.
kerstmis
.
Reeds weken tevoren kondigt allerlei lawaai in de lucht, van toeterende horens en luidende klokken, het naderende kerstfeest aan. De boze geesten die in de midwintertijd op aarde rondzwierven, moesten op een afstand worden gehouden.
‘De doden leupen d’r weer’ zei men in 1942 nog in Twente, maar men ging niet zo ver als de Zweedse boeren die spijs en drank voor deze doden neerzetten. Menige kerkklok draagt het opschrift: ‘Daemones fugito’ = ik verjaag de duivelen.
Doch thans worden deze klanken opgevat als een vreugdebetoon over de geboorte van Christus.
Als de Twentse boer uit zijn midwinterhoorn de langgerekte, zwaarmoedige
oe-klanken haalt, voelt hij zich een met de herders van Bethlehem.
Van de eerste adventszondag (vier weken vóór Kerstmis) af tot de octaaf van Driekoningen toe bespeelt hij, vooral ’s avonds na negen uur, zijn instrument, waarbij de put als klankbord dienst doet. Laat een hoorn zijn geschal horen, dan wordt dit weldra van alle kanten door hoornblazers beantwoord. Zelf maakt de Twentse boer zijn hoorn uit twee gebogen stukken hout, die hij uitholt en met twijgen samenkuipt. Deze hoorn, van een tot anderhalve meter lengte, heeft zowel in uiterlijk als in klank veel overeenkomst met een Alpenhoorn, om van de prehistorische ‘lure’ uit Scandinavië niet te spreken. Dit midwinterblazen, voor enkele decennia nog alleen in het oosten van Twente een stervend gebruik, is nu volop aan het herleven, ook in de Gelderse Achterhoek (groepjes in Eibergen en Winterswijk). Men maakt weer nieuwe midwinterhoorns, volgens het oude procedé, en in Twente is er sinds 1953 een actieve ‘Kemissie veur ’t mitteweenterhoornbloazen’, die ook, sinds 1968 ‘junioren concoursen’ organiseert. Er zijn nu al meer dan 200 blazers in Twente! En een ‘midwinterhoorn-maker’ vertoont tegenwoordig zijn kunnen op ‘Oudhollandse folkloremarkten’ van Heeze tot Bredevoort.
.
Kaart van Everhard Jans van het midwinterhoornblazem in Twente
.
Midwinterhoorns
.
Ook kan men in deze streek door de stilte van de kerstnacht de klokken horen beieren (Borne, Denekamp, Markelo). Dan zingen de drie klokken, de kerkklok, de doodsklok en de brandklok, samen hun kerstlied, dat veel ritmisch gevoel van de klokkenluider vereist. Dit kerstlied is helaas op vele plaatsen in woest gelui ontaard, zodat het werd afgeschaft.
Zo ging het ook met het Thomasluiden: het ‘duveljoagen’ in Groningen en ‘plus liede’ (zuiver luiden) in de zuidoosthoek van Friesland. Op sommige oude kerkhoven bij de kerk, ook wel zonder naburige kerk, kan men een zware overkapte stellage van balken en binten zien staan, enkel of dubbel, waarin een of twee klokken hangen. Dit is de klokkenstoel, het klokkenhuis, ouder dan de kerk en buiten kerkelijk verband, eigendom van de oudere dorpsgemeenschap, die er de vrije beschikking over heeft. Van Sint-Thomas (21 december) af tot Nieuwjaar toe plachten de dorpelingen dag en nacht onafgebroken de klokken te luiden. Ploegen van ‘klokstjürders’, opgeschoten jongens en mannen, wisselden elkaar zwijgend af, ieder stond erop ‘zijn beurt af te luiden’. Met ontbloot hoofd werd de kunst beoefend, door de een met meer geluk dan door de ander.
