.
DE VIERDE KONING
Een hoge, stralende vrieslucht, kristallijn blauw en doorschijnend boven het Hollandse polderlandschap, sneeuw op de velden die knerpt en knistert onder je voeten, overal sloten en vaarten die het land doorsnijden – en in al die sloten is het kabbelende water gestold, bevroren. Het water, het eeuwig bewegende, het altijd stromende water, ligt stil, althans aan de oppervlakte. Een dikke laag zwart-glanzend ijs heeft de oevers aan elkaar ‘gekit’. Er is geen scheiding meer, je kunt ‘over het water’ lopen, het draagt je, maar het is wel verraderlijk glad! Dan komen de mensen, groot en klein, jong en oud, en zij binden de schaatsen onder. Ze gaan staan, wat onwennig, doen een paar stappen, krassen met de schaats op het ijs als om te voelen of het wel houdt. Maar dan geven ze zich over aan die verrukkelijke glijvlucht die ‘schaatsen’ heet. Zij bewegen zich over de spiegelende ijsvlakte met een soepelheid en gemak of zij geen aardezwaarte kennen, met een elegantie zoals zij nimmer laten zien als ze op hun twee voeten lopen over de aarde
Het ijs is zo’n tussending: het is geen water, maar het is ook geen vaste grond. En het is iedere winter weer een verrassing met hoeveel gemak de stijve, wat plompe, onelegante Hollander de kunst van de gladde ijzers beheerst. Het is werkelijk of hij ineens een ander mens wordt, of hij vleugels krijgt en altijd maar door zou kunnen glijden naar verre horizonten. Op het ijs wordt de Hollander een dichter met zijn voeten, met zijn hele lichaam.
Zo kan het zijn in januari, de maand genoemd naar de god van de Romeinen, Janus met de twee aangezichten, staande boven de stadspoort, gericht naar buiten en naar binnen, of naar verleden en toekomst. Voor velen is het de moeilijkste maand van het jaar, want het stralende vriesweer laat vaak op zich wachten. De winter is pas begonnen, van de stijgende zon is nog niets te merken. De dagen lijken grauwer en somberder dan voor Kerstmis. De kerstboom wordt opgeruimd, het groen is weg, het rood en wit en goud verdwijnt, de gezellige spulletjes van de kersttijd worden opgeborgen tot de volgende decembermaand. De kaalheid van ons huis maakt ons bedroefd. En toch kan ons soms hetzelfde overkomen als in de herfst, als we de zomertooi van de bomen omlaag zien dwarrelen. Ook aanvankelijk een vaag gevoel van treurnis om die ‘ont-hul-ling’, om die steeds grotere ‘naakt’-heid. Maar dan is daar soms ineens, in een helder ogenblik, dat overweldigende gevoel dat je door het wegvallen van de ‘sluiers’ een ‘uit-zicht’ krijgt, het zicht wordt helder. Je kan proberen te gaan zien wat voor je ligt, wat komen gaat. Datzelfde machtige gevoel kan je ook overkomen in januari.
In de kersttijd leefden we in het nu, het warme, innige, stralende heden, en we zijn er allemaal door verkwikt. We zijn ondergedompeld in ‘voedend’ water en we duiken nu weer op in het volle daglicht. We hebben gedronken uit de eeuwig verjongende bron, en nu moeten we weer verder. Kerstmis, het eerste deel van de kersttijd, valt in het oude jaar. Wij putten kracht uit de steeds opnieuw beleefde en door-leefde ‘her-innering’ van de gebeurtenissen 2000 jaar geleden. Als we ieder jaar opnieuw open en eerlijk ons ‘emmertje’ neerlaten, dan zullen we ervaren dat het steeds gevuld weer omhoog komt uit de bron, en dat frisse bronwater hebben we hard nodig voor de tijd die komt. Het feest van Driekoningen, van Epifanie dat is ‘de Verschijning (van de Heer)’ ligt in het nieuwe jaar. Het dwingt ons vooruit te kijken. We willen zo graag naar het licht blijven omzien en wegdromen in heimwee naar een verloren paradijs. En dan blijkt dat we toch moeten omdraaien en moedig de schaduw van de toekomst tegemoet zien. De overgang van het Oude naar het Nieuwe jaar in het midden van de kersttijd helpt ons die ommekeer innerlijk mee te maken. En als ons dat eens een keertje lukt, dan kan dat ons tegelijk wat houvast geven voor het Driekoningenfeest.
