Tagarchief: 6e klas geschiedenis Mohammed

VRIJESCHOOL – 6e klas – geschiedenis – Mohammed (4-1-1)

.
Hendrik Jan Bakker, mei 1920
.

AL SIERA

DE BIOGRAFIE VAN DE PROFEET MOHAMMED Bewerkt ten behoeve van het hoofd- of godsdienstonderwijs in de zesde klas van de vrijeschool (Nederland) of steinerschool (België) Ik stierf als een steen en als plant ontsproot ik. Ik stierf als plant en keerde weer als dier. Ik stierf als dier en werd een mensen-ik. Wees niet bevreesd, de dood heeft mij niet tekort gedaan. Als mens tilde hij mij van de aarde Opdat ik engelvleugels dragen mocht. Ook als engel ben ik niet onsterfelijk Want eeuwig is slechts het aangezicht van God. Mijn vleugelslag verheft mij boven engelsferen, Tot onmeetbaar hoge hoogten. Dan roept het niets mij, want in mij klinkt als harpmuziek De roep om wederkeer tot Hem. Mathnawi, boek III, vers XVII Vrij vertaald naar Jalaleddin Rumi: Ich bin Wind und du bist Feuer, in de vertaling van Annemarie Schimmel, uitgeverij Hugendubel, 2003 Lieve kinderen, ik ga jullie het verhaal van Mohammed ibn [1] Abd Allah ibn Abd al-Moettalib, profeet van de islam, vertellen. Toen Abd Allah, de laatste zoon van Abd al-Moettalib, de puberteit had bereikt, besloot zijn vader hem met Amina, dochter van Wahhaab ibn Abd Manaaf, te laten trouwen. Zij gingen beiden naar Wahhaab om hem om de hand van zijn dochter te vragen. Onderweg kwamen zij een vrouw van de Banoe Asad tegen, die, toen zij zijn gezicht zag, bleef staan en tegen hem zei: “Waar ga je heen, Abd Allah?” Hij wees op zijn vader die voor hem liep en zei: “Ik ga met mijn vader mee.” Zij zei: “Ik zou je evenveel kamelen geven als er voor je werden geofferd om je te redden [2] wanneer je mij nu onmiddellijk neemt.” Hij zei: “Ik begeleid mijn vader, ik moet met hem mee.” Zij kwamen bij Wahhaab, aan wie Ab al-Moettalib om de hand van zijn dochter Amina vroeg voor zijn zoon Abd Allah. Wahhaab stemde toe en Abd Allah ging bij Amina binnen en hij bekende haar nog dezelfde nacht. Zij werd zwanger van Mohammed. Toen hij de volgende ochtend onderweg was naar huis, kwam Abd Allah de vrouw van de Banoe Asad opnieuw tegen, die zich de vorige dag aan hem had aangeboden. Deze keer deed ze niets en keerde hem de rug toe. Hij zei tegen haar: “Waarom bied je me vandaag niet aan wat je me gisteravond hebt aangeboden?” Zij antwoordde hem: “Het licht dat jij gisteren uitstraalde is verdwenen. Vandaag verlang ik niet meer naar jou.” Iets later vertrok Aballah naar het land van Sjaam [3] om daar handel te drijven. Op de terugreis ging hij langs bij zijn ooms van moederskant, de Banoe an-Nadjjaar in Jathrib [4]. Hij werd ziek en stierf voordat zijn vrouw was bevallen. Aan het kind dat geboren moest worden, liet hij niet veel na. Amina liet Abd al-Moettalib, de grootvader van de pasgeborene, weten: “Er is een jongen geboren, kom hem zien.” Abd al-Moettalib ging naar haar toe, nam zijn kleinzoon en droeg hem in zijn armen naar de Ka’aba. [5] Hij dankte God dat Hij hem dit geschenk had gegeven en bad Hem zijn kleinzoon welstand en welvaart te geven. Toen bracht hij het kind naar zijn moeder en ging, zoals de gewoonte was, op zoek naar een voedster. Hij offerde een bok en noemde de pasgeborene
1 Ibn = zoon van 2 Abd al-Moettalib had ooit beloofd de jonge Abd Allah te offeren, maar in plaats daarvan liet een waarzegger hem veertig kamelen offeren 3 Syrië 4 De stad werd later Medina genoemd 5 Het centrale heiligdom in Mekka
Mohammed [6]. De mensen verbaasden zich hierover: “Waarom heb je hem niet de naam van je voorouders gegeven?” Abd al-Moettalib antwoordde: “Ik wil hem zowel door God in de hemel als door de mensen op aarde geprezen zien.” […] Tegelijk met ander vrouwen van haar stam had Haliema haar stamgebied verlaten om in Mekka zuigelingen te zoeken en te zogen [.7] Het was een onvruchtbaar jaar geweest en ze hadden niets meer. Haliema zat op een zieltogende ezelin, ze werd begeleid door haar man en droeg haar pasgeboren zoon. Zij sleepten een kameel achter zich aan die geen druppel melk meer gaf. Het kind dat niet door zijn moeders borst werd gevoed, kwijnde weg en krijste zo dat het zijn ouders uit de slaap hield. Zij hoopten dat hun redding uit Mekka zou komen. Toen de groep daar aankwam, werd Mohammed ibn Abd Allah aan de vrouwen getoond. Maar toen ze hoorden dat hij een wees was, weigerde de een na de ander hem te