Tagarchief: cholerisch temperament

VRIJESCHOOL – Rekenen – 1e klas (3) – temperament (3)

.
1e klas: rekenen: alle artikelen;  1e klas: alle artikelen

delen
cholerisch en flegmatisch

 

PEDAGOGIEK
De pedagogiek is de wetenschap van de ontwikkeling van een kind tot aan zijn volwassenheid. Pedagogiek is afgeleid van het Griekse woord paidagoogia, wat letterlijk ‘kinderleiding’ betekent. De wetenschap bestudeert de opvoeding, de ontwikkelingsfasen, en ook de relatie tussen het kind en zijn omgeving: familieleden, school, vriendjes en vriendinnetjes, de gebouwde omgeving, media, etc. De nadruk ligt vooral op het handelen. Onder pedagogie wordt de praktijk van het opvoeden verstaan. Ook wordt de opvoeding van moeilijk opvoedbare kinderen onderzocht. Ze leven in een moeilijke situatie of het dreigt verkeerd te lopen.

TEMPERAMENT EN REKENEN
(Er wordt ook wel gesproken over “rekenen IN, of MET temperamenten”.)

Het gaat in ieder geval over de 4 rekenbewerkingen:
optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen
en over “de” 4 temperamenten: het flegmatische, melancholische, sanguinische en het cholerische.

Ik ga hier voorbij aan de vraag of de kinderen van vandaag de dag zich nog net zo in hun temperament uiten als in Steiners tijd.

Ik ga er bij de volgende bespreking vanuit dat er in een klas voldoende te onderscheiden temperamentstypen zijn om ermee te rekenen op de manier waarop Steiner dat uiteenzette.

Het is met veel van Steiners pedagogische aanwijzingen zo, dat je ze wel kunt “leren” achter je bureau, maar dat ze in de praktijk van het lesgeven pas duidelijk worden.

HET CHOLERISCHE EN FLEGMATISCHE TEMPERAMENT

DELEN

Wie zich verdiept in de opmerkingen van Steiner, zoals die vanuit een stenogram zijn vastgelegd in GA 295, zoekend naar aanwijzingen over het rekenen, ziet ook verschillende vormtekeningen staan.

VORMTEKENINGEN
De bestudering van deze tekeningen biedt een onverwachte sleutel tot het begrijpen van de rekenopgaven zoals die aan de verschillende temperamenten worden gesteld.

Als we de vormtekeneningen bekijken die Steiner gaf voor de verschillende temperamenten, valt op dat de tekening die het flegmatische kind krijgt, in zekere zin een beeld is voor de rekenopgave die aan hem wordt gesteld: van het geheel naar de delen.

Het cholerische kind, in zijn gedrag het tegendeel van zijn flegmatische klasgenoot, krijgt daarmee in overeenstemming ook een heel andere vormtekening: van de delen naar het geheel.

Dit weerspiegelen ook de rekenopgaven voor de beide temperamenten.

de vormtekening voor het cholerische temperament

Van de delen naar het geheel.

tekening cholericus 8

Het gaat er steeds om dat losse delen met elkaar verbonden in een geheel worden geplaatst.

Dat wat de cholericus zo moeilijk kan, “zich voegen naar het geheel” wordt in deze tekening geoefend.

de rekenopgave voor het cholerische temperament

Steiner:
Dem Choleriker lege ich vor zunächst die Division, vom Kleinen zum Größten, indem ich sage: «Siehe, da hast du das Häufchen von 8. Ich will von dir nun wissen, in welcher Zahl die 8 siebenmal drinnen-steckt.» Und er muß herauskriegen: in 56; in einem Häufchen von 56.
De cholericus leg ik eerst de deling voor, van het kleinste naar het grootste en zeg:  “Kijk, daar is het hoopje van 8.  Ik wil nu van jou weten in welk getal zeven keer een 8 zit.” En hij moet er 56 uitkrijgen, een hoopje van 56.
GA 295/42
vertaald/42

Even later:
Für das cholerische Kind wende ich in dieser Form die Division an.
Voor het cholerische kind gebruik ik deze vorm van deling

Zoals al eerder aangegeven: ik gebruik
geen besjes en zeker geen 56.

