.
Hester Anschütz, Antroposofisch Magazine, juni 2019, nummer 14
.
Een verhaal brengt je tot jezelf
.
Op de vrijeschool heeft elke klas zijn eigen verhalen
.
“Vertel, vertel…,” zeggen we tegen elkaar en we praten over hoe onze dag was. We kletsen heel wat af, maar bijna niemand vertelt nog een spannend verhaal uit het hoofd, met kop en staart en een spanningsboog, zoals in vroeger tijden. Behalve op de vrijeschool. Daar is het vertellen van verhalen zelfs een bewust pedagogisch middel dat wordt ingezet om de ontwikkeling van de kinderen te ondersteunen. Want een verhaal goed en vrij vertellen is ‘een feestje’, voor verteller én luisteraar en bovendien gezond!
“Een goede verteller brengt zijn luisteraar met zijn voorstellingsvermogen in de wereld van het verhaal. Hierdoor keert de luisteraar in zichzelf, wordt stil van binnen en komt in zijn lichaam aan,” vertelt Wim Wolbrink, die al meer dan twintig jaar als verhalenverteller door het leven gaat en sinds twaalf jaar cursussen ‘verhalen vertellen’ geeft op de Nationale Vertelschool. “In onze huidige, hectische wereld word je door alles wat om je heen gebeurt uit jezelf getrokken. Een goed verhaal doet het omgekeerde en brengt je dichter bij jezelf. Dat is een gezonde werking.”
Omdat je een verhaal via je voorstellingsvermogen in je opneemt, via je gevoel, je ziel en minder via het cognitieve denken, zijn verhalen heel geschikt om kinderen levendige beelden aan te reiken. Vooral tussen het zevende en veertiende jaar; de periode waarin een kind, volgens de antroposofische visie op de mens, zijn levenskrachten ontwikkelt. Dat is dát deel in jezelf waarmee je je leven en alles wat je voelt en ervaart, vorm geeft en structuur. Dit bereik je vooral via je gevoel en je ziel. En beelden zijn de taal van de ziel.
Heiligen waren niet altijd heilig
“Met voorlezen reik je ook beelden aan, maar een vrij verteld verhaal werkt nog sterker,” zegt Wim. “Iemand die voorleest, zit bovendien meestal. Zijn lijf is passief en hij moet wat hij leest, via zijn eigen denken nog vertalen in zijn eigen voorstellingsvermogen. Pas dan kan hij het verhaal enigszins tot leven brengen voor de luisteraar.”
Op de vrijeschool heeft elke klas zijn eigen verhalen, die aansluiten bij de ontwikkelingsfase en gevoelswereld van de kinderen in die klas. Zo horen de eersteklassers, die nog met één been in de dromerige fantasiewereld vertoeven, de sprookjes van Grimm.
“In een sprookje begint een boom of de zon ineens te praten. Dat is voor kinderen van rond de zeven jaar nog heel gewoon,” zegt Eveline Reedeker, die al bijna twintig jaar vrijeschoollerares is op Vrijeschool Vredehof in Rotterdam. “De tweedeklasser is al wat steviger in de wereld aanwezig, maar kinderen van acht jaar knallen er ook nog van alles zo maar uit. Ze hebben nog niet veel terughouding.” Dat past bij de dierenfabels, waarin dieren menselijke eigenschappen hebben, die sterk vergroot zijn en hen vaak in moeilijkheden brengen. Om de fabels niet in het karikaturale te laten vervallen, klinken als tegenwicht in deze klas de zogeheten heiligenlegenden: verhalen over Sint-Nicolaas, Sint-Maarten en Fransicus van Assisi. Eveline: “Die legenden appelleren aan de wens van een achtjarige om goed te doen, om goed voor elkaar te zijn, ook als dat niet altijd lukt. Tenslotte waren de heiligen ook niet meteen heilig, zij moesten bepaalde aardse zaken overwinnen. Dat kan een tweedeklasser nog niet, maar dat wil een tweedeklasser wel.”
Van groep naar individu
“De derde klas ervaart zichzelf vaak als een groep: Wij zijn met elkaar en de leerkracht is leidend.” Volgens Eveline heerst er sterk een tendens van ‘als je goed doet, dan ontmoet je ook goed’, wat terug te vinden is in de verhalen in deze klas, die van het Oude Testament. “Daar is één God leidend. Zolang je doet wat hij zegt, dan komt alles wel goed.”
In klas 4 volgt een crisis rond het negende levensjaar. “Dit is voor elk kind anders, maar elk kind ervaart dat hij een ‘ik’ is tegenover de wereld. Dit wordt in antroposofische termen een ‘ik-Inslag’ genoemd. Kinderen hebben dit voor het eerst rond het tweede levensjaar, als ze voor het eerst ‘ ik’ tegen zichzelf zeggen. Met negen jaar volgt dan het besef dat ze echt een ‘ ik’ zijn, los van de wereld om zich heen.” Kinderen kunnen op deze leeftijd ineens bang worden om te gaan slapen, of ze kunnen sterke gevoelens van eenzaamheid ervaren. “De verhalen van de Noorse ontstaansgeschiedenis van de wereld, de Edda, weerspiegelen dit gevoel. Nadat de wereld in deze verhalen is ontstaan, klinkt meteen dat alles weer zal vergaan. Behoorlijk heftig,” meent juf Eveline. Maar het is van eenzelfde heftigheid als wat de negenjarige ervaart, en daarom kan het hem helpen.

