Tagarchief: Michael verhaal

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël – verhalen (10-8)

.
Normandische sage (uit een schoolkrant, nadere gegevens onbekend)
.

De aartsengel Michaël en de duivel

.

De bouw van het slot
.

De aartsengel Michaël en de duivel waren ooit buren. Op een winteravond raakten ze aan het twisten: de duivel beweerde dat zijn macht oneindig groot was, Michaël echter zei dat God alleen almachtig was.
‘Nu goed dan!’ zei de duivel. ‘Roep jij Gods hulp in en bouw een slot, ik zal een ander bouwen en dan zullen we zien welk het mooiste is.’

Michaël nam de uitdaging aan. Meteen zond de duivel een leger dienaren uit om in de hele wereld grote blokken graniet te zoeken. Ze gingen terstond aan het werk en bouwden een reusachtig slot op een bergeiland in zee, te midden van loeiende stormen.

Satan was enthousiast. Maar de aartsengel bouwde op het strand een schitterend lichtpaleis van ijskristallen, dat stelde met zijn glans de sombere granieten berg in de schaduw. Ondanks zijn hoogmoed moest Satan toegeven dat hij was overwonnen. Groot was zijn schaamte. De vertwijfeling maakte hem jaloers, de kwellingen van de afgunst hielden hem uit de slaap. Ten slotte hield hij het niet meer uit, en hij vroeg de aartsengel of deze zijn paleis niet voor de granieten berg wilde ruilen; Michaël stemde daarmee in. Toen het zomer werd smolt het ijsslot van de duivel in de brandende zon; het slot van de aartsengel echter staat er nog altijd: het is de Mont Saint-Michel.

De weddenschap

Satan moest nu in een eenvoudige strooien hut op het strand wonen; maar hij bezat vruchtbare velden, goed bevloeide weiden en heuvelhellingen met hoge bomen begroeid, en daartussen groenende dalen. Michaël daarentegen had rondom zijn burcht slechts drijfzand, en had hij niet gebeden, dan zou hij meer dan eens zijn verhongerd. Na verscheidene jaren te hebben gevast had de heilige Michaël genoeg van dit leven. Hij zocht de duivel op en zei tegen hem: ‘Beste duivel, ik doe je een voorstel: vertrouw mij je land toe, ik zal het naar beste kunnen bebouwen en dan delen we de oogst. Akkoord?’ De duivel, die een grote luilak was, accepteerde het aanbod. Michaël vervolgde: ‘Daar ik niet wil dat je je over mij te beklagen hebt, mag jij kiezen wat je het liefste hebt: de oogst die onder de aarde is, of die erboven staat?’
De duivel riep uit: ‘Ik neem wat boven de aarde groeit!’ — ‘Akkoord!’ zei de heilige.

Zes maanden later zag je alom in het uitgestrekte land van de duivel slechts knollen, wortelen en uien. De duivel kreeg niets, klaagde hevig en wilde het contract ontbinden. Maar Michaël had plezier gekregen in de akkerbouw.
‘Om je schadeloos te stellen,’ zei hij tegen de duivel, ‘bied ik je dit jaar alles aan wat onder de aarde groeit.’ — ‘Akkoord!’ antwoordde de ander vol blijdschap.

Het volgende jaar groeide overal tarwe, haver, gerst en prachtige klaver. Satan kreeg weer niets en werd rood van woede. Toen hij zijn klauwen tegen Michaël ophief gaf deze hem een geweldige trap in zijn heup. Satan viel neer op de rots van Mortain, waar nog altijd de onuitwisbare sporen te zien zijn van de horens aan zijn voorhoofd en de nagels aan zijn tenen. Vernederd, hinkend en voor de rest van zijn leven verminkt stond hij weer op. Hij zag in de verte de fatale berg en begreep dat hij met een sterker iemand te maken had; daarom begaf hij zich naar vreemde landen en stond hij zijn velden, zijn weiden, zijn heuvelhellingen en zijn dalen af aan de aartsengel.