Wel werk ik met de kinderen voor de klas.

Tegen het cholerische kind zeg ik: “Breng eens een groepje van 3 kinderen voor de klas. Die worden vanachter hun tafeltjes weggehaald en daar staan ze voor de klas.
Dan zeg ik: “Nu wil ik hier niet alleen dit groepje van 3 hebben, maar een groep zo groot dat dit groepje van 3 daarin 4 x past.”

(Zou je achter ‘zo groot…’ niets meer zeggen, dan zou de cholericus erop losstormen en zijn gang gaan.) Nee, hier weer de beperking: die er 4 keer in past. Natuurlijk werden de kinderen nog uit allerlei  ‘hoeken en gaten’ gehaald, met tumult ook, maar begrensd,  in een geheel geplaatst: er kwamen er netjes 12 te staan.

(in de klas) 0 0 0                  0 0 0                  0 0 0                    0 0 0
(vóór de klas)     0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0

Je kunt natuurlijk weer zeggen dat dit een vermenigvuldiging is, maar dit zeg je niet als je naar het  ‘gebaar’  kijkt, dat wordt gemaakt: van het deel naar het geheel – evenals de vormtekening voor het cholerische kind.

de vormtekening voor het flegmatische temperament

Hier heb ik al een voorbeeld gegeven van een “flegmatische” tekening.

Er zijn uiteraard veel meer vormen te ontwerpen.

Deze b.v. waarbij duidelijk moge zijn dat steeds weer het vierkant getekend wordt, met de steeds verder “ingedeukte” lijnen. Het omhullende vierkant wordt weggegumd. Uiteindelijk blijft een kruis (X) over, of zelfs met de “pootjes” los.

tekening flegmaticus 3

In ieder geval: van het geheel naar de delen.

de rekenopgave voor het flegmatische temperament

Voor het rekenen is het verder heel simpel.

Van dit door de cholericus gevonden geheel, moeten weer groepjes worden ge­maakt, het moet worden verdeeld.
Steiner:
Dann lasse ich das Umgekehrte, die gewöhnliche Division, von dem phlegmatischen Kinde machen. 
Dan laat ik het omgekeerde doen door een flegmatisch kind: een gewone deling.’
GA 295/42
vertaald/42

Ik zeg dan: ‘Kijk, hier staan er 12 (laat de flegmaticus nogmaals tellen, als die het niet meer (of nog niet) wist): Verdeel jij die eens in groepjes van 3 en breng die weer op een plaats in de klas.’ Het flegmatische kind doet dat en moet daarna weten hoeveel groepjes het heeft weggebracht. Weet het die nog te staan…?

(vóór de klas) 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0
1e handeling: (vóór de klas) 0 0 0 0 0 0 0 0 0
(ergens in de klas neergezet)                                     0 0 0

2e handeling: (vóór de klas) 0 0 0 0 0 0
(ergens in de klas neegezet)                                     ( 0 0 0)       0 0 0

3e handeling: (vóór de klas) 0 0 0
(ergens in de klas neergezet)                                   ( 0 0 0    0 0 0 )  0 0 0

4e handeling: (vóór de klas) leeg
ergens in de klas neergezet)                                  (0 0 0  0 0 0  0 0 0 ) 0 0 0

Het zegt dus: daar een groepje, dat is 1 en daar is 2 en daar is 3 en daar is 4, in 4 groepjes.
Kijk je met de “optelblik” dan zie je:12=3+3+3+3.
Maar kijk je met de “deelblik” dan zie je een deling, als herhaalde aftrekking:         12-3                  9-3               6-3       3-3

Maar in beide zit de vormte­kening van het geheel naar de delen.

Zoals gebruikelijk werd later weer geoefend met de voorwerpen: steentjes, damschijven, en wat dies meer zij.

