Tagarchief: verhalend schilderen

VRIJESCHOOL – Schilderen n.a.v. de vertelstof (3-6)

.

Onderstaand artikel is een bewerkte vertaling uit:
.
Der künstlerische Unterricht. Mahlen und Zeichnen
Jünemann/Weitmann  (1e druk 1976)
(Inmiddels is er een 5e druk 2007)
.

Zwart = tekst uit het boek
Blauw = mijn eigen woorden over het e.e.a.

N.a.v. blz. 50 – 55

Vertellend tekenen

noemt Jünemann het volgende onderwerp, d.w.z. dat het woord ‘Malen’ hier niet betekent het schilderen met verf, maar het tekenen met kleurblokje, wasblokje, wasstift, pastelkrijtje, oliekrijt.
Daarmee kunnen de kinderen op een vel papier of in het periodeschrift werken. 
Daar hebben ze ook behoefte aan: meer in het figuratieve tot uitdrukking brengen wat ze zich hebben voorgesteld bij de aangeboden lesstof.
Ook dan, door het tot uitdrukking brengen, wordt hun wil aangesproken.
Dus meer de kleurkwaliteit dan de vormkwaliteit. Dan is er sprake van ‘Zeichnen’ – tekenen, zoals in Formenzeichnen: ons vormtekenen. 

Getekend

Geschilderd

Leren schrijven

Ook daarbij wordt eigenlijk vertellend getekend. De leerkracht heeft iets verteld over brood en de bakker en komt daar de andere dag op terug. Dat wordt eerst mondeling herhaald door de kinderen waarna ze mogen tekenen van wat ze voor zich zien. 
De leerkracht kan een bordtekening maken van het beeld dat hem voor ogen staat om de kinderen de letter B aan te leren. Ten overvloede: er wordt niet gesproken over ‘de B(eee), maar alleen de klank B (uh) wordt ontwikkeld door het beeld van de bakker in de vorm van een B.

Of een beer:

Als de kinderen het woord beer zeggen en ze worden langzaam ertoe gebracht alleen het begin te laten horen, ontstaat begrip voor hoe die eerste klank klinkt. 
Voor veel meer over het leren schrijven en daarna lezen.

Nu kunnen er nog allerlei woorden gevonden worden die met de beer te maken hebben: Bolle   Buik   Bruin en datzelfde geldt bij de bakker:  Brood, BakBlik, Beschuit, Bolletje, Bakkerij enz.

Dat illustreren is dus een vorm van schilderend tekenen.

Dan wordt er aandacht besteed aan de ‘landbouw’ als onderdeel van de heemkundeperiode in klas 3:

Landbouw

In het periodeschrift staat bv. een gedichtje (zie hier) dat ook weer kleurrijk geïllustreerd kan worden.
Dat is hier gebeurd met iets uit ‘de huizenbouw’.

.
De auteur geeft dan nog een voorbeeld van hoe ook in het godsdienstonderwijs schilderend getekend zou kunnen worden.
Ze noemt m.n. beelden waarin eerbied en medegevoel tot uitdrukking zou kunnen worden gebracht. Uit het O.T. bijvoorbeeld de regenboog, de ark met de dieren, Mozes en het brandende braambos, David en Goliath.
Uiteraard kunnen deze onderwerpen ook ; gewoon’ bij de vertelstof horen.

Geschilderd: Mozes ontvangt de stenen tafelen

Getekend: de toren van Babel

Als laatste deel van het hoofdstuk wordt aandacht besteed aan

Therapeutische gezichtspunten

Als een kind met grote regelmaat de kleuren hard en geïsoleerd naast elkaar zet en je herkent het kind met een melancholische aanleg wat zich o.a. uit in ‘het leven in of met het verleden’, niet los kunnen komen naar de toekomst, dan zou je ‘speciale oefeningen met harmonieuze kleurcomposities kunnen geven deze neiging tot gespannenheid tegengaan.’
Je kan zo’n kind bijvoorbeeld een ovaal geel vlak op het vel laten schilderen vanaf de ene kant, het aan de onderkant omringen met blauw en het doortrekken naar de andere kant. Van bovenaf stroomt rood naar het geel en waar het het bedekt, wordt het oranje. Rood stroomt dan verder naar beneden en bedekt een deel van het blauw, waardoor het paars kleurt. Alleen waar geel naast blauw ligt, kan groen worden gemaakt door het een in het ander te kleuren. De overgangen moeten zo zorgvuldig worden geschilderd dat de harmonieuze combinatie van kleuren wordt versterkt.
Een variatie op de oefening kan worden bereikt door te beginnen met rood en dit te omringen met geel, dat aan één kant wordt bedekt door blauw, zodat er direct naast het rood groen ontstaat. De kleurmengsels die aan de randen ontstaan, resulteren in paars en oranje.
Als je uitgaat van blauw en dit omringt met geel en met rood naar binnen transformeert in oranje, verschijnt oranje direct naast blauw en vormt het een harmonieuze klank waaromheen paars en groen worden gevormd in de overgangen in de periferie.’