De zeis

In vroeger tijd sneden de mensen in Hédé hun gras met kleermakersscharen en dat was een heel werk. De duivel alleen, die van tijd tot tijd die streek bezocht om stenen te halen voor de bouw van Mont Saint-Michel, had een werktuig waarmee hij het gras in heel korte tijd kon maaien. Daarvan bediende hij zich echter alleen ‘s nachts en hij weigerde het uit te lenen. Op een dag beloofde Satan aan een van zijn vrienden, een gemeen sujet, dat hij de volgende nacht zijn gras zou maaien. De heilige Michaël hoorde daarvan en stak ijzeren eggetanden in de wei. Toen verstopte hij zich in een oude holle eik, alleen zijn hoofd stak tussen het gebladerte uit. Tegen middernacht zag hij hoe de duivel de snede van zijn werktuig met een hamertje haarde en het vervolgens aan het uiteinde van een lange stok bevestigde. Daarop wette hij het, en al gauw viel het gras in lange zwaden. Toen het werktuig op de eerste eggetand stuitte werd het schaardig. Satan vloekte als een echte duivel, maar ging door met maaien. Bij de tweede eggetand brak het, en de duivel zei bij zichzelf: ‘Zo, nu is me toch mijn zeis gebroken, ik moet ermee naar de smidse.’ En vloekend ging hij op weg naar het plaatsje Dingé.

De volgende morgen informeerde Michaël bij de smid naar het werktuig. ‘Ja,’ antwoordde de smid, ‘het was een werktuig zoals ik er nog nooit een had gezien.’ ‘Goed, voor mij moet je er net zo een maken, en dan zal ik je ook vertellen waar het voor dient.’ De smid smeedde dus voor hem net zo’n werktuig als hij bij de duivel had gezien, en Michaël legde hem vervolgens het gebruik van de zeis uit. Maar hij deed niet als de duivel, maar gaf de zeis door en bracht alle mensen het gebruik ervan bij.

Toen Satan dit tot zijn woede merkte, dacht hij meteen dat de heilige Michaël hem had bespied. Dus ging hij naar hem toe en daagde hem woedend uit tot een duel.
‘Mij best,’ antwoordde de engel, ‘maar ik wil nergens duelleren dan in een bakoven.’ ‘Waar je maar wilt.’ — En ze begaven zich naar het dichtstbijzijnde dorp. Onderweg vond Michaël een houten paaltje van het soort dat boerinnen gebruiken om hennep en vlas te braken voor ze die hekelen.

Bij de bakoven aangekomen pakte de duivel de schiet-schop en glipte de oven in, Michaël volgde hem. Terwijl de duivel nog aan de lange stang trok, timmerde Michaël hem uit alle macht op zijn hoofd. ‘Genade, genade!’ schreeuwde Satan, ‘je vermoordt me!’ ‘Ik zal je laten leven,’ antwoordde Michaël, ‘maar alleen als je het land verlaat en nooit meer terugkomt.’

Dat kwamen ze overeen, en sindsdien heeft men in de omgeving van Hédé de duivel nooit meer gezien.

.

Michaëlalle verhalen

Boeken over Michaël en de herfsttijd

Michaëlalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldMichaël (bordtekeningen e.d.)  jaartafel, (ook herfst)

Michaëlsliederen

.

2824-2650

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël – verhalen (10-7)

.
Uit Ierland
.

Hoe de muis en de kat werden geschapen
.

Lang geleden, toen Lucifer en zijn scharen uit de hemel werden verdreven, werd Lucifer overmand door een grote haat tegen heel het mensengeslacht. Steeds weer trachtte hij de mensen te benadelen en hij had al allerlei ongedierte geschapen om de mensen te kwellen.

Op een dag dacht hij na over de kwellingen die hij al allemaal had verzonnen: slangen, muggen, wespen, vliegen, schorpioenen en veel ander ongedierte. In zijn kwaadaardigheid kwam Lucifer op de gedachte dat al die kwellingen wel het lichaam van de mens aantastten, maar niet wat hij het meest nodig heeft: voedsel en kleding. Nu wilde hij een dier scheppen dat die twee dingen zou vernielen. Het moest klein en vlug zijn, en daar de mens ’s nachts sliep, kon het dier het best zo worden gevormd dat het zijn taak in het duister kon verrichten. Maar voedsel en kleding bestonden voor een deel ook uit dingen met vaste bolsters en harde basten, of van huiden en taaie stoffen. Daarom, zo bedacht de Boze verder, moest het nieuwe dier wel scherpe tanden krijgen, die vlug ook door harde omhulsels heen konden knagen. En toen hij al die gedachten samenvoegde ontstonden in zijn hoofd de muis en de rat, en dadelijk gaf hij er vorm aan. Muizen en ratten nu vermenigvuldigen zich snel en al gauw klaagden de mensen dat ze de scharen niet meer de baas konden.

