.
Wanneer Steiner over handvaardigheid spreekt, gaat het enerzijds om de samenhang tussen het bewegen van de handen, de vingers en de ontwikkeling van het denken, anderzijds over ‘kunstzinnigheid’. O.a. in GA 294; 300A; 304; 307.
De stoel die wordt gemaakt, zou zo kunstzinnig moeten zijn dat deze tot zitten uitnodigt.
In GA 302 komt zoiets ter sprake voor een kussen om op te slapen.
Blz. 70 vert. 69/70
Denn gegenwärtig liegt es ein bißchen schon in der Artung, daß die Kinder im Handarbeitsunterricht vieles verkehrt machen. Man kann nach dieser Richtung hin ganz besonders günstig wirken. Ich habe es doch gleich bemerkt, wie die Kinder bei uns in Dornach Kissen gestickt haben, kleine Polster, auf die das und das darauf gemacht wird. Man müßte dafür sorgen, daß das wirklich Kissen werden. Es ist doch kein Kissen, wenn man auf ein Pölsterchen etwas Beliebiges darauf stickt. Man muß es dem darauf Gestickten ansehen, daß man sich darauf legen kann, daß sich ein Ohr darauf legen kann. Die Kinder scheinen ganz besonders solche Hauben, die man auf Tee- und Kaffeekannen setzt, gerne zu machen. Aber sie müssen das dann so machen, daß das auch darauf eingerichtet ist. Wenn ich es unten aufmache, so muß das, was ich mit den Händen ausführe, sich in der Zeichnung fortsetzen. Ich muß der Zeichnung ansehen, daß es da aufgemacht werden muß. Das Kind ist durch die Verhältnisse so verdorben, daß es da unten, wo es aufgemacht werden soll, eine Zeichnung hinmacht, die so geht:
Het zit een beetje in de aard van onze tijd dat de kinderen in het handwerkonderwijs* veel verkeerd doen. We kunnen in deze richting een bijzonder gunstige invloed uitoefenen. Het is me direct opgevallen hoe de kinderen bij ons in Dornach kussens genaaid hebben, kleine kussentjes, waarop dan dit of dat is aangebracht. Je moet er voor zorgen dat het werkelijk hoofdkussens worden. Als je op een kussentje iets willekeurigs naait, is het toch geen hoofdkussen. Aan wat erop genaaid is moet je kunnen zien dat je erop kunt gaan liggen, dat je er met een oor op liggen kunt. De kinderen blijken vooral graag koffie- of theemutsen te maken. Maar die moeten ze dan wel zo maken dat ze in overeenstemming zijn met het gebruik. Als ik hem van onderen geopend maak, dan moet zich dat wat ik met mijn handen uitvoer, in de tekening voortzetten. Ik moet aan de tekening zien dat het daar open gemaakt moet worden. De kinderen zijn in dit opzicht zó bedorven dat ze aan de onderkant, waar de opening zit, zo’n soort tekening maken:

