VRIJESCHOOL – Leerproblemen (1-1)

.

Heeft ‘schrijven’ zijn langste tijd gehad? Sommigen (m.n. in Finland) beweren van wel. De toekomst is aan het toetsenbord.
Waarom dan al die inspanning om kinderen goed te leren schrijven?
En sommige kinderen die er zoveel moeite mee hebben?

In onderstaand artikel uit 1993 zijn zij het onderwerp. Is het nog actueel? Is het op de vrijescholen een onderwerp – dysgrafie? –

Komt het voor als je, vooral in de 1e klas, veel tijd inruimt voor de vormtekeningen die bij uitstek als vooroefening voor het schrijven een grote hulp kunnen zijn om het schrijfgerei ongedwongen over het papier te bewegen?
Heb je dan, zoals de onderzoekster voorstelt, bij problemen het blokschrift wel nodig?

 

‘Deze knoeiboel is onleesbaar, doe maar eens netjes over.’

Een vinnige, rode streep door het ingeleverde werkstuk, een schampere opmerking van de leerkracht en hoongelach van klasgenoten op de koop toe.

Dat wil nog wel eens het lot zijn van de leerling met ernstige schrijfstoornissen, hoe zeer hij ook zijn best doet, zijn gedachtengoed gestroomlijnd op papier te krijgen. Alle medelijden met het bespotte kind ten spijt, is zijn handschrift inderdaad onverbeterlijk slordig en vaak moeilijk leesbaar.

Acht tot tien procent van alle kinderen op de basisschool kampt in meerdere of mindere mate met dit probleem. Voornamelijk jongens hebben moeite met schrijven, zoals zich bij hen ook de meeste leerstoornissen voordoen.
De schrijfstoornis manifesteert zich gewoonlijk als leerlingen een jaar of zeven, acht zijn. Het lijkt erop dat velen de hanepoten ook in hun latere leven niet te boven komen.

Een dysgrafisch handschrift is te herkennen aan bijvoorbeeld een zeer onregelmatige lettergrootte; aan grove afwijkingen van letters van de standaardvormen waardoor ze moeilijk herkenbaar zijn; aan tegen elkaar botsende letters en woorden; en aan scherpe in plaats van ronde hoeken in letterverbindingen.

Onderzoeker dr E. Hamstra-Bletz definieert dysgrafie als een leerstoornis in de mechanische schrijfvaardigheid, af te lezen aan de gebrekkige uitvoering van het schrift van een overigens normale leerling.

Hamstra promoveerde op 15 juni*aan de Rijksuniversiteit Leiden op de dissertatie Het kinderhandschrift; ontwikkeling en beoordeling. Daarin doet de psycholoog haar onderzoek uit de doeken naar de handschriften van basisschoolleerlingen en naar hun schrijfproblemen.

Aanleiding voor dit onderzoek was begin jaren tachtig de geregelde aanmelding van moeilijk schrijvende kinderen bij de polikliniek Kinderneurologie van het Academisch Ziekenhuis van de Vrije Universiteit in Amsterdam. De psychologen daar wisten niet goed raad met de beschreven stoornis en de vraag om hulp.

De term dysgrafie viel, analoog aan dyslexie (leesblindheid) en dyscalculia (een stoornis in het vermogen te leren rekenen). De aanduiding is in kringen van neuro (psycho) logen al decennia in omloop, maar er bestonden geen vastomlijnde objectieve normen waarmee dysgrafie onomstotelijk kon worden vastgesteld, noch was er inzicht in de problemen die deze leerstoornis op termijn geeft. Wel heeft een Frans team in 1964 de resultaten van een onderzoek naar dysgrafie gepubliceerd, maar die bleken niet goed te vertalen naar de Nederlandse situatie.

Hamstra stelt dat ‘kunnen schrijven’ nodig is om optimaal sociaal te kunnen functioneren. Voor een schoolkind is die vaardigheid zelfs cruciaal, aangezien het schrift een belangrijke peiler vormt van het onderwijs. Cru gesteld: een leerling schopt het in Nederland niet ver als hij niet behoorlijk kan schrijven.

De onderzoeker volgde van 1983 tot 1990 het zich ontwikkelende schrift van 121 leerlingen gedurende vijf jaar basisonderwijs. Ze liet hen jaarlijks een schrijftest maken, te beginnen in groep vier (vroeger de tweede klas in het lager onderwijs) en voor het laatst in groep acht (de vroegere zesde klas). Daarbij schreven de leerlingen in hun eigen tempo gedurende vijf minuten een eenvoudige, gedrukte tekst over, met hun eigen pen of potlood op ongelinieerd papier.

De onderzoeker heeft niet bekeken hoe behendig of onhandig haar proefkonijnen omsprongen met pen en papier: vooralsnog was alleen het produkt van die vijf minuten, het uiteindelijke handschrift, object van onderzoek. En dan niet zoals grafologen handschriften onder de loep nemen, schampert Hamstra.

‘Als ik vertel dat ik onderzoek doe naar dysgrafie, denken mensen te begrijpen dat ik me bezighoud met kinderzielen.’
Het karakter van de schrijver is nadrukkelijk geen object van haar onderzoek; Hamstra is louter geïnteresseerd in de motorische vaardigheid en de afwijkingen daarin.