Op 6 januari vieren we het feest van de drie ‘magoi’, zoals de Griekse tekst zegt, van de Wijzen uit het Oosten. Het tweede aspect van deze dag is de doop in de Jordaan, de Verschijning van Christus in Jezus van Nazareth, het eigenlijke Epifaniasfeest dat in het Oosten eeuwenlang als hét geboortefeest werd gevierd. In het Westen werd deze Verschijning ook beleefd als een eerste oplichten van de wederkomst van Christus. Het derde aspect is de bruiloft van Kana: het veranderen van water in wijn door Jezus. Als we het evangelie van Johannes opslaan, kunnen we er een vermoeden van krijgen waarom dit gebeuren ook bij deze dag hoort: ‘Deze daad die Jezus te Kana in Galilea volbracht, was het begin der tekenen. Hij bracht zijn lichtwezen tot verschijning en zijn leerlingen begonnen in hem te geloven’ (Joh. 2. volgens de vertaling van Ogilvie). Ook hier ontmoeten we dat woord verschijning’.
Hoe kunnen we deze dag nu beleven als een ‘hoogtijdag’? In welke richting moeten we dan zoeken? Als je met kinderen te maken hebt, ligt de uiterlijke viering voor de hand. De taart of de appelkoek met de boon erin hoort bij deze dag. Je kunt er ook drie bonen in stoppen: twee witte en een bruine. Wie de bruine treft in zijn stuk koek, wordt met een zwart geblakerde kurk ‘geverfd’. Een ceremonieel dat ieder jaar met vreugde tegemoet wordt gezien! Rondlopen in een geïmproviseerde ommegang door het huis, mantels aan, kronen op, geschenken die met beide handen zorgzaam worden meegedragen. Als het kan, een engel voorop, en in een hoek wacht Maria devoot tot het zingende groepje haar heeft bereikt. Een mooie plaat, een tekening, een transparant, een verhaal, een lied: het helpt allemaal om de viering van deze dag gestalte te geven.
De oudere kinderen op de vrijescholen echter zien het Driekoningenspel uit Oberufer, en daarin ontmoeten zij dan datgene waar wij als volwassenen ineens grond onder de voeten voelen: Herodes, de duistere koning der Joden. In het koninklijke paleis te Jeruzalem ontmoeten de drie wijze priesterkoningen het boze, en zij weten het niet. De ster die hen leidde en richting gaf, zijn ze tijdelijk uit het oog verloren. Merkwaardig dat dit kon gebeuren. Het is of de stad, het aardse Jeruzalem, deze verzameling van menselijke bouwwerken, van menselijk leven in al zijn mogelijkheden, het zicht op de ster heeft verduisterd. De drie
koningen zijn het spoor bijster. Zij laten zich tijdelijk leiden door de menselijke gedachte, dat de pasgeboren koning der Joden die zij zoeken, wel zal wonen in het paleis van de hoofdstad. Het is opvallend, dat er in het evangelie van Mattheüs staat geschreven: ‘Toen Herodes dat hoorde, ontstelde hij en geheel Jeruzalem met hem’ (Matth. 2). Blijkbaar was de macht van Herodes groot. De invloed van zijn zwart-magische praktijken hing als een donkere schaduw over de stad. De drie Wijzen zochten een helder licht dat de hele omgeving zou overstralen. Wat zij aanvankelijk vonden, was een ontzaglijk grote schaduw. De eeuwenoude profetieën van het volk Israël wezen hen echter weer de goede richting. Zij keerden om en verlieten de stad. ‘En zie, de ster die zij hadden zien opgaan, ging hun voor, totdat zij boven de plaats bleef staan waar het kind was. Het stralende, koninklijke licht dat zij zochten, was op aarde nog niet zichtbaar in zijn volle luister. De ster wees hen echter de weg naar het allereerste kleine lichtpunt dat op aarde geboren was vanuit dat grote, hemelse licht. Het straalde als een kaarsvlam in de nacht en wierp grote schaduwen.
