.
FOLKLORE
.
Het grote huiselijke feest van de winter was in vroeger eeuwen Driekoningen, want Sint-Nikolaas werd toen nog bijna uitsluitend door kinderen gevierd. Zelfs op het barre Nova Zembla vierde Willem Barentsz met zijn mannen het Driekoningenfeest!
In het evangelie van Mattheus gaat het echter niet om drie ‘koningen’ maar om wijzen, die Herodes inlichtten omtrent het tijdstip van de geboorte van Jezus (de joodse schriftgeleerden wisten de plaats). Later zijn zij ‘koningen’ genoemd en van namen voorzien (Caspar, Melchior en Balthasar), vanwege psalm 72: ‘De koningen van Tharsis en de eilanden zullen geschenken brengen – en de koningen van Sheba en Saba zullen hem dienen’, hetgeen men van toepassing achtte op het Nieuwe Testament.
Ook Jesaja 60,6 is van belang: ‘Zij allen uit Sheba zullen komen; goud en wierook zullen zij brengen’.
Men brengt het Kindeke ‘gout als een coninc, wijroeck als den warachtigen Godt, mirre als die sijnre begravinghe toe be-hoerde’, aldus een gebedenboek uit de vijftiende eeuw. Worden deze symbolische geschenken in de Bijbel vermeld, niet schriftuurlijk zijn de os en de ezel, die eerbiedig toekijken en zelfs neerknielen, zoals zij voorkomen op schilderijen en in liederen:
Die os ende ooc dat eselkijn,
Die aenbeden dat suete kindekijn.
Uitgangspunt voor deze voorstelling is Jesaja 1, 3: ‘Een os kent zijn bezitter en een ezel de krib zijns heren’, welke tekst reeds in de eerste helft van de derde eeuw door Origines op de geboortekrib werd betrokken. Een foutieve vertaling van Habakuk 3, 2 (‘In het midden van twee dieren zult gij gekend worden’), die echter niet in de Vulgaat overgenomen werd, ondersteunde deze opvatting.
Evenals nu met Sinterklaas gaf men elkaar op Driekoningen geschenken. De bakkers zonden aan hun klanten, vrienden en bloedverwanten aan elkaar, een mooi rond ‘coninxbrood’; ieder kreeg van zijn peetje het ‘coninxgelt’; ook de armen en zelfs de gevangenen, werden ruim bedacht.
Alom vierde men op Dertienavond (vgl. het Engelse ‘Twelfth Night’ voor Driekoningenavond), d.i. op de avond van 5 januari, feest, koos men een koning door middel van het koningsbrood of de koningsbrief. De magistraat deed dit in een feestlokaal, waarbij de stad op wijn trakteerde, de kloosterlingen en schoolkinderen kregen een volle dag recreatie ‘om den coninck te kiesen’.
Dan grabbelde men naar een briefje van de konings- of trekbrief, een volksprent, verdeeld in een aantal, gewoonlijk zestien, kleine prentjes, die de koning, de koningin en de hofbeambten voorstelden, elk met een toepasselijk rijmpje als onderschrift:
Koningsbrief, tot in de 20e eeuw in Amsterdam gedrukt.
Zo kon men onder de afbeelding van de koning lezen:
Mits ik heden ben uw Koning,
Lieve vrienden in dees woning,
Het is mijn wil en mijn bevel,
Dat gij hier drinkt en sneukelt wel. sneukelt (Vlaams) = snoept
Bij de medicijnmeester:
Mijne beste medecijnen
Tegen de ziekten en pijnen,
Medecijnen naar den dank,
Zijn gezonde kost en drank.
Bij de zot:
Ik ben de zot voor dese reijs; (reijs = keer)
Al is ’t dat ik ben selden wijs,
Men vint’ er meer van al dit lot,
Al zijn sij niet in ’t sotte-cot.
Men knipte de zestien prentjes met hun rijmpjes uit en gebruikte er zoveel als er gasten waren. De uitgeknipte prentjes werden opgevouwen en gingen in een hoed, elk trok hierop het ambt, dat hij op Driekoningenavond zou hebben te vervullen. De vrouwelijke leden van het gezelschap deden in de Noordelijke Nederlanden niet, als in Vlaanderen, mee aan het trekken. Wél speelde de koningin mee en dikwijls een zottin, die door de zot werd gekozen. Na de trekking speldde ieder zijn prentje op de borst, op muts of hoed, opdat zijn rol aan ieder lid van het gezelschap kenbaar zou zijn.
