.
John Hogervorst, Antroposofisch Magazine nr. 14, juni 2019
.
het basisinkomen is niet genoeg
.
Op veel plekken waar ik kom, praten mensen over het basisinkomen. Het is een onderwerp dat velen diep raakt. Een eerlijker verdeling van welvaart, meer ruimte voor eigen ontplooiing en erkenning van bezigheden in de eigenkring, zijn globaal gezegd de argumenten die voorstanders noemen. Ik zou deze zaken stuk voor stuk graag gerealiseerd zien. Maar ik denk niet dat het basisinkomen werkelijk daaraan gaat bijdragen.
Ik krijg wel eens de indruk dat een deel van de voorstanders zich pas echt welkom in de samenleving voelt, wanneer het basisinkomen een feit is. Heel eerlijk gezegd: ik kan mij daar van alles bij voorstellen. We leven immers in een samenleving die hard, beperkend en lang niet altijd rechtvaardig is. Tegelijkertijd geldt wat mij betreft ook: wanneer we ons gedachten vormen over rechten, plichten of regelingen die we in de samenleving als geheel gestalte willen geven, is het de vraag of we daar op een vruchtbare wijze in slagen wanneer we het eigen, individuele perspectief als uitgangspunt nemen.
Verdeling van welvaart
De ongekende ongelijkheid in de verdeling van welvaart is wereldwijd een van de meest urgente vraagstukken van onze tijd. Die komt voort uit het feit dat winsten die in de economie ontstaan voor het grootste deel toevloeien naar degenen die eigenaar van de winstmakende onderneming zijn. Het is overigens deze praktijk die maakt dat ondernemingen vanuit een kaal winststreven worden gedreven. En dat gaat, zoals we weten, ten koste van de aarde, van werknemers, leveranciers en in veel gevallen ook van de consument.
Invoering van het basisinkomen verandert hier niets aan. Want ook als we dit invoeren, blijft de manier waarop we met het eigendom van bedrijven omgaan een vrijbrief voor het najagen van eigenbelang in de economie. Wat huishoudelijker gezegd: als het gaat om een eerlijker verdeling van welvaart is het basisinkomen een gevalletje ‘dweilen met de kraan open’.
Als we de kraan dichtdraaien, hoeven we niet te dweilen. Dat zou hier betekenen: we bepalen samen, en leggen wettelijk vast, dat bedrijven [en daarmee bedoel ik hier: grond, kapitaal, productiemiddelen] niet meer verhandeld kunnen worden. Bedrijven worden ‘van zichzelf’ en de leiding komt te liggen bij degenen die daartoe als ondernemer bekwaam zijn. Wil de ondernemer stoppen, dan wordt hij opgevolgd door de volgende. Zo is er geen ‘eigenaar’ meer: het eigendomsrecht wordt ongezet in een ‘gebruiksrecht’ en dat gebruiksrecht bevat niet de bevoegdheid om de winst onevenredig naar zich toe te trekken. Klinkt dat te mooi om waar te zijn? Het kan: binnen Stichting Sleipnir [1] werkt een aantal ondernemingen al decennia op deze manier.
Vrije ontplooiing
Het basisinkomen laat dus de oorzaak van de toenemende ongelijkheid in welvaart onaangetast. Maar biedt het misschien de gewenste ruimte voor vrije ontplooiing en zinvolle dagelijkse bezigheden? Een precair vraagstuk. Want wat zijn zinvolle activiteiten en wat is de betekenis van de ruimte om je vrij te ontwikkelen? Dat hangt af vanuit welk perspectief je kijkt en wilt handelen.