De speciale beurten waren voor de het cholerische en flegmatische kind.

Maar ieder kind probeerde iets te maken.

In de verwerking waren er weer allerlei “vondsten”:

0 0 0 0                            0 0 0 0
0 0 0 0                0                                  0
0 0 0 0                0                                  0
0 0 0 0                0                                  0
0                                  0
0 0 0 0

een flegmatisch kind legde deze 16 damstenen in vier groepjes van 4 uiteen.
de cholericus die ze weer tot een geheel mocht leggen, maakte er bijna met één beweging een vierkant van. Toen ik vroeg of het nog anders kon deed hij dit:

0
0                      0
0                                       0
0                                                       0
0                                                                       0
0                                                      0
0                                       0
0                     0
0

1e klas rekenen: alle artikelen

1e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 1e klas: alle beelden

Menskunde: Over temperamenten   nr.15

 

64-62

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

Advertenties

VRIJESCHOOL – Rekenen – 1e klas ( 1) -Temperament (1)

.
1e klas: rekenen: alle artikelen;  1e klas: alle artikelen

 

optellen:
flegmatisch en cholerisch

 

PEDAGOGIEK
De pedagogiek is de wetenschap van de ontwikkeling van een kind tot aan zijn volwassenheid. Pedagogiek is afgeleid van het Griekse woord paidagoogia, wat letterlijk ‘kinderleiding’ betekent. De wetenschap bestudeert de opvoeding, de ontwikkelingsfasen, en ook de relatie tussen het kind en zijn omgeving: familieleden, school, vriendjes en vriendinnetjes, de gebouwde omgeving, media, etc. De nadruk ligt vooral op het handelen. Onder pedagogie wordt de praktijk van het opvoeden verstaan. Ook wordt de opvoeding van moeilijk opvoedbare kinderen onderzocht. Ze leven in een moeilijke situatie of het dreigt verkeerd te lopen.

TEMPERAMENT EN REKENEN
(Er wordt ook wel gesproken over “rekenen IN, of MET temperamenten”.)

Het gaat in ieder geval over de 4 rekenbewerkingen:
optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen
en over “de” 4 temperamenten: het flegmatische, melancholische, sanguinische en het cholerische.

Ik ga hier voorbij aan de vraag of de kinderen van vandaag de dag zich nog net zo in hun temperament uiten als in Steiners tijd.

Ik ga er bij de volgende bespreking vanuit dat er in een klas voldoende te onderscheiden temperamentstypen zijn om ermee te rekenen op de manier waarop Steiner dat uiteenzette.

Het is met veel van Steiners pedagogische aanwijzingen zo, dat je ze wel kunt “leren” achter je bureau, maar dat ze in de praktijk van het lesgeven pas duidelijk worden.

HET FLEGMATISCHE EN CHOLERISCHE TEMPERAMENT

OPTELLEN

Wie zich verdiept in de opmerkingen van Steiner, zoals die vanuit een stenogram zijn vastgelegd in GA 295, zoekend naar aanwijzingen over het rekenen, ziet ook verschillende vormtekeningen staan.

VORMTEKENINGEN
De bestudering van deze tekeningen biedt een onverwachte sleutel tot het begrijpen van de rekenopgaven zoals die aan de verschillende temperamenten worden gesteld.

de vormtekening voor het flegmatische temperament

Deze b.v.

vormtekening flegmaticus1

Steiner:
Durch Zeichnen und Auslöschen ist das phleg­matische Kind aus seinem Phlegma herauszu­reißen.
“(..)Door tekenen en uitvegen kan men het flegmatische kind uit zijn flegma losrukken”.
GA 295/36
vertaald/36

Met dit gegeven kun je er heel wat zelf bedenken. Het gaat er telkens om dat er iets uit te gummen valt.

Uiteraard kun je ook op een grote plaat werken die geverfd is met schoolbordenverf, zodat er met bordkrijt gewerkt kan worden en een doekje om weg te vegen.