Het is te begrijpen dat dit aanhoudend gelui een plaag was voor de omwonenden. Ook ontaardde de gewijde handeling door drankmisbruik en woeste dansen om de klokkenstoel, want ook de meisjes kwamen erbij. (Het verwante klokluiden in Schildwolde en Siddeburen, in Nieuwjaarsnacht, geschiedt bij de gratie van het ‘kloksmeer’ – opgehaald geld waarvoor jenever gekocht wordt.) Zo werd het duiveljagen verboden, maar het ging toch door. Het eind van het lied was dat de burgemeester de touwen, de klepel en eindelijk de klokken deed wegnemen, ja, ten slotte het klokkenhuis wel deed afbreken. Doch te Oudehorne heeft de burgemeester na het Sint-Thomasoproer van 1892 de klok weer teruggegeven, ‘omdat hier valt te rekenen met een algemeen dorpsgevoelen’. Nog steeds is het Sint-Thomasluiden in gebruik. Er is nu zelfs, sinds 1966, ieder jaar een luidwedstrijd voor de jeugd (met een zilveren klokje als wisselprijs) te Oudehorne, waar men in 1976 langs de autoweg het Sint-Thomasluiden zag aangekondigd. Vreedzame kerstgebruiken treft men elders aan.
In Limburg legde men in de kerstnacht (24 december) haver buiten en gaf die als heilmiddel aan de paarden. Te Beek legde men een snede brood buiten, ‘opdat de Paus te Rome die zal zegenen’; ieder familielid at er op kerstdag een stukje van om die zegen deelachtig te worden. Het laatst kwam dit gebruik rondom Puth voor, en wellicht wordt het nog wel op een enkele boerderij in ere gehouden. Algemeen is in het oosten van ons land het geloof, dat de koeien in de stal klokke twaalf even opstaan en kunnen spreken, dat putwater wordt tot wijn, dat de bijen zingen tot Gods lof, en dat de appelbomen bloeien. Doch wie dit zou willen horen of zien, zou het met de dood bekopen. Ook is er sprake van ‘reizend zoad’, zaad dat door de deelzolder valt, en aangeeft hoe groot volgend jaar de opbrengst is.
In de Twentse en Gelderse Achterhoek is op de heilige avond Derk met de beer, ook Derk met de honden of Beerneke van Galen genoemd, het schrikbeeld. Volgens sommigen zou Derk herinneren aan Diederik’ van Bern (Verona), Theodorik de Grote, koning der Oost-Goten, in de middeleeuwse epiek welbekend, De tweede naam is die van de Munsterse bisschop
(‘ Bommenberend’), die in 1672 zijn hoofd stiet voor Groningen (28 augustus). Op de akkers rijdt hij rond om alles wat buiten rondslingert, te vernielen. Daarom moet alle landbouwgereedschap in de schuur zijn geborgen en alles om het huis in orde zijn. Ja, men zette zelfs de landhekken wijd open, om hem doortocht te verlenen! Ook moet op Midwinteravond (24 december) alle werk waarbij een rad draait, stilstaan. Dan zit men gezellig om de haard; in protestantse gezinnen las de huisvader voor uit de Bijbel en zong men gezamenlijk psalmen of gezangen. Maar dit is grotendeels verleden tijd, evenals de ‘karststobbe’ in de open haard, waaruit na drie dagen een haas springt, die het dan pas te warm wordt.
In de katholieke kerk werd volgens oud gebruik tussen Kerstmis en Driekoningen door de parochianen in de landstaal gezongen. Nog heffen in de Sint-Plechelmuskerk te Oldenzaal alle aanwezigen in de heilige mis van de kerstnacht een dertiende-eeuws kerstlied aan:
Een kindeken zo lovelik
Is ons geboren heude
Van ene jonkvrouw zuiverlik:
God troost ons arme leude.
Was ons dat kindeke niet geboor’n,
Zo waren wie alletemale verloor’n.
Dat heil is onzer allen
Heil, doe zeuten Here Jesu Christ,
Das doe bie mensen geboren bist.
God beheud’ ons veur die helle.
Het is duidelijk dat dit lied terug gaat op de Latijnse hymne ‘Dies est laetitiae’ (Het is een dach van vrolicheit). De Twentse versie leunt aan bij een Duitse vertaling.
Op Kerstavond komt het beste wat keuken en kelder opleveren, ter tafel. Een oud Gelders rijmpje zegt: ‘Kerstmis bakt alle man, Pasen wie kan en Pinksteren wie mèl hef.’
De offermaaltijden van onze heidense voorvaderen zijn geworden tot
‘dikkevretsavond’ met Kerstmis en ‘volbuuksavond’ met Oudejaar. In Miste bij Winterswijk gekscheren de kinderen:
Karsaövendjen, Karsaövendjen,
Dan kriege wij volop:
Mien moder slacht ne pekkelhaering
En ikke krieg den kop!