nemen. Zij wilden geen wezen, want ze dachten dat alleen vaders hen gul zouden belonen. Alle vrouwen vonden pasgeborenen om te voeden, behalve Haliema. Toen de groep zich gereedmaakte voor het vertrek zei zij tegen haar man: “Bij God, ik wil niet naar huis zonder een zuigeling mee te nemen. Dan zou ik de enige zonder mijn vriendinnen zijn. Nee, dan neem ik nog liever deze wees!” Haar man zei tegen haar: “Ja, doe dat maar. Misschien wil God dat dit kind ons geluk brengt.” Haliema ging naar Amina bint [8] Wahhaab en kwam met de kleine Mohammed bij haar vandaan. Terug bij haar man ging zij zitten, nam het kind op schoot en gaf het de borst. En haar borst bleek over te vloeien van melk en Mohammed dronk tot hij verzadigd was. Daarop haastte zij zich om haar eigen zoon, die Mohammeds zoogbroeder was geworden, de borst te geven. En haar zoon dronk tot hij genoeg had. Daarna gingen de twee zuigelingen vredig slapen. De man van Haliema ging naar hun kameelmerrie en zag dat haar uiers barstensvol melk waren. Hij begon haar direct te melken en dronk met zijn vrouw tot ze genoeg hadden. Het was lang geleden dat zij zo verzadigd waren geweest. De volgende dag zei hij tegen Haliema: “Bij God, Haliema, je hebt een gezegend wezen genomen. Zie alle weldaden die wij gekend hebben sinds hij bij ons is!” “Bij God, ik hoop het!” Met Mohammed ibn Abd Allah in haar armen besteeg ze haar ezelin. Het dier vertrok zo vlug dat het alle dieren van haar gezellinnen voorbijliep. Toen zij haar hadden ingehaald, zeiden ze tegen haar: “Dit is toch niet dezelfde ezelin als waarmee je naar Mekka bent gekomen?” “Bij God, het is wel dezelfde.”
6 Mohammed: de geprezene, de prijzenswaardige 7 Het was de gewoonde dat zuigelingen uit Mekka de eerste twee jaren aan bedoeïenenvrouwen werden meegegeven, omdat men het stadsklimaat ongezond vond. 8 Bint(i) = dochter van
“Bij God, daar steekt een mysterie achter.” Haliema en haar man gingen naar huis en zagen dat hun grond, die eerder de onvruchtbaarste van het land was geweest, hen voortaan in staat stelde hun dieren te voeden. Zij hadden genoeg melk voor zichzelf en Haliema kon zowel Mohammed voeden als haar eigen zoon. Sindsdien plachten de mensen tegen hun herders te zeggen: “Gaan jullie je schapen maar weiden waar Haliema de hare weidt.” Haliema en haar man hielden niet op God te prijzen en Hem te danken voor de weldaden die Hij hun bewees. Twee jaren gingen voorbij, waarna Mohammed werd gespeend. Volgens het gebruik moest hij nu aan zijn moeder worden teruggegeven. Haliema en haar man brachten hem terug naar Mekka, maar drongen er bij Amina bint Wahhaab op aan hem nog een tijdje te mogen houden. Haliema zei tegen haar: “Waarom laat je hem niet bij mij tot hij sterker wordt? Ik ben bang dat de lucht van Mekka hem geen goed zal doen.” [9] Niet lang daarna speelde Mohammed met zijn vriendjes in een ravijn. Plotseling stonden er drie mannen in witte kleding naast hem. Een van hem pakte hem beet, spleet zijn borst open en haalde zijn hart eruit. Uit het hart haalde hij iets zwarts. Toen waste hij het met sneeuw. Daarna plaatste hij het hart weer in Mohammeds borst. Zijn vriendjes waren intussen in paniek naar Haliema gerend. Haliema kwam aangesneld en trof Mohammed bewusteloos aan. Toen ze hem omhelsde, kwam hij bij. Behalve dat hij bleek zag, was er niets aan hem te zien. De drie mannen waren door God gezonden engelen. Haliema vertrouwde het niet meer en bracht Mohammed terug naar zijn moeder. Die nam hem mee naar haar ouders in Jathrib, waar zij stierf. Ontmoeting met een kluizenaar Nu had de kleine Mohammed ook geen moeder meer en werd hij opgevoed door zijn grootvader Abd al-Moettalib. Die woonde in Mekka dicht bij de Ka’ba, waar hij vaak te vinden was op een mat met zijn kleinzoon naast zich. Toen Mohammed acht jaar oud was, stierf ook zijn grootvader en werd hij in huis genomen door zijn oom Aboe Talib. Aboe Talib was arm en had niet altijd genoeg eten om zijn eigen kinderen en Mohammed te voeden. Toen Mohammed twaalf jaar oud was, vergezelde hij zijn oom op een handelsreis naar Boesra in het zuiden van Syrië. Vlak bij die stad woonde een kluizenaar, Bahiera. Veel handelskaravanen kampeerden voor zijn deur, maar Bahiera keurde hen nooit een blik waardig. Maar toen de karavaan met Mohammed langs kwam, nodigde hij hen uit voor een maaltijd. Iedereen moest komen, zei hij.