De aartsengel Michaël hoorde deze klacht en hij overpeinsde hoe hij de mensen hierin kon bijstaan. Lang dacht hij erover na en tenslotte zag hij als enige mogelijkheid, op zijn beurt een dier te scheppen dat voortaan de vijand zou zijn van muizen en ratten. Tegelijk echter moest het de mens vriend-

schappelijk gezind zijn. En, zo overdacht de heilige Michaël verder, het dier moest even soepel en vlug zijn als de muizen en ratten, daarbij sterk en taai, met klauwen die plotseling te voorschijn kwamen en even snel weer konden worden ingetrokken. Om te kunnen toebijten en vasthouden had het scherpe, spitse tanden nodig en het moest kunnen springen en klimmen. Daar nu de muizen en ratten vooral ’s nachts op pad waren, moest het dier dat Michaël wilde scheppen zowel overdag als ’s nachts kunnen zien.

Dit alles bedacht de heilige Michaël, en toen het beeld van het nieuwe dier hem helder voor ogen stond gaf hij er vorm aan, en zo ontstond de kat. Als een bliksemflits schoot ze onverhoeds in de schare muizen en ratten, waarvan er heel wat het loodje legden. De vlugste onder hen echter kropen gauw weg in donkere gaten en greppels, waar de kat ze niet kon vinden. En sindsdien durven de knagende muizen en ratten, om niet door de kat te worden gesnapt, slechts heel voorzichtig te voorschijn te komen.

De kat echter woont bij de mensen voor de warme kachel, geeft kopjes en spint als ze tevreden is, maar ze kan ook onverhoeds haar met klauwen bewapende poten bliksemsnel uitslaan als ze hardhandig wordt behandeld. Ze is aanhankelijk, maar niet trouw zoals de hond, en ’s nachts onderneemt ze haar strooptochten, vrij, trots en ongebonden.

Michaëlalle verhalen

Boeken over Michaël en de herfsttijd

Michaëlalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldMichaël (bordtekeningen e.d.)  jaartafel, (ook herfst)

Michaëlsliederen

.

2823-2649

.

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël – verhalen (10-6)

.
Een Koptische legende uit het ‘Boek van de inzegening’ 14, 37)
.

Hoe Michaël in zijn ambt werd benoemd

.

In den beginne schiep de Vadergod door zijn kracht de hemel, het geweldige, oneindige firmament. Toen dat geschied was schiep hij de aeonen en vervolgens de engel die Saklithaboth werd genoemd, dat is ‘hij die de hemel en de aarde opschrikt’. En de Vader plaatste hem boven alle engelen en engel-heerscharen en zij allen gehoorzaamden hem. Als tweede engel werd Michaël geschapen, na hem Gabriël, Rafaël en alle andere engelen in grote scharen.

Zeven engelen werden aangewezen om Saklithaboth, de eerstgeschapene, als hun leider te dienen, en zij zongen hymnen ter ere van de heilige Triniteit.

Van het begin af aan had de Triniteit Saklithaboth met grote hoogmoed begiftigd en zo regeerde hij over de engel-scharen hoogmoedig en trots, maar zeer kundig.

Toen kwam het uur dat de Vadergod de mens schiep. Hij vormde hem naar zijn beeld en zette hem in het paradijs — in de tuin der engelen en der hemelse schepselen.

Toen de mens geschapen was, gaf de Vader aan de Zoon-god de blik vrij op de toekomstige ontwikkeling van het mensengeslacht. En de Zoon schouwde in grote kosmische beelden de daden van de mensen en hoe ze in de loop der tijden zonde na zonde op hun schouders laadden. Hij zag ook de bestraffing der zonden en hoe meer hij zag, des te groter werd zijn medelijden, tot hij tenslotte de Vader smeekte hem voor een daad van verlossing naar de toekomstige aarde te zenden zodra de tijd daarvoor gekomen zou zijn, opdat hij de mensen van hun zonden zou kunnen verlossen.

De Vader was zeer verheugd toen hij de wil om de mensen te verlossen bij de Zoon gewaar werd en hij beloofde hem dat hij zijn wens zou vervullen. Daarmee nam hij de toekomstbeelden voor de blik van de Zoon weg en het grote werk van de schepping kon worden voortgezet.

Aan de mens in het paradijs gaf God de naam Adam. Deze naam hadden de hoge aartsengelen Michaël, Gabriël, Rafaël en Uriël in de vier windstreken gevonden en gezamenlijk samengevoegd. Toen schiep de Vader een metgezellin voor de mens, en tezamen leefde het paar in de tuin van het paradijs en zelfs de engelen verheugden zich over hun schoonheid en roem.

Nu kwam de dag dat de Vader Adam bij zich riep en deze gaf antwoord, kwam en knielde neer, aanbad hem en smeekte om zijn zegen. Toen de mens zo in verering knielend de zegen van de Allerhoogste afsmeekte waren de engelen allen in een wijde kring om hem verzameld, en geen van hen ontbrak. En het koor der engelen bekrachtigde het gebed van de mens door een krachtig ‘Amen’.