Op beide avonden hield men, vooral in Friesland en Groningen, verlotingen van wild en gevogelte. Sinds de loterijwet van 1905 deze verbood, wordt er wel om deze prijzen gesjoeld. Zo plechtig als de boeren op 25 december kerstdag vierden, zo vrolijk vierden zij de 26ste Sint-Steffensdag, gewijd aan Sint-Stephanus, de eerste christenmartelaar. Het overoude gebruik in de midwintertijd over de akkers te rijden, om hun vruchtbaarheid in het nieuwe oogstjaar te bevorderen, zal de heilige, wiens feestdag in deze tijd viel, tot patroon van de paarden hebben gemaakt. Sint-Steffen beschermt paarden en koeien tegen ziekte; hooi en haver worden op Sint-Stephanusdag gewijd. Het is ook de dag om verkering aan te knopen:
‘Sunte Steffen,
Mek alles effen’,
zegt men in de Achterhoek. En in De Lemmer kan men vernemen:
Mei Sinte Steffen
Binne de famkes effen
Binne de feintsjes fyn,
En dan geane se togearre de herberch yn.
Het Sint-Steffenrijden was vooral in Drenthe algemeen gebruikelijk. Men reed echter niet meer over de akkers, maar de boerenzoons uit verschillende dorpen kwamen in een centrum samen en reden, in wilde ren en op ongezadelde paarden, de omliggende dorpen af, waar zij bij de herberg, te paard gezeten, een slokje namen. Daarna keerden zij naar hun uitgangspunt terug en bleven er in de herberg nog een poosje praten, soms onder harmonicaspel.
In Overijssel en de Gelderse Achterhoek is dit gebruik vrijwel uitgestorven, al is te Laren (G.) een nieuwe ruitervereniging georganiseerd, die zich ‘de Sint Steffenrijders’ noemt en op 26 december uitrijdt.
In Drenthe trokken kinderen rond met hooi om ‘de koei te steffenen’. Zij gaven daarvan aan elke koe een plukje en zongen:
Hum, koe, hum;
Ik steffen die, koe.
Sinte Steffe is gekomen,
Hard gelopen,
Duur verkopen:
Honderd gulden geldt die koe
En ’n dikke stoetbrug toe.
Die mag ik en die mag elk,
Dan gef de koe ok botter en melk.
Daarvoor gaf de boerin hun een boterham (brug) van wittebrood (stoet), met een beschuit erop, en de nodige appels, peren en noten. Een hele traktatie voor arme kinderen, voor wie al zulk voedsel nog maar kort geleden onbetaalbaar was.
Heel wat volksgebruiken, uit een oude ritus ontstaan, waren in later eeuwen gelegenheden voor bedeling, zodat de ‘rommelpot’ ook wel ‘poverpot’ werd genoemd (gedachtig aan het Franse ‘pauvre’).
Meer en meer is Kerstmis in onze tijd een feest geworden, waarop men geschenken geeft. Tot dit gebruik heeft het Sint-Nikolaasfeest de weg gebaand.
De Hervorming nam aanstoot aan de algemene viering van de feestdag van een katholieke heilige, en evenals aan de duivelsgestalte van zijn begeleider, Zwarte Piet. Door preken, traktaten en vermaningen verkondigde zij dat niet Sint-Nikolaas, maar de gever van alle goeds, Christus, de brenger der geschenken is. Ook in katholieke kringen, die zich ergerden aan de luidruchtige Sint-Nikolaasommegangen, vond deze gedachte ingang. Zo bereidde de milde Sint-Nikolaas de weg tot de kerstgeschenken en werd zijn feestdag als het ware de vooravond van Kerstmis.
Met het Kerstekind als gever kwam de kerstboom op de voorgrond. Omstreeks 1850 drong deze uit Duitsland tot ons door, eerst in de zondagsschool en de kerk, daarna in het huisgezin. Het is van oorsprong een protestants gebruik, dat van de gegoede en ‘liberale’ burgerij in de steden naar het volk is gegaan. Aanvankelijk was er zelfs vrijwat verzet tegen deze Hoogduitse nieuwigheid, zowel van rechtzinnig-hervormde als van volkskundige zijde (Eelco Verwijs en Jan ter Gouw). Nog in 1943 mag dr. Jan de Vries de kerstboom eigenlijk geen ‘volksgebruik’ noemen: eerder wil hij het harde woord ‘modeverschijnsel’ bezigen (Volk van Nederland3,, blz. 15).