9 Hussein pp.177-180
Aboe Talib liet Mohammed achter om op de kamelen te letten, maar de kluizenaar hield aan dat echt iedereen moest komen, ook de jongen die de kamelen hoedde. Tijdens de maaltijd observeerde Bahiera de jongen en hij vroeg Aboe Talib over hem te vertellen. Na de maaltijd nam Bahiera Mohammed apart en vroeg hem wat hij zoal droomde en hoe hij zich voelde. Toen bekeek hij zijn rug en herkende tussen zijn schouders het zegel van de profeten. Hij drukte Aboe Talib op het hart goed voor de jongen te zorgen en op zijn hoede te zijn voor mensen die Mohammed kwaad wilden doen. Huwelijk Toen Mohammed was opgegroeid, stelde Aboe Talib hem voor in dienst te treden van Chadiedja bint Choewailid, een rijke koopmansvrouw die gescheiden was van haar man en jonge mannen in dienst nam om haar karavanen te begeleiden. Dat deed Mohammed en Chadiedja zond hem met een karavaan naar Syrië. Ze stuurde een jongen met hem mee. Toen ze terugkwamen, vroeg ze de jongen hoe Mohammed had gehandeld. Hij was vol lof en vertelde Chadiedja hoe eerlijk hij de mensen bejegende en hoe zorgvuldig hij overeenkomsten sloot en hoeveel voordeel hij wist te behalen. Na enige tijd stuurde Chadiedja een vrouw naar Mohammed toe die hem vroeg: “Wat weerhoudt je ervan te trouwen?” Mohammed antwoordde: “Ik heb niet wat er nodig is om te trouwen.” “Als ik je dat zou bezorgen en je tegelijk schoonheid, rijkdom en deugdzaamheid zou aanbieden, wat zou je dan zeggen?” “Om wie gaat het?” “Om Chadiedja bint Choewailid.” “Maar hoe zou ik dat durven?” “Laat dat maar aan mij over.” [10] Chadiedja droeg de vrouw op Mohammed uit te nodigen en die kwam met zijn oom Aboe Talib om haar hand te vragen. Chadiedja had ook haar oom Amr ibn Asad uitgenodigd. Ter ere van de gasten had Chadiedja een schaap laten slachten en ze lieten zich het maal goed smaken. Toen ze voldaan waren, deed Aboe Talib het aanzoek en Amr ibn Asad stemde ermee in. Mohammed was toen vijfentwintig jaar oud en Chadiedja veertig. Zij hielden erg veel van elkaar en Mohammed had later veel steun aan haar. Ze kregen vier dochters en een zoon, die in de wieg stierf.
10 Hussein p.219
De eerste openbaring Mohammed was een devoot man. Regelmatig trok hij zich terug om te mediteren, vaak in een grot op de berg Hira een half uur lopen buiten Mekka. Toen Mohammed veertig jaar oud was, trok hij zich in de maand ramadan weer terug in die grot. In de nacht werd hij gewekt door de engel Djibriel, die hem opdroeg iets voor te dragen. “Reciteer,” sprak de engel, maar Mohammed zei dat hij dat niet kon. Hij wist niet wat hij moest zeggen. De engel herhaalde de opdracht en drukte Mohammed stevig tegen zich aan, zodat Mohammed bijna geen lucht meer kreeg. Maar Mohammed herhaalde dat hij niet wist wat hij moest zeggen. Nog eens gebood de engel hem te lezen en hij drukte Mohammed opnieuw tegen zich aan. Toen sprak de engel: Reciteer: In de naam van je Heer die schiep. Die de mens schiep uit klei. Reciteer: want edelmoedig is jouw Heer, Die leerde met het Woord, Die de mensen leerde wat zij niet wisten. lqra: bismi rabbik-alladzie khalaq Khalaqa al-insana min ‘alaq lqra: warabbuka-l-akram Alladzie ‘allama bi-l-qalam ‘Allama-l-insana ma lam ya’lam (Koran 96:2-6; luisteren: http://quran.com/96) Mohammed was zo bang dat hij door een demon bezeten was, dat hij zich van het leven wilde beroven. Hij rende de grot uit, maar zag daar aan de hemel de gestalte van de engel, die de hele horizon vulde. De engel sprak: “O Mohammed, jij bent de gezant van God en ik ben Djibriel.” Mohammed keek naar links en naar rechts, maar ook daar zag hij de gestalte van Djibriel. Mohammed rende in paniek naar huis en riep: “Wikkel mij in een deken. Ik ben bezeten!” Chadiedja wikkelde hem in een deken – Mohammad zweette hevig en klappertandde van de koorts – en zei tegen hem: “Ik geloof niet dat je bezeten bent.” Chadiedja ging naar haar neef Waraka ibn Naufal die christen was en vertelde wat Mohammed was overkomen. Deze vertelde haar over Djibriel en geloofde dat wat Mohammed was overkomen waar was. De boodschapper van God kreeg een tijdlang geen openbaring meer. Toen zij zijn verdriet zag, zei Chadiedja tegen hem: “Het lijkt alsof jouw God je in de steek heeft gelaten.” Zijn verdriet was zo groot dat hij verschillende keren op het punt stond om van een rots af te springen. Maar elke keer als hij op de top was aangekomen, verscheen Djibriel om hem te zeggen: “O Mohammed, je bent echt de gezant van God.” Na enige tijd openbaarde Djibriel: Bij de glorie van de dag. En bij de nacht als het donker is. Je Heer heeft je niet verlaten, noch is Hij ontevreden over jou. Voorwaar, het