VRIJESCHOOL – 1e, 2e, 3e klas – schilderen (3-4)

.

Onderstaand artikel is een bewerkte vertaling uit:
.
Der künstlerische Unterricht. Mahlen und Zeichnen
Jünemann/Weitmann  (1e druk 1976)
(Inmiddels is er een 5e druk 2007)
.

Zwart = tekst uit het boek
Blauw = mijn eigen woorden over het e.e.a.

N.a.v. blz. 44 – 46

De auteurs wijzen erop dat de kinderen zo rond het 9e jaar een grotere behoefte beginnen te krijgen ook  ‘in de vorm’ te komen. Maar voor het kunstzinnige aspect stellen zij zonder meer vast: geen ‘dingen, voorwerpen’ en niets wat naar tekenen neigt.
Ze noemen Steiner niet, maar hij is er wat 10-jarigen betreft ook duidelijk over:
GA 300C/127-128 hier in vertaling

Zij zeggenDe kleuren zelf bieden een schat aan mogelijkheden om motieven te vinden als ze individueel met gevoelskwaliteiten worden gekarakteriseerd en zo met elkaar in speels contact worden gebracht.’

Ze verwijzen daarbij naar GA 300A/240: hier vertaald.

Steiner spreekt daar over ‘koket’ paars, ‘brutaal’ rood en ‘deemoedig’ blauw waarop ze rusten.

De aanwijzing die Steiner geeft, is zijn antwoord voor een specifieke vraag, tegelijkertijd kun je er wel iets ‘algemeens’ in zien.
De auteurs werken e.e.a. uit.

Ten eerste moet de leerkracht een duidelijk beeld hebben van de afzonderlijke kleuren. Het woord paars wordt zelden geassocieerd met een duidelijk idee van kleur. In zijn kleurencirkel noemt Goethe de eerste fase van de overgang van blauw naar paars rood-blauw. Het blauw behoudt de overhand; als het wordt verdund, krijgen we paars. In de natuur zijn dit de lentekleuren van de klassieke sering, paarse tulpen en heldere krokussen. De “brutale kleine roodachtige kleur” doet onmiddellijk denken aan vermiljoen. Het is de kleur die het meest in het oog springt. Het blauw van deze kleuropdracht – het nederige blauw – mag niet te donker, niet te fel, niet ijzig of groenig zijn als het het gebaar van nederigheid wil uitdrukken. Het moet warmte bevatten, op weg zijn naar rood. Dit kan worden bereikt met ultramarijnblauw, verzacht met een paar druppels vermiljoen. De verhoudingen van deze drie kleuren op het blad zijn al aangegeven door de formulering. Het sierlijke paars wil gezien worden, het breidt zich uit in het vlak, het is rusteloos, wil wegzweven. De leerkracht moet vooraf bij de kinderen een gevoel voor de lichtheid van deze kleur hebben opgeroepen. Het brutale roodje energiek, vurig, levendig, maar klein. Als pure vermiljoenkleur straalt hij al als een klein vlak. De paarse kleur lijkt daarentegen op iemand die zich mooi maakt, die al snel wat van het blauw overneemt, al snel wat van het rood – ook hier moet karmijn worden gebruikt. Van de drie kleuren is blauw het rustigst, het omgeeft de andere twee kleuren en wordt dan onderaan dikker om het geheel houvast te geven.’

Op deze manier zou je je als leerkracht kunnen voorbereiden op de opdracht die je gaat geven. Maar wat hier staat kun je aan de kinderen zo niet geven.
Wél kan je bv. een situatie schetsen van 3 kinderen (3 kleuren) waarvan er een heel overheersend is. ‘Die neemt (in die situatie die je beschrijft of die situatie die de kinderen (uit ervaring!) mede gaan beschrijven), bijna alle speelgoed, de anderen hebben vrijwel niets. 
Dat kan natuurlijk een overheersing van rood worden, t.o.v. geel en blauw, die min of meer in een hoekje worden gedrukt.
Er kan ook zo’n soort opdracht zijn, maar dan spelen de kinderen alle 3 met elkaar en verdelen wat er is. 
Of het droevige blauw is zo bedroefd dat er bijna niets anders is dan zijn verdriet: rood en geel zijn niet in staat hem op te fleuren.
Bij deze voorbeelden grijpen we a.h.w. terug op wat we al eerder hebben geprobeerd door de kleuren bij elkaar te zetten om te ervaren wat voor indruk de verschillen op je maken. 

Zo wordt kleur een uitdrukking voor gevoel, voor stemming, een situatie wordt in beeld gebracht. Als de opdracht goed aankomt, schilderen de kinderen veel meer van binnenuit dan dat ze iets uiterlijks nabootsen.

Je zou hier mogen zeggen dat ‘hart en hand’ hier op de voorgrond treden.

Intussen moet ook de techniek weer niet vergeten worden.

Bij een opdracht als: geel en rood gaan met elkaar praten. Ze hebben ieder wel hun eigen gedachten, maar ze luisteren goed naar elkaar.
Dan zou er ‘ergens’ op het blad een sterk geel vlak en een sterk rood vlak kunnen staan en dan waar de kleuren elkaar gaan ontmoeten, zouden rood en geel sterk dunner moeten worden. Er hoeft helemaal nog geen oranje te ontstaan.
(Dat zou bij een soortelijke opdracht kunnen komen, wanneer ze samen plannen gaan maken en een gemeenschappelijk plan bedacht is)
En uiteraard kan dit weer met veel meer kleurencombinaties. 
Hier is de techniek vereist om verf met water op het papier te kunnen verdunnen.
Dat hoeft weer niet per se met een opdracht. Gewoon een sterk vlak rood in het midden en naar de randen van het blad, vanuit het midden, steeds dunner worden, zonder dat je echte overgangsgrenzen ziet.

Hier nog een beschreven voorbeeld uit het boek:

‘In een volgende les gaat het verhaal ongeveer zo: Zoals je gemakkelijk kunt raden, ging het niet lang goed met die twee brutale rakkers. Ze begonnen met elkaar te vechten. Uiteindelijk zag je alleen nog maar een vuurrode kleur die alle kanten op spoot. Het “tere paars” kon er niet tegen, bezorgd om zijn schoonheid, vluchtte het weg. Het nederige blauw trok zich vol afschuw terug, er staat: naar de rand van het blad. Ik zou het laten bij ‘vol afschuw terug‘. Waar zouden de kinderen dat blauw schilderen?

Voor de leerkracht is het niet eenvoudig om karakteristieken voor de kleuren te vinden die daadwerkelijk bij de kleur horen en niet bij de willekeur.
Goethe heeft ‘een verrassende rijkdom aan taalkundig geschikte kenmerken gegeven. Daar zou je als leerkracht ook inspiratie uit kunnen halen. Bv.: een gele kleur kan helder, vrolijk, stralend, maar ook prachtig zijn; een blauwe kleur kan verlegen, verlangend, afwerend, teruggetrokken zijn; groen kan vredig, kalm, vrolijk, fris zijn; oranje kan vriendelijk, moedig, krachtig zijn; paarsrood kan koninklijk, waardig, plechtig, majestueus zijn.

Op Pinterest staan veel mooie afbeeldingen – al is ‘niet alles goud wat er blinkt’ – die hier als illustratie kunnen dienen, hoewel ik niet weet door welke opdracht – of misschien helemaal geen opdracht zijn ontstaan. 

.

Goethe: kleurenleer

Steiner: Het wezen van de kleuren

Schilderen: alle artikelen

Rudolf Steiner over schilderen: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3320-3124

.

.

.

.

Plaats een reactie

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.