Op de doeken van Jan Steen, die zoveel aardige bijzonderheden van het Driekoningenfeest heeft afgebeeld, kunnen wij ze nog onderscheiden. Ook werd de koning getrokken door middel van een koningsbrood of bonenkoek. Een gewichtig ogenblik brak aan, wanneer aan de gezellige dis van bloedverwanten en vrienden op Driekoningenavond de bonenkoek werd aangesneden en rondgedeeld: wie in zijn stuk de ‘coninckxbone’ of‘heilige bone’ trof, was koning van het feest.
Het mag zijn, dat ons ‘Hij is ook geen heilig boontje’ (waar Stoett en Ter Laan, in hun spreekwoordenboeken, andere verklaringen voor hebben) aan dit eens zo populaire volksfeest herinnert.
Aanstonds werd de gelukkige gehuldigd door hem met zetel en al in de hoogte te heffen en werd hij tot koning gekroond. Soms gebeurde dit met een eenvoudige puntige kroon van verguld bordpapier, gewoonlijk echter met een band van houtsneefiguren, al dan niet gekleurd in grillige kleurvlekken van wijnrood en diepblauw, hardgroen en okergeel; ook deze bedrukte rand werd op verguld bordpapier geplakt:
Konings- en Koninginnekroon. Museum voor Folklore,
Door uitgevers in de handel gebracht, werden ze langs de straten gevent:
Koningsbrieven en kroon, en kroon
Koningsbrieven en kroon.
Wij hebben een kostelijke afbeelding van zo’n straatventer uit de 17e eeuw, die een mand vol prenten aan de arm draagt en een stok met fladderende kronen in de hand houdt. Men zie Des Werelds Proefsteen van Antonius Burgundia (1673). Was de koning door de bonenkoek verkozen, dan mocht hij zichzelf een koningin kiezen.
Jan Steen heeft afgebeeld, hoe de koning de koningin uitverkiest door de boon aan te bieden. Waren de rollen verdeeld, dan gaf de koning de schenker het teken om de glazen te vullen en aan de hofmeester om de versnaperingen aan te bieden. Andermaal werd de koning daarna onder gezang in de hoogte geheven, en het spel kon beginnen.
De raadsman had steeds goede raad te geven, de kamerling kreeg de kamersleutel en moest de gasten binnenleiden, de kok de spijzen opdragen, de speelman muziek maken, de zot het gezelschap door zijn snakerijen vermaken. Bracht hij zijn glas aan de mond, dan moest het hele gezelschap uitroepen: ‘De koning drinkt!’, opstaan en zelf ook drinken; evenzo als de koningin dronk. Daarna riepen allen: ‘De koning en de koningin hebben gedronken’. Wie hierbij in gebreke bleef, kreeg van de zot een roetstreep in het gezicht. Bovendien moest de nalatige pand verbeuren, en de grootste pret begon als de panden werden ingelost. Zo vermaakten zich onze voorouders met dezelfde kunstjes als in later eeuwen de jeugd zou doen — ook in de Camera Obscura is het pandverbeuren nog een vermaak van volwassenen.
Al is het eten van de bonenkoek nog hier en daar volksgebruik (aldus koningt men nog wel in Limburg bijvoorbeeld), de grote glorie van het feest vindt men in de Gouden Eeuw, toen ook prins Willem III de rol van ‘koning’ ten deel viel (1668), ‘in het wecken’ (van de koningsbrief).
Hoe hoog toen de feestvreugde steeg, kunnen wij zien op de schilderijen van Jan Steen en nog meer bij Jordaens: hier is louter geschreeuw, geschater, eten en drinken, tot onmatigheid toe.
Terwijl de volwassenen van de tafelvreugde genoten, vermaakten de kinderen zich met springen over de drie kaarsjes, die in halve mangelwortels of aardappels gestoken, op de vloer stonden.
Kaarsies, kaarsies, drie aaneen,
Springen wij er over heen,
Al wie daar niet over kan,
Die en weet er nou niemendal van.
Buiten klonk het lied van de sterrenzangers over de donkers straten. Aan de deuren stonden zij stil om een gift te ontvangen, gehuld in een wit hemd, met verguldpapieren kronen op het hoofd. Deze drie elementen der Driekoningenviering zijn door Jan Steen op één doek vastgelegd. De sterrezangers staan er met hun grote verlichte ster aan de open voordeür Zo dadelijk zullen zij worden binnengelaten om hun deel te krijgen van de wafels en pannekoeken, waarom zij ook vragen:
Sterrenzangers. Uit: Jac. Buys, De twaalf maanden met voorstellingen uit het stadsleven, 1771-1773
Wij komen je Dertienavond bezoeken,
Heb je geen wafels of pannekoeken, ’
Een, twee, drie in ’t beuterpateel? (pateel = platte schotel)
Mensen, geeft ons ons aandeel!