komende uur [11] zal beter zijn voor u dan het vorige. En voorwaar, je Heer zal je geven, en je zult tevreden zijn. Vond Hij je niet als wees en beschermde Hij je? En vond Hij je niet zoekende en leidde Hij je? En vond Hij je niet in armoede en verrijkte Hij je? (Koran 93:2-9) Er gingen enkele jaren voorbij waarin Mohammed meer openbaringen ontving die hij op de markt en bij de ka’aba verkondigde. Hij kreeg steeds meer volgelingen die hun afgoden afzworen en in de Ene God gingen geloven en een beter en eerlijker leven probeerden te leiden. Dat was tegen het zere been van de rijken en machtigen, die zich bedreigd voelden, omdat ze rijk waren geworden door list en bedrog en de armen en zieken aan hun lot overlieten. Toen Mohammed weigerde te stoppen met prediken, boden ze hem het koningschap aan, als hij zijn mond maar hield. Dat weigerde Mohammed natuurlijk. Zolang Mohammeds oom Abu Talib, die de leider van de stam Hasyim was, Mohammed beschermde, durfden de anderen Mohammed niets aan te doen, maar toen die overleed, beraamden ze plannen om van hem af te komen. Eerst boycotten ze de stam Hasyim in de hoop dat die Mohammed aan hen zou uitleveren of zou verbannen. Maar dat gebeurde niet. Hoewel niet alle leden van zijn stam Mohammed volgden, beschermden ze hem toch zoals je een stamgenoot hoorde te beschermen. Na enige tijd overleed ook Mohammeds geliefde vrouw Chadiedja. Mohammed zonk de moed in de schoenen, maar hield toch vol, gesteund door zijn trouwe volgelingen, zijn vriend Abu Bakr en zijn neef Ali, die vanaf het eerste uur in zijn boodschap geloofden. De nachtelijke reis Dit is het verhaal van de wonderbaarlijke reis die de Profeet Mohammed (mogen vrede en Gods zegeningen met hem zijn) met de engel Djibriel naar Jeruzalem en door de zeven hemelen naar God maakte. Oemm Hani, de dochter van Aboe Talib, vertelt. De Boodschapper van God was in mijn huis gaan slapen. Toen hij opstond, vertelde hij dat hij die nacht naar Jeruzalem was gereisd. Toen hij naar buiten wilde gaan, trok ik aan zijn kleren om hem tegen te houden, zodat zijn blote buik zichtbaar werd. Ik zei tegen hem: “O Boodschapper van God,
11 Het komende uur: het hiernamaals
vertel het aan niemand. De mensen zullen je voor leugenaar uitmaken en je kwaad doen.” De Boodschapper van God zei: “Bij God, ik zal het vertellen.” Toen het nieuws zich onder de moslims verspreidde, raakten er een paar zo in de war dat zij hun geloof afzworen. Zij gingen naar Aboe Bakr, Mohammeds beste vriend en trouwste volgeling, en zeiden tegen hem: Weet jij wat je vriend vertelt? Hij beweert dat hij vannacht in Jeruzalem gebeden heeft. Aboe Bakr zei: “Jullie liegen.” Zij zeiden: “Vraag het hem dan zelf.” Aboe Bakr zei: “Nou, als hij het zegt, dan is het zeker waar.” Aboe Bakr ging naar de Boodschapper van God en vroeg hem: “Heb jij aan deze mensen gezegd dat je vannacht in Jeruzalem was?” “Ja.” “Beschrijf het, aangezien ik de stad ken.” De Boodschapper van God beschreef hoe de stad er uitzag en Aboe Bakr zei dat het klopte. Daarna zei hij: “Ik getuig dat jij de Boodschapper van God bent.” “En jij, Aboe Bakr, bent degene die de waarheid verkondigt.” De Boodschapper van God vertelde toen: “Ik werd gewekt door Djibriel, die mij naar een wit, slank rijdier bracht dat op een ezel en een muildier leek en dat stevig op zijn hoeven stond. Hij noemde het al-Boeraak. Ik besteeg het dier en reed weg, samen met Djibriel, die na enige tijd tegen mij zei: ‘Stijg af en bid.’ Ik gehoorzaamde. Toen ik klaar was zei hij: ‘Weet je waar je hebt gebeden? In Tieba [12], de plaats van de ballingschap.’ Verderop zei hij weer: ‘Stijg af en bid.’ Ik verrichtte mijn gebed en hij zei tegen mij: ‘Weet je waar je hebt gebeden? Op de berg Sinaï, waar de Almachtige Mozes, vrede zei met hem, de Tien Geboden gaf.’ Toen we nog verder waren gekomen, herhaalde Djibriel: ‘Stijg af en bid.’ Toen ik klaar was, zei hij weer tegen mij: ‘Weet je waar je hebt gebeden? In Bethlehem, waar Jezus, vrede zij met hem, is geboren.’ Ten slotte bereikten we Jeruzalem. Ik bond al-Boeraak vast aan de ring die de profeten daarvoor altijd gebruikten en ging de moskee binnen. Ik verrichtte een gebed en ging naar buiten. Djibriel kwam met twee kruiken naar mij toe, de ene gevuld met wijn en de andere met melk. Ik nam de kruik die met melk was gevuld en Djibriel zei: ‘Je hebt de goede keuze gemaakt, de keuze van een mens die weet wat goed is.’ Toen bracht Djibriel de profeten bijeen en liet mij voorgaan in het gebed. Daarna verhief hij zich met mij tot in de eerste hemel. Daar aangekomen, verzocht Djibriel om binnengelaten te worden. Een stem vroeg: ‘Wie ben jij?’ ‘Djibriel.’