(Dit geeft wel wat meer stof en als er een of meerdere astmatische kinderen in je klas zitten, is het af te raden). De ouderwetse lei met de griffel is ook heel geschikt.

Deze heb ik ooit zelf eens gebruikt:
Het kind krijgt de opdracht een cirkel te tekenen:

tekening flegmaticus A

Nu moet het 4 puntjes zetten: midden boven, midden onder, midden links en midden rechts:

tekening flegmaticus B

Vervolgens probeer je het kind zich te laten voorstellen wat er gebeurt als dit een bal zou zijn die je aan alle kanten gaat indrukken. (C)
En nog eens (D) en weer (E) enz., totdat F uiteindelijk overblijft.
tekening flegmaticus C tm F

Het wil wel eens voorkomen dat dit nog lukt:

tekening flegmaticus G

Wanneer je naar deze vormtekening kijkt met in je achterhoofd “rekenen”, valt meteen op:

VAN HET GEHEEL NAAR DE DELEN:

de rekenopgave voor het flegmatische temperament:

Steiner:
Wir gehen aus von der Summe, nicht von den Addenden! ( )  Diese Summe teilen wir jetzt ab in Addenden, in Teile oder in Häufchen.
We gaan uit van de som, niet van de delen. De som verdelen we nu in delen, in hoopjes die bij elkaar opgeteld moeten worden.
GA 295/41
vertaald/41

Zoals in de tekening het geheel verdeeld wordt in delen, zo in het rekenen. Het geheel is: de som.

Die moet verdeeld worden in aparte brokjes.

Steiner neemt het getal 27 als som. En verdeelt die in 12 + 7 + 3 + 5

Als vormtekening zou dit er zo uitzien:
tekening flegmaticus 2

Steiner gebruikt bessen of vlierbessen om mee te rekenen.

Ik heb dat nooit een erg geslaagde keuze gevonden. Bessen gaan stuk ( of als ze lekker zijn, worden ze opgegeten).

Ik heb ze dan ook nooit gebruikt. Wel brachten de kinderen allerlei dingen mee om mee te rekenen: steentjes, damschijven enz. Zo lang het niet van de tafeltjes rolt en kapot gaat, kan er veel.

MET LEERLINGEN VOOR DE KLAS
Een levendig tafereel wordt het, wanneer je een groepje kinderen voor de klas laat komen en deze in een kring zet.
Het flegmatische kind moet het aantal tellen.
(Doordat de kinderen in een kring staan, moet hij goed wakker zijn voor waar hij begint, anders telt hij een kind dubbel.)
Wanneer dat gelukt is, mag hij de klasgenoten in groepjes ergens in het lokaal neerzetten.
Stel dat er 13 kinderen voor de klas staan. En dat die na een poosje ergens in groepjes door het lokaal zijn verdeeld.
Dan moet het kind zeggen wat hij heeft gedaan. Welk(e) kind(eren) het eerst zijn weggebracht, welke daarna enz. Hierbij moet het kind dus a.h.w. zijn eigen handelen beschouwen.
Hij moet “in de wereld” kijken. Daar staan die kinderen.
Uit zijn wat introverte levenshouding nu “eruit”.
Ik: “hoeveel kinderen stonden hier (als groep)?” Kind: “13″.
Ik: “In welke groepjes heb je die weggebracht-hoeveel zaten er in elk groepje?”
Kind: “In 2 en 3 en 5 en 3″.
Ik”: “Ja, deze 13 zijn 2 en 3 en 5 en 3. Nu jij: die 13 zijn: “kind wijst naar de groepjes in de hoeken van de klas:” 2 en 3 en 5 en 3.”

Ik vind het nog steeds een geniale vondst van Steiner dat dan het cholerische kind moet komen.
Maar even terug naar het vormtekenen.

de vormtekening voor het cholerische temperament
Heeft deze voor het cholerische kind, als een soort gebaar in zich, wat het cholerische kind rekenend moet doen?

