.
SINT-NICOLAAS BESTAAT ZOWAAR ALS U ADEMHAALT
‘Ah, vous dirai-je, Maman,
Ce qui cause mon tourment?
Papa veut que je raisonne
Comme une grande personne,
Moi je dis que les bonbons
Valent mieux que la raison.’
(Ah, zal ik u zeggen, mama
Wat mijn kwelling is?
Papa wil, dat ik redeneer
Als een volwassene,
Maar ik beweer, dat de bonbons
Meer waard zijn dan de rede.’)
Dit oude ‘kinderliedje’ uit de tijd van de verlichting, waarin een kind
redeneert, dat het aan snoepgoed meer waarde toekent dan aan redenaties, was toen een grapje, nu begint het bittere werkelijkheid te worden.
De kleuter moet gaan leren, dat hij inzicht moet krijgen in rekenen, lezen en schrijven. Binnenkort zullen daar nog wel beginnende kennis der natuur, grondbegrippen der aardrijkskunde en grondvertelsels over koningshuis en vaderland bijkomen. Natuurlijk, slechts voorbereidend, dit wil zeggen met stomme, kinderachtige prietpraat en oervervelende, door domme geleerden uitgedachte kijk-grijp-spelletjes.
De vriend van de gehele mensheid, Sint-Nicolaas, is van dit kortzichtige intellect reeds lang het slachtoffer geworden. Niet alleen commercieel winstbejag heeft hem dood vermoord, maar ook intellectueel waarheidsfanatisme heeft het heilige kapot verbrijzeld.
. . . Dertig kleuters hebben ademloos naar een spannend sprookje over de wind geluisterd. Dan vraagt er één: ‘Is dat nou echt waar gebeurd?’ Als juf antwoordt: ‘Ja, dat is echt waar gebeurd,’ dan gaat er een zucht van opluchting en blijdschap door de klas. En dat is niet, omdat ze weer op adem komen, maar omdat het sprookje ze weer heeft verbonden met de werkelijkheid.
Het angstwekkende is, dat de meeste volwassenen niet meer weten wat de werkelijkheid is. En hoe kan zo’n moeder of vader of kleuterleidster dan nog een echt waar verhaal vertellen, nadat hij of zij eerst heeft getracht de kleuter de werkelijkheid in het begrip ‘waar’ bij te brengen? Moeder, vader, juf, weet ü werkelijk wat een springbalsamien is? Bent u met de balsamienknop wel eens opengebloeid voor het zonnelicht? Bent u met het zaadje wel eens uit de vrucht gesprongen? Heeft u met de herfstwind de zaden der planten wel eens uitgestrooid, de dorre bladeren van de bomen gerukt en daarmee de dolste spelletjes gespeeld? En wou u mij nou wijs maken, dat Sint-Nicolaas niet bestaat? — Hij bestaat zo waar als u ademhaalt.
Men gaf de naam ‘Sint-Nicolaas’ aan een machtig wezen, dat nu wordt
opgeslokt door een enorm monster, dat in de Noord-Germaanse mythologie ‘Poelspleet’ wordt genoemd. De wereldwolf. De wolf is, evenals in de sprookjes, het beeld van het valse, onharmonische, van het kwaad. Deze alles verslindende Spleet leeft in de bodem waar men niet op staan kan, waar men niet op kan vertrouwen. Het is de ‘Leugenwolf. Hij werkt samen met een ander verschrikkelijk ondier. ‘Nijdhouwer’, de wurgslang, die de hele wereld in zijn greep heeft: de ‘Hebzucht’.
Vroeger hadden alle mensen dit beeldende denken, dat nu de kleuter nog heeft. De ‘grote mensen’ denken nu abstract. Ze hebben het voorstelbare er afgetrokken. Daar zijn ze erg door vooringenomen. Ze zijn er eeuwen lang blij mee geweest. Nu komen er steeds meer ‘volwassenen’, die gaan merken, dat ze door deze eenzijdigheid van de wereldgrond zijn afgeraakt en in een moeras zijn terecht gekomen. Zij hebben de taak, om de Heilige Sint weer in de harten van kinderen én grote mensen te doen herleven. Wie beeldend kan denken, dit wil zeggen levend, scheppend kan denken, beleeft, nu de zomer voorbij is en de oogst is binnengehaald, nu de bladeren neerdwarrelen en de kou z’n intree doet, intensiever dan ooit, de wind.
De wind, die ‘luchtverplaatsing’ is voor de puur intellectuelen, is voor hen een wezen, dat onzichtbaar, maar wel goed voelbaar is. Het is een goddelijk wezen, dat de hele aardbol omhult, dat de wolken draagt en trekken doet of als vruchtbare regendruppels laat neervallen. Het is ook het wezen, dat planten, dieren en mensen laat ademhalen en daardoor in het leven houdt. Aan dit wezen dankt de mens ook de spraak, de taal. En dus ook uiteindelijk het inzicht en de wijsheid, die de mens, dank zij de taal zich veroveren kan. Via de taal kunnen wij, mensen, elkaar weer tot inzicht, tot ‘leven’ brengen. De taal is een geschenk van dezelfde god, die wij allen zo’n achttien keer per minuut, inademen en, omgevormd, uitademen, die wij aan elkaar, ademend, doorgeven. Het is precies dezelfde god, die aan ons venster rukt en over onze huizen rijdt in de wind.