12 Medina
Wie is er bij je?’ ‘Mohammed.’ ‘Heeft hij zijn opdracht al gekregen?’ ‘Hij heeft zijn opdracht al gekregen.’ Toen werd ons open gedaan en ik stond voor Adam, die mij welkom heette en mij het beste wenste. Daarna verhief Djibriel zich met mij tot in de tweede hemel, waar hij weer verzocht om binnengelaten te worden. Een stem vroeg: ‘Wie ben jij?’ ‘Djibriel.’ ‘Wie is er bij je?’ ‘Mohammed.’ ‘Heeft hij zijn opdracht al gekregen?’ ‘Hij heeft zijn opdracht al gekregen.’ Er werd ons opengedaan en ik stond voor Isa (Jezus), zoon van Meryem (Maria), en Yahya (Johannes), zoon van Zakaria. Zij heetten mij welkom en wensten mij het beste. Zo ontmoetten we Yoesoef (Jozef), Idries, Haroen en Moesa (Mozes). Ten slotte kwamen we bij de zevende hemel, waar Ibrahiem (Abraham) op ons wachtte. Hij leunde tegen het Veelbezochte Huis, waar elke dag zeventigduizend engelen komen om er nooit meer terug te komen. Toen verhief Djibriel zich met mij boven de zeven hemelen. Wij bereikten de Sidrat al Moentaha, de boom van de uiterste grens. Ik werd door een nevelsluier omhuld en ik wierp mij ter aarde. Ik hoorde toen: ‘Op de dag dat Ik de hemelen en de aarde heb geschapen, heb Ik bepaald dat jij en je volk vijftig gebeden per dag moeten doen. Die hebben jij en je volk vanaf vandaag te volbrengen.’ Daarna kwam ik terug bij Ibrahiem, die geen vragen stelde. Maar toen ik terugkwam bij Moesa, vroeg hij mij: ‘Hoeveel gebeden heeft de Heer jou en je volk opgedragen?’ Ik antwoordde: ‘Vijftig.’ Moesa zei tegen mij: ‘Dat is veel teveel voor jullie. Ik ken de mensen beter dan jij. Ik heb met de kinderen van Israël heel wat te stellen gehad. Ga terug naar de Heer en vraag Hem het aantal te verminderen.’ Ik ging terug naar de Heer, die er tien van maakte. Maar Moesa zei dat ik het nog eens moest proberen en ik bereikte dat het er vijf werden. Toch zei Moesa: ‘Ga nog een keer terug naar de Heer en vraag hem het aantal nog meer te verminderen. Hij heeft de kinderen van Israël twee gebeden opgedragen en die doen ze niet eens.’ Maar ik weigerde omdat ik me zou schamen om nog verder aan te dringen.” De mensen die naar de Boodschapper van God geluisterd hadden, zeiden: “Geef ons bewijzen, Mohammed. Wij hebben nooit zoiets wonderlijks gehoord.” De Boodschapper van God zei: “Toen ik naar het land van Sjaam (Syrië) ging, vloog ik boven de kudde van Ibn Foelaan. Een van de kamelen schrok van mijn rijdier en ging er vandoor. Vanuit de lucht riep ik naar de mensen waar ze hun kameel terug konden vinden. En aan de voet van de berg Sahfaan heb ik slapende mensen gezien, naast wie een kruik vol water stond met een deksel erop. Daar heb ik uit gedronken. Deze mensen dalen op dit ogenblik van al-Baidaa’ af naar de pas van atTan’iem met een grijze kameel die voorop loopt en die twee zakken draagt. De ene is zwart en de andere veelkleurig.” De mensen gingen naar de pas van at-Tan’iem. Zij zagen de zwarte kameel met de twee zakken. Daarna ondervroegen ze de mensen, die vertelden dat zij hun waterkruik hadden gevuld voordat ze waren gaan slapen, maar dat hij leeg was toen ze wakker werden, hoewel het deksel er nog steeds op lag. Ten slotte ondervroegen ze de mensen van Ibn Foelaan die net in Mekka aankwamen, en zij bevestigden de woorden van de Boodschapper van God: Bij God, hij zegt de waarheid. Nadat een van onze kamelen schrok en wegliep, hebben we een stem gehoord die ons naar hem toe leidde en het ons mogelijk maakte hem weer te vinden. Geprezen zij Hij die Zijn dienaar bij nacht een reis liet maken van de heilige moskee naar de verste moskee, waarvan Wij de omgeving gezegend hebben om hem iets van Onze tekenen te tonen. Hij is de horende, de ziende. (Koran 17:1) Het vertrek naar Jathrib Op een nacht had Mohammed een droom waarin hij zichzelf naar een land zag vertrekken waar rijkelijk water vloeide en volop palmen en fruitbomen groeiden. Hij vertelde zijn droom aan zijn metgezellen en die verheugden zich erover, want zij zagen daarin een gunstig voorteken van een aanstaande verlossing, die een eind zou maken aan het lijden dat ze in Mekka te verduren hadden. Kort daarna ontving hij een delegatie uit Jathrib, een oase die ongeveer een week reizen per kameel ten noorden van Mekka ligt. Jahtrib was een vruchtbare oase, beroemd om zijn dadelpalmen en groentetuinen en werd bewoond door verschillende Arabische en Joodse families. De Arabische families hadden vaak onenigheid en dan traden de Joodse families als scheidsrechter op. Maar nu kwamen ze er niet meer uit en zochten ze een onafhankelijke scheidsrechter. Ze hadden gehoord dat Mohammed eerlijk en wijs was, dus vroegen ze hem om zijn oordeel. Ook nodigden ze hem uit om met zijn volgelingen bij hen te komen wonen, want ze hadden gehoord in welke moeilijke omstandigheden ze in Mekka leefden. Mohammed zond een zijn volgelingen naar Jathrib, maar bleef zelf in Mekka, omdat hij op een openbaring van God wilde wachten. Op een middag werd Mohammed door de engel Djibriel gewaarschuwd: “Slaap vannacht niet op het bed waarop je gewoonlijk slaapt.” Mohammed