In GA 295 op blz. 35 en in de vertaling op blz. 35 staan 2 oefeningen:

tekening cholericus 1

Over deze tekeningen zegt Steiner niets, maar het lijkt mij een zinvolle tekening: de cholericus is als extravert type intens in de wereld aanwezig.
Je hoeft als leerkracht maar te zeggen: “vandaag gaan we…” en hij of zij staat al naast de stoel. Je wenst je weleens dat zo’n kind wat “meer bij zichzelf blijft”. zich weet te beheersen in zijn impulsen. Dat kun je wel zeggen, maar daar heeft het kind geen boodschap aan: daar kan het niets mee.

Geheel tegengesteld aan het flegmatische kind, dat, volgens de ouders “niet vooruit te branden” is, hoor je over de cholericus: :”die wil altijd wat doen!”

Als “gebaar” zie je hem “in de wereld”.
Of, zoals dit tekeningetje:

tekening cholericus 2

waarbij dit “verdeeld in de wereld” moet worden “omhuld”. Het moet in het midden komen.
tekening cholericus 3

Maar: dit tekeningetje:

tekening cholericus 2

is ook:
tekening cholericus 4

En dat is:

tekening cholericus 5

Dus: voor het flegmatische kind: 13=2 + 3 + 5 + 3.

Voor het cholerische kind komt nu het omgekeerde.

de rekenopgave voor het cholerische temperament

Nu vervolgt Steiner:
Dann werde ich mir, weil ja der Vorgang zurückverfolgt werden kann, cholerische Kin­der aufrufen und werde die Holunderkügelchen wieder zusammen­werfen lassen, aber so, daß es geordnet ist gleich 5 und 3 und 7 und 12 sind 27. Also das cholerische Kind macht den umgekehrten Vorgang.
En omdat dit procedé immers omgedraaid kan worden, zal ik cholerische kinderen een beurt geven en ik zal de vlierbesjes weer op een hoop laten gooien, maar wel zo dat het geordend* verloopt: (Steiner werkt dus met 27: 5 en 3 en 7 en 12=27).

*in het Duits staat hier ‘geordnet-wat ook wil zeggen: gerangschikt. Een vertaling met (omgekeerde) volgorde was m.i. iets nauwkeuriger geweest)

In mijn eigen voorbeeld:  13 = 2 + 3 + 5 + 3, staan de groepjes dus verdeeld in de klas.
Ik roep een cholerisch kind.   “Je hebt gezien dat zij/hij  (het fleg­matische kind) de kinderen van dit groepje dat hier stond,  in de klas heeft weggebracht, jij mag ze weer hier brengen.”

Het is altijd weer verrassend om te zien hoe de cholericus weg wil stormen! Dat zal hij wel even klaren! En dan: de nog grotere verrassing wanneer hij hoort:   “Stop, kom terug! Je mag ze weer hier brengen, maar zo, dat die het laatst zijn weggebracht, nu het eerst worden teruggebracht en zo verder.” Eens zei een meisje, een echte doorzetster:
”Maar dan moet ik eerst nadenken!”
En dan, wat een cholericus zo slecht lukt: hij denkt, voor hij gaat doen! Een grandioos ogenblik. Hier voltrekt zich iets unieks – hij vervult de woorden van Gezelle:   ‘Denkt aleer gij doende zijt…’

Dat, wat als vermaning vaak zou kunnen klinken: “Denk toch eens na, voor je wat doet!”, komt hier uit het kind zelf.

Het cholerische kind brengt nu eerst het groepje van 3 terug-(dat het flegmatische kind als laatste had weggebracht); vervolgens het groepje van 5, van 3 en als laatste van 2, (dat is dus het groepje dat het flegmatische kind als eerste had weggebracht.)

