.
OTTO JULIUS HARTMANN (†1990) bioloog en filosoof heeft tijdens zijn leven zeer veel publicaties verzorgd met antroposofie als uitgangsprincipe.
Zie bijv. een lijst met titels.
Hij schreef ook regelmatig in een blad dat in de laatste tientallen jaren van de vorige eeuw in Duitsland verscheen voor (vrijeschool)ouders: Der Elternbrief.
Hartmann wijdde een aantal artikelen aan de ‘wijsheid van de sprookjes’
In onderstaand artikeltje laat hij zijn gedachten gaan over uiteenlopende zaken, zonder direct op één sprookje in te gaan.
Otto julius Hartmann, der Elternbrief, nadere gegevens ontbreken
over de wijSheid van de Sprookjes
.
Reëel en fundamenteel begrijpen we en hebben we inzicht in alleen wat we zelf hebben bedacht en gemaakt – dat wil zeggen het steeds groter wordende domein van onze gereedschappen, apparaten en machines.
Aan de andere kant is de natuur, de rotsen, de bomen en de dieren aanvankelijk het versluierde beeld van de godin van Saïs, d.w.z. tegelijkertijd de openbaring en de verhulling van een hoog spiritueel werk. In haar vreemdheid heeft de ongerepte natuur iets bedreigends, of beter gezegd ontzagwekkends voor ongeschoolde mensen en kinderen. Noch in rotsen, noch in bomen en dieren ontmoeten we echter “iemand” met wie we van wezen tot wezen zouden kunnen spreken zoals met een mens. Daarom voelt de ongeschoolde persoon als individu zich alleen in de natuur, verlaten, misschien zelfs bedreigd, omdat hij aanvankelijk met niemand kan praten en door niemand kan worden gehoord.
In de tijd dat (vermoedelijk) de sprookjes van Grimm ontstonden, was Midden- en Oost-Europa bedekt met een enorm, deels moerassig oerbos. Iedereen die hier verdwaalde, was verloren. De oorspronkelijke natuur werd dus vooral ervaren als iets vreemds, zelfs vijandig, maar juist om die reden ook ervaren als een openbaring van hoge geestelijke wezens. Goddelijke boodschappen konden worden ontvangen van heilige bomen, maar ook in de verschijning van bepaalde dieren. Laten we ons bijvoorbeeld eens afvragen of we werkelijk weten ‘wat’ in een diepere zin bijv. een beuk, een vos, een hert, een kikker of een vogel “zijn”. We denken dat we ze kennen als botanici of zoölogen, maar dat is slechts een illusie uit gewoonte. Zouden wij bijv. als absolute stadsbewoners voor het eerst in het wild bomen en bosdieren zien – we zouden ze als totaal geheimzinnige wezens ervaren – wat ze in feite ook zijn.
Vandaag zijn we erin geslaagd het mysterie van de natuur, weliswaar niet op te lossen, maar het niet meer te laten mee tellen en ons daardoor te bevrijden van elke angst of ontzag: eerst hebben we de oerbossen gerooid en overal velden en weiden, paden en wegen aangelegd. De moderne natuur- en scheikunde hebben echter nog radicaler voor deze onttroning gezorgd. Tegenwoordig zien we een ingewikkelde structuur van sommige soorten atomen en moleculen (dubbele DNA-helix) als de volledige ontrafeling van alle geheimen van de natuur.
Net zoals de Madonna van Rafael voor de scheikundige oplost in een structuur van kleurdeeltjes, of de Dom van Keulen voor de mineraloog een stukje rotswetenschap vertegenwoordigt, hebben wij dit met de hele natuur bereikt. Maar we hebben onze machines en onze wereld van welvaart opgebouwd uit het lijk van de natuur, dat wil zeggen uit haar materiële componenten, maar nu leven we in absolute eenzaamheid en door God verlaten.
Daarentegen kan men zien hoe al aan het begin van de sprookjes “Jorinde en Joringel” (nr. 69)* en “De Kikkerkoning en de IJzeren Hendrik” (nr. 61) het betoverde en betoverende, d.w.z. de kracht van de natuur die de mensheid in eerste instantie bedreigt, voor ons staat: de ondoorgrondelijk diepe put in het diepe bos. Het koningskind met de gouden bal, die ze tijdens het spelen verliest zodat een kikker die uit het water moet halen, evenals het minder wakkere Ik nadat de zon is ondergegaan, zijn het de problemen van de Ik-bedreiging waarin de volwassen wordende mens verstrikt raakt door zijn seksualiteit, zodat betovering verbroken wordt.
Is de idee zo ver weg dat in de grote, glanzende gouden ogen van de kikkers een betoverd spiritueel wezen in dierlijke vorm naar ons kijkt of dat in de oude, donkere muren en kastelen de macht van de materie over de geest verschijnt?
En dan nog het water! We horen van de oude Griekse filosoof Heraclitus van Efeze: ‘de essentie van de ziel heeft een vurig karakter en haar thuis zijn de sferen van licht en vuur die de aarde omringen.’
Als de zielen nat worden, betekent dit dat ze een incarnatie naderen en uiteindelijk een aards lichaam aannemen. Wanneer, in het volksgeloof ooievaars kleine kinderen uit de vijver halen en bij hun moeders brengen, wijst dat in dezelfde richting; in Noord-Siberië zijn er geen ooievaars, maar wel spechten, en daarom is de specht de drager van kleine kinderen daar. Het zijn dus eigenlijk helemaal geen zoölogische dieren, maar eerder een soort spirituele boodschappers die zorgen voor succesvolle zwangerschappen van vrouwen. In ieder geval is ‘water’ de drager van de hemel naar de aarde, van het hiernamaals naar deze wereld.
Het sprookje “De dood als peet” (nr. 44) beschrijft de tegenovergestelde pool van conceptie en geboorte. Hier is het de dood zelf die een jongere kiest en hem tot een bekwame arts maakt. Dit is veelbetekenend omdat dokter en dood in wezen bij elkaar horen, omdat beide te maken hebben met ziek zijn en elke ziekte op weg kan zijn naar de dood, tenzij men de conceptie en geboorte beschouwt als de eerste kiemachtige toegang tot het rijk van de sterfelijkheid. Maar nu het cruciale punt: de arts mag het levensreddende middel alleen aan een ernstig zieke geven als hij (helderziend) het beeld van de dood aan het hoofd van de zieke ziet. Hij mag het niet doen als hij de figuur van de dood aan zijn voeten ziet. Waarom dit? Net zoals een boom zijn wortels in de aarde heeft, zo staat een mens met zijn voeten op de aarde en ontvangt de noodzakelijke vitale krachten, b.v. eten en drinken van Moeder Aarde. Als hij ervan wordt gescheiden, sterft de persoon. Daarom draagt de figuur van de Dood een sikkel waarmee hij de menselijke ‘plant’ maait, net zoals de boer het rijpe graan omlegt. Omdat: Wanneer een persoon sterft (behalve in tijden van wijdverbreide catastrofe), is hij “rijp”, dat wil zeggen dat zijn levensloop voor deze tijd voltooid is (volgens een hogere beslissing) – ongeacht of hij nog een “kind” is of al een “oud mens”.
Sprookjes: alle artikelen
Vertelstof: alle artikelen
1e klas: alle artikelen
Vrijeschool in beeld: 1e klas *sprookjes (Grimm)
.
3169-2981
.
.
.