Dit wezen konden de Noord-Germaanse volkeren nog werkelijk beleven in de tijd rondom Christus’ geboorte. Zij noemden dit goddelijk wezen ‘Odin’ of ‘Wodan’. Dat is ‘Adem’ of ‘Waden’ of ‘Woeden’. Wodan reed voor hen op een schimmel, die ‘Sluipsnel’ heette. Het ‘Paard is het ‘Verstand’, Het ‘Witte paard’ is het verstand dat zich op het bovenzinnelijke richt. Wodan droeg een grote ‘Hoed’, het breedgerande hoofddeksel van het hersendenken, dat naar boventoe afsluit van de algemene geestelijke wereld. Hij had een wijde ‘Mantel’ om. Het symbool van de alles omvattende, actieve Ik-kracht. De grauwe ‘baard’ van Wodan was een teken voor macht. Een macht die niet meer zo rein en zuiver is als de sneeuwwitte baard van God-van-het-heelal. In zijn hand hield hij de speer ‘Ga-snel’, de trefzekere gedachte. Heeft u wel eens door een echte schoorsteen van een ‘los hoes’ of van een oude berghut gekeken naar de lucht? Misschien kunt u zich dan nog enigszins voorstellen, hoe men in die vroegere tijden de sterren beleefde en de hemelse gaven verwachtte. Wodan, die vele namen had, (Grauwbaard, Breedhoed, Keurvader, Alvader enz.) is ook de bode van het licht, dat ons nadert in de Midwinternacht. Toen de mensheid, ook in het noorden, deze realiteit minder ‘helder’ ging ‘zien’, toen de goden verduisterd werden in de schemering van hebzucht en behagen, bleef het beeld van de Wind-en Ademgod onuitroeibaar. De christelijke kerk gaf aan de mensen een hemelse ingewijde, een heilige priester-bisschop, een bemiddelaar tussen God en wereld ervoor in de plaats. Dat was een wijze daad van grote betekenis, die door het volk zowel uiterlijk als innerlijk dankbaar kon worden aanvaard.
Aan het uiterlijke beeld is niet veel veranderd. Het over velden en huizen rijdende paard, de eerbiedwaardige baard, de wijde mantel zijn gebleven. De snelle speer werd een waardige staf, de hoed werd een mijter die van boven open is, om de geestelijke wereld binnen te laten.
Sint-Nicolaas is ons de goede hemelgaven blijven brengen. Nooit kan een mens innerlijk vrij worden, als hij in de ketens der wet van oorzaak en gevolg geboeid blijft. Maar nu kan hij vol-bewust de goddelijke geschenken van de natuur, van zon en water en wind, van adem en leven gaan waarderen. Dat is het voornaamste geschenk van Sint-Nicolaas.
Ons Sint-Nicolaasfeest laat ook een keerzijde zien van deze gave.
Het wilde heir van Groete-Grauwbaard werd het span zwarte Pieten, die de straffende roede en zak dragen, maar die door de Sint in toom worden
gehouden. De ‘zak’ en ‘slaag’, dat krijgen we, als we blijven leven zonder het licht van de hemelwereld.
En zo zetten we dan onze schoenen, waarmee we de verbinding met de aardse werkelijkheid onderhouden, bij de haard, en verwachten liefdegaven. En op de avond zelf zitten zelfs de grote mensen rondom deze haard, het ‘hart’ van ons huis. Want de haard is de warmtebron in het Huis-van-de-liefde. De hemelbode, die natuurlijk evenzeer op aarde als in de hemel kan zijn en die nu tijdelijk uit dat verre land is gevaren om ons weer de gaven van hemellicht en -liefde te brengen, klopt bij ons aan . . . Aan het werkelijke kwaad is de kleuter nog niet toe. We moeten bij hem met Zwarte Piet erg voorzichtig zijn. Moraliseren is een bezigheid van het starre intellect. Dat doen de heilige Man en zelfs zijn knecht nimmer. Wij, volwassenen echter, die de enorme reclamestunts en de geldzucht doorzien, laten ons en onze kinderen door Poelspleet en Nijdhouwer de werkelijkheid van Sint-Nicolaas niet ontnemen! En dan is de Heilige weer vertrokken, naar andere mensen. Een zwarte hand heeft voor het laatst nog rijkelijk zijn gaven gestrooid. Een kleintje zegt: ‘Sint- Nicolaas leek sprekend op Oom Henk . . .’ Moeder antwoordt: ‘Warempel, je hebt gelijk! – Wat een eer voor Oom Henk, dat Sint-Nicolaas sprekend op hem lijkt!’ Zo is het ook! Sint-Nicolaas komt uit de hemel, noem het ‘Span’-je of ‘Engel’—land, maar hij neemt de gedaante aan van een mens. Deze abstracte woorden, hoe waar ze ook mogen zijn, en hoe nodig of het ook is dat wij, als wordende mensen en als opvoeders, tot in onze levenshouding toe ons de werkelijke betekenis ervan bewust maken, voor het kind zijn als ze zodanig voor zijn bewuste denkvermogen nog ontoegankelijk. Het kind denkt concreet. Het kind denkt beeldend. Het feest in de tijdkrans, dat het sterkst ons allen oproept tot rekenschap van wat we zijn en wat we kunnen, het feest van de innerlijke gaven, dat brengt logischerwijs een nog sterkere concretisering met zich mee. Hier verschijnen dus Sint-Nicolaas en Pietermanknecht in levende persoonlijkheid om rekenschap te vragen en te lezen in het gouden boek van oorzaak en gevolg. Maar ook, — en dat is voor de kleuter alleen van belang—, om te schenken nieuwe, ware levensmoed en echte, innerlijke blijdschap.
Henk Sweers, Jonas 6, 21-11-1975)
.
Sint-Nicolaas: alle artikelen
Jaarfeesten: alle artikelen
VRIJESCHOOL in beeld: Sint-Nicolaas
.
311-291
.