.
Onderstaand artikel is een bewerkte vertaling uit:
.
Der künstlerische Unterricht. Mahlen und Zeichnen
Jünemann/Weitmann (1e druk 1976)
(Inmiddels is er een 5e druk 2007)
.
Zwart = tekst uit het boek
Blauw = mijn eigen woorden over het e.e.a.
N.a.v. blz. 41- 44
.
Na de onderwerpen die in het vorige artikelen aan bod kwamen, gaan de auteurs in op een opmerking van Steiner over het schilderen op gekleurd papier:
‘We beginnen er zo vroeg mogelijk mee het kind met kleuren te laten kennismaken – waarbij het goed is om op een gekleurd vlak andere kleuren aan te brengen dan op een wit vlak’ ( )
De beleving van het schilderen op gekleurd papier, zou daardoor versterkt worden.
Iedere kleur verandert dan meteen.
Wanneer je met geel op een rode ondergrond schildert, verliest het geel zijn glans en wordt oranje-rood.
Met blauw op rood: het blauw wordt warmer, wordt violet.
Zouden de kleintjes aanvankelijk nog wat tekenend werken en tekenvormen maken, dan gebeurt dit hier niet zo, omdat hun aandacht vanaf het begin naar het kleurenproces wordt getrokken.
Er kunnen zich echter wel technische problemen voordoen. Hoe kom je aan geschikt gekleurd papier waarop je kan schilderen. Met vastere verfsoorten kan je wel, met waterverf niet beschilderen.
Je kan het de kinderen wel zelf laten doen: eerst het witte papier met kleur beschilderen. De verf moet wel goed intrekken (‘enige minuten’).
Zelf heb ik het nooit gedaan. Toen ik op school begon, zag ik het nergens en het kwam ook op mijn opleidingscursus niet ter sprake. Ik heb het nooit ergens gezien.
====
Na de geel-blauw-oefeningen kunnen ook geel-rood oefenen en rood-blauw. Het zijn beide karakteristieke klankkleuren. De schrijvers noemen de eerste: lichter, sprankelend, de andere ingetogen en feestelijk.
Ga je weer verder, dan kom je bij geel-oranje of blauw-violet, karakterloze samenstellingen.
Het is goed om – altijd – zegt het boek, ook een vel papier op de plank te hebben als leerkracht. Zodat je daarop iets voor kan doen, of een kind even iets extra’s kan geven om te oefenen.
Maar voor een klassikale uitleg is een groot papier nodig dat aan het bord hangt.
Daar wordt nu een groot rood vlak op geschilderd. Dan komt de vraag: wat nu met geel en blauw? Dat mogen een paar kinderen doen.
Dan zet je er nog een even groot tweede en derde vlak bij en de kinderen mogen dat weer met geel en blauw afmaken.
Zo ontstaan er drieklanken.
De schrijvers hebben het er niet over, maar op een verticaal vlak schilderen met waterverf is zo makkelijk nog niet, omdat de verf snel gaat ‘lopen’. Het moet dus allemaal niet te vochtig zijn. Eventueel haal je de ‘druipers’ snel met een sponsje weg.
Als alle kinderen dat daarna mogen doen, zetten ze vrijwel allemaal hun rood ook in het midden en worden geel en blauw ‘ergens’ toegevoegd.
Toch zijn er – letterlijk – wezenlijke verschillen: de kinderen laten hierbij altijd iets van zichzelf zien: voorkeur voor een kleur; lang bij de ene stilstaan, de andere bijna vergetend of snel ze alle drie opgebracht, enz.
Dat kan in de nabespreking natuurlijk tot allerlei leiden waarvan ieder weer leren kan.

Nu heb je weer allerlei variatiemogelijkheden. Geel in het midden; blauw in het midden; (in GA 300B bevindt zich ook nog een aanwijzing)
De werking die ervan uitgaat, is telkens weer anders.
Je kan dan als volgende stap i.p.v. blauw, violet nemen.