Bij de temperamenten zie je nog wel andere eenzijdigheden, zo bv. bij de flegmatische kinderen bij wie de stofwisseling een sterke rol speelt. Ze staan niet zo open voor wat er wordt verteld: het moet écht indruk maken wil het beklijven.

Er zijn kinderen die ‘technisch’ meer begaafd zijn, hun schilderwerk is vaak heel zorgvuldig uitgevoerd, maar de kleuren tonen weinig expressie.

En er weer kinderen waarbij alles er waterig en wazig uitziet. Die krijgen bv. deze opgave:

Ze moeten lussen vormen. Je kan het beste met geel beginnen. Maak met een brede penseel een grote acht, die aan de bovenkant open is. De blauwe kleur volgt hetzelfde pad op enige afstand. In het midden, waar geel en blauw elkaar overlappen, ontstaat groen. Dat gaat heel voorzichtig binnen de lus en breidt zich uit naar boven op de grens tussen geel en blauw. Dit wordt gevolgd door rood. Dit moet ook van boven door het kruispunt. Waar het blauw snijdt, ontstaat paars, dat opnieuw een fijne lus binnenin vormt die zich uitbreidt in de vrije ruimte.
Belangrijk is hier dat het papier niet te nat is en dat er niet te veel verf op het penseel zit, zodat niet alles in elkaar overvloeit.’

Als je deze oefening zelf uitprobeert, zul je zien dat elke keer dat je met een nieuwe kleur door het midden gaat, het moeilijker wordt omdat de kleurzone steeds breder wordt, zelfs als er maar smalle stroken kleur worden aangebracht. Het vergt oplettendheid en een zekere durf om tot het einde door te gaan.’

Kinderen die zoiets als dit als opdracht krijgen, beginnen meestal snel, maar slaan na korte tijd het kruispunt over en gaan rond en rond met het penseel. Hier wordt duidelijk waar de oefening op gericht is. Een kind dat te gevoelig is voor vergeetachtigheid of saaiheid moet zich vermannen en moeite doen om de taak te voltooien. Ook hier moet de oefening herhaald worden. Er zijn variaties in twee richtingen. Ten eerste kan het kleurverloop worden veranderd zodat de kop van de lus niet alleen onderaan verschijnt, maar ook bovenaan, rechts of links. De andere keer zijn de kleuren beperkt, maar worden ze meerdere keren naast elkaar geschilderd. Als rood en blauw worden uitgedeeld, worden verschillende rode en blauwe stroppen afgewisseld.

Als de leerkracht erin slaagt om zijn ervaring met deze oefeningen uit te breiden en steeds beter te begrijpen wat er effectief in is, kan hij ze op veel manieren gebruiken. Als bijvoorbeeld in klas 7 een geografisch gebied is behandeld en er nu een landschap van moet worden geschilderd, zal de leerkracht de melancholicus instrueren zich meer te richten op het harmonische van de kleurcomposities en hem misschien aanmoedigen om de lucht met delicate kleurovergangen te schilderen, zoals deze ’s ochtends of ’s avonds boven dat gebied verschijnt.

Bij een ander kind dat vergeetachtig is, zorgt hij ervoor dat de kleuren duidelijk te onderscheiden zijn en dat de karakteristiek van het landschap ook in de vorm van de afbeelding tot uiting komt.

Er zijn veel manieren om een ​​educatief, therapeutisch effect te hebben in de schilderlessen. Om de juiste ideeën te hebben, is het noodzakelijk dat de leraar door zijn studie altijd de objectieve toegang tot de wereld van kleuren en vormen vergroot en dat hij in spiritueel contact blijft met zijn kinderen.

Als zich in een hele klas een soort eenzijdig gedrag voordoet, zoals een opvallend gebrek aan controle of lamme traagheid of zelfs een zekere verlegenheid, heeft de leraar de mogelijkheid om via kleuroefeningen hun algehele toestand te beïnvloeden.
Hij leest bv. een oefening met slechts één kleur. Laten we aannemen dat het verhaal van het Blauwe Licht verteld is (Grimm).
Op de schilderdag wordt dit voortgezet. Alle kinderen schilderen alleen met blauw. Je kunt dan ervaren hoe het in de klas opeens zo stil wordt dat de kinderen het eindelijk zelf merken.

Als je een bijzondere activiteit in de klas wilt brengen, doe dan een oefening met veel vermiljoen. Soms rennen de kinderen de pauze in alsof het rood in hun ledematen zit. Veranderingen treden op als je de kleuren voorzichtig en soms krachtig mengt. Een klas die de neiging heeft afgeleid te worden, kan worden gekalmeerd met zachtere kleuren, net zoals wanneer je rustig spreekt Sterkere kleuren stimuleren, activeren en versterken de kinderziel.

Uiteraard moeten al deze maatregelen worden herhaald. Vooral leraren in het eerste en tweede leerjaar moeten hiermee omgaan en zichzelf trainen in het waarnemen van de verschillende effecten. Want je kunt al deze onderwijstherapeutische middelen niet schematisch inzetten.’

.

Voor 4e, 5e en 6e klas:

Schilderen alle artikelen bij [3-8]

Rudolf Steiner over schilderenalle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3329-3133

.

.

.