.
Onderstaand artikel is een bewerkte vertaling uit:
.
Der künstlerische Unterricht. Mahlen und Zeichnen
Jünemann/Weitmann (1e druk 1976)
(Inmiddels is er een 5e druk 2007)
.
Zwart = tekst uit het boek
Blauw = mijn eigen woorden over het e.e.a.
N.a.v. blz. 39-41
Wanneer de schrijvers verder gaan met wát je dan kan schilderen in de verschillende klassen, geven ze dat hoofdstuk de naam:
Farbklänge = letterlijk ‘kleurklank’. Eigenlijk wel een mooi woord voor wat de kleuren laten zien; vergelijkbaar met ‘klankkleur’: wat hoor je in of met de verschillende klanken bij muziek of bij spraak.
(Dit artikel en [3-3]
Austauschübungen = het ‘verwisselen’ van kleur: van de kern naar de periferie
Artikel [3-3]
Farbgeschichten = kleurverhalen
Eerst wordt er aandacht besteed aan wat Rudolf Steiner in de inleidende cursus, GA 294, vertaald: Opvoedkunst, zegt in voordracht 4
Nog voordat de eigenlijke schilderles begint, moeten de kinderen in een eerste klas kennismaken met het kleurenpaar
geel en blauw
Verwezen wordt naar genoemde voordracht. En in eigen herhaald:
Een groot vel papier op het schoolbord, schilder bovenaan een gele stip. Alle kinderen doen dat nu: in rijen naast elkaar een gele stip.
Dan nog een blauwe stip naast de gele, en ongeveer de helft van de klas tekent ook blauwe stippen naast de gele bovenaan.
Na een korte pauze doop je zelf de penseel in groene verf, die in dit geval al voorgemengd is, en je schildert een groen vlak naast een van de gele vlakken op de onderste helft van het vel. Nu kunnen de kinderen die nog niet aan de beurt zijn geweest ook groene vlakken schilderen naast de overgebleven gele. Zo heb je een paar rijen geel-blauw en evenveel geel-groene vlakken.
Alles moet rustig gebeuren en een bepaalde tijd duren, zodat het echt kan bezinken bij de kinderen. Nu wordt het geheel bekeken. Kijk naar geel-blauw en geel-groen en maak de kinderen erop attent dat geelblauw er helderder en dus mooier uitziet dan geel-groen. Groen bevat zelf geel, dus ‘de klank’ is minder uitgesproken.
‘We moeten vaker op dit fenomeen terugkomen. De kinderen moeten het niet onverschillig opvatten, ze moeten het juist blijven bestuderen en van zo’n voorbeeld leren om in hun gevoel geleidelijk “mooi” van “minder mooi” te onderscheiden.’
In het boek wordt nu aanbevolen om dit in de 1e schilderles waarin alle kinderen de spullen op hun tafel hebben (zie 1-1) als eerste te doen: met geel en blauw. Er wel op wijzen dat de kleuren niet door elkaar, maar naast elkaar moeten staan. En dan gaat ieder kind z’n gang.
Zie ook 1-1 hoe met een bespreking verder te gaan.
Daarbij mag veel worden benoemd: hoe de ene kleur krachtiger is dan de andere of juist andersom: de ene teder en voorzichtig. Waar is het duidelijk gelukt, waar minder. Uiteraard iets negatiefs vermijden.
In een 2e schilderles worden dan geel en groen gebruikt als vervolg op de 1e schilderles. Groen maken de kinderen nog niet zelf: voorlopig wordt er alleen gewerkt met de primaire kleuren.
Na de bespreking kun je nog een bespreking houden waarin geel/blauw en geel/groen met elkaar worden vergeleken.
Als ik in lezingen of cursussen aan beginnende leerkrachten of nieuwe ouders dit onderwerp belichtte, was er vaak kritiek: hiermee zou je de kinderen beïnvloeden, niet vrij laten, zelfs manipuleren. Ieder moet toch zelf weten wat ie mooi of minder mooi vindt?
Dat we als volwassenen aan kinderen heel veel voorschrijven waarom dit wel en dat niet, is in zekere zin ook een vorm van niet vrij laten. Zeker, waarschuwen voor een gloeiende kookplaat is anders dan ‘blauw en geel is mooier’.
Hier gaat het toch niet in de eerste plaats om dogmatisch iets ‘voorschrijven’, maar om een gevoel op te roepen voor nuance, voor het karakteristieke van een kleur. Het uitgesprokene en het afgezwakte karakter.
Toen ik in de 3e klas een schilderoefening deed waarbij ik teruggreep op deze 1e klaservaring, was de opdracht om ‘Er zij licht’ naar de duistere aarde te brengen.
Het licht werd vertegenwoordigd door heldere geel; de duistere aarde door het pruisisch blauw. Toen die twee elkaar ontmoetten, ontstond er groen.
Toen riep een meisje ineens: ‘Nu weet ik waarom de natuur groen is’.
Die vrijheid die we menen te (moeten) hebben, heeft toch zijn beperking: de kleuren willen ook wat. Zich uitdrukken. En daarbij past van ons uit ook een zekere terughouding.
Ja, we willen de kinderen ook iets laten ervaren van kleur, dat niet alles ‘een pot nat is’.