ging meteen naar zijn trouwe vriend Abu Bakr en vertelde hem: “God heeft mij toegestaan Mekka te verlaten.” Abu Bakr vroeg: “Zullen wij samen vertrekken?” Mohammed antwoordde: “Ja, wij zullen samen vertrekken.” Wat was er aan de hand? De vertegenwoordigers van de verschillende families van Mekka waren bij elkaar gekomen en hadden besloten Mohammed uit de weg te ruimen. Om later ruzie te vermijden, zou iedere familie een jongeman sturen, die Mohammed tegelijkertijd met een scherp zwaard moesten doorsteken. Niemand zou dan weten wie de dodelijke slag had toegebracht. Abu Bakr en Mohammed maakten alles gereed voor hun vertrek. Mohammed vroeg zijn neef Ali om die nacht in zijn bed te slapen en zijn geliefde groene mantel aan te trekken, zodat hij op Mohammed leek. Als hij naar buiten kwam, zouden de mannen hem herkennen en hem niets doen. Ondertussen verzamelden de jongemannen zich voor de deur van Mohammeds huis. Toen die naar buiten kwam, nam hij een handvol zand en wierp dat in hun gezicht, waardoor ze verblind werden en niet merkten dat Mohammed vertrok. Toen ze weer konden zien, zagen ze iemand op het bed van Mohammed liggen en dachten ze natuurlijk dat het Mohammed was. Ze drongen het huis binnen, maar keken beteuterd op hun neus toen ze ontdekten dat het Ali was. Intussen waren Mohammed en Abu Bakr op twee vlugge kameelmerries vertrokken. Zij verschuilden zich drie dagen lang in een grot buiten Mekka, waar een herdersjongen hen voedsel bracht. Mohammeds vijanden stuurden mensen uit om hem op te sporen, maar de een na de ander kwam onverrichter zake terug. Twee mannen ontdekten de grot waarin de twee verscholen zaten, maar omdat er een spinnenweb voor de ingang was geweven, dachten ze dat Mohammed daar niet kon zijn en ze gingen weg. Opgelucht haalden de twee adem en snel vertrokken ze in de richting van Jathrib, waar ze door hun vrienden en een groot aantal van de inwoners van Jathrib die inmiddels tot de islam waren bekeerd, met grote vreugde werden onthaald. Iedere dag stonden enkele kinderen op de uitkijk om te zien of Mohammed al kwam. Toen ze hem zagen aankomen, riepen ze de bewoners uit hun huizen en iedereen verzamelde zich langs de kant van de weg. Toen Mohammed naderde, zongen ze dit lied: Tala’al-Badru ‘alayna, min thaniyyatil-Wada’. Wajab al-shukru ‘alayna, ma da’a lillahi da’. Ma da’a lillahi da’. Ayyuh al-mab’uthu fina, ji’ta bi-l-amri-l-muta’. Ji’ta sharraft al-Madinah, marhaban ya khayra da’! Marhaban ya khayra da’! De volle maan is opgekomen uit de vallei van Wada’. Wij tonen onze dankbaarheid over de boodschap van Allah. O jij die te midden van ons opgroeide, je hebt je opdracht vervuld. Je bent gekomen om deze stad te eren. Welkom, wees welkom in ons midden![13] Iedere familie wilde Mohammed in huis nemen, maar om jaloezie te vermijden liet Mohammed het oordeel liever aan God over. Hij liet de teugels van zijn kameel los en op de plek waar de kameel knielde, liet hij een huis bouwen. Op die plaats verrees wat later een moskee, die nu de moskee van de Profeet wordt genoemd. Links: Reconstructietekening van de eerste moskee. Links zie je de kamers van Mohammed en zijn vrouwen. Een dak van palmbladeren bood schaduw om onder te bidden. De moskee werd gebruikt voor alle belangrijke religieuze en politieke bijeenkomsten. Ook bood hij onderdak aan armen en reizigers. Rechts: Een foto van de moskee zoals die er nu uitziet. Onder de groene koepel liggen Mohammed en zijn trouwste metgezellen begraven. Het verdrag van Medina Om orde op zaken te stellen en een einde te maken aan de onderlinge strijd van de verschillende bevolkingsgroepen van Jathrib, dat later Medinat-un-Nabi (de stad van de profeet) genoemd werd, of kortweg Medina, stelde Mohammed een overeenkomst op waaraan alle groepen zich moesten houden. Het begon zo: “In naam van God, de schepper, de barmhartige. Dit is een document van de profeet Mohammed aangaande de betrekkingen tussen de gelovigen van Qoeraish en Jathrib en degenen die hen volgen, zich bij hen hebben aangesloten en zich tezamen met hen inspannen. Zij zijn één gemeenschap, met uitsluiting van andere mensen.” [13] Luisteren: https://www.youtube.com/watch?v=BXBdyJitlRk Er werd in bepaald dat zij elkaar zouden steunen en beschermen tegen aanvallen van buitenaf. Buit verkregen in de strijd werd door Mohammed eerlijk verdeeld. Er werd geen onderscheid gemaakt tussen moslims, joden en ongelovigen. Zij mochten elkaar niet doden. Deden zij dat toch, dan mocht iemand van de ander familie gedood worden, tenzij de familie van het slachtoffer akkoord ging met bloedgeld. Meningsverschillen moesten aan de profeet worden voorgelegd, die een bemiddelaar aanstelde of zelf een oordeel uitsprak. Strijd om Mekka Mohammeds vijanden in Mekka waren bang dat de moslims in Medina terug zouden komen om Mekka te heroveren. Het was immers Mohammeds bedoeling om het veelgodendom te vernietigen en de Ka’aba, het heiligdom dat het centrum van Mekka vormt, van afgodsbeelden te zuiveren. En mdaarin vergisten ze zich niet! Daarom vormden ze een