.
Onderstaand artikel is een bewerkte vertaling uit:
.
Der künstlerische Unterricht. Mahlen und Zeichnen
Jünemann/Weitmann (1e druk 1976)
(Inmiddels is er een 5e druk 2007)
.
Schilderen in klas 6 t/m 8
.
Inleiding in de techniek van het ‘sluieren’, ‘laag-op-laag’ schilderen
.
In het begin van de 6e klas stond het zwart-wit tekenen met houtskool op de eerste plaats waarbij de leerlingen de kwaliteiten van licht en donker leerden waarnemen. Daarna kunnen we weer gaan schilderen.
We beginnen met een nieuwe techniek, die van het ‘laag-over-laag’ schilderen. Duits heeft hiervoor het woord ‘schichten’. Voorlopig komt dit in de plaats van het ‘nat-in-nat’ schilderen.
Het is raadzaam om deze laagjestechniek te gaan gebruiken in een tijd van het jaar waarin het warm is, zowel in de klas als buiten, dat wil zeggen winter of zomer. In de overgangsperiode, in het voor- en najaar, is het anders moeilijk om de bladen te drogen. Voor het aanbrengen van laagjes wordt het papier aan de bovenzijde slechts licht bevochtigd met de spons en vervolgens met plakstrips aan de ondergrond bevestigd. Omdat je pas kunt beginnen met schilderen als het papier helemaal droog is en soepel is uitgerekt, kun je dit het beste de dag ervoor doen. Omdat de nieuwe techniek discipline en uithoudingsvermogen van de leerlingen vergt, moeten ze zichzelf een hele week geven voor dit nieuwe begin, zodat ze er door de dagelijkse praktijk goed aan kunnen wennen. De kleuren worden zeer subtiel met losse penseelstreken aangebracht in kleinere of grotere gesloten vlakken. Om dit te doen, moeten ze dunner worden gemengd dan bij nat-in-nat-schilderen en hebben de leerlingen een klein stukje papier als palet nodig. Daarop kunnen ze eerst de kleuren uitproberen of die helder genoeg zijn. Hoe minder verf je op het penseel gebruikt en hoe meer je het hele blad beschildert, hoe langer je kan werken. Je gaat van vlak naar vlak over het hele vel. Als je het helemaal gevuld hebt, is het eerste hoekje meestal al droog. Je mag in geen geval verder schilderen op een vochtige laag.
In tegenstelling tot de nat-in-nattechniek, waarbij je direct een sterke kleurindruk krijgt, wordt dit bij het aanbrengen van laagjes pas geleidelijk bereikt, waarbij de fijn aangebrachte kleurlaagjes intenser worden door er steeds overheen te schilderen. De kleuren blijven echter transparant en vervagen niet meer als ze drogen. Door zo te schilderen ontstaan er de meest afwisselende mogelijkheden om met iedere kleurnuances te differentiëren.
(niet in Jünemann)
.
Een thema kiezen kan bijv. aan de hand van de periode. Uit ervaring blijkt dat de aardrijkskundeperiode zich er uitstekend voor leent.
Je kan Azië nemen en over China en Japan vertellen. Misschien zijn er leerlingen die er geweest zijn en iets kunnen laten zien van de tekeningen en schilderingen.
Met een eindeloos geduld en in grote rust worden er een paar penseelstreken gezet. Men gebruikt zo’n zes schakeringen: van het helderste zilvergrijs tot aan het diepste zwart.
Deze gradaties worden nu eerst geoefend. Elke leerling krijgt een bakje Oost-Indische inkt en probeert met eenvoudige penseelstreken de verschillende tinten op een vel uit. De zwarte inkt moet worden verdund met een geschikte hoeveelheid water. Ze doen dit op hun kleine papieren palet. Daarna worden op een nieuw vel eenvoudige verdelingen van vlakken met verschillende helderheidsniveaus gemaakt, die zich geleidelijk ontwikkelen tot een soort landschap. Bij het tekenen werd ook met een landschap de licht- en schaduw geoefend. Nu gebeurt dit opnieuw met behulp van de nieuwe techniek met een thema, zoals maanlicht. De etnografische en geografische context wordt met een passende beschrijving in het hoofdonderwijs gegeven. Het is voor de leerlingen niet moeilijk om zich in deze sferen uit het Verre Oosten in te leven. Vaak creëren ze zeer poëtische landschappen die bovendien iets van het zwevende karakter hebben van een ongrijpbare ruimte waarin bergen en water zijn ondergedompeld, zoals te zien is in de Chinese en Japanse inktschilderijen.
Nadat ze een bepaalde tijd zulke inktoefeningen hebben gedaan, kunnen de leerlingen iets soortgelijks proberen met een enkele kleur, misschien eerst met blauw. Het blauw moet uit gelijkmatig aangebrachte lagen worden verdicht, maar wel zo dat verschillende kleursterktes naast elkaar behouden blijven. Vervolgens schilder je nog een maanlandschap in blauw, maar voeg je geel toe voor de maan en de kring eromheen.
De leerlingen, die na een lange pauze voor het eerst de werking van kleur weer ervaren, zijn er erg van onder de indruk en merken dat ze er nu gedifferentieerder mee om kunnen gaan. Ze ontdekken nu ook de grotere rijkdom van de kleur.
Steeds zie je hoe er tegen de achtergrond van de licht-schaduw-oefeningen een compleet nieuwe basis ontstaat.
Sommige leraren beginnen de laagjestechniek nog niet in de onderbouwklassen of pas in het 8e leerjaar.
Het is wel belangrijk dat je het zelf onder de knie hebt, voordat je ermee begint.
Na verloop van tijd kan je het weer loslaten en teruggaan naar nat-in-nat.
De leerlingen kunnen op een bepaald ogenblijk kiezen welke techniek ze voor iets kunstzinnigs willen gebruiken.

Oefeningen met laagjes in de 6e klas bij het vak mineralogie

In ‘Schöpferisches Gestalten mit Farben‘ vind je er ook.
6e klas: alle artikelen
7e klas: alle artikelen
8e klas: alle artikelen
Vrijeschool in beeld: klas 6 Sluiertechniek
klas 7
.
3262-3069
.
.
.
.