Echt gebeurd?
Na deze heftigheid volgt een rustiger jaar in klas 5. “Volgens de boekjes tenminste,” zegt Eveline grinnikend. “Tienjarigen zijn over het algemeen evenwichtig, tot in hun fysieke gestalte aan toe. De verhoudingen zijn mooi; de slungeligheid van de puberteit komt pas later.” Deze harmonie vind je terug in de vertelstof van de Griekse beschaving, waar dit schoonheidsideaal een belangrijke rol speelde. “In de vijfde hoor ik vaak: ‘Is het nou echt gebeurd, wat je daar vertelt?'” En dat zijn de verhalen in dit jaar ook steeds meer, met historische figuren, zoals Alexander de Grote.

Met de verhalen over de Romeinse koningen en keizers gaat het in klas 6 bijna alleen nog over echte mensen. “Leiders van het volk, die moeten worden gevolgd en dus heb je regels en wetten nodig.” De zesdeklasser ziet graag dat alles functioneel is. “Bij de Romeinen vinden we een heleboel functionele en handige dingen, die je nu nog steeds kunt bezoeken: aquaducten, badhuizen, delen van tempels. Allemaal zo degelijk gebouwd, dat het er nu nog staat!”
Stoffig en zweterig
In al haar verhalen probeert Eveline aansluiting te vinden bij de kinderen, met behulp van veel zintuigelijke beschrijvingen. “Een historisch waargebeurd verhaal vind ik lastiger om te vertellen dan een sprookje of legende. Bij een Romeins gevecht zie ik dat er zand is en het wordt stoffig, zweterig en bloederig. Maar het kost me meer tijd om zo’n beeld, dat in mijn beleving best snel gaat, op te roepen dan bijvoorbeeld een sprookje van vrouw Holle,” vertelt ze. “Ik bereid een verhaal altijd voor en lees het een paar keer, zodat ik het voor me kan zien. Pas dan kan ik het de kinderen vertellen, vanuit mijn eigen innerlijke beeld.”
Ook eens proberen?
Wim Wolbrink van de Nationale Vertelschool geeft tips:
• Heb lol!
• Zoek inspiratie, ga luisteren naar goede vertellers.
• Kinderen van zes tot acht jaar zijn het beste beginnerspubliek, probeer een verjaardagsfeestje bijvoorbeeld.
• Bereid je voor: lees een verhaal, leg het aan de kant en schrijf de personages op. Stel je een karakter voor met je ogen dicht. Hoe ziet het karakter eruit, met wat voor geluiden is dit karakter omgeven, hoe ruikt hij, hoe smaakt hij en hoe voelt hij aan? Doe dit ook met de locaties in het verhaal. Maak er een feestje van en verzin samen met twee of drie mensen hoe een reus smaakt! Maak vervolgens een tekening van het verhaal, met alle karakters en locaties en schrijf een samenvatting. Leg vervolgens alles weg en het verhaal komt, beginnend met ‘ Er was eens…’, zo uit je mond!
Tips voor gevorderden
• Durf tijdens het vertellen te spelen met stiltes Je zult merken hoe fijn dat is.
• Durf mensen tijdens het vertellen aan te kijken, maak oogcontact, Niet te strak, want dan worden mensen bang.
• Experimenteer, loop rond, ga op een tafel staan als er een reus in het verhaal voorkomt.
Bij deze laatste opmerking plaats ik, PHAW, een kanttekening:
Loop, de hele basisschooltijd door, NIET heen en weer of rond tijdens het vertellen. Een beetje acteren mag, maar ga in de 1e klas niet op tafel staan als de reus langskomt. Dat is te veel! (Bovendien is een tafel niet om op te staan (voorbeeld!)
Vertelstof: alle artikelen
Ontwikkelingsfasen: alle artikelen
Vrijeschool in beeld: zie de diverse klassen: vertelstof
.
3035-2850
.
.
.
.
Als ik mij probeer voor te stellen de manier waarop Wim Wolbrink vertelt, denk ik dat het mij eerder zou ergeren dan boeien..
De zin ‘Hierdoor keert de luisteraar in zichzelf, wordt stil van binnen en komt in zijn lichaam aan’, komt mij voor als grote onzin.
Als ik een goed verhaal lees, kom ik juist uit mijzelf. En in zijn lichaam aankomen, sorry, wat een gelul.
Of en hoe een verhaal ‘binnenkomt’ hangt m.i. wel af van hoe het verhaal gebracht wordt. Dat zal niet bij iedereen op dezelfde manier gebeuren. Ik heb geen ervaring met de trant van Wolbrink, dus daarover kan ik mijn bevindingen niet weergeven. Voor jou is het er een van, geloof ik, ‘hij kan mij nog meer vertellen…..’
Nee, eigenlijk moet ik ook niet oordelen over Wolbrink, maar uit wat hij erover vertelt, stel ik mij een verhalenverteller voor die heel overdreven doet en zichzelf heel geweldig vindt.