Tagarchief: blauw en geel

VRIJESCHOOL – 1e klas – schilderen (3-2)

.

Onderstaand artikel is een bewerkte vertaling uit:
.
Der künstlerische Unterricht. Mahlen und Zeichnen
Jünemann/Weitmann  (1e druk 1976)
(Inmiddels is er een 5e druk 2007)

.

Zwart = tekst uit het boek
Blauw = mijn eigen woorden over het e.e.a.

N.a.v. blz. 39-41

Wanneer de schrijvers verder gaan met wát je dan kan schilderen in de verschillende klassen, geven ze dat hoofdstuk de naam:

Farbklänge = letterlijk ‘kleurklank’. Eigenlijk wel een mooi woord voor wat de kleuren laten zien; vergelijkbaar met ‘klankkleur’: wat hoor je in of met de verschillende klanken bij muziek of bij spraak.
(Dit artikel en [3-3]

Austauschübungen = het ‘verwisselen’ van kleur: van de kern naar de periferie
Artikel [3-3

Farbgeschichten = kleurverhalen

Eerst wordt er aandacht besteed aan wat Rudolf Steiner in de inleidende cursus, GA 294, vertaald: Opvoedkunst, zegt in voordracht 4

Nog voordat de eigenlijke schilderles begint, moeten de kinderen in een eerste klas kennismaken met het kleurenpaar

geel en blauw

Verwezen wordt naar genoemde voordracht. En in eigen herhaald:
Een groot vel papier op het schoolbord, schilder bovenaan een gele stip. Alle kinderen doen dat nu: in rijen naast elkaar een gele stip.
Dan nog een blauwe stip naast de gele, en ongeveer de helft van de klas tekent ook blauwe stippen naast de gele bovenaan.
Na een korte pauze doop je zelf de penseel in groene verf, die in dit geval al voorgemengd is, en je schildert een groen vlak naast een van de gele vlakken op de onderste helft van het vel. Nu kunnen de kinderen die nog niet aan de beurt zijn geweest ook groene vlakken schilderen naast de overgebleven gele. Zo heb je een paar rijen geel-blauw en evenveel geel-groene vlakken.

Alles moet rustig gebeuren en een bepaalde tijd duren, zodat het echt kan bezinken bij de kinderen. Nu wordt het geheel bekeken. Kijk naar geel-blauw en geel-groen en maak de kinderen erop attent dat geelblauw er helderder en dus mooier uitziet dan geel-groen. Groen bevat zelf geel, dus ‘de klank’ is minder uitgesproken.

‘We moeten vaker op dit fenomeen terugkomen. De kinderen moeten het niet onverschillig opvatten, ze moeten het juist blijven bestuderen en van zo’n voorbeeld leren om in hun gevoel geleidelijk “mooi” van “minder mooi” te onderscheiden.’

In het boek wordt nu aanbevolen om dit in de 1e schilderles waarin alle kinderen de spullen op hun tafel hebben (zie 1-1) als eerste te doen: met geel en blauw. Er wel op wijzen dat de kleuren niet door elkaar, maar naast elkaar moeten staan. En dan gaat ieder kind z’n gang.
Zie ook 1-1 hoe met een bespreking verder te gaan.
Daarbij mag veel worden benoemd: hoe de ene kleur krachtiger is dan de andere of juist andersom: de ene teder en voorzichtig. Waar is het duidelijk gelukt, waar minder. Uiteraard iets negatiefs vermijden.

In een 2e schilderles worden dan geel en groen gebruikt als vervolg op de 1e schilderles. Groen maken de kinderen nog niet zelf: voorlopig wordt er alleen gewerkt met de primaire kleuren. 
Na de bespreking kun je nog een bespreking houden waarin geel/blauw en geel/groen met elkaar worden vergeleken.

Als ik in lezingen of cursussen aan beginnende leerkrachten of nieuwe ouders dit onderwerp belichtte, was er vaak kritiek: hiermee zou je de kinderen beïnvloeden, niet vrij laten, zelfs manipuleren. Ieder moet toch zelf weten wat ie mooi of minder mooi vindt?
Dat we als volwassenen aan kinderen heel veel voorschrijven waarom dit wel en dat niet, is in zekere zin ook een vorm van niet vrij laten. Zeker, waarschuwen voor een gloeiende kookplaat is anders dan ‘blauw en geel is mooier’.
Hier gaat het toch niet in de eerste plaats om dogmatisch iets ‘voorschrijven’, maar om een gevoel op te roepen voor nuance, voor het karakteristieke van een kleur. Het uitgesprokene en het afgezwakte karakter.

