.
Wanneer in de 5e klas met aardrijkskunde buiten Nederland wordt begonnen, wordt logischerwijs voor de Rijn gekozen die, aansluitend bij de 4e klasstof, voor ons land buitengewoon belangrijk is.
Rond de Rijn zijn allerlei sagen ontstaan, waarvan de Lorelei wel de bekendste is.
Maar er zijn er meer.
Nu het lezen onder druk staat, is het misschien een idee om deze sagen in een soort boekje te bundelen en (klassikaal) te lezen. Het boekje zou door de kinderen geïllustreerd kunnen worden.
.
ca. 12 min. verteltijd
St.Goar
De Lorelei
I.
Boven Koblenz, waar de Rijn zich een weg baant door met druiven begroeide heuvels, verheft zich een steile rots: de Loreleirots.
Als de boot van de schipper bij het vallen van de avond over het water glijdt, kijkt hij met angst en eerbied omhoog naar de onmetelijk hoge rotsachtige top. Evenals praatzieke kinderen fluisteren de nimmer moede golfjes elkaar wonderlijke sprookjes toe, terwijl de sage de grijze top verheerlijkt en vreemde verhalen vertelt van een schone, valse nimf, die eens daar boven op de berg gezeten en zachte sirenenliederen gezongen heeft, totdat zij door een treurig voorval voor altijd verdreven werd.
Lang, zeer lang is het geleden! Of het waar is, wie zal het zeggen?
Destijds, als de nacht in een donker gewaad van de met druiven beplante heuvels neerdaalde en zijn stille gezellin, de bleke maan, haar zilveren brug van schitterende arabesken over de groenachtig gouden vloed spande, dan klonk van de rots een wonderlijk vrouwengezang en een vrouw van goddelijke schoonheid verscheen op de top.
Evenals een koningsmantel golfde haar goudblond haar over haar volle schouders en viel in fraaie lokken op het sneeuwwit prachtgewaad, dat haar trotse gestalte in een lichte wolk scheen te hullen.
Wee de schipper, die op dit uur de rots passeerde. Hij werd door het gezang betoverd. In zalige verrukking vergat hij alles om zich heen, zodat zijn oog, even verblind als zijn ziel, geen acht op draaikolken en klippen sloeg.
Terwijl hij, beroofd van zijn zinnen, op haar af stuurde, dromend dat hij dicht bij haar zou zijn, maakten de afgunstige golven zich van zijn schip meester en slingerden het op het laatste ogenblik verraderlijk tegen de rots, die het meedogenloos verpletterde.
De doodskreet van het slachtoffer overstemde het woeste kabbelen van de Rijn. Nooit zag men de ongelukkige weer.
De jonkvrouw, die nog nooit door iemand van nabij gezien was, ging elke avond voort met zingen, zacht en verleidelijk, totdat de nacht door de kus van de aanbrekenden morgen verdreven werd, en de stralende dageraad de grijze morgennevel uit de dalen verdreef.
II.
Ronald was een fiere jongeling en een van de vermetelste strijders aan het hof van zijn vader, de paltsgraaf van de Rijn. Ook hij hoorde van het goddelijke wezen. Zijn hart brandde van verlangen om haar te zien. Nog voordat hij de jonkvrouw aanschouwd had, vereerde hij haar reeds.
Hij verliet het hof en ging schijnbaar ter jacht. In werkelijkheid bracht een oude, ervaren schipper, hem naar de rots. In het Rijndal brak de schemering reeds aan, toen de boot de reusachtige berg naderde. Laag stond de ondergaande zon achter de bergen.
Daar verschijnt opeens een flikkering aan het blauwe uitspansel: de avondster. Heeft de beschermengel van de dromende jongeling deze zo-even aan de hemel geplaatst om de verblinde te waarschuwen?
Hij kijkt omhoog, voor een ogenblik afgeleid.
Een zachte kreet van de oude man aan zijn zijde.
“De Lorelei!” fluistert hij angstig, “zie haar, de tovenaarster!”
Ronald antwoordt niet. Hij zag haar al. Ook hem ontglipte een zachte kreet. Met wijd opengesperde ogen keek hij omhoog. Daar stond de Lorelei. Ja, zij was het. Een stralend godenbeeld in een donkere omlijsting. Een welriekende wonderbloem, uit een ruïne gesproten. Dat was haar goudlokkig haar, dat was haar wit golvend gewaad.
Aan de rand van de afgrond zit zij en brengt haar goudblond golvend haar in orde. Een stralenkrans omgeeft het edele hoofd en laat, niettegenstaande de duisternis en de verre afstand, haar bekoorlijkheid zien. Heimelijk verlangen straalt uit twee vochtige, grote ogen, op twee zacht gekleurde wangen ligt een betoverende blos, en twee zwellende purperen lippen, rood gelijk een kers, openen zich om te zingen of te verhalen. Nu klinkt er gezang door de stilte, zacht en klagend, verleidelijk evenals de heerlijke nachtegaalslag in de stille zomernacht.
Dan zwijgt zij.
In nadenken verzonken zit zij daar en tuurt mijmerend in het blauwe verschiet. Dan kijkt ze naar de stroom onder haar en een schitterend ogenpaar rust lang in de starre blik van de jongeling. Haar ogen lijken op een paar zonnen, waarvan een verterend vuur uitgaat.