De Vader riep nu de aartsengelen, engelen, cherubijnen en serafijnen, de vierentwintig oudsten en het gehele leger van de hemel op om Adam, die zijn gelijkenis en beeld was, te aanbidden. Vanuit de hemel daalde een zoete geur op het lichaam van Adam neer en de engelkoren riepen: ‘Gezegend zijn wij, want wij zijn waardig om u te zien, o beeld van onze koning — Amen!’

Alle engelen traden nu een voor een voor Adam en betuigden hem hun eerbied. Toen nu de engel die als eerste geschapen was aan de beurt kwam, weigerde hij Adam te aanbidden De Vader wendde zich tot hem en riep hem nogmaals op zijn schepping te aanbidden. Hoogmoedig weigerde Saklithaboth ten tweeden male. Verblind als hij was sprak hij tot de Vader: ‘Klein is de mens vergeleken bij mij, want ik werd vóór hem geschapen en ik ben groter dan alle engelen en de eerste onder hen.’

Ten derden male beval de Vader de hoogmoedige, Adam te aanbidden, en hij sprak tot hem, de eerstgeschapene: ‘Weet, Saklithaboth, dat je halsstarrigheid niet onbestraft kan blijven als je mijn gebod niet opvolgt. Je zult de kwade gevolgen van je daden ondervinden — je roept je eigen vernietiging over je af.’

Doch opnieuw weigerde de eerstgeschapene.

Toen zag de Vadergod dat het kwaad geschied was, want talrijke engelen werden door de weigering van Saklithaboth verleid en weigerden eveneens.

De Vader verkondigde toen voor alle engelen, dat Saklithaboth met deze weigering al zijn rechten verspeeld had — hij zou voortaan niet meer de eerstgeschapene heten, maar Saklam, de strijdzuchtige, of Mastema, de Boze. Daarop gaf hij een cherubijn opdracht, Saklam een vleugel af te slaan en hem op de aarde te werpen. Geen van de engelen was echter sterk genoeg om de Boze te bestrijden, behalve Michaël.

De engelen die samen met Saklam geweigerd hadden werden demonen, die uit de atmosfeer tevoorschijn breken en in de harten der mensen slechte gedachten opwekken.

Godvader echter zat op zijn troon en treurde en met hem weenden alle engelen.

Dit alles geschiedde op de 11e Athôr op het 11e uur van de dag, ten tijde van de zonsondergang.

Op de ochtend van de 12e Athór (8 november) verzamelden alle engelen zich rond de troon van de Vader. Nu werd Michaël, de als tweede geschapene, in plaats van de eerstgeschapene in zijn ambt benoemd. De gehele waardigheid en alle roem van Mastema werden hem gegeven. Zijn hoofd werd getooid met de diadeem van licht, zijn handen omvatten de staf van de waarheid en de oprechtheid en zijn voeten werden gestoken in de schoenen van de vrede. Zo werd op deze bijzondere dag Michaël de Vorst van het Licht.

En terwijl de serafijnen juichten en de cherubijnen zongen blies Michaël op de bazuin van het leven. Alle engelen kwamen en aanbaden de Lichtvorst, de eerste der engelen, de aartsengel Michaël die op de hoogste troon was gezet, terwijl de wierook van hun verering de licht-aeonen vulde. En niemand onttrok zich aan deze aanbidding.

Groot was de vreugde van de Vader, van de Zoon en van de Geest en alle hemelen verheugden zich en vierden feest.

Michaël, de goede engel, werd benoemd tot beschermer en helper van het komende geslacht van de mensen, van allen die na Adam zouden komen; Michaël werd diegene die te allen tijde de smeekbeden van de mensen voor Gods troon kon dragen. En de Vader verhief hem op de lichtwagen, opdat hij de toekomstige aarde, en op haar de tweeënzeventig landen waarover hij zal heersen, kan bezoeken. En het zal zijn taak zijn, de mensen orde en licht te brengen en hun gebeden voor God te brengen.

Zo werd Michaël, de Lichtvorst, de grote aartsengel en eerste onder de engelen in zijn ambt benoemd en hij stond aan Gods troon, steeds indachtig de geboden van de Hoogste. En de hemelen jubelden over zijn glans.

.

Michaëlalle verhalen

Boeken over Michaël en de herfsttijd

Michaëlalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldMichaël (bordtekeningen e.d.)  jaartafel, (ook herfst)

Michaëlsliederen.

2822-2648

.

.

.

.