Toen ik in de 3e klas een schilderoefening deed waarbij ik teruggreep op deze 1e klaservaring, was de opdracht om ‘Er zij licht’ naar de duistere aarde te brengen.
Het licht werd vertegenwoordigd door heldere geel; de duistere aarde door het pruisisch blauw. Toen die twee elkaar ontmoetten, ontstond er groen.
Toen riep een meisje ineens: ‘Nu weet ik waarom de natuur groen is’.
Die vrijheid die we menen te (moeten) hebben, heeft toch zijn beperking: de kleuren willen ook wat. Zich uitdrukken. En daarbij past van ons uit ook een zekere terughouding. 
Ja, we willen de kinderen ook iets laten ervaren van kleur, dat niet alles ‘een pot nat is’.

In de loop van het eerste schooljaar zijn er verschillende mogelijkheden om hier in aangepaste vorm op terug te komen. In de lente kan de kleur helder worden geschilderd, in de herfst krachtig, zodat de oefening varieert met de seizoenen.

Schilder nu een tijdje met de zogenaamde primaire kleuren geel, rood en blauw. Het is handig om naast geel ook karmijnrood en ultramarijnblauw te gebruiken. Je geeft ze geen thema, maar laat het ontwerpen over aan de kinderen. Juist in dit vroege stadium moeten ze op een vrije manier wennen aan de kleuren. De ervaring leert dat bij zo’n experiment allerlei figuratieve elementen, gele, rode en blauwe cirkels, kleinere en grotere kleurvlekken, vaak rasters en dergelijke ontstaan. Eén of twee kinderen schilderen ook maar één kleur of een tweetint. Zo’n tweekleurigheid kan bijvoorbeeld goed worden gebruikt in de nabespreking. Je kunt wijzen op de relatie tussen de kleuren onderling en misschien de volgende oefening hieraan koppelen voor alle leerlingen. Als er een van de afbeeldingen is met geel in het midden omringd door rood en blauw, kun je deze drieklank in de volgende les laten schilderen.

Omdat het niet om iets figuratiefs gaat, is het handig de kinderen te stimuleren grotere, gesloten vlakken te laten maken.

Zelf schilderde ik in de 1e klas vrij lang met de primaire kleuren en besteedde nog geen aandacht aan wat er aan mengkleuren ontstond. Eigenlijk begon ik dat veel bewuster te oefenen in klas 2.

In het boek gebeurt dit al na enkele weken: het pruisisch blauw wordt uitgedeeld en aansluitend bij de eerste oefeningen. Schilder dan a.h.w. de kleuren naar elkaar toe en laat ze elkaar ‘ontmoeten’.

Welk groen er ontstaat, hangt af van of het geel in het blauw wordt geschilderd of het blauw in het geel. Ultramarijn en karmijnrood kunnen op dezelfde manier worden gebruikt om violet te maken. De derde mengkleur, oranje, wordt gemaakt van karmijnrood en geel; het oranje van vermiljoen en geel is vuriger, maar dit wordt een beetje uitgesteld omdat vermiljoen iets te fel is.

Het is mogelijk met aquarelverf, m.n. op het vochtige papier, tot de mooiste nuanceringen te komen, naast de zuiver gehouden primaire kleuren. 
Juist om de bovengenoemde kritiek beter te begrijpen, heb ik de kinderen ook vrij gelaten – zonder opdracht – om alle kleuren te gebruiken, ook de mengkleuren die dan kunnen ontstaan.
En dan zie je dat dit ‘vrije’ in veel gevallen leidt tot enkel bruintinten.
De kinderen vinden dat – terecht – teleurstellend: ‘Waar zijn de mooie! kleuren nou gebleven?’
De beperking tot een paar kleuren, een gerichte opdracht geeft voor de kinderen een tevredener gevoel voor het resultaat dan wat de critici ‘onvrijheid’ noemen, zelfs dus manipulatie of indoctrinatie.

Als de kinderen de kleuren zelf op het papier gaan mengen, gebeurt dat meestal met de grootste aandacht. Het is telkens weer een soort wonder.
Dat hadden ze al wel gezien bij het schoonspoelen van de penseel in de waterpot, maar nu doen ze het zelf!