Tot tweemaal toe, ontmoeten de drie koningen uit het Oosten een vierde koning: Herodes, de donkere koning in Jeruzalem, en het kind Jezus in Bethlehem, de koning van het licht, vlak bij elkaar.
In de literatuurgeschiedenis is sprake van nog een andere vierde koning, die door de wereld trekt in het voetspoor van de drie Wijzen uit het Oosten. Ook hij heeft de ster gezien, en hij gaat op weg in groot verlangen. De schatten echter, die hij meeneemt op zijn tocht als gave voor het hemelse kind, schenkt hij weg aan mensen in nood. Hij is bedroefd dat hij straks met lege handen voor zijn Heer zal staan. Pas later, veel later beseft hij dat zijn gaven goed gebruikt zijn en te rechter plaats aangekomen. Hij was gehoorzaam aan de stem van zijn medelijdend hart. Waar hij tranen zag, heeft hij getroost; waar hij honger ontdekte, wilde hij voeden; waar hij pijn ontmoette, heeft hij geholpen zoveel in zijn macht lag. Hij heeft naar eigen keus gehandeld met de geschenken die bestemd waren voor zijn Koning. Maar het blijkt aan het eind van zijn leven, dat hij ongeweten gehandeld heeft in overeenstemming met het wezen van diezelfde Koning. Het was of hij iedere keer dat een mens in nood zijn pad kruiste, handelde in koninklijke opdracht. Dit wordt hem alles pas bewust bij het sterven, en het is ook tenslotte in de dood dat hij zijn Heer ontmoet.
De drie koningen, zijn ‘voor-gangers’ die hij nooit inhaalt, knielen neer bij het kind en bieden hun edele geschenken aan: goud, wierook en mirre. Zij staan voor ons als een ideaal. Onze werkelijkheid lijkt meer op de zwerftocht van de vierde koning. Er is één troost: de wijzen uit het Oosten volgden een ster aan de hemel. De vierde koning kon deze ster niet meer waarnemen sinds zijn vertrek uit het vaderlijk huis. Hij kon echter de ster in zijn eigen hart ervaren, en zo was deze hem toch tot een ‘leid-ster’. Wij zijn als de vierde koning, we leven in het nu, we zijn onderweg. Achter ons ligt wat geweest is, we kunnen ernaar kijken en ervan leren. Voor ons ligt wat komen zal, maar die toekomst moeten we ons niet te ver weg denken. Het heden daartussen ligt niet vast, het stroomt, het is voortdurend in wording. Het is de wisselwerking tussen toekomst en verleden, en dat heden zijn wij.
Net als de drie koningen zullen wij vaak schaduwen zien. Maar het is merkwaardig dat wij pas beseffen hoe donker die schaduwen zijn, als wij het licht ontdekken dat die schaduw werpt. En dat ‘ont-dekken’, dat oplichten van de sluier, gaat niet zonder voorbereiding. Wij hebben er meestal een heel leven voor nodig. Uit het verleden kennen we de richting, en ieder van ons heeft een ‘leid-ster’, die hem bij een kruising van wegen de juiste keuze kan ingeven. Zijn wij bereid om te luisteren? En zullen we eens weten of het licht van onze ster deel uitmaakt van dat grote Licht, waarover gesproken wordt op het feest van Epifanie?
Laat ons dan zingen met de ziener Johannes (Openbaring. 4):
Heilig, heilig, heilig
zijt Gij, Heer, onze God,
de al-omvattende
Gij die waart,
Gij die zijt,
Gij die komen zult.
(Marieke Anschütz, Jonas 10, 12-01-1979)
.
Driekoningen: alle artikelen
Jaarfeesten: alle artikelen
Vrijeschool in beeld: Driekoningen
.
417-391
.