De schrijvers zeggen hier niet hoe ze violet aanbieden. Maar omdat het nog niet gaat om zelf kleuren op het papier te laten ontstaan, ligt het voor de hand dat je dat van te voren zelf hebt gemaakt. (en daar moet je dan weer voldoende potjes voor hebben!) (Uit de tekst blijkt later dat dit zo is)
Nu kun je al iets maken met geel, rood en violet. Rood in het midden, geel en violet eromheen (nog steeds als vlakken!).
Geel-rood is karakteristiek; rood naast violet wat eentoniger. Maar in een drieklank heeft ook geel/violet zijn werking en ontstaat er toch weer harmonie.
Omgekeerd kan het dan ook weer. Geel in het midden, violet ernaast, rood aan de andere kant: geel-rood is weer karakteristiek.
Het is goed om bij je zelf na te gaan wat er harmonisch(er) op je over komt.
Violet in het midden en geel ernaast, doet harmonisch aan, maar rood-violet brengt er weer iets monotoons in.
Wanneer je alle variaties hebt geoefend en besproken, kan er bij de kinderen het gevoel zijn ontstaan dat het uitmaakt hoe je kleur bij elkaar brengt.
Nu gaan we verder met drie nieuwe mengkleuren.
En daarmee wordt ook weer zo geoefend als is beschreven voor de andere kleuren.
Nu gaat het om rood en groen. En ook weer groen in het midden.
Als de leerkracht de mengverf klaarmaakt, moet deze er dus rekening mee houden dat er mooie contrasten kunnen ontstaan, dus geen te ‘dunne’ verf.
Groen bv. niet te licht, rood niet te donker.
Dat geldt ook voor geel-violet en oranje-blauw.
Het kunnen beleven van schoonheid kan door deze oefeningen worden opgeroepen, er kan harmonie worden ervaren.
Het belang daarvan besprak Steiner in GA 303 [in de artikelenreeks Rudolf Steiner over schilderen nog niet oproepbaar]
Om de tegenstelling te laten ervaren, kun je ook uitgaan van monotonere kleurstellingen: groen-blauw, bv. En dan groen-violet, dan weer groen en dan rood.
De ‘andere’ kant op: groen-geel gaat naar groen-oranje, dan weer naar groen-rood.
Je kan ook nog bewegingen die ‘bij de kleur passen’, invoeren: bv. geel in stralenvorm. Als je daar blauw of violet omheen zet, doet dat denken aan de ster van een bloem.
Zet je echter blauw of violet in het midden met geel eromheen, wordt de ster afgezwakt tot een ronde vorm.
Tenslotte vatten de auteurs de methodische stappen samen:
Eerst schildert het kind vanuit een soort instinctief kleurgevoel.
Dan wordt het erop attent gemaakt hoe de kleuren bij wat hij maakt op elkaar afgestemd zijn.
Daarna worden de mengkleuren uitgewisseld en de kleuren van de omgeving veranderd.
Zo ‘spelen’ de kinderen met kleur. De leerkracht kent de kleuren door de kleurenleer.
De auteurs gaan nog even in op bepaalde kritiek:
Er wordt vaak beweerd dat de methodische begeleiding de eigen creatieve kracht van de kinderen remt. Men vergeet echter hoeveel activiteit en persoonlijke besluitvorming er komt kijken bij het zetten van kleurvlakken op papier met een penseel. Als een klas alleen met geel en blauw heeft geschilderd, zullen alle vellen er anders uitzien, zelfs als de oefening op grote schaal wordt gedaan. Als ze te eenvormig worden, moet de klassenleraar proberen het innerlijke kleurleven van de kinderen sterker te stimuleren, dan zullen ze weer vrijer creëren.
Het is van groot belang dat de aandacht van het kind, dat voor zijn zevende meer instinctief en dromerig in de wereld van kleuren leefde, nu gericht wordt op de kwalitatieve verschillen.
.
De vorige artikelen die met bovenstaand een bepaald geheel vormen:
schilderen [3-1] schilderen [3-2]
Schilderen: alle artikelen
Rudolf Steiner over schilderen: alle artikelen
Menskunde en pedagogie: alle artikelen
Vrijeschool in beeld: alle beelden
.
3313-3117
.
.
.
.