Daarbij is het belangrijk dat ze leren vóór ze bv. van blauw naar geel gaan, eerst grondig het blauw van de penseel weg te wassen. Zo niet, dan kleurt de verf in het gele potje binnen de kortste keren al groen en is het voor geel onbruikbaar geworden. (Je kan het nog in een aparte pot bewaren voor ‘later’, maar in wezen is het verspilling).
Het is een techniek die ook geoefend moet worden. 

Meer sprekende voorbeelden op deze site, ook allerlei aanwijzingen voor in de les.
.
Instructiefilmpje

Wordt vervolgd met ‘schilderen op gekleurd papier‘ 

.

Schilderenalle artikelen

Rudolf Steiner over schilderen: alle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3304-3110

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over schilderen – GA 294

.

GA 294

Erziehungskunst
Methodisch-Didaktisches

Opvoedkunst

Voordracht 3, Stuttgart 23 augustus 1919

Blz. 40/41    vert. blz. 50

Es wäre zum Beispiel unter allen Umständen sehr gut, wenn man möglichst früh in bezug auf das Plastisch-Bildnerische damit beginnen würde, das Kind in der Farbenwelt leben zu lassen, wenn man sich als Lehrer durchdringen würde mit dem, was Goethe in dem didaktischen Teil seiner Farbenlehre gibt. Worauf beruht dieser didaktische Teil der Goetheschen Farbenlehre? Er beruht darauf, daß Goethe immer jede einzelne Farbe mit einer Empfindungsnuance durchdringt.
So betont er das Herausfordernde des Roten; er betont nicht nur das, was das Auge sieht, sondern was die Seele an dem Roten empfindet.
Ebenso betont er das Stille, in sich Versunkene, das die Seele beim Blauen empfindet. Man kann, ohne daß man die Naivität durchbricht, das Kind so in die Farbenwelt hineinführen, daß lebendig die Empfindungsnuancen der Farbenwelt hervorgehen. Wenn dann dabei vielleicht zunächst recht starke Beschmutzungen eintreten, so wird es eine gute Maßnahme in der Erziehung sein, das Kind so weit zu bringen, daß es sich nicht mehr zu sehr beschmutzt.

Het zou bijvoorbeeld te allen tijde heel goed zijn als we op plastisch-beeldend gebied zo vroeg mogelijk beginnen het kind in de wereld van de kleuren te laten leven, en als we ons als leraar het didactische deel van de kleurenleer van Goethe eigen maken.*

*het didactische deel van de kleurenleer van Goethe eigen maken: Johann
Wolfgang von Goethe (1749-1832), Duits dichter, dramaturg en natuuronderzoeker. Goethe bedreef zeer uitvoerige studies naar het ontstaan
en de werking van kleuren en publiceerde daarover. De kern van zijn onderzoek legde hij neer in Zur Farbenlehre, Didaktischer Teil (1810); van dit werk verscheen een Nederlandse vertaling met commentaren van Rudolf
Steiner: Kleurenleer, Zeist 2000.
Ook Steiner zelf heeft zich, deels in het voetspoor van Goethe, intensief
met het verschijnsel kleur beziggehouden, zie m.n. Het wezen van de kleuren.
.

Waarop berust dit didactische deel van de kleurenleer van Goethe? Goethe verbindt iedere kleur met een bepaalde gevoelsnuance. Hij wijst op het uitdagende van rood.
Hij wijst niet alleen op wat het oog ziet, maar ook op wat de ziel bij rood ervaart. Zo wijst hij op het stille, het in zichzelf gekeerde, dat de ziel ervaart bij blauw. Zonder de onbevangenheid geweld aan te doen, kunnen we het kind zo binnenleiden in de wereld van de kleur dat het de gevoelsnuances van de kleurenwereld levendig kan ervaren. Misschien wordt daar in het begin flink bij geknoeid, maar het zal een goede opvoedingsmaatregel zijn om kinderen te leren zichzelf niet te veel te besmeuren.

