VRIJESCHOOL – 1e klas – heemkunde (2-4)

.

Aan de heemkunde in klas 1 en 2 stelt Steiner bijzondere eisen.

Het gaat in de eerste plaats zeker niet om kennisoverdracht, zoals dat bv. al gaat gelden voor de heemkunde van klas 3.

Hij maakt een duidelijk onderscheid tussen het kind vóór en na het 9e jaar.

Zijn uitspraken uit de pedagogische voordrachten daarover, vind je hier.

Vóór het 9e jaar zou alles ‘beeld’ moeten zijn; zouden er fantasievolle verhaaltjes moeten worden verteld waarin je iets mee wil geven over de aard van bv. de natuur.
Dat valt niet mee. Waar vind je die stof, moet je het zelf bedenken en hoe dan?

Daar vind je hier voorbeelden van.

Ik vond nog een heel oud voorbeeld. Je voelt het streven van de leerkracht om aan de kinderen iets duidelijk te maken van wat ‘vuur’ is.

De ene leerkracht zal het wat vinden, de andere niet: het is ook van onszelf afhankelijk wat we eraan beleven. Soms voelt het als te gekunsteld, te bedacht, soms weer als te ‘heilig’, kortom, niet zo eenvoudig dus.

.

T.Hissink, Ostara jrg. 1 nr. 2 dec. 1927
.

HET VUUR EN HET ZONLICHT
.

Een zonnestraal viel de kamer binnen en bescheen juist het vloermatje, dat voor de kachel lag. In de kachel was het vuur, dat knetterde en vonkte en sprong. Daarbuiten scheen rustig en lichtend de zonnestraal.

Het vuur was een beetje nieuwsgierig en soms maakte het een groter sprongetje, dan kon het net over de rand van het kacheldeurtje in de kamer kijken. Daar zag het de zonnestraal staan. Toen werd het vuur steeds onrustiger en steeds nieuwsgieriger; ten laatste kon het zich niet meer bedwingen en begon een gesprek. Het vroeg de zonnestraal: „Wat ben jij er voor een en wat doe je hier?”

„Ik ben een zonnestraal en kom uit de hemel om de mensen licht te brengen.”

„Dat kan ik anders ook wel,” zei het vuur een beetje minachtend, „als de baas goed hard in me pookt, dan komen er allemaal prachtige lichtvlammetjes, rood en geel en blauw en groen! Ik kom nu wel niet direct uit de hemel, maar ik geloof toch, dat ik wel iets met de hemel te maken heb, ik herinner het me niet precies meer, m’n geheugen wordt steeds slechter door al die hitte binnen in me.”

„Maar ik kan nog meer dan licht geven,” sprak de zonnestraal weer, „ik geef ook warmte en daar zijn de mensen zo blij mee, ze vangen elk zonnestraaltje dankbaar op, vooral in de winter. En niet alleen de mensen, ook de dieren en de planten, allen zijn ze verheugd als ik kom om hen te verwarmen.”

„Maar dan zijn we zeker hetzelfde! Jij geeft licht en ik geef licht, jij geeft warmte en ik geef ook warmte. Het enige verschil is, dat jij uit de hemel komt en ik uit de kachel.”

De zonnestraal antwoordde niet dadelijk, maar peinsde lang, terwijl de stofjes in de kamer op en neer dansten en het vuur knetterde en vonkte.

Toen sprak hij: „Ik zal je mijn grote geheim vertellen. Het is een geheim, dat ik alleen vertel aan diegenen, die van me houden.

Jou zal ik het zeggen, omdat ik wel geloof, dat ik je kan vertrouwen.

Luister goed: ik ben het, die de planten laat groeien, zonder mij zou er geen plant bestaan op de ganse aarde. Ik doe de knoppen openspringen in het voorjaar, ik fluister de bloemen in, dat ze naar buiten moeten komen, ja, zelfs de grote bomen, die zo hoog worden als een huis, zij zouden niet kunnen bestaan zonder mij. Het leven van de planten is mijn werk.”

Toen keek het vuur danig op z’n neus, het werd ineens heel onderdanig en kroop bijna helemaal weg in de kachel.
„Neen,” zei het, „dan zijn we toch niet hetzelfde, want ik kan geen bomen laten groeien. Als ik bij een boom kom, dan kruip ik stil en voorzichtig naar hem toe en knetter zo zachtjes mogelijk en dan sla ik mijn armen om hem heen, zo stijf, zo stevig, dat hij bijna stikt en ik fluister hem toe: „Je moet branden, je moet branden, je moet een vlam worden als ik!”
Want mijn hoogste wens is, alles aan mij gelijk te maken. En de boom vliegt in brand, of hij wil of niet, en wordt een vlam, torenhoog! Naar den hemel streeft de vlam en op de grond blijft alleen maar een hoopje as.”

En het vuur in de kachel flakkerde hoog op, de laatste blokjes verbrandden, wild vlamden ze.

„Het is dus zo,” sprak de zonnestraal, „dat jij vernielt wat ik maak, dat jij naar de hemel terug wilt sturen, wat ik op de aarde breng.”

„Ja, zo is het!” riep het vuur. Het lichtte nog eens op voor de laatste maal. Toen was het uitgebrand.

.

Heemkunde 1e klasalle artikelen

Rudolf Steiner over heemkundealle artikelen

1e klasalle artikelen

Vrijeschool in beeld1e klas

.

3407-3205

.

.

.

.

Plaats een reactie

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.