Het cholerische kind doet dus precies het tegenovergestelde: hij maakt van de delen weer een geheel.
Als dat klaar is, vraag ik: “Wat heb je gedaan?”.
Kind: “groepje van 3, 5, 3, 2.”
Ik: “Hoeveel zijn dat er.”
Kind: “3 + 5 + 3 + 2 = 13”

Als je denkt dat die groepjes in de 4 hoeken van het lokaal stonden en je laat de cholericus de kinderen  weer in een kring zetten, dan heb je de vormtekening gedaan.

We kunnen zeggen dat het flegmatische en cholerische kind de andere klas­genoten leren optellen;  beide vormen komen van  ‘t begin af aan voor: 10=..+..+.. enz. en ..+..+..+..=10.

Nu doet zich de vraag voor: maken alle kinderen de flegmatische vormtekening – dus bieden we deze klassikaal aan?

TEMPERAMENTSVORMTEKENINGEN ZIJN ‘THERAPEUTISCHE’ OEFENINGEN
Mijn antwoord luidt: Nee! Temperamentsvormtekeningen zijn ‘therapeutische’ oefeningen.  Ze zijn specifiek voor dit temperament.

Wanneer ik de cholericus wil helpen zijn ongebreidelde drang om zich in de wereld te manifesteren, te beheersen, moet ik hem geen oefening geven die dit manifesteren juist ondersteunt: van het geheel naar de delen – vanuit jezelf de wereld in.

En de flegmaticus die ik juist zo graag  ‘in de wereld’ wil brengen, geef ik geen voedsel met als gevolg een groter vermogen zich in zichzelf op te sluiten: van de delen naar het geheel – een nog sterkere verdichting,  af­sluiting voor de wereld.

Geldt dit ook voor de rekenopgave(n)?

Zoals ik deze voor de klas uitvoerde in mijn voorbeeld,  laat ik geen ander temperament aan de beurt komen dan het flegmatische en het cholerische.

Maar wanneer we aan onze tafeltjes gaan oefenen met kastanjes o.i.d.  (als de voorwerpjes maar niet te klein zijn of weg kunnen rollen),  doen alle kinderen mee-iedereen moet tenslotte leren rekenen en alle bewerkingen kunnen maken. De beurten geef ik wel speciaal aan de  flegmatische en cholerische kinderen: zij voeren zo veel mogelijk hun eigen ‘beweging’ uit .
Alle kinderen doen dus mee, maar ik accentueer per temperament de opdracht.

Dat Steiner de ontwikkeling van het morele besef koppelde aan het rekenen van het ” geheel naar de delen”, laat ik hier voorlopig buiten beschouwing.
Het werken vanuit het geheel: 10  =    geeft heel veel mogelijke antwoorden. En zo is het mooi te zien hoe de jonge kinderen die voor het eerst kennis maken met “rekenen” naar hartelust kunnen fantaseren, wanneer ze hun eigen sommen maken.

Zo was er een meisje die dit maakte van de damstenen op haar tafeltje:
tekening cholericus 6

Gevraagd welke som dit was, antwoordde ze: 12=6 + 4 +2.

Toen de kinderen aan het eind van de les hun “mooiste” som in hun schrift mochten schrijven en tekenen, deed zij dit:
tekening cholericus 7
Wanneer de opdrachten zonder voorwerpen gemaakt kunnen worden, dus uit het hoofd, ga ik er langzaam, maar zeker toe over alle kinderen beide optelsommen te vragen:  9=..+.. en ..+..= 9, waarbij  ik langzaam van de meer-dan-twee-antwoorden overga naar …=..+..,  om dat tenslotte te laten uitmonden in het uit het hoofd leren (als een tafel) van
5 = 1 + 4
2 + 3
3 + 2
1 + 4

waarbij  ik opnieuw het fleg­matische kind extra beurten geef en het cholerische, als een soort echo laat herhalen:  1 + 4 = 5.  2 + 3 = 5,  enz.

1e klas rekenen: alle artikelen

1e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 1e klas: alle beelden

Menskunde: Over temperamenten   nr.15

 

52-50

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner als pedagoog (1)

.