Man fange möglichst früh damit an, das Kind mit Farben zusammenzubringen, wobei es gut wäre, auf der farbigen Fläche andere Farben aufzutragen, als auf der bloß weißen Fläche, und man versuche, solche Empfindungen im Kinde hervorzurufen, wie sie erst aus einer geisteswissenschaftlichen Auffassung der Farbenwelt entstehen können. Wenn man so arbeitet, wie ich mit einigen Freunden an der kleinen Kuppel des Dornacher Baues gearbeitet habe, dann bekommt man ein lebendiges Verhältnis zur Farbe. Man entdeckt dann, wenn man zum Beispiel Blau aufträgt, daß es in der blauen Farbe selbst liegt, damit
alles zu charakterisieren, was Innerlichkeit ist. Also sagen wir, bei einem aus seiner Innerlichkeit sich bewegenden Engel wird man von selbst den Drang haben, ihn blau zu halten, weil die Nuancierung des Blauen, das Helldunkel des Blauen, in der Seele die Empfindung der Bewegung hervorruft, die aus dem Seelenhaften kommt. Die gelb-rötliche Farbe ruft in der Seele die Empfindung des Scheinens, des nach außen sich Offenbarenden hervor. Wenn also etwas aggressiv wirkt, wenn etwas mahnend vor uns auftritt, wenn der Engel uns etwas sagen will, wenn er aus seinem Hintergrunde zu uns sprechen will, dann
drücken wir das durch die gelb-rötlichen Nuancen aus. In elementarer Weise kann man durchaus Kinder auf dieses Lebendig-Innerliche der Farben hinweisen.

We beginnen er zo vroeg mogelijk mee het kind met kleuren te laten kennismaken – waarbij het goed is om op een gekleurd vlak andere kleuren aan te brengen dan op een wit vlak – en we proberen indrukken in het kind op te roepen zoals ze pas uit een geesteswetenschappelijke opvatting van de kleurenwereld kunnen ontstaan. Als je zo werkt als ik met enkele vrienden heb gedaan bij de kleine koepel van ons gebouw in Dornach,* dan krijg je een levende verbinding met de kleuren. Je ontdekt dan, wanneer je bijvoorbeeld blauw gebruikt, dat je daarmee alles karakteriseert wat met het innerlijk te maken heeft. Dat ligt in de kleur blauw zelf besloten. Je zult bijvoorbeeld bij een engel die zich vanuit zijn innerlijk beweegt vanzelf de drang voelen hem alleen in blauw uit te voeren, omdat de nuances in het blauw, het licht-donker in het blauw, in de ziel de gewaarwording oproepen van een beweging vanuit de zielenwereld. Een geel-roodachtige kleur roept in de ziel het gevoel op van schijnen, van iets wat zich naar buiten toe manifesteert. Wanneer iets dus agressief optreedt, wanneer iets ons maant, wanneer die engel ons iets wil zeggen, wanneer hij vanuit zijn achtergrond tot ons wil spreken, dan drukken we dat uit in geel-roodachtige nuances.
Op een elementaire manier kunnen we kinderen zonder meer wijzen op dit levende karakter van kleuren.

*Als je zo werkt … kleine koepel van ons gebouw in Dornach: Het gebouw in
Dornach (bij Bazel) was het zgn. ‘eerste Goetheanum’, dat in de oudejaarsnacht van 1922-1923 volledig afbrandde. Het door Steiner ontworpen houten gebouw bestond in essentie uit twee cilindervormige ruimten van verschillende grootte, die elkaar ten dele doordrongen. In de grootste ruimte bevond zich de zaal met bijna 1000 zitplaatsen, in de
kleinste het toneel. Beide ruimten werden afgedekt door koepels die elkaar eveneens doordrongen en die aan de binnenzijde van schilderingen werden voorzien. De beschildering van de kleine koepel werd voor een groot deel door Steiner zelf uitgevoerd. Over zijn opvatting van de schilderkunst zie Het wezen van de kleuren.
.

Blz. 41  vert. 51

Dann muß man sich selber sehr stark damit durchdringen, daß das bloße Zeichnen schon etwas Unwahres hat. Das Wahrste ist das Empfinden aus der Farbe heraus, etwas unwahrer ist schon das Empfinden aus dem Helldunkel heraus, und das Unwahrste ist das Zeichnen. Das Zeichnen nähert sich als solches schon durchaus jenem abstrakten Element, das als Ersterbendes in der Natur vorhanden ist. Zeichnen sollten wir eigentlich nur so, daß wir uns dabei bewußt werden: wir zeichnen im wesentlichen das Tote. Mit Farben malen sollten wir so, daß wir uns dabei bewußt sind: wir rufen aus dem Toten das Lebendige hervor. –
Was ist denn schließlich die Horizontlinie? Wenn wir einfach einen Bleistift nehmen und die Horizontlinie hinzeichnen, so ist das ein Abstraktes, ein Ertötendes, Unwahres gegenüber der Natur, die immer zwei Strömungen hat: das Tote und das Lebendige. Wir schälen die eine Strömung heraus und behaupten, das sei Natur. 