Ook in Duitsland is de kerstboom geen oud gebruik: vóór het begin van de 17e eeuw is daar van geen kerstboom blijk of sprake. Het verhaaltje, als zou Maarten Luther, uit liefde tot God, de natuur en zijn kinderen, de kerstboom ‘uitgevonden’ hebben (aldus Marijke van Raephorst, Het hele jaarrond, van Sinterklaas tot Sintermaarten, blz. 48, Rotterdam 1973) is een sentimenteel burgermansverzinsel, dat nergens op berust. Pas in 1605 wordt er te Straatsburg van een dergelijk gebruik melding gemaakt; ‘ Auf Weihnachten richtet man Dannebaum zu Straszburg in den Stuben, daran heneket man Roszen aus vielfarbigen Papier geschnitten, Aepfel, Oblaten, Zischgolt, Zucker’.
Er worden geen lichtjes vermeld.
Bekend is dat Goethe, uit Frankfort afkomstig, in 1765 te Leipzig voor het eerst van zijn leven een kerstboom aanschouwde. Zo kwam het, dat hij de kerstboom zinvol te pas bracht in zijn roman Die Leiden des jungen Werther: de eenzame, overgevoelige Werther vindt zijn dierbare Lotte, moeder en getrouwd met de brave Albert, druk doende met het gereedmaken van speelgoed voor de kerstboom.
In 1807 blijken er kerstbomen te koop op de markt van Leipzig. Snel verspreidt zich het gebruik, vooral in het noorden en midden van Duitsland – sterk in de hand gewerkt door de Duitse volksgeest tijdens Napoleon (die in de dennenboom een vaderlands zinnebeeld ziet) en niet minder door een stad-en-salon ontvliedende romantiek, die voor de pure natuur een innige bewondering koestert. Niettemin, al is de kerstboom in zijn huidige gedaante een grotestadsgebruik, het uitgangspunt – een bescheiden tak – zoeke men bij de boerengemeenschap van eeuwen her.
In Limburg bijvoorbeeld snijdt men de zogenaamde ‘Barbara-takken’: kersen- of berkentwijgen die, in water of vochtige aarde gezet, op Kerstmis bloeien -treffende kerstening van een oorspronkelijke vegetatierite.
Ook in Noorwegen is zo’n gebruik bekend: komt er daar met midwinter volop blad-en-bloesem aan een in het water gezette lijsterbestak, dan betekent dit voor de aanstaande zomer een voorspoedige oogst.
Moet men het bestaan van een reeds Oudgermaanse lichtjesboom afwijzen, toch is het wel zo dat onze recente kerstboom als vegetatiesymbool niet valt te scheiden van de aloude meiboom. Parallel met de verhuiselijking, waarvan hij sinds een eeuw de uitdrukking is, loopt de carrière van Sinterklaas, die meer en meer zijn heidense, al dan niet toegevoegde aspecten verloor en tot een vriendelijke oude baas, een ideale pedagoog, evolueerde, door een schalkse zwarte helper gesecondeerd, die eerder vermakelijk dan angstwekkend is.
Jesaja 60, vers 13 (‘De heerlijkheid Libanons zal tot u komen, de dennenboom, de beuk en de buksboom, om te versieren de plaats mijns heiligdoms’) is voor het ontstaan en de geschiedenis van de kerstboom van generlei belang, ondanks de verwijzing ernaar in het veelverspreide Weihnachtslieder der Trapp-Familie (1957) door Franz Wasner en Agatha Trapp (verg. de musical Sound of Music}. In dit zelfde huisboek wordt de kerstboom gezien als een zinnebeeld van Christus, ‘als Baum des Lebens’. Historisch en theologisch is dit onaanvaardbaar; maar het blijft een feit dat christenen van vandaag deze onbijbelse boommystiek aldus kunnen beleven, volledig te goeder trouw.