Het eerste resultaat van haar studie was in 1987 een schrijftest. Met deze beoordelingsschaal bracht ze de normale ontwikkeling van het kinderhandschrift tijdens de basisschoolperiode in kaart. Met deze kennis van de normale ontwikkeling bij de hand, kan ze beoordelen of een afwijkend handschrift dysgrafisch is of niet.

Een lange lijst met kenmerken die kunnen wijzen op dysgrafie vormt de beoordelingsschaal, van te grote letters tot schots en scheve regels. Opvallend ge-noeg verwerpt Hamstra ‘leesbaarheid’ als criterium: omdat de ene lezer een handschrift wel kan ontcijferen en de andere niet, zijn er voor leesbaarheid geen objectieve maatstaven aan te leggen.

De lange looptijd van het onderzoek maakte het mogelijk, vast te stellen dat dysgrafie een blijvend probleem vormt, en niet een tijdelijke achterstand. De
onderzoeker meent dat dysgrafie een stoornis is die niet uit zichzelf overgaat.

De primaire taak van de behandelende hulpverlener is volgens Hamstra te bezien of geen ander ongemak het moeilijk schrijvende kind parten speelt: zwakbegaafdheid, of neurologische afwijkingen zoals epilepsie of spasticiteit kunnen ook schrijfstoornissen veroorzaken. ‘Bijvoorbeeld epilepsie is in het handschrift terug te vinden in de vorm van horizontale lijnen, die ontstaan op momenten dat de leerling korte absences heeft.’

Voorts is dysgrafie niet te verwarren met alledaagse slordigheid, benadrukt Hamstra. ‘Een slordig handschrift vertoont duidelijk regelmatigheden; die
ontbreken juist in het schrift van een dysgrafisch kind.’

De factor schrijfsnelheid blijkt verband te kunnen houden met dysgrafie, hoewel extreem traag schrijvende kinderen soms wel een normaal handschrift produceren.

Maar moeten deze kinderen sneller schrijven, dan ontspoort hun handschrift.

De jeugdige leeftijd van de knoeiers speelt volgens Hamstra geen rol. ‘Veel jonge kinderen schrijven juist overdreven netjes, nog helemaal in overeenstemming met de regels van de zojuist verworven kunst.’ Pas in de hogere klassen van de basisschool slaan sommigen aan het kliederen.
Luiheid, geen zin, onwil, werden vroeger gezien als veroorzakers van schrijfproblemen. Geen sprake van, meent Hamstra, al krijgen dysgrafische kinderen inderdaad vaak de pest aan schrijven omdat ze steeds op hun kop krijgen vanwege hun gekras. Hamstra denkt dat dysgrafie vooral wordt veroorzaakt door onhandigheid: de noodzakelijke motorische coördinatie van vinger- en polsbewegingen laat blijkbaar te wensen over. ‘Een dysgrafisch kind weet best wat het wil opschrijven en hoe de letters en woorden eruit moeten zien, maar zijn motoriek kan de opdracht niet uitvoeren.’

Bovendien vermoedt Hamstra dat bij sommige kinderen een mate van dyslexie (leesblindheid) een rol speelt: ‘Als je niet goed kunt lezen, is leren schrijven heel moeilijk. Maar lang niet alle kinderen met schrijfproblemen hebben moeite met lezen.’

Op termijn is het opvallend dat dysgrafische kinderen geen karakteristiek eigen handschrift ontwikkelen, daar waar anderen rond hun tiende juist experimenteren met vormen. Een blijvend kinderlijk handschrift is het resultaat, waarin de basisvormen die de beginnende schrijver ooit heeft aangeleerd, nauwelijks veranderen. De schrijver heeft al moeite genoeg de woorden op papier te krijgen; de extra inspanning die het ontwikkelen van een eigen stijl kost, schiet er daardoor bij in.

Hamstra beveelt aan, alert te reageren op de eerste tekenen van dysgrafie. Speciale begeleiding in schrijven in blokschrift, met losse letters, zou een
oplossing kunnen bieden. Aan elkaar schrijven is moeilijker dan met losse letters, omdat bij verbonden schrift de vorm van de letter moet worden aangepast aan wat ervoor en erna komt. Bovendien is blokschrift beter leesbaar voor anderen en blijkt het voor een dysgrafisch kind even snel te produceren als verbonden schrift.

Als we dan toch bezig zijn, besluit Hamstra, wordt het ook eens tijd dat het schrijfonderwijs in het algemeen op de basisschool meer aandacht krijgt. Het zou zes jaar in plaats van de gebruikelijke drie moeten worden volgehouden.
Wellicht produceren niet-dysgrafische kinderen dan uiteindelijk ook fraaiere manuscripten.

boven: normale handschriften van leerlingen van groep 4 en 5 van de basisschool
onder: dysgrafisch handschrift

Mieke Zijlmans, de Volkskrant *19-06-1993

.

schrijven: alle artikelen     [2-1]  [2-2]  [ 9]

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

Advertenties

Een Reactie op “VRIJESCHOOL – Leerproblemen (1-1)

  1. Pingback: VRIJESCHOOL – Leerproblemen – alle artikelen | VRIJESCHOOL

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s