EEN CHOLERISCH KIND
Ooit had ik een jongen in de eerste klas die zeer snel boos werd.
Hij had iedere dag wel ruzie met andere kinderen en gebruikte snel zijn vuisten om de onmin te beslechten.

Ook gebeurde het dat hij met voorwerpen door de klas smeet. Hij deed alles zeer intens en heftig.

‘STÄRKE’ EN ‘ERREGBARKEIT’
Vanuit de optiek: hoe volhardend is hij in wat hij doet (het begrip Stärke) en hoe reageert hij op prikkels van buitenaf (het begrip Erregbarkeit) was hij een voorbeeldige cholericus.

Ik vond het erg moeilijk om met de ontstane situaties om te gaan.

Hoewel ik op mijn opleidingsinstituut voor onderwijzer les kreeg van opgeleide, gekwalificeerde pedagogiedocenten, was ‘het cholerische kind’ niet aan bod gekomen, laat staan hoe je met hem om moet gaan.

Ik stond er letterlijk, alleen voor. Het moeilijke van die situaties vond ik dat je MOEST handelen. Je kon niet niets doen. en ik weet nog goed, hoewel het 40 jaar geleden is, dat ik me nooit tevreden voelde met hoe ik het had ‘opgelost’. Dat was toch niet veel meer dan de cholericus stevig toespreken, hem desnoods op de gang zetten of in een andere klas brengen.

Vóór ik werkzaam werd op de vrijeschool, had ik slechts een korte cursus vrijeschoolpedagogie gevolgd waarbij lang niet alles aan bod was gekomen.

Ik besloot een grondige studie te maken van de temperamenten. Nu ik deze iedere dag om mij heen had, gingen praktijk en theorie hand in hand.

EEN AANWIJZING VAN STEINER
Op zeker ogenblik kwam ik een aanwijzing van Steiner tegen:

Beim cholerisch tobenden Kinde sollen wir nicht versuchen, es nicht zum Toben kommen zu lassen, sondern versuchen, seine to­benden Eigenschaften in einer solchen Weise zu behandeln, daß wir von außen dem Kinde in der richtigen Weise entgegenkommen. Nun ist es schwer, ein Kind sich immer austoben zu lassen. (  )

Beim cholerischen Kinde dagegen versuchen Sie innerlich teilnahms­los zu werden, mit kaltem Blut zuzuschauen, wenn es tobt. Versuchen Sie, wenn es zum Beispiel das Tintenfaß zur Erde schmeißt, diesem Toben gegenüber äußerlich so phlegmatisch, so gelassen wie möglich zu sein, durch gar nichts ergriffen zu sein! Und versuchen Sie, im Ge­genteil dazu, äußerlich möglichst viel von diesen Dingen mit dem Kinde in Teilnahme zu besprechen, aber nicht unmittelbar nachher! Zeigen Sie sich möglichst ruhig äußerlich und sagen Sie mit der mög­lichsten Ruhe: Du hast nun das Tintenfaß zerschmissen. Am anderen Tag, wenn das Kind selbst ruhig ist, besprechen Sie teilnahmsvoll die Sache mit ihm. Sprechen Sie darüber, was es getan hat, zeigen Sie die größte Teilnahme. Zwingen Sie so das Kind, hinterher die ganze Szene in seinem Gedächtnis zu wiederholen, durchzunehmen. Verurteilen Sie auch ruhig die Vorgänge, wie es das Tintenfaß auf den Boden gewor­fen, zerschlagen hat. Man kann auf diese Weise mit tobenden Kindern außerordentlich viel erreichen. Auf andere Weise bringt man sie nicht dazu, das Toben zu bekämpfen.
.