leger dat de moslims in Medina moest verslaan. Er werden verscheidene veldslagen geleverd, waarbij de moslims soms door engelen geholpen werden. Er werden vele verliezen geleden, maar uiteindelijk werd een wapenstilstand gesloten. Na afloop van die wapenstilstand trokken de moslims Mekka binnen en gaven de inwoners zich over. Wie moslim wilde worden, deed dat en wie geen moslim wilde worden, kon zijn oude geloof binnenshuis blijven volhouden, zolang hij anderen daar maar niet mee lastig viel. De Ka’aba werd gezuiverd en geen ongelovige mag daar tot aan de dag van vandaag bij in de buurt komen. De preek van de afscheidsbedevaart Tien jaar na zijn vertrek naar Medina ging de profeet Mohammed op bedevaart naar Mekka. De handelingen die de Profeet toen uitvoerde, vormen nu nog steeds de vaste rituelen van de bedevaart. Bovendien hield de Profeet op de negende dag van de maand dzoel-hiddja in de vallei van de berg Arafah een toespraak. O mensen! Luister aandachtig naar mij, want ik weet niet of ik na dit jaar hier weer onder jullie zal zijn. Luister daarom nauwkeurig naar wat ik zeg en geef deze woorden door aan degenen die vandaag niet aanwezig konden zijn. Jullie bloed en jullie bezittingen zijn net zo heilig en onschendbaar als de heiligheid van deze dag, deze maand en deze stad. Kijk, alles wat tot de dagen van onwetendheid behoorde, wordt onder mijn voeten volledig afgeschaft! Afgeschaft is ook de bloedwraak uit de dagen van onwetendheid. Onze eerste eis van bloedwraak die ik heb afgeschaft, is die van de zoon van Rabiah ibn al-Harith, die gevoed werd door de stam van Sa’d en gedood door Hoedhail. En de woekerrente is afgeschaft, en de eerste woekerrente die ik afschaf is die van ‘Abbas ibn ‘Abd-al-Moettalib. Jullie kapitaal is aan jullie om te houden. Doe er geen onrecht mee en jullie zal geen onrecht gedaan worden. Geef de goederen die aan jullie zijn toevertrouwd altijd weer terug aan hun rechtmatige eigenaren. Niets van de ene moslim is toegestaan aan een andere moslim, tenzij het vrijwillig gegeven is. Doe elkaar daarom geen onrecht aan. Vrees Allah wat betreft vrouwen! Jullie hebben hen tot echtgenotes genomen onder het vertrouwen van Allah en gemeenschap met hen is jullie toegestaan door de woorden van Allah. Jullie hebben recht op hen, en jullie hebben er recht op dat zij iemand die jullie niet mogen, niet toestaan op jullie bed te zitten. Doen zij dat toch, dan mogen jullie hen tuchtigen, maar niet hard. Hebt het goede met hen voor, want zij zijn gevangenen bij u die niets van zichzelf bezitten. U hebt hen ontvangen van God, als een toevertrouwd goed. Mannen, het is waar dat jullie bepaalde rechten hebben over jullie vrouwen, maar zij hebben ook rechten over jullie! Bedenk dat jullie hen als jullie echtgenotes hebben genomen, alleen onder het vertrouwen van Allah en met Zijn toestemming. Als zij zich houden aan hun plicht jegens jullie, dan hebben zij het recht om te worden gevoed en gekleed met vriendelijkheid. Behandel jullie vrouwen goed en wees lief voor hen, want zij zijn jullie partners en toevertrouwde helpers. De hele mensheid stamt af van Adam en Eva. Dus is een Arabier niet beter dan een niet-Arabier en een niet-Arabier is niet beter dan een Arabier. Evenmin is een blanke beter dan een zwarte, en een zwarte is niet beter dan een blanke. Alleen wat betreft vroomheid en het doen van goede daden kan de ene moslim zich onderscheiden van de andere! Leer dat elke moslim een broeder is van alle andere moslims en dat de moslims samen een broederschap vormen. Doe niemand pijn, opdat niemand jullie pijn zal doen. Aanbid Allah, verricht de dagelijkse vijf gebeden, vast tijdens de maand ramadan en betaal uit je bezittingen de zakaat. Verricht de bedevaart als jullie daartoe in staat zijn. De ongelovigen geven zich over aan het vervalsen van de kalender opdat zij datgene wat Allah heeft verboden, geoorloofd kunnen maken, en te verbieden wat Allah heeft toegestaan. Allah heeft de maanden vastgesteld op twaalf; vier daarvan zijn heilig. Weet dat jullie je Heer zullen ontmoeten en dat Hij jullie zeker zal afrekenen op jullie daden. Bedenk dat jullie op een dag voor Allah zullen verschijnen en jullie daden moeten verantwoorden. Pas dus op! Raak niet van het rechte pad af nadat ik weg ben. Geen enkele profeet of boodschapper zal meer na mij komen en geen enkel nieuw geloof zal meer worden geboren. Wees daarom verstandig, o mensen, en probeer mijn woorden aan jullie te begrijpen. Ik laat twee dingen voor jullie achter: de Koran en mijn voorbeeld. Als je deze volgt, zul je nooit op het verkeerde pad terechtkomen. Tot slot reciteerde de Profeet een openbaring van Allah, die hij net had ontvangen: Heden heb Ik jullie godsdienst voor jullie voltooid, Mijn genade aan jullie volledig bewezen en de islam (overgave) als godsdienst voor jullie goedgevonden. (Koran 5:3) Degenen die naar mij luisteren, moeten mijn woorden doorgeven aan anderen, en diegenen weer aan anderen. En mogen de laatsten mijn woorden beter begrijpen dan diegenen die direct naar mij luisteren. O