Dit feestgebak ontbreekt op geen Driekoningentafereel. Bij Jan Steen zien wij meermalen de dienstmaagd een tinnen schaal vol wafels op het hoofd binnendragen.
Huiselijke Driekoningenviering. Uit: Vaderlandsche Kindervreugd, Amsterdam, omstreeks 1780.
De eersten die in het openbaar de sterrenzangen zongen, waren waarschijnlijk de scholieren of koorknapen, die voor de geestelijke stand werden opgeleid. Het meest verspreide lied was:
Hier treden wij, Here, met onze sterre;
Wij zoeken Heer Jezus, wij hadden hem gerre.
Wij kloppen al aan Herodes zijn deur:
Herodes, de koning, kwam zelvers veur.
Hij sprak er al met een vals hart:
Hoe ziet er de jongste van drieën zo zwart?
Al ziet hij zo zwart, hij is er bekend:
Hij is er de Koning van Oriënt.
Wij kwamen de hoge berg opgegaan,
Daar bleef er de sterre stille staan.
O sterre, gij moet er zo stille niet staan,
Gij moet er met ons naar Bethlehem gaan,
Naar Bethlehem, in die schone stad,
Waar Maria met haar kindeke zat.
Hoe kleinder kind en hoe groter God,
Daar al de joden mee hebben gespot.
Wij offeren mirre, wierook en goud
En loven het kindeke menigvoud.
Ter beloning kregen de koorknapen aan de huizen een geldstukje, waarvan zij een vrolijke Driekoningenavond vierden. Doch reeds in de 17e eeuw werden zij meer en meer verdrongen door ‘het gemene volk’, dat met sterrenzingen geld zocht op te halen om dat in de herbergen te verteren. Mogelijk was het witte hemd, dat zij daarbij over hun kleren aantrokken, een nabootsing van het koorkleed van de scholieren. In elk geval zal hun vermomming het bedrijven van baldadigheid in de hand hebben gewerkt. Deze sterrenzangers hadden weinig eerbied voor het lied, vrijmoedig sprongen zij met de tekst om en maakten er zonderlinge refreinen bij, zoals in het Amsterdamse liederenboekje De Marsdrager of de nieuwe toverlantaarn (1754):
Wij komen getreden met onze starre,
Lauwerier de Cransio,
Wij zoeken heer Jezus, wij hadden hem gaarne.
Lauwerier de knier
Wij zijn Karel konings kinderen,
Pater bonne Franselijn.
Jeremie
Of zij zongen ronduit:
Wij zijn driekoningen, wij zoeken geen kind,
Maar een teugsken Lovens, dat ons beter dient,
Kaves of Lovens bier,
En daarom komen wij hier.
Een dergelijk lied werd te Antwerpen gezongen.
Driekoningen, volgens Cornelis Troost (1697-1750). Naar J. ter Gouw, De Volksvermaken (1871).
Deze rumoerige feestuitingen zijn weinig in overeenstemming met de eerbied verschuldigd aan de Heilige Koningen uit het Oosten. Deze hadden er ook feitelijk niet mee te maken: men had hen slechts tot beschermheren gemaakt van de luidruchtige pret.
Wij zagen reeds dat Driekoningen een Nieuwjaarsdag is, evenals 1 januari, die we als Nieuwjaarsdag van de Romeinen overnamen. De heerschappij van de Romeinen heeft in deze streken geduurd tot het einde van de 4e eeuw: onze voorouders waren dus ruimschoots in de gelegenheid de Romeinse Nieuwjaarsgebruiken te leren kennen. Deze Romeinse Nieuwjaarsdag van 1 januari kan weer gebruiken in zich hebben opgenomen van het grote Romeinse winterfeest der Saturnaliën, dat in de tweede helft van december werd gevierd en was gewijd aan Saturnus, de god van de akkerbouw. Dan werd een overvloedige maaltijd gehouden, waaraan de slaven aanzaten met hun heren en zelfs door dezen werden bediend. Door middel van een bonenkoek koos men de ‘rex bibendi’, de drink-koning of ceremoniemeester. Tijdens de Saturnaliën deelde men algemeen geschenken uit, vooral kaarsen, lichtbronnen bij het lichtfeest. In het Romeinse leger werd van deze viering veel werk gemaakt, terwijl Oosterse soldaten in Romeinse dienst, die gewoon waren om een Oudbabylonisch feest met narrenkoning te vieren, waarschijnlijk nog elementen van vermomming daarin brachten. Meermalen gaan gebruiken van de ene feestdag op de andere over; aldus zijn waarschijnlijk ook de Romeinse feestvormen van bonenkoning en kaarsverlichting verbonden geworden aan de Germaanse Driekoningenviering. Doch uitsluitend de vormen, de inhoud had zich gewijzigd: het godsdienstig ritueel werd tot vermaak, de vroegere drinkkoning tot narrenkoning, omringd door een troep komedianten. Aanvankelijk zullen volwassenen hebben gesprongen over de kaarsen, die de Germaanse wintervuren vervingen, waardoor men sprong om voorspoed te verkrijgen; later werd dit een kinderspel.
