppervlakteorganen ontwikkelt, terwijl het dierenrijk, dat wordt beïnvloed door astrale krachten, wordt gekenmerkt door driedimensionale organen. Dat de plantenbloesem een ​​driedimensionaal karakter aangeeft, is begrijpelijk vanuit de astrale kracht die er aanvankelijk als van bovenaf op inwerkt.

Deze twee gedeeltelijke waarnemingen laten ook zien hoe de structuur van de cirkelcanon is gebaseerd op een organisme van krachten dat is gevormd uit een hoofdgedeelte van etherische stromingskrachten en een kleiner gedeelte van astrale vormkrachten.

III. Menskunde van ‘het na elkaar’

Bij de verschillende soorten opvolging hebben we te maken met het sterker naar voren komen van een bepaald element van de cirkelcanon. De focus van de muzikale ervaring ligt op de snelle opeenvolging van twee of meer stromingsimpulsen. De cirkelvormige en harmonische gebeurtenissen ontbreken of volledig of verdwijnen naar de achtergrond.

a) De tweestemmige ‘na elkaar’

De eerste indruk bij het snel achter elkaar ervaren van deze twee stemmen is er een van extreme levendigheid. Er is geen traagheid, geen rust in de harmonie. Het is alsof je de stroom en de uiteenlopende ervaringen van twee opeenvolgende bloedpulsen volgt tot het moment waarop de bloedsomloop volledig is doorstroomd. Door het ontbreken van ruimtelijke harmoniestructuren en de levendige, snelle opeenvolging van de twee zanglijnen lijkt dit soort opeenvolging het niveau van de astrale vormende kracht zeer ver terug te dringen en geheel zuiver gebaseerd te zijn op een etherische stroom van krachten.

b) De drie- en vierstemmige

Naarmate het aantal stemmen toeneemt, wordt ook het harmonisch-ruimtelijke, zielen-, astrale element weer effectiever. Tegelijkertijd staat de waarneming van de levendige opeenvolging van melodische stromen niet langer centraal. De canon wordt steeds meer doorspekt met astrale krachten bij een toenemend aantal stemmen, maar zonder de gesloten organisatiestructuur van de cirkelcanon met zijn gelijke pulsatie-intervallen te bereiken.

IV Andere canontypen

a) De canon begint op verschillende toonhoogten

Kenmerkend voor dit type canon is dat de vier stemmen die erin binnenkomen wel dezelfde melodische lijn laten zien, maar dat er als het ware een hoger en een lager gedeelte van de stroom is (1e en 3e steminzet, 2e en 4e steminzet). Bij beluistering krijgt deze canon een expansief karakter.

Deze in de tijd vloeiende geluidsstructuur, verdicht tot een innerlijk beeld, stelt ons in staat beeldgerelateerde zaken te vinden in het naast elkaar bestaan ​​van het bovenste deel van de bloedcirculatie (stromend in hoofd en borst) en het onderste deel ervan (stromend in de romp en de ledematenorganisatie). We hebben een boven- en een benedenstroomgebied, waarbij het karakter en de ervaringen van de twee stromen vergelijkbaar zijn.

b) De canon met verschillende tempi

In de octaaf met verschillende tempi

Een merkwaardige canonvorm is die waarin twee stemmen, die tegelijkertijd beginnen, de melodische stroom met verschillende snelheden zingen. De innerlijke blik is gericht op het zoeken naar waar in de mens zo’n snellere en rustigere stroom samen bestaand te vinden is.

c) Andere canonsoorten

De overige canontypes komen in de vocale literatuur nauwelijks voor. Daarom zullen ze hier niet verder in detail worden besproken. We willen slechts één voorbeeld gebruiken om te laten zien wat de redenen voor het zeldzame voorkomen kunnen zijn. Zo schijnt de kreeftcanon, waarbij een voorwaarts lopende melodische stroom tegelijkertijd in een achterwaartse richting wordt ingevoegd, zijn oorsprong niet in de bloedcirculatie te hebben.

V. Samenvatting en educatieve betekenis

Door aandachtig musiceren en luisteren werd het brongebied, het creatieve gebied van de canonvorm duidelijk. Het is de verbinding van krachten, voornamelijk etherische en astrale krachten, die ten grondslag liggen aan de bloedcirculatie. In de stoffelijkheid van het lichaam draagt die de bloedsomloop, in het, in wat de geluidsstromen zijn, wordt het de canon. Het effect van het spelen/zingen en luisteren naar canonmuziek zal vooral een stimulering, verlevendiging en herstel van de etherische krachten in de mens zijn, evenals het stimuleren van de harmonisatie met de astrale vormkrachten. De canon kan in deze tijd een belangrijke educatieve bron zijn.

VI. Een beeldende ordening van canontypen

We kunnen de canon een vormgenre op muziekgebied noemen. De centrale structuur, de cirkelcanon, is geweven vanuit een harmonie van vloeiende lineariteit (de melodische stroom) en harmonische ruimtelijkheid. Deze evenwichtige, harmonieuze middentoestand kan nu worden veranderd in termen van de niet-ruimtelijke stroming, maar ook in de richting van de meer stationaire ruimtelijke structuur. Dus, uitgaande van de cirkelcanon, zou het volgende type canon richting de vloeiende kant de vierstemmige opeenvolging zijn, en richting de harmonische ruimtekant de canon die op verschillende toonhoogtes begint.

Soortgelijke omstandigheden vinden we in het plantenrijk. De eenzaadlobbige planten kunnen we een geslacht op plantengebied noemen. De natuurwetenschapper Thomas Göbel gaf de eenzaadlobbigen of monocotylen weer ​​als de planten waarin de vorm van de bloem op vele manieren wordt getransformeerd [2]. Die ontwikkelt zich in het gebied tussen de twee polariteiten ‘die zich openen naar de omringende ruimte’ en ‘de vorming van de bloemenbinnenruimte’. Op dezelfde manier kunnen we de polariteiten benoemen waarin de canon tot vorm wordt.: “neiging naar een niet-ruimtelijke, levende stroom” en “neiging naar een driedimensionale klankruimte”.

En daarom willen we, tot slot, het overzicht van het bloemtype van de eenzaadlobbigen (volgens Göbel, vereenvoudigd) aanvullen met een vormtype van de canon, aangezien ze allebei hun oorsprong hebben in hetzelfde spanningsveld tussen vormgeving van etherische en astrale krachten.

1 Lothar Vogel, Der driegliedrige Mensch
2.De titel van het boek wordt niet vermeld

Meer over de canon

Muziek: alle artikelen

Rudolf Steiner: over het etherlijf

Rudolf Steiner: over het astraallijf

Algemene menskunde: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3172-2984

.

.

.

.

Plaats een reactie

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.