Tagarchief: handvaardigheid

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over handvaardigheid – alle artikelen

.

Een kleine inhoudsopgave bij de opmerkingen die Rudolf Steiner in de pedagogische voordrachten – en in een aantal niet-pedagogische –  maakte over handvaardigheid. 
Hoewel er meestal gesproken wordt over handenarbeid – dat zijn dan alle onderwerpen die daaronder kunnen vallen, behalve handwerken – en handwerken, heb ik hier gekozen voor ‘handvaardigheid’ en daarmee heb ik ze samengevoegd.

GA 201 niet vertaald
Voordracht 9:       
vertaling betreffende passage
Wat betekent ‘vaardig bewegen van de vingers’ voor de mens; elasticiteit van het denken; aansluitend opmerkingen uit GA 294 over het wezen van de handen en de voeten; 

GA 294
Voordracht 2       vertaald   vertaling betreffende passage
Het kunstzinnige zou moeten uitmonden in ‘kunstnijverheid’.
Voordracht 11    vertaald    vertaling betreffende passage
Vakkenintegratie: handvaardigheid bij aardrijkskunde (Japanse kunst, landbouw 3e klas); aansluiten bij het leven; geen ‘fröbelwerk’.

GA 297A    op deze blog vertaald
Vragenbeantwoording   vertaling betreffende passage
Denken hangt samen met de hele mens, niet alleen met het hoofd; handigheid in de vingers; een wederkerige werking hoofd-hand, hand-hoofd; 

GA 300A
Vergadering 23-12-1919:   
vertaling betreffende passage
Zelf leren wat je met de klas gaat doen.
Vergadering  01-01-1920: vertaling betreffende passage
Boetseren: niet slaafs nadoen: observeren en model veranderen.
Vergadering 23-06-1920vertaling betreffende passage
Breien en tanden en vaardigheid.
Vergadering 15-11-1920: vertaling betreffende passage
Eis: kunstzinnige handvaardigheid; vormgevoel, kleurgevoel, geen naturalisme; stijl; geen euritmieschoenen maken.
Vergadering 16-01-1921: vertaling betreffende passage
Houd het midden tussen wat kunstzinnig kan en moet; geen fröbelwerk, het moet zin hebben; niet te hoog grijpen: een lepel maken is prima, geen luxe nastreven.

GA 301    op deze blog vertaald
Voordracht  5      vertaling betreffende passage
Meisjes én jongens handwerken: de motoriek van de handen bevordert het intelligente denken.

GA 302/1 
Voordracht  3             vertaling betreffende passage
Hoe  leert een kind, zou het moeten leren – met het oog op de ontwikkeling van hoofd, romp en ledematen.
Voordracht 4             vertaling betreffende passage
Handvaardigheid werkt op de geestelijke ontwikkeling

GA 302/2
Voordracht 4             vertaling betreffende passage
Handwerken: vorm en versiering; kunstzinnige functionaliteit, met voorbeelden (en vragen) 

GA 303/1
Voordracht 8            
vertaling betreffende passage
Handvaardigheid voor de ontwikkeling van de behendigheid.
Voordracht 12           vertaling betreffende passage
Praktische vakken om vol in het leven te staan     

GA 303/2                 
Voordracht 14                 vertaling betreffende passage
Handwerken: vorm en versiering; kunstzinnige functionaliteit, met voorbeelden (en vragen) 

GA 304
Voordracht 6                vertaling betreffende passage
Het gaat om het praktische leven; het werk moet kunstzinnig zijn; handwerken en intelligentie.

GA 304A
Voordracht 2              
vertaling betreffende passage
Bewegingsmogelijkheden van onze ledematen en ons intellect; onze loodrechte lichaamsas is een uiting van morele aanleg, morele wilskrachten.

GA 305
Voordracht 7               
vertaling betreffende passage
Handvaardigheidsvakken voor jongens en meisjes gezamenlijk. Belangrijk voor het sociale leven.

Voordracht 7              vertaling betreffende passage
Over het kunstzinnige; vanuit de eigen wil, niet iets voorschrijven; vormgevoel, b.v. hout snijden; bewegend speelgoed; kleurbeleving; vorm en functie.