Zoals reeds de Romeinse kerkvaders hadden geijverd tegen de woeste feestviering der Saturnaliën, zo deden het de calvinistische predikanten in de 17e en 18e eeuw tegen de Driekoningenviering. Door hun drijven trad ook de Overheid streng op: het regende plakkaten tegen de sterrezanger, de koningsprenten, het branden van kaarsen, zelfs tegen de huiselijke viering.
In Brabant, waar de sterrenzangers zeer populair waren, dreigde de magistraat van ’s-Hertogenbosch hen in 1745 met een boete van drie gulden. Zelfs zouden sterrendragers van buiten de stad acht dagen op water en brood worden gezet. Toch trokken de koningen met de ster op het einde van de 18e eeuw te Amsterdam nog rond.
Bijzonder had men het voorzien op de kaarsjes. Waarschijnlijk omdat de kaarsenmakers ze vóór de Hervorming meenamen naar de kerk en ze na de Hoogmis lieten wijden. De overheid betitelde ze als ‘superstitieuse koninckxkaarsjes’. Ze waren 25 tot 30 cm lang, de kruidenier placht ze te zamen met een koningsbrief aan zijn klanten te vereren. Deze kaarsen werden niet alleen voor het kaarsje-springen in katholieke gezinnen aangewend. In het Vlaamse deel van Noord-Frankrijk, waar geen Vlaming met Driekoningen op Franse bodem bleef, maar ieder naar het eigen huis terugkeerde om dit feest in de familiekring te vieren, begon de viering met het aansteken van de kaars. In sommige streken stond deze midden op de tafel, in andere op de schouw; elders gebruikte men bij het feest uitsluitend kaarsverlichting.
In de Noordelijke Nederlanden was de drie-armige koningskaars gebruikelijk, door Jan Steen meermalen op zijn doeken afgebeeld. Soms was de middelste kaars zwart en heette dan het Moorke of ‘Melchert’ (Melchior). Toen de onderschout van Amsterdam aan de kaarsenmakers de levering van deze kaarsen verbood, antwoordden zij dat hun klanten de kaarsjes, als zij ze niet goedschiks kregen, ‘op violente wyse afeyschden’. Het gevolg was, dat Amsterdam op 14 december 1714 een keur uitvaardigde, waarbij niet alleen het maken en verkopen, maar ook ‘het afeischen, afpersen of nemen van de kaarsjes werd verboden op een boete van honderd gulden, ‘te verbeuren zoo bij den gever als den afeischer’. Al deze verbodsbepalingen vervielen door de Franse revolutie; daarna zijn de bestreden gebruiken weer opgeleefd. Op het eind van de 18e eeuw speelden deze kaarsjes nog een rol bij de huiselijke viering van Driekoningenavond.
In Noord-Holland gebeurde het tot voor kort nog wel, dat mannen in hun gewone plunje met een ster of een gekleurde draaibare driehoek uit zingen gingen. De fraai beplakte ster van een van hen bevindt zich nu in het Zuiderzeemuseum te Enkhuizen en twee van zijn drie kerstliederen vindt men o.a. in Simsalabim (1969), een liederenboek van Tjaard W. R. de Haan en Marie-Cécile Moerdijk. Ook in de buurt van Leiden, de gemeenten Alkemade en Noordwijkerhout is het sterrezingen nog niet vergeten.
In Noord-Brabant bepaalde het zich tot schamele resten in de kinderfolklore, met dreunzangetjes in de trant van:
Driekoningen, Driekoningen,
Koop mij een nieuwe hoed.
Mijn ouden is versleten,
Mijn moeder mag ’t niet weten,
Mijn vader heeft het geld
Op de rooster geteld.
(of: Op de spaarbank gezet).
