Categorie archief: schilderren

VRIJESCHOOL – 3e klas – schilderen

.

3E KLAS: SCHILDEREN – DE SCHEPPING

Toen de vrijeschoolonderbouw nog uit 8 klassen bestond – ooit was dat zo – werd er in elke klas 1 uur per week geschilderd.
Ook toen de 8e klas bij de bovenbouw ging horen, stond voor de 7 klassen het schilderuur nog steeds op ‘de rooster van lesuren’ (inspectieterm)
Nu ook de 7e klas niet meer tot de onderbouw behoort, bleef het schilderuur voor de 6 basisschoolklassen – hoe het nu in 7 en 8 is, is mij onbekend.

‘Wekelijks’ is gewoonte, maar je kan allerlei gegronde redenen hebben om daar (eens) van af te wijken.

Wanneer je een derde klas hebt, zijn de zeven scheppingsdagen uit de vertelstof voor deze klas: het Oude Testament, een prachtig motief om gedurende zeven opeenvolgende weken telkens een ‘dag’ te schilderen; maar je kan ook, als je de ene lesdag een scheppingsdag hebt verteld, die de volgende lesdag schilderen, om op het verhaal op deze (kunstzinnige) manier terug te komen. Dan schilder je dus iedere lesdag het verhaal van de vorige lesdag. De wekelijkse schilderles zou dan gedurende die tijd kunnen vervallen.

In klas 1 en 2 hebben de kinderen dus wekelijks al geschilderd en daardoor o.a. kennis gemaakt met de kwaliteit van de kleuren. Door het nat-in-nat schilderen – overigens niet geheel in overeenstemming met de praktijk: het papier mag beslist niet ‘nat’ zijn, alleen maar vochtig (daarom heet de techniek in het Duits ‘feucht-in-feucht), krijgen de kinderen een grote vrijheid hun vormen te maken: de aquarelverf laat al erg vrij, maar nog meer in het vochtige papier.
In klas 1 en 2 werden de kwaliteiten vaak nog verbonden met een verhaalbeeld als introductie op de schildering: het ‘boze’ rood, of het ‘brutale’ rood en het ‘stralende’ geel enz. die samen iets gingen ondernemen; of ook wel ruzie kregen enz. Mengkleuren ontstonden meestal vanzelf – soms ‘per ongeluk’ en waren voor de kinderen vaak verrassende ontdekkingen.
Maar, in de 3e, wanneer de kinderen met het echte leven kennis maken – in de heemkundeperioden bijvoorbeeld – zouden de kleuren ook weer in een nieuwe context gebruikt kunnen gaan worden.
Moeilijke vragen voor ze: hoe laat je dat zien: ‘er zij licht!’ En ‘de aarde waarop nog niets leeft’, die a.h.w. stil ligt te wachten tot er iets gebeurt, welke kleur zou daarbij horen? En hoe schilder je die dan?
Dat ‘hoe’ kan ook technisch bekeken worden: welke techniek gebruik je (nu nog bewuster dan in de vorige jaren).

Hoe meer je als leerkracht aangeeft hoe het eigenlijk zou moeten worden, des te onvrijer wordt het kind. Vragen stellen en de kinderen laten antwoorden. ‘Hoe zou je…hoe zou het….?” En dan maar schilderen!
De andere dag moet je erop terugkomen, ‘bespreken’. De schilderingen zijn dan waarschijnlijk nog niet droog en kunnen dus niet opgehangen worden, maar wel met plank en al op de vloer om ze zo te kunnen bekijken. ‘Welke is gelukt, is daar iets te veel….of te weinig…..’ Het gaat nooit om ‘de beste’, maar altijd om ‘waar zien we al dat…..’
Nu kun je de volgende dag dezelfde opdracht nog eens geven, maar dan gaan veel kinderen toch naschilderen van wat ze met elkaar wel de meest gelukte vonden. Je kunt dus ook een half jaar wachten om dan de hele reeks van 7 scheppingsdagen nog eens te maken, nu bijv. elke week in het schilderuur. Kortom: vele mogelijkheden.

Er zij licht!
Stralend geel, het goudgeel, maar ook het citroengeel. Misschien een kleine strook pruisisch blauw/donkerrood aan de benedenrand.

De scheiding tussen de wateren
Een ‘boven’ en een ‘onder, met blauwtinten naar boven lichter wordend, naar onder zwaarder, daar misschien weer dat vleugje donkerrood

*

De groene wereld
De onderrand groter en vanuit diep pruisisch blauw naar boven lichter wordend. Van bovenaf goudgeel, intenser wordend naar beneden, voorzichtiger wordend in het citroengeel, dat aftastend het pruisisch blauw ontmoet en groen wordt.
De lichtste kleur (citroengeel) ontmoet de donkerste kleur (het pruisisch blauw) en de groentinten ontstaan.
Ik heb eens het geluk gehad dat een kind zei: ‘Nu begrijp ik waarom de wereld groen is.’
De andere dag kun je het groen dan later verdichten tot donkergroen, afgewisseld met lichtgroen, kortom: allerlei groenen die een plantaardige vorm krijgen. ‘Je hoeft geen bestaande plant te schilderen, maar een vorm waarvan iedereen meteen zegt: dat is een plant of een struik of een boom.’