Een lichte rilling gaat door het lichaam van de jongeling. Nog steeds rust zijn blik op de trekken van de demonische vrouw, en geheel bedwelmd leest hij daarop het tedere sprookje van de liefde. Rots, vloed, alles smelt met de grootse hemel samen, zijn oog ziet slechts haar aan de rotswand; slechts de blankheid van haar borsten, de saffieren van haar schitterende ogen. Te langzaam kruipt de bark door de vloed. Hij houdt het niet meer uit in de boot. Hij meent haar stem te horen, onuitsprekelijk zacht en verleidelijk. De smeulende vlam wordt een verterend vuur.
Evenals een losgebroken veulen stort hij zich in de stroom.-De oever wenkt.
“Lore!”
Een dodelijke gil weerklinkt en overstemt de kreet van de liefde. Klagend weerkaatst de echo het geluid door de rotsen.
De golven zuchtten en likten liefkozend het ongelukkige slachtoffer. De oude schipper stiet een klaagtoon uit en maakte een kruis. Op dit ogenblik dreef een bliksemstraal de wolken uiteen, en doffe donderslagen dreunden door de bergen. Beneden fluisterden zacht de golven, en van de hoogte klonk opnieuw, deze keer treurig en als een zucht wegstervend, het spookachtig gezang van de Lorelei.
III
De paltsgraaf ontving spoedig de treurige tijding. Zijn vaderhart was vervuld van smart en toorn. Hij beval de valse tovenaarster dood of levend bij hem te brengen. Op de namiddag van de volgenden dag zeilde een goed bemande boot de Rijn af. Vier schippers roeiden, stoere, door de zon gebruinde mannen. Somber kijkt het oog van de stuurman onder de borstelige wenkbrauwen naar de rots, die ernstig en zwijgend wenkt. Smart en toorn staan op het gelaat van de breedgeschouderde man te lezen. Hij had toestemming gevraagd de duivelse verleidster van de top van de rots naar beneden in de golven te mogen werpen, waar haar een wisse dood wachtte–want haar toverkunsten konden wellicht de gevangenen van hun boeien en kerker bevrijden. De paltsgraaf had het wraakplan goedgekeurd.
IV
De eerste schaduwen van de schemering gleden schuchter over de slapende aarde. Rondom de rots stonden gewapende mannen. Met moeite beklom een van de aanvoerders met drie flinke strijders de hoogte.
Een licht gouden wolk omhulde de top van de berg. De mannen dachten, dat dit het avondrood was. Het was echter het magische licht, dat de jonkvrouw omgaf, die juist aan de rand van de rots verscheen. Dromerig keek zij voor zich uit en maakte met een gouden kam haar lokken in orde. Nu nam zij het parelsnoer van haar borst en met welbehagen bevestigde de smalle witte hand dit boven haar voorhoofd in haar kapsel. Daar bemerkt zij de vertoornde mannen. Een wolk van misnoegen zweeft over haar trekken.
“Wat zoeken de zwakke zonen van de aarde op deze hoogte?”
Verachtelijk plooiden zich haar volle lippen.
“Jij, tovenaarster!” schreeuwde de aanvoerder toornig en met een spottende lach voegde hij erbij: “Jou! Om je op de bodem van deze rivier te zien neerstorten.”
Een welluidend lachen weerklonk door de bergen.
“O, de Rijn zal zelf komen, om mij te halen!” riep de jonkvrouw uit. Ver over de afgrond, die onder haar gaapt, buigt zich haar lichaam. Haar hand rukt het lint, dat zij om het voorhoofd draagt, af en slingert het triomfantelijk in de stroom. Dan klinkt zegevierend van haar lippend het gezang:
“Vader, gezwind, gezwind!
Stuur de witte paarden aan uw kind!
Zij wil rijden op golven en wind!”
Daar verhief zich de storm, de Rijn begon bruisend te koken, en sneeuwwit schuim bedekte de oever. En twee golven met schuimende koppen, lijkend op twee sneeuwwitte paarden, stegen uit de diepte tot aan de hoogte van de rots op en trokken de nimf in de bodemloze diepte. Over haar heen brandden zij schuimend voort.
V.
Dodelijk verschrikt keerden de dienaren van de paltsgraaf terug en deelden ontsteld het vreemde verhaal mede.
Ronald werd zeer betreurd. Bij zijn lijk, dat door een golf aan de oever gespoeld was, weerklonken de smartkreten van talloze mensen.
Vanaf die dag zag men de Lorelei nooit weer. Maar wanneer de nacht in een donker gewaad van de met druiven beplante heuvels nerdaalt, en zijn stille gezellin, de bleke maan, haar zilveren brug van schitterende arabesken over de groenachtig gouden vloed spant, dan klinkt er een wonderlijk vrouwengezang, zacht en klagend, verleidelijk evenals de heerlijke nachtegaalslag in een stille warmen= zomernacht.
Zij verdween, de Lorelei, maar haar betovering bleef.
Er zijn heel wat illustraties, maar vele voldoen niet aan de beschrijving in deze sage, o.a. wat de haarkleur e.d. betreft.
Rudolf Steiner noemt de Lorelei in GA 57, voordracht 17 blz. 415
Niet vertaald
.
Aardrijkskunde 5e klas: alle artikelen
5e klas: alle artikelen
Aardrijkskunde: alle artikelen
Vrijeschool in beeld: 5e klas
.
3415-3213
.
.
.
.