In de loop van het eerste schooljaar zijn er verschillende mogelijkheden om hier in aangepaste vorm op terug te komen. In de lente kan de kleur helder worden geschilderd, in de herfst krachtig, zodat de oefening varieert met de seizoenen.
Schilder nu een tijdje met de zogenaamde primaire kleuren geel, rood en blauw. Het is handig om naast geel ook karmijnrood en ultramarijnblauw te gebruiken. Je geeft ze geen thema, maar laat het ontwerpen over aan de kinderen. Juist in dit vroege stadium moeten ze op een vrije manier wennen aan de kleuren. De ervaring leert dat bij zo’n experiment allerlei figuratieve elementen, gele, rode en blauwe cirkels, kleinere en grotere kleurvlekken, vaak rasters en dergelijke ontstaan. Eén of twee kinderen schilderen ook maar één kleur of een tweetint. Zo’n tweekleurigheid kan bijvoorbeeld goed worden gebruikt in de nabespreking. Je kunt wijzen op de relatie tussen de kleuren onderling en misschien de volgende oefening hieraan koppelen voor alle leerlingen. Als er een van de afbeeldingen is met geel in het midden omringd door rood en blauw, kun je deze drieklank in de volgende les laten schilderen.



Omdat het niet om iets figuratiefs gaat, is het handig de kinderen te stimuleren grotere, gesloten vlakken te laten maken.
Zelf schilderde ik in de 1e klas vrij lang met de primaire kleuren en besteedde nog geen aandacht aan wat er aan mengkleuren ontstond. Eigenlijk begon ik dat veel bewuster te oefenen in klas 2.
In het boek gebeurt dit al na enkele weken: het pruisisch blauw wordt uitgedeeld en aansluitend bij de eerste oefeningen. Schilder dan a.h.w. de kleuren naar elkaar toe en laat ze elkaar ‘ontmoeten’.

Welk groen er ontstaat, hangt af van of het geel in het blauw wordt geschilderd of het blauw in het geel. Ultramarijn en karmijnrood kunnen op dezelfde manier worden gebruikt om violet te maken. De derde mengkleur, oranje, wordt gemaakt van karmijnrood en geel; het oranje van vermiljoen en geel is vuriger, maar dit wordt een beetje uitgesteld omdat vermiljoen iets te fel is.
Het is mogelijk met aquarelverf, m.n. op het vochtige papier, tot de mooiste nuanceringen te komen, naast de zuiver gehouden primaire kleuren.
Juist om de bovengenoemde kritiek beter te begrijpen, heb ik de kinderen ook vrij gelaten – zonder opdracht – om alle kleuren te gebruiken, ook de mengkleuren die dan kunnen ontstaan.
En dan zie je dat dit ‘vrije’ in veel gevallen leidt tot enkel bruintinten.
De kinderen vinden dat – terecht – teleurstellend: ‘Waar zijn de mooie! kleuren nou gebleven?’
De beperking tot een paar kleuren, een gerichte opdracht geeft voor de kinderen een tevredener gevoel voor het resultaat dan wat de critici ‘onvrijheid’ noemen, zelfs dus manipulatie of indoctrinatie.
Als de kinderen de kleuren zelf op het papier gaan mengen, gebeurt dat meestal met de grootste aandacht. Het is telkens weer een soort wonder.
Dat hadden ze al wel gezien bij het schoonspoelen van de penseel in de waterpot, maar nu doen ze het zelf!
Daarbij is het belangrijk dat ze leren vóór ze bv. van blauw naar geel gaan, eerst grondig het blauw van de penseel weg te wassen. Zo niet, dan kleurt de verf in het gele potje binnen de kortste keren al groen en is het voor geel onbruikbaar geworden. (Je kan het nog in een aparte pot bewaren voor ‘later’, maar in wezen is het verspilling).
Het is een techniek die ook geoefend moet worden.
Meer sprekende voorbeelden op deze site, ook allerlei aanwijzingen voor in de les.
.
Instructiefilmpje
Wordt vervolgd met ‘schilderen op gekleurd papier‘
.
Schilderen: alle artikelen
Rudolf Steiner over schilderen: alle artikelen
Menskunde en pedagogie: alle artikelen
Vrijeschool in beeld: alle beelden
.
3304-3110
.
.
.