Dag en nacht
Uiteraard is er bijna nooit maar 1 mogelijkheid. Hier kun je de nacht nemen met veel blauw en een nieuwe techniek, het uitsparen van een vorm voor de maan of de sterren, want zonder uitsparing worden die groen, natuurlijk. Dan moet je veel dunnere penselen gebruiken. Dat geeft uiteraard bij de kinderen het gevoel dat ze weer meer gaan kunnen, want in de 2e kreeg je die niet!
Sommige kinderen probeerden de hemel donker te maken en naar beneden toe een soort zonsondergang met het warme geel en lichtere rood om tot een vorm van oranje te komen.

Vissen en vogels
Wat een mogelijkheden: allerlei blauwtinten voor hemel en water; allerlei verdichtingen die iets vis- en vogelachtigs verbeelden (kleine penseel). Vliegende vissen en zwemmende vogels!

De dieren
De aarde als vaste grond met pruisisch blauw en karmijnrood; het blauw tot groen wordend door het citroengeel; nu kan bijv. ook bruin erbij komen – mengvormrood, blauw en geel, maar welke? De kinderen kunnen op een apart vel de verschillende bruinen leren ontdekken. Bruin krijgt al gauw de overhand, dus met mate. Waar dan? Hier begeef je je met de kinderen voorzichtig op het vlak van de ‘kunstzin’.

De mens
Voor de mens hebben we een beetje rose nodig. Welk rood moet je dan gebruiken  En…een beetje: wit. Nu ben je toch wel een echte 3e klasser – als je ook met wit gaat werken.
Ook hier gaat het niet om een kant-en-klaar mens, maar om de aanduiding dat het onmiskenbaar om mensen gaat.

Dit is uiteraard, maar een van de mogelijkheden voor een schilderthema in klas 3 – hier n.a.v de vertelstof.

* deze schildering kan een voorbeeld zijn voor het thema, maar was dat oorspronkelijk niet
.

3e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas: vertelstof

 

1268

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – 4e klas – dierkunde – tekenen/schilderen

.

tekenen schilderen 6

De eerste biologieles in de vierde klas, beginnend met mens-en dierkunde, stelt de leerkracht al gauw voor de  dringende vraag: hoe ontwikkel ik bij de kinderen het vermogen om een voorstellingsbeeld van iets wat besproken is, dat ze denkend en voelend beleefd hebben, op een kunstzinnige manier, d.w.z. levend-scheppend te kunnen uitdrukken.
Iedere poging op dit vlak, wat het ook is, zal de vrije ontplooiing van de wil bevorderen.
In de drie voorafgaande schooljaren leerden de kinderen de kleur- en vormwereld als elementen op zich kennen. Niet de nabootsing van uiterlijke voorwerpen werd geoefend, maar het beleven van de kwaliteit van een kleur in relatie tot andere; de spanning en de beweging van een lijn stonden op de voorgrond.
Nu komt het uitbeelden van de planten- en dierenwereld erbij en daarmee beginnen de problemen. Tekenen met penseel, kleuren met potlood? Hoe ver ga je met contouren?
Laten we eens naar het materiaal kijken dat tot nog toe werd gebruikt.
De waterverf maakt vloeiende vlakken mogelijk – de elementaire stemming van de omgeving van het dier: aardachtig-donker bij de muis; water, koelte bij de vis; zonnig verlicht tot schemerig groen van het bos bij het hert en de vos; hitte op de steppen of savannen bij leeuw en giraffe enz.
En de vorm? Kunnen de kinderen op deze leeftijd met een brede penseel de karakteristieke vorm van het dier laten ontstaan? Als aanduiding, zeker. Uit de koele kleurnuances kan de vorm van de vis; uit de rood-gele kleuren de vorm van een springende leeuw bij benadering ontstaan. Hoe sterker de kinderen zich met de door de leerkracht (met woorden) geschetste dierfiguur kunnen verbinden, met des te meer zekerheid zullen ze de kleuren vinden om met overtuiging tot een verbeelding te komen.
Maar hoe moet het wanneer ze een hert, een giraffe, muis of zebra moeten weergeven?
De kinderen zullen beginnen in de eerst opgebrachte kleurvlakken met het penseel te tekenen en weer weg te nemen: dunne poten, lange halzen, spitse snuiten. Alles wat karakteristiek is aan het dier zullen ze willen tekenen. Dat is een heel natuurlijke behoefte – maar met het brede penseel?
Alles wat tot nog toe met waterverfschilderen geleerd is, staat daarmee ter discussie. Het gevoel om nog meer met kleurvlakken te werken dat tot dan toe consequent ontwikkeld werd, wordt ineens niet meer aangesproken.
De omtrekslijn daarentegen zal nog steeds wat minder precies en vaag blijven. Maar de kinderen willen en moeten een vorm kunnen maken van wat als beeld in hen ontstaan is.
Aan de andere kant is het voor de kinderen nog niet mogelijk, ondanks de vele tekenoefeningen, een dier zuiver met lijnen te tekenen. (Bedenk wel wat het betekent om een voorwerp naar eigen voorkeur met weinig lijnen op papier te zetten). Dat wordt op dit niveau of slechts wat werktuiglijk en nietszeggend, volgens de methode: teken een ezel met alleen maar driehoeken en de haas met cirkels, of het wordt grotesk à la Micky Mouse.