In het algemeen hebben katholieken een kerststal onder of bij de boom staan. Vóór Kerstmis ziet men daarin alleen maar Jozef en Maria. In de kerstnacht komt er dan het Kindeke Jezus bij en de herders en de schaapjes. Op Driekoningen (de dag voordat het stalletje weer wordt opgeborgen) verschijnen de drie vorstelijke figuren met hun kamelen. Het is een oud gebruik: al vóór de vermaarde kerstviering van Franciscus van Assisi te Greccio in 1223 waren er kerstkribben bekend. Roermond had al in 1370 en Utrecht in 1489 een kerstkribbe in de kerk. De romantiek heeft de vervaardiging van kerstkribben in sterke mate bevorderd, evenals de sedert 1900 in Duitsland optredende ‘Krippenvereine’. Vooral de orde van de franciscanen, oftewel minderbroeders, in de geest van haar stichter, droeg de kerstkribbe een warm hart toe en heeft er zeer voor geijverd.
Ter afsluiting willen wij de ware woorden van een theoloog gaarne tot de onze maken (dr. J. Nouwens in de Encyclopedie van het Christendom, Katholiek deel, 1956).
‘Sommige kerstgebruiken, als het kindje-wiegen en de kerstkribbe, zijn zuiver christelijk van inspiratie. Andere, als kerstklok en smulpartijen, zijn in hun oorsprong te herleiden tot oeroude heidense praktijken. Verschillende heidense gebruiken werden gekerstend, maar het is niet steeds met nauwkeurigheid uit te maken waar de raakpunten liggen tussen een christelijk gebruik en een vroegere heidense gewoonte. Feitelijk zijn vele kerstgebruiken (versiering met hulst, mistletoe, kerstboom, kerstkrans, licht enz.) in zwang gebleven als iets dat er nu eenmaal bij hoort, zonder dat men zich van de mogelijkheid van een heidense of christelijke interpretatie rekenschap geeft. Zij worden in christelijke milieus in ere gehouden, omdat zij een zekere sfeer met zich brengen. Maar zij worden zelfs met bijzondere zorg gecultiveerd waar het christelijk geloof totaal is verdwenen en waar ook al geen reminiscenties aan oude heidense cultusvormen zijn overgebleven.’
In verband met de verschuiving van Sint-Nikolaas- tot kerstviering is het opmerkelijk, dat men te Koedijk (N-H.) het Sint-Nikolaasfeest ‘de Gouden Engel’ noemt. Men zou kunnen menen dat hiermee de kerstengel werd aangeduid, doch de viering heeft niet met Kerstmis plaats, maar op Oudejaarsavond (voor schoolkinderen op de laatste zondag van het jaar). De gewone verklaring dat in dit eenmaal door meren omringde dorp de vissers niet zouden kunnen thuiskomen op 5 en 6 december en wel met Kerstmis, is weinig aannemelijk. Te Koedijk zelf kan men deze afwijkende viering niet verklaren; daar is een gewone zegswijze ‘op Oudejaarsavond thuis, en met Nieuwjaar weer naar zee’.
Te Grouw vervangt Sint-Pieter, op 21 februari, het Sinterklaasfeest. De ‘Stanfries’ met historische zin, bedroeft zich over het feit, dat dit Grouwster feest meer en meer ‘ versinterklaast’. Sint-Pieter komt nu uit Spanje en hij rijdt op een paard . .
Na Kerstmis spoedt het jaar ten einde. Dan wilde het gebruik dat de ‘dienstbaren’ in de Gelderse en Overijsselse Achterhoek naar het ‘volkshuus’ (ouderhuis) gingen ‘hen koken’, d.i. heen (gaan om nieuwjaars) koeken (te eten). Zij gingen dan ‘met de kromme elleboog’ d.w.z. ‘met geschenken van de boer voor hun ouders; een stoete, een zak koffiebonen en een metworst van een el lengte. Als tegengeschenk brachten zij bij hun terugkomst nieuwjaarskoeken mee. Dit ‘hen koken’ is, nu er geen dienstvolk meer is, geheel verdwenen. Maar het woord is nog niet vergeten: het is de schertsende aanduiding van een paar dagen vakantie met Kerstmis (Winterswijk).
De Oudejaarsavonddienst, eerst in 1816 door de Synode ingesteld. pleegt ook hen te verenigen die niet gewoon zijn de kerk geregeld te bezoeken. Daarna herdenkt men in huiselijke kring het lief en leed van het scheidende jaar, tot buiten de torenklok haar twaalf zware slagen doet weerklinken en de knallende schoten verkondigen dat de kringloop is volbracht en het nieuwe jaar zijn intrede doet.
.
Kerstmis: alle artikelen
Jaarfeesten: alle artikelen
Vrijeschool in beeld: Kerstmis jaartafel
.
3367-3166
.
.
.
,
,