 

Verder moeten we heel goed tot ons laten doordringen dat in het pure tekenen al een element van onwaarheid schuilt. Het meest waar is het ervaren vanuit de kleur, minder waar is al het ervaren vanuit het licht-donker en het minst waar is het tekenen.
Het tekenen komt als zodanig al dicht bij de abstracte tendens die als sterfproces in de natuur aanwezig is. Wij zouden eigenlijk alleen zo moeten tekenen, dat we ons daarbij bewust worden dat we in feite het dode tekenen. We zouden met kleuren zo moeten schilderen dat we ons daarbij bewust zijn dat we uit het dode het levende tevoorschijn roepen. Wat is bijvoorbeeld de horizon eigenlijk?
Als we gewoon een potlood pakken en de lijn van de horizon tekenen, dan is dat abstract, dood, onwaar vergeleken bij de natuur, die altijd twee stromingen heeft: het dode en het levende. We lichten er de ene stroming uit en beweren dat dat de natuur is.

(In het boek staat de tekening in zwart-wit, de kleur is van mij)

Wenn ich aber sage, ich sehe ein Grünes, und ich sehe ein Blaues, die sich voneinander scheiden, dann wächst die Horizontlinie aus dem Aneinandergrenzen der Farben heraus, dann sage ich eine Wahrheit, So werden Sie allmählich darauf kommen, daß die Form der Natur wirklich aus der Farbe heraus entsteht, daß daher das Zeichnen ein Abstrahierendes ist. Von solchen Dingen sollte man eine gute Vorstellung, eine gute Empfindung schon in dem heranwachsenden Kinde erzeugen, weil dies sein ganzes Seelenwesen belebt und in ein richtiges Verhältnis zur Außenwelt bringt.
Daran krankt ja unsere Kultur, daß wir kein richtiges Verhältnis zur
Außenwelt haben. Man braucht dabei durchaus nicht, ich möchte sagen, unterrichtend selbst wiederum einseitig zu werden. 

Maar wanneer ik zeg: ik zie groen en blauw die zich van elkaar scheiden, dan
ontstaat de horizon vanzelf uit het aan elkaar grenzen van beide kleuren. Dan spreek ik een waarheid uit. Zo zult u gaandeweg ontdekken dat de vorm van de natuur werkelijk ontstaat uit de kleur en dat tekenen daarom iets abstraherends is.
Voor zulke dingen zou u al bij het opgroeiende kind een goede voorstelling, een gevoel moeten aankweken, omdat dit zijn hele zielenwezen tot leven wekt en in een echte relatie tot de buitenwereld brengt.
De ziekte van onze cultuur is immers dat we geen werkelijke relatie tot de buitenwereld hebben.
GA 294/41-42
Vertaald/50-51

In 1e klas schilderen (1-1) vind je veel over praktische zaken.

Voordracht 4, Stuttgart 25 augustus 1919

Blz. 57  vert. 66

Dann brauchen Sie durchaus nicht davor zurückzuscheuen, ziemlich früh – es ist gerade besonders gut, so etwas sehr früh mit den Kindern zu machen – einen Farbenkasten aufzustellen, ein Wasserglas daneben,
Sie nehmen einen Pinsel zur Hand, tauchen ihn ins Wasserglas, nehmen von der Farbe etwas ab und, nachdem Sie vorher eine weiße Fläche auf der Tafel mit Reißnägeln angemacht haben, tragen Sie eine kleine gelbe Fläche darauf auf. Nachdem Sie diese kleine gelbe Fläche gemacht haben, lassen Sie wieder jedes Kind eine solche gelbe Fläche machen.
Es muß jedes Kind einen gewissen Abstand von der andern gelben Fläche lassen, so daß Sie also dann so und so viele gelbe Flächen haben.
Darauf tauchen Sie selbst den Pinsel in die blaue Farbe ein und machen neben die kleine Fläche, die Sie gelb angestrichen haben, unmittelbar daneben Blaues. Jetzt lassen Sie auch die Kinder in derselben Weise Blaues machen. Nachdem etwa die Hälfte der Kinder das gemacht hat,  