“Bij een kind dat cholerisch te keer gaat, moeten we niet proberen te verhinderen dat het zich uitleeft, maar juist proberen die zich heftig manifesterende eigenschappen aan te pakken door  het kind van buitenaf op de juiste wijze tegemoet te komen. Maar het is wel moeilijk om een kind zich altijd helemaal te laten uitleven.( )

Bij een cholerisch kind daarentegen probeert u innerlijk onaangedaan te blijven, koelbloedig toe te zien wanneer het zich aan het uitleven is. Probeer, als het bijvoorbeeld het inktpotje op de grond smijt, zo flegmatisch, zo rustig mogelijk te zijn en door niets, maar dan ook niets geraakt te worden. En probeer, in tegenstelling daartoe, uiterlijk zo veel mogelijk van die dingen geïnteresseerd met het kind te bespreken – maar niet onmiddellijk daarna. Wees uiterlijk zo rustig mogelijk en zeg met de grootst mogelijke rust: ‘Je hebt het inktpotje kapotgegooid.’ De volgende dag, als het kind zelf rustig is, bespreekt u de zaak vol belangstelling met hem. Bespreek wat het kind gedaan heeft op die manier om de hele scène achteraf in zijn herinnering te herhalen, nog eens langs te lopen. U kunt ook rustig het kapotgooien van het inktpotje op de grond, veroordelen. Men kan op deze manier bij wilde kinderen buitengewoon veel bereiken. Op een andere manier brengt men ze er niet toe hun wilde uitgelatenheid te bestrijden.”
GA 295/14-15
vertaald/15
(1)

Dit laatste kon ik al meteen uit de praktijk beamen.

IN DE PRAKTIJK
Die andere aanpak vond ik wel moeilijk. Ik merkte dat ik zelf ook wel wat choleriek had en dat ik geïrriteerd raakte door het gedrag van het kind.

De oproep van Steiner: ‘Je voor de klas nooit ergeren” [2] die ik later tegenkwam, heeft me duidelijk verder geholpen een houding aan te leren waarbij ik, van binnenuit, de rust kon vinden in een situatie waarin het cholerische kind weer een van zijn buien had.

Ik weet nog als de dag van gisteren dat ik, zij het aarzelend, toen de potloden door de klas waren gevlogen, zei:  “Nu liggen al je potloden op de grond en van sommige zijn de punten gebroken.”

De uitwerking was frappant:  er daalde een zekere rust in de klas. Ik vroeg een ander kind de potloden op te rapen en ging, uiterlijk onbewogen, verder met waarmee we bezig waren.

De andere dag heb ik het voorval met hem besproken, zonder de andere kinderen.

Er volgden in de loop van de jaren nog talrijke uitbarstingen, maar de tussenpozen werden steeds ruimer.

Ik probeerde hem met andere aanwijzingen voor het cholerische kind te helpen de negatieve kanten van de choleriek om te zetten in positieve.

Hoewel ik aanvankelijk veel fout had gedaan, leerde ik ook steeds meer.

Toen ik na 7 jaar afscheid nam van de klas, stond er in het afscheidsboek een briefje van ‘mijn cholericus’ met daarin de woorden: “Bedankt dat U me van mijn boze buien hebt afgeholpen”.

Ik vond het toen en vind dat nu nog, veel te veel eer, maar was er wel heel blij mee.

Het gaat hierom:
Wanneer een kind woedend is en jij benadert het ook woedend om het te dwingen, te leren, zich te beheersen, roep je eigenlijk, onbeheerst  met veel misbaar: “En ik zal je léren, je te beheersen!!!”

Op deze manier ben je slechts even ver als het kind en dat leert dus niets van je.

Op 04-11-14 in Trouw – ‘het gesprek’:
‘Mam, de juf heeft tegen mij geschreeuwd.
‘Wat schreeuwde ze dan?’
‘Dat ik niet zo moest schreeuwen.’
Theo Olthuis, Bergen NH

(1) uitg. 1989
(2) Ik heb nog niet kunnen achterhalen waar precies. In ieder geval staat er over ‘beheersing wel het e.e.a.in GA 10, vertaald.

 

Rudolf Steiner als pedagoog (2)    (3)    (4)

Temperamenten (menskunde en pedagogiek nr.15)

Rudolf Steiner over…: alle artikelen

9-7

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.