tekenen schilderen 5

Je zult dus een overgang moeten vinden van de elementaire kleurstemming naar de karakteristieke (en tegelijkertijd anatomisch juiste) vormgeving zoals die ook later op de bovenbouw nodig is. Een schilderend tekenen waarbij de omgeving en de gestalte door de kleur in harmonie gebracht kunnen worden, zoals dat door de kinderen in harmonie ervaren wordt.

In de loop van de schooltijd is het onze opdracht in de kinderen het vermogen tot een heldere oordeelsvorming te ontwikkelen. Voor de leeftijd die hier besproken wordt, moet voorafgaan een levendig kunnen meebeleven, zoals op de meest voorkomende manieren uit de van buiten en van binnen werkende krachten de zuivere vorm van ieder voorwerp ontstaat.

De hier geschetste poging werd eerst in een vierde klas gedaan, dan ook in een vijfde en zesde ter voorbereiding op het handenarbeidonderwijs.
We hadden een grote doos met restjes oliekrijtjes, zodat alle kinderen hetzelfde materiaal hadden. Het uitgangspunt was niet de diervorm, maar altijd de omgeving. Deze dan meer licht met kleur aangegeven om vandaaruit langzaam verdichtend tot een vorm te komen. Als van binnenuit groeien dan aan de ronde of langwerpige romp de ledematen en de andere belangrijke organen.
Hier moet worden opgemerkt dat vanzelfsprekend iedere tekening wordt voorafgegaan door een gedegen vertellende schets, zoals door H.Rutz in het aprilnummer* indrukwekkend is beschreven. In een vijfde of zesde klas kan dat wat korter en geconcentreerder gebeuren.

tekenen schilderen 1

De afbeeldingen zijn helaas niet in kleur.

lll is het werk van een jongen die nog maar korte tijd in de klas was. Hij had alleen de teken- en schilderlessen van het laatste halve jaar meegedaan. Aan de bovenkant zie je wat hij eerst probeert: uit de beweging van de hand de vorm van de muis te pakken. Dat lukt niet. Maar de jongen wil graag en is handig, hij begint direct eronder met bruin en violet een aardachtige omgeving aan te duiden. In het midden wordt het violet dikker en verschijnt het langwerpige rompje van de muis en dan pas begint hij met de details: het nieuwsgierige spitse snuitje en de snorharen, tot aan de lange staart.
Het vierkante oliekrijt maakt een fijnere lijnvoering mogelijk door de scherpe kant, zoals eerder de vlakke kant zorgde voor het kleurvlak.
Daar zit dan het kleine muisje, een beetje in elkaar – maar wakker en gespannen.

De andere tekeningen zijn van kinderen die vanaf de eerste klas bij ons waren. Aan het krachtige gebruik van lijn en ruimte spreekt een grotere zekerheid.
Hoe slim steekt de egel zijn snuit uit zijn beschermende stekelhuid (IV):

tekenen schilderen 2

en hoe voorzichtig bedachtzaam sluipt de vos door het struikgewas:

tekenen schilderen 3

Hier kunnen maar weinig tekeningen afgebeeld worden. De leeuw is van een kind met een bijzonder talent:

tekenen schilderen 4

Dikwijls vind je in de tekeningen van kinderen die in hun vrije tijd uit zichzelf niet naar het tekenkrijt grijpen, de grootste fijngevoeligheid en lichtheid. Ieder kind vindt zo zijn weg naar een beeldende voorstelling; en deze gemoeds- en wilsactiviteit zal veel kunnen bijdragen aan het sterker worden van een innerlijk waarnemen en van de oordeelsvorming.

Hildegard Andrae, Erziehungskunst 18e jrg.-5-1954

Hierin staan nog meer zwart/witillustraties

*(nog) niet op deze blog verschenen

Dierbeschrijvingen: Grohmann – leesboek voor de dierkunde

Dierkunde: alle artikelen  m.n. nr.4 – het tekenen van een leeuw

VRIJESCHOOL in beeld: 4e klas dierkunde

zie vooral ook: Anke-Usche Clausen: Schöpferisches Gestalten mit Farben

waaruit de bovenste en de hieronder volgende:

tekenen schilderen 7

tekenen schilderen 8

deze tekeningen zijn gemaakt met de ‘blokjes’ van Stockmar: een uitstekend materiaal om vlakken te tekenen; de scherpere kanten maken ook details mogelijk.

1047

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.