Vervolgens hoeft u er beslist niet voor terug te schrikken om tamelijk vroeg – het is juist heel goed om zoiets al heel vroeg met de kinderen te doen – potjes verf neer te zetten, een glas water ernaast, en een penseel te pakken. U doopt het penseel in het water, neemt wat verf en brengt – nadat u van tevoren al een wit vel papier op het bord hebt vastgemaakt – een klein geel vlak aan op het papier. Nadat u dit kleine gele vlak gemaakt hebt, laat u weer ieder kind zo’n geel vlak maken. Ieder kind moet wat ruimte openlaten tussen de andere gele vlakken, zodat u tenslotte een bepaald aantal gele vlakken hebt.
Dan doopt u zelf het penseel in blauw en maakt u naast het kleine gele vlak dat u zelf gemaakt hebt, direct ernaast, een blauw vlak.
Nu laat u de kinderen ook een blauw vlak maken. Nadat ongeveer de helft van de kinderen dat gedaan heeft,

Blz. 58 vert. 66

sagen Sie: Jetzt wollen wir etwas anderes machen; jetzt will ich den Pinsel ins Grüne tauchen und zu den andern Flächen eine grüne dazu machen. – Von den andern Kindern lasse ich nun – indem ich auf irgendeine Weise vermeide, daß die Kinder dabei gleich eifersüchtig aufeinander werden – in derselben Weise grün machen. Das wird eine gewisse Zeit in Anspruch nehmen; die Kinder werden es gut verdauen, wie es überhaupt darauf ankommt, ganz langsam, nur in ganz wenigem mit dem Unterricht fortzugehen. – Nun sollten Sie schon sagen: Jetzt will ich euch etwas mitteilen, was ihr noch nicht ganz gut verstehen könnt, was ihr aber einmal gut verstehen werdet: was wir da oben gemacht haben, daß wir blau neben gelb gesetzt haben, das ist schöner, als was wir da unten gemacht haben, wo wir grün neben gelb gesetzt haben; blau neben gelb ist schöner als grün neben gelb! –
Das wird sehr tief in der Seele des Kindes haften. Darauf wird es erstens öfter zurückzuführen sein in der Wiederholung, es wird aber auch selber daran nagen; es wird es nicht ganz gleichgültig aufnehmen, sondern es wird an einfachen, primitiven Beispielen sehr gut verstehen lernen, nach und nach, im Gefühl abzuheben ein Schönes von einem weniger Schönen.

zegt u: ‘Nu gaan we iets anders doen. Nu doop ik het penseel in groen en maak ik naast de andere vlakken een groen vlak.’ De rest van de kinderen laat ik nu op dezelfde manier groene vlakken maken – waarbij ik moet zien te vermijden dat de kinderen meteen jaloers op elkaar worden. Dat zal wel enige tijd in beslag nemen.
De kinderen zullen het goed verteren. Het komt er steeds op aan heel langzaam, met heel weinig, de lessen uit te breiden. En dan moet u zeggen: ‘Nu zal ik jullie iets vertellen wat jullie nog niet zo goed kunnen begrijpen, maar wat jullie later heel goed zullen begrijpen. Wat wij daar hebben gedaan, bovenaan, waar het blauw naast het geel staat, dat is mooier dan wat we daaronder gedaan hebben.
Blauw naast geel is mooier dan groen naast geel.’ Dat zal een diepe, blijvende indruk maken op de ziel van het kind. Ten eerste is het goed als u hier vaker op terugkomt, maar het kind zal er ook zelf op kauwen. Het zal zoiets niet onverschillig opnemen, maar het zal aan de hand van eenvoudige, elementaire voorbeelden op den duur heel goed met zijn gevoel leren onderscheiden tussen iets wat mooi is en iets wat minder mooi is.
GA 294/57-58
Vertaald/66

Voordracht 13, Stuttgart 4 september 1919

Blz. 177    vert. 178

Diese Dinge, das malende Zeichnen, das zeichnende Malen, das
Sich-Hineinfinden in das Musikalische, das wird uns besonders für das
1. Schuljahr ein wunderbares Element der Willensbildung abgeben
können, jener Willensbildung, die der heutigen Schule fast ganz fernliegt.

Deze dingen, het schilderend tekenen, het tekenend schilderen, het vertrouwd raken met het muzikale element, dat zal met name in de eerste klas een prachtige basis leggen voor de wilsontwikkeling, die wilsontwikkeling, die de scholen van tegenwoordig bijna niet meer kennen.
GA 294/177
Vertaald/178

 

In ‘1e klas schilderen (1-2) meer over ‘geel en blauw’.

.
Rudolf Steiner over schilderen: alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

Schilderen: alle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3302-3108

.

.

.

.