Allah, wees mijn getuige, dat ik Uw boodschap heb meegedeeld aan Uw mensen! Ik heb het Boek van Allah voor jullie achtergelaten en als jullie daaraan vasthouden, zullen jullie nooit dwalen. En als jullie op de Opstandingsdag over mij ondervraagd worden, wat zullen jullie dan zeggen? Zijn toehoorders zeiden: “Wij zullen getuigen dat u de boodschap hebt overgedragen en ons wijze raad hebt gegeven.” De Profeet hief toen zijn wijsvinger op, wees naar de mensen en zei drie keer: “O Allah, wees mijn getuige!” Korte tijd later is de profeet overleden. Luisteren: http://quran.com/1 in de Koran terugkomt), dus ook met klei kunnen worden vertaald. Qalam wordt meestal met ‘pen’ of ‘schrijfriet’ vertaald. Dr. Ibrahim Abouleish (oprichter van het Sekem-initiatief in Egypte) vertaalt het met ‘logos’, wat hier logischer lijkt. Soera al-lchlaas geeft heel krachtig de kernboodschap van de Koran weer: God is één, dat wil zeggen dat er slechts één god is – er zijn er niet meerdere – maar ook dat alles één is, dus met elkaar verbonden, van elkaar afhankelijk, holistisch. “Zijn troon strekt zich uit over de hemelen en de aarde” en “Wij zijn hem (de mens) nader dan zijn halsslagader” leert de Koran elders. God is alomvattend, maar dat wil ook zeggen dat alles goddelijk is, heilig. Dit leert ons eerbied voor de schepping, want God openbaart zich in ieder wezen, hoe nietig ook, en zelfs in de dode natuur. God kan dan ook gekend worden door de schepping te kennen. God is tijdloos, zonder begin en einde, zonder ouders en zonder nakomelingen. Moslims aanbidden alleen God, maar hebben eerbied voor de overige geestelijke wezens (malaikat – engelen, en natuurwezens – djinn). Een hoofdstuk dat heel duidelijk naar het leven na de dood verwijst is soera al-lntifaar. Aan het einde der tijden, als het universum vergaat, staan de mensen voor het jongste gericht en wordt geopenbaard wat het leven voor betekenis heeft gehad. Dan worden de graven geopend, komen de doden tot leven en worden de mensen beoordeeld op hun goede en slechte daden, met als consequentie een eeuwig leven in de hel (het vuur) of in het paradijs (de tuin). (Dit hoeft niet per se definitief te worden opgevat. Er zijn passages die erop wijzen dat een gestorvene direct na zijn dood wordt ‘beoordeeld’ en in een nieuw leven terugkeert. Wat de mens volgens de beschrijvingen in de Koran in het graf beleeft, lijkt sterk op wat Rudolf Steiner over het Kamaloka meedeelt. De Koran laat het bestaan van reïncarnatie en karma open.) Het is dus zaak je op het leven na de dood voor te bereiden door het doen van goede werken en gebed, zonder echter het aardse leven te verzaken. “Bereid je voor op het hiernamaals alsof je morgen zult sterven, maar werk in het hiernumaals alsof je het eeuwige leven hebt.” Soera al-‘Asr geeft kernachtig weer wie als moslims (gelovigen) te beschouwen zijn: zij die vertrouwen hebben, het juiste doen, geloven in de waarheid en niet opgeven. Het begrip moslim (degene die zich – uit vrije wil – aan het Hogere onderwerpt) zou je best ruimer mogen nemen dan alleen degenen die de geïnstitutionaliseerde godsdienst Islam volgen. ‘Asr is letterlijk de tijd van het namiddaggebed, maar wordt hier meestal vertaald met de stroom van de tijd, de tijd die voorbij gaat. Wa al ‘asr betekent: Bij de tijd! (een bezwering: bij de tijd, ik zweer dat…). Deze soera herinnert aan een andere passage, waarin God de bergen (het mineraalrijk) en de bomen (het plantenrijk) het beheer over Zijn schepping aanbiedt. Maar zij weigeren, omdat zij beseffen dat ze in deze enorme verantwoordelijkheid tekort zullen schieten. De mens echter, overmoedig, neemt het aanbod aan. Maar ook de meeste mensen schieten hierin (nog) tekort. Er zijn slechts enkele ingewijden en spirituele leiders die de verantwoordelijkheid werkelijk kunnen dragen. De islam kent drie stadia van spirituele ontwikkeling: moslim, mo’min en mohsin, vergelijkbaar met de antroposofische begrippen gewaarwordingsziel, verstands-gemoedsziel en bewustzijnsziel. Moslim is degene die zich trouw aan de voorschriften houdt en verder geen vragen stelt. Mo’min is degene die deze tracht te doorgronden en van binnenuit tot het volgen van het juiste komt (je zou dat een leerling-stadium kunnen noemen). Mohsin is een ingewijde die de geheimen van het leven kent. Een traditioneel Egyptisch lied om samen te zingen: Bronnen: Mahmoud Hussein: Al Síra – de verhalen over Mohammed in Mekka, uitgeverij Bulaaq, 2008 Pé Mullenders: De preek van de afscheidsbedevaart van de profeet Mohammed “O Allah, wees mijn getuige!”, in: Al Nisa, Islamitisch maandblad voor vrouwen, december 2006 Het lied hierboven: Sekem, Egypte Mondelinge en schriftelijke bronnen waarvan ik mij de titel niet meer kan herinneren. De afbeelding bovenaan en hieronder is calligrafie in Kufisch schrift. Er staat: Bismillahirrahamaanirrahiem (In naam van God, de Schepper, de Genadevolle) . 6e klas geschiedenisalle artikelen 6e klas: alle artikelen Geschiedenisalle artikelen VRIJESCHOOL in beeld6e klas geschiedenis
. 3495-3283
. . . .