Is dat mijn eigen, individuele perspectief, of dat van de gemeenschap [de samenleving] waarvan ik deel uitmaak? De gemeenschap gedijt bij de ontplooiing, de ontwikkeling die ertoe leidt dat mijn inzet voldoet aan een behoefte van anderen. Dat wat ik uitsluitend voor mijzelf doe, is vanuit sociaal oogpunt niet heel relevant. Dat wordt het pas wanneer ik mijn ontwikkeling inzet voor anderen. En als de anderen datzelfde doen, zullen we allemaal ervaren dat de anderen in onze behoeften voorzien. Maar welke behoeften hebben de anderen? Wanneer ik in de economie werk, wordt dat snel duidelijk. Als ik iets maak en daar geen kopers voor vind, dan is helder dat mijn inzet niet aan een behoefte beantwoordt. Hetzelfde geldt wanneer ik in de dienstverlening werk, en zou eigenlijk ook mogen gelden in wat, in de sociale driegeleding[2], ‘het geestesleven’ wordt genoemd. Dat is het gebied van onderwijs, zorg, kunst, cultuur, wetenschap, religie enzovoorts. Nu wordt dit gebied bekostigd via de overheid, die de belastingbetalende burger daarvoor laat betalen, maar die tegelijkertijd ook bepaalt wát er bekostigd wordt. Dat is jammer, want als we wat in dit geestesleven gebeurt ‘uit eigen zak’ zouden betalen (en daarvoor dus ook geen belasting afdragen] dan zou ook daar gelden dat ieder die daar iets aanbiedt (als leerkracht, therapeut, kunstenaar e.d.] helder weerspiegeld krijgt of dat aansluit op een echte behoefte. Dat is ‘fijn’ werken voor de betrokkene, terwijl het ook ‘fijn’ is wanneer wij zelf kunnen aangeven waar onze behoeften in dit gebied liggen.
Recht op arbeid
Dus: eigendomsrecht omgevormd tot gebruiksrecht leidt tot een eerlijke verdeling van welvaart en financiering van het geestesleven uit eigen zak (die nog niet is leeggeplukt door de fiscus] leidt tot een vrij, aan werkelijke behoeften beantwoordend geestesleven. Wie zou, wanneer we de zaken zó geregeld hebben, nou niet willen werken? Dat brengt ons tot het laatste dat we nog moeten regelen. Volwaardig meedoen aan de samenleving is een mensenrecht. Werken is daarin een essentieel bestanddeel. Want werken is: je capaciteiten inzetten en daarmee de behoefte van anderen vervullen. Dat is bij uitstek iets dat zin en zelfrespect geeft.
Daarom moeten we het zó doen dat ieder mens die wil werken ook daadwerkelijk die gelegenheid krijgt. Arbeid is en mag geen plicht zijn, maar is wel een fundamenteel recht. Wanneer we daartoe zouden besluiten, zal blijken dat voor iedereen die wil, zinnig werk te doen is. Werk dat bijdraagt aan het scheppen van welvaart (dat is wat er in de economie gebeurt], of werk dat bijdraagt aan welzijn (dat is het werk dat bij overheden en in het geestesleven gebeurt].
Zo wordt wat met het basisinkomen wordt beoogd, het beste bereikt op basis van wat wel de sociale driegeleding wordt genoemd. Daarom moeten we verder denken dan het basisinkomen lang is.
1 Zie stichtingsleipnir.nl en sleipnircooperatie.nl
2 De sociale driegeleding is een sociologisch ontwikkelingsconcept van Rudolf Steiner, dat de samenleving onderscheidt in drie gebieden: het geestesleven (cultuur), het rechtsleven en het economisch leven. Deze drie gebieden zouden in de samenleving op eigen benen moeten staan, dat wil zeggen dat in ieder gebied het eigen principe (respectievelijk vrijheid, gelijkheid en broederschap) nageleefd wordt. Meer info: driegonaal.nl/sociale-driegeleding/
Meer van John Hogervorst
Sociale driegeleding: alle artikelen op deze blog, w.o. bij [9..] over (basis)inkomen
Vrijheid van onderwijs: alle artikelen
100 jaar vrijeschool: alle artikelen
.
3032-2847
.
.
.
.