Maar toen kwam er een herleving die massaal uitdijde. In de eerste uitgave van dit boek (1947) kon de schrijfster daar niet enthousiast over zijn. Zij heeft het over ‘een kunstmatige poging tot herstel, voor eenige jaren door de stad ’s-Hertogenbosch aangewend, toen honderden koninkjes, aangelokt door prijzen, zich door de straten bewogen’. S. J. van der Molen, in zijn Levend volksleven. Een eigentijdse volkskunde van Nederland (1961) vertelt dat o.a. Vincent Cleerdin, de stoot gaf tot herleving en hervorming van het Driekoningenlopen, dat ‘meer en meer tot vodderige schooipartijen van bedenkelijk allooi’ was afgezakt. En zo trokken, voor het eerst in 1924, meer dan 1500 koninkjes, blank en zwart, met lampion en draaiende ster, de liedjes zingend, ordelijk door de stad. Tilburg is Den Bosch hierin gevolgd, en het koninkjes-lopen is daar zo ingeburgerd, dat een lied over Tilburg (1971) er niet buiten kan:
Driekoningen volgens een Noordbrabantse kinderprent
De koninkjes lopen stoep op en stoep af;
Zij zoeken het kind dat de hemel ons gaf.
Zij kwamen van ’t Oosten, zij kwamen van ver,
Met kronen van goud en een draaiende ster.
Van de steden uit verovert dit vernieuwde gebruik meer en meer het platteland (als men dit in een tijd van ‘verstedelijking’ nog zo noemen kan). En het is niet, zoals in de nadagen van het gebruik, een aangelegenheid van bedelende armeluiskinderen: ook het nakroost der gegoeden doet er volop aan mee. Aldus komen ‘survivals’ (overleefsels) tot een nieuw uitbundig leven – hetgeen onderzoek verdient en veelal positieve waardering, ouderlijke en schoolse bemoeienis, massavorming en concurrentiezucht (de mooie prijzen!) ten spijt. Ook de kerstboom, de carnavalsviering en de intocht van Sinterklaas zijn, nog maar kort geleden, evenals deze vorm van ‘koninkjes-lopen’, van de stad naar het land gegaan.
Het beste dat ons van de oude Driekoningenviering is overgebleven, zijn de prenten met hout- en kopergravures. Tot in het begin van deze eeuw werden ze te Amsterdam langs de straten verkocht met de roep ‘Koningsbrieven en kroon’, en werd het koningsspel nog in de volksbuurten binnen de stad en over het IJ gespeeld. Weinige van deze prenten zijn bewaard gebleven; na het feest frommelde men ze ineen en wierp ze weg. Wat wij nog over hebben, is afkomstig van oude drukkerijen en dit bezit is in ons land veel geringer dan in de zuidelijke Nederlanden en toch ook daar betrekkelijk niet groot, als men bedenkt dat in een stad als Rijsel jaarlijks 50 000 koningsbrieven werden gedrukt. Te Gent berust de afgebeelde koningskroon, een fraaie houtsnede uit de 17e eeuw. De onderste strook was voor de koning, de bovenste, met kleiner medaillons van Maria met het Kind, de Drie Koningen en Jozef, diende voor de koningin. Beide kronen zijn gescheiden door een voorstelling van de koningen, die komen aanrijden op een paard, olifant en dromedaris, terwijl Maria rijdt op een ezel, Jozef op een os, de beide dieren die bij de Heilige Geboorte in de stal aanwezig waren.
De oudstbekende koningsbrief werd in 1577 te Brugge gedrukt. Oudere zijn ook nauwelijks te verwachten: de ‘trekbrief’ kon niet populair worden, voordat de leeskunst wat meer algemeen werd beoefend. Deze Brugse prent is niet volledig: de tekst ontbreekt en de prentjes zijn maar negen in getal. Maar hoe kostelijk is ieder hofbeambte daarop afgebeeld, hoeveel uitdrukking vertonen die gezichten ter grootte van een centimeter.
Ook het Rijksprentenkabinet te Amsterdam bezit een Antwerps exemplaar van een koningsbrief, getekend ‘Jan Jeghers fecit’. Hierop zijn zestien hofbeambten, allen te paard, voorgesteld en bovendien zestien vrouwen, staande of zittende; ongelukkig ontbreekt ook hier de tekst en bovendien het jaartal. Jan Jeghers leefde van 1618 tot 1666.
.
Een deel van de tekst is te vinden in Driekoningen (23-1)
Driekoningen: alle artikelen
Jaarfeesten: alle artikelen
Vrijeschool in beeld: Driekoningen – jaartafel
.
3133-2946
.
.
.