GA 306
Voordracht 7               
vertaling betreffende passage
Handvaardigheidsvakken voor jongens en meisjes gezamenlijk; voorbereiding op het praktische leven; logisch denken en breien; leren hoe het er in het leven aan toegaat (spinnen, weven, boekbinden e.d.)

GA 307/1
Voordracht 11                   vertaling betreffende passage 
Begrip krijgen van het praktische leven; belangrijk voor het sociale leven.
Voordracht 12
Praktisch in het leven staan; smaak ontwikkelen.
Voordracht 13
Jongens en meisjes samen: begrip voor wat de ander in de wereld doet; denken en met de handen werken.

GA 310
Voordracht 9                   
vertaling betreffende passage
Jongens en meisjes samen; belang van ‘iets’ met je handen kunnen; denken en breien; spreken en gebaren van de hand; 

GA 311 
Voordracht 7                   
vertaling betreffende passage
Over het kunstzinnige in de vorm.
Met door mij toegevoegde voorbeelden.

Bij deze opmerkingen heb ik die over ‘het plastische’ nog niet meegenomen.
In dit artikel van Helga Loewe worden er veel genoemd, tevens geeft ze voorbeelden uit de praktijk.

 

Handvaardigheid: alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen

Vrijeschool in beeld; alle beelden

.

3067-2881

.

.

.

VRIJESCHOOL – Handvaardigheid – lagere klassen – boetseren (1-2/2)

.

Het artikel over handvaardigheid wordt afgesloten met een soort verantwoording van de leerkracht. Waarom is ze te werk gegaan, zoals ze deed.

.

Helga Loew, Lehrerrundbrief 70 11/2000
.

Hoe het ontstond
.

Dat mijn leerlingen in de onderbouw naast vormtekenen en schilderen zo vanzelfsprekend ook regelmatig met mij boetseerden, kom natuurlijk niet uit de lucht vallen. Hier de voorgeschiedenis:

Toen ik in de zomer van 1986 voor de tweede keer een eerste klas overgenomen had, bleek al snel, dat in deze klas veel begaafdheid, maar ook invloeden van verschillende volken, talen en godsdiensten samengekomen waren.
Er zaten ook nog eens jongens bij met een uitgesproken agressief gedrag die zonder aanziens des persoons handelden. Het gedrag van deze nog niet tot sociaal samenzijn in staat zijnde kinderen, maakte een zinvol oefenen in het bewegend dell van het hoofdonderwijs moeilijk, zo niet onmogelijk. Ook in de pauze deden zich vaak uiterst vervelende situaties voor. De gewone pedagogische hulpmaatregelen die ik nam, leverden niet genoeg resultaat op. Die situatie kon en wilde ik niet langer voor mezelf verantwoorden. Zo werd voor mij de vraag steeds nijpender: hoe kan ik die opgekropte agressie die ook via de kinderhanden naar buiten kwam bij het stoten, slaan, pijn doen = wat wellicht een uiting was van angst en onzekerheid – in zinvolle activiteit omvormen?
Door er maar mee bezig te zijn een antwoord te vinden op deze vraag, kreeg ik eindelijk in de tijd van bezinning tussen Kerst en Nieuwjaar van dat schooljaar, een idee: ik wilde de kinderen een stevig, aards materiaal in handen geven waarmee ze zouden moeten werken: aards, klei moest het zijn. Ik wilde met hen, maar niet alleen met hen, met de hele klas – boetseren. Ik hoopte daarmee de gebalde agressie van de kinderen met hun opvallende gedrag te kunnen verminderen en zo de hele groep te kunnen helpen. Het moesten kunstzinnig-therapeutische boetseeroefeningen, bedacht ik, dat zou de hele klas goeddoen.
Nadat ik dit besluit had genomen, zat ik nog wel met mijn verantwoordelijkheid naar het leerplan en naar mijn collega’s. Waarom?
In een eerste klas met vochtige, koude klei boetseren was toen op de vrijeschool zeker niet de gewoonte; het werd, en wordt misschien nog wel als niet te best voor de gezondheid. Dus vroeg ik een oud-docente van het de Stuttgarter lerarenopleiding die ook de door mij bewonderde leraar vormtekenen en schilderen was tijdens mijn studeertijd om raad. Hildegard Berthold-Andrae moedigde me sterk aan om te doen wat ik voor de kinderen die me waren toevertrouwd, voor juist hield en wat het leven nu vroeg – los van wat gebruikelijk is. In de tijd daarna begeleidde zij mijn ‘pionierswerk’ met aandachtige pedagogische interesse. Aan haar initiatief is het ook te danken dat ik al snel na het begin van mijn werk met de kinderen met een kleine groep collega’s kon samenwerken die bereid waren op het gebied van boetseren in de onderbouw aan een pedagogisch onderzoek mee te werken. Het werk in deze groep kreeg wezenlijke impulsen door Winfried Schmidt en Peter Schiefer die ook nu nog als docent aan de opleiding in Stuttgart werkzaam zijn op kunstzinnig gebied.. We kwamen in die drie jaar maar een enkele keer volledig bij elkaar. Toch is het ons in die tijd door intensieve gemeenschappelijke inzet gelukt een methodische weg* voor het boetseren in de onderbouw te ontwikkelen die overeenkomt met de aanwijzingen van Rudolf Steiner op dit gebied.