Ja, das ist ja verkehrt. Man muß der Zeichnung ansehen, wo aufgemacht wird und wo zu ist, wo man nicht aufmachen kann. Ebenso ist es notwendig, daß das Kind wird unterscheiden lernen müssen, daß etwas, was um den Hals genommen wird, wenn es mit Bändchen benäht wird, so sein muß, daß das nach unten weiter wird und nach oben schmäler. Wenn ein Gürtel gemacht wird, so muß man es dem gleich ansehen, daß er sich nach beiden Seiten zugleich öffnet, daß in der
Dat is natuurlijk verkeerd. Aan het motief moet je kunnen zien waar je de muts opent en waar die dicht is, waar je die niet kunt openen.
Zo is het ook nodig dat de kinderen leren onderscheiden dat als iets wat je om je hals draagt, met band wordt versierd, het naar onderen toe breder en naar boven toe smaller moet worden. Als je een ceintuur maakt, dan moet je daar direct aan kunnen zien dat die naar twee kanten tegelijk open gaat doordat de tekening in het
Blz. 71 vert. 70/71
Mitte die Zeichnung am breitesten ist. Es ist so, daß die Kinder sich überall in die Formen hineinfinden sollen.
Gerade da kann ungeheuer viel bewirkt werden, und dabei erreichen Sie nur etwas, wenn Sie wirklich nicht auf das Auge hin arbeiten, sondern wenn Sie das im Gefühl erzeugen. Sie müssen das im Gefühl erzeugen, daß das Kind die Zeichnung so haben will, daß es gewissermaßen fühlt: es macht das unten auseinander und es drückt von oben, es strebt von oben nach unten. Man muß das ins Gefühl verwandeln; man muß in die Hand hineinbringen, was auch mit der Hand gearbeitet werden soll. Im Grund genommen ist der Mensch auch dabei durchaus ganz beteiligt mit seinem Wesen, und er denkt mit dem ganzen Leibe. Man muß also durchaus versuchen, daß da die Dinge gefühlt werden. Im Handarbeitsunterricht muß auf das Gefühl hingearbeitet werden. Es muß gewissermaßen das Kind, wenn es eine Ecke sticken soll, das Gefühl haben: Die Ecke muß so gestickt werden, daß ich, wenn ich dahinterfahre, nicht durch kann. – Wenn es anders ist, wenn man durch kann, dann muß dazu etwas gehören, dem man eben ansieht: da kann man durch. So muß es schon geniacht werden. Da kann der Handarbeitslehrer schon sagen: Ich mache die Sache so, indem ich gerade an der geistigen Betätigung des Kindes ganz besonders betätigt bin. Es braucht sich niemand durch irgendeine Partie des Unterrichtes zurückgesetzt fühlen.
midden het breedst is. Overal moeten de kinderen aan de vormen leren wennen.
Juist daarbij kan ongelooflijk veel worden bereikt. U bereikt echter pas iets als u niet alleen ‘op het oog’ werkt, maar als u dat in het gevoel van de kinderen laat ontstaan. U moet de kinderen stimuleren in het gevoel de tekening zó te willen hebben dat hij van onder uit elkaar gaat en van boven samengedrukt wordt, dat hij een beweging maakt van boven naar onder. Je moet dat omzetten in gevoel; je moet in de handen leggen wat met diezelfde handen moet worden gemaakt. In feite neemt de mens ook hieraan met zijn totale wezen deel en denkt hij met zijn hele lichaam. Dus moeten we er absoluut naar streven het gevoel bij de zaak te betrekken. Bij het handwerken moet het gevoel bij het werk betrokken worden. Als een kind een hoek moet naaien, moet het als het ware het gevoel hebben: die hoek moet zo zijn, als ik daar rijdt, dat ik er niet dóór kan. – Als het anders is, als je ergens wel dóór kunt, dan moet er iets zijn waaraan je kunt zien: daar kun je dóór. Zo moet het gemaakt worden. Dan kan de handwerkleerkracht zeggen: ik ga zó te werk omdat ik vooral sterk met de geestelijke activiteiten van de kinderen bezig ben. Niemand behoeft zich door zijn betreffende vakgebied achtergesteld te voelen.
GA 302/70-71
Vertaald/69-71
Ik heb nooit handwerken gegeven en me daarom ook nooit beziggehouden met Steiners aanwijzingen.
Nu ik zo zijn opmerkingen bij elkaar zet, rijzen er wel wat vragen, m.n. t.a.v. ‘het kunstzinnige’.
Want als hij ons stimuleert om bij de kinderen een bepaalde kunstzinnigheid te ontwikkelen, een kunstzinnig gevoel, zou ik, gelet op zijn opmerkingen over de theemuts hierboven, bijv. bij een fluitenzak wel kunnen denken aan: daar moet iets in, met een bepaalde beweging van boven naar beneden of eruit, omgekeerd.
Uiteraard heeft de zak al de vorm van de fluit. Die beweging van erin – naar de afgeslotenheid – of eruit: naar ‘het licht’, wordt hier – ik ben maar een leek – voor mijn gevoel mooi kunstzinnig verwerkt:
Met name de linker volgt dit motief heel mooi.
Dat vind ik bij de linker veel minder aanwezig; de rechter gaat ook van licht naar donker, maar de horizontale banden roepen niet het gevoel op dat daar iets in moet glijden.
Hier lijk je wel iets terug te zien van wat ik hierboven noem, individueel door de kinderen verwerkt.
Want dat is ook nog een vraag, denk ik, hoe voorkom je dat alles hetzelfde wordt, hoe krijg je de kinderen mee in wat dan kunstzinnigheid is, t.o. bijv. hun willekeurig gekozen kleuren.
Dit tasje geeft door de versiering aan dat het boven open gaat – ik denk, in de zin die Steiner hierboven bedoelt.


Een motief individueel verwerkt.
Motief, nu geborduurd. (verzorgd uitgestald met de bijpassende ondergrond)
Hier ondersteunt de versiering niet de functie van de tas die boven opengaat.
En de muts – als naar boven afsluitends – benadrukt dit afsluiten hier door een donkerder kleur.

Het motief van de afbeelding hierboven lijkt mij hier niet gelden; maar welk motief dan om de onderrand ‘zwaar’ te maken?
En wat kan een motief voor sokken zijn?
*handwerkonderwijs: zie hiervoor
‘Künstlerische Handarbeiten nach Richtlinien und Entwürfen Rudolf Steiners’ von Luise van Blommestein, Dornach 1934; [geen gegevens kunnen vinden]
‘Handarbeit und Kunstgewerbe. Angaben von Rudolf Steiner’, samengesteld door Hedwig Hauck, uitgeverij Freies Geistesleben, Stuttgart 1969.
De verborgen kwaliteiten van handwerken -Conny de Heer
Rudolf Steiner over handvaardigheid
Handvaardigheid: alle artikelen
Menskunde en pedagogie: [5] Intelligentie (hand en intelligentie)
Vrijeschool in beeld: alle beelden
.
3126-2939
.
.
.