Bij iedere nieuwe werkbijeenkomst betrokken we de pedagogische ervaringen die ik ondertussen met de kinderen in mijn klas opdeed met onze oefenweg. We zochten naar eenvoudige, duidelijke vormen die goed zouden kunnen passen in de handen van de kinderen. Rekening houdend met de leeftijd van de kinderen vermeden we daarbij iedere vorming van scherpe kanten, punten, uithollingen, binnenruimten en beenachtig lijkende vormen. Op die manier vonden we volle en tegelijkertijd duidelijke vormen. Je zou deze vormen als overwegend ‘kosmische’ vormen kunnen benoemen. Reliëfwerk en wat je vanaf een vaste ondergrond opbouwt sloten we uit van wat we nastreefden. Op die manier ontstond de door mij hier als voorbeeld beschreven reeks vormen. Dat betekent dat hier niet alle vormen zijn beschreven die we in de groep vonden en die ik met mijn klas heb gemaakt. (  )

Over mijn klas echter die de aanleiding was voor dit gezamenlijk pedagogisch zoeken, zou ik in het kort nog willen zeggen:
Door het geregeld boetseren tussen herfst en voorjaar ** kreeg het kunstzinnig werken op plastisch-beeldend terrein een flinke impuls; want ik laat de wekelijkse schilderdag als het maar enigszins mogelijk was, doorgaan en vormtekenen gaf ik in perioden. Dat werkte buitengewoon harmoniserend op de klassengemeenschap als geheel. De extreem agressieve kinderen schikten zich in he loop van de tijd steeds beter in de door mij consequent uitgevoerde wilsactiviteit en ze leerden daarmee steeds meer hun wil te beheersen.

Blik in de toekomst

Ik hoop en wens dat ik met mijn verslag veel klassenleerkrachten heb kunnen aanmoedigen met hun kinderen in de onderbouw voor het boetseren!
Nu, in de tijd waarin de computer al lang is doorgedrongen tot menig kinderkamer, is het wellicht meer nodig dan ooit om de handen van de kinderen met levenskracht te doordringen, gevoeliger te maken. Dat gebeurt ook door het boetseren van de basale vormen zoals ik die propageer.
De computer als werkapparaat zal zijn zegetocht wel voortzetten; computerspelletjes waardoor de kinderen buitengewoon zijn gefascineerd, kun je heel moeilijk gaan verbieden. We moeten iets tegenover het omgaan met het virtuele, met het levenloze stellen: de kracht van de het kunstzinnige om aan de opgroeiende jonge mensen de toegang tot levende, wordende processen te openen. Dus laten we ze de mogelijkheid geven hun zintuigwaarnemingen gevoeliger te maken en hun handen te bezielen.

.

*De schrijfster vermeldt niet de methode die door Anke Usche-Clausen en Martin Riedel  al voor het boetseren werd ontwikkeld – iets anders, maar toch ook in grote lijnen overeenkomstig.

**De schrijfster verwijst hier naar Steiners GA 223, de voordracht van 4 april 1923, maar op 4 april hield Steiner geen voordracht die in deze GA is afgedrukt.
Waarschijnlijk is de 4e voordracht bedoeld, van 7 april. Vertaald – als PDF te verkrijgen.

.

Handvaardigheid: alle artikelen

.

1302-1215

.

.

.