Maandelijks archief: december 2019

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (33)

.
Een stukje uit een schoolkrant van de vrijeschool antwerpen. nadere gegevens onbekend, aangevuld en verbeterd door Pieter HA Witvliet

.
de kerstboom

Symbolen ‘staan’ voor iets. Je kan naar het ‘waarom’ vragen. Dan ‘hoort er iets bij’ wat de betekenis, de zin duidelijker tot uitdrukking brengt.
Als de aartsengel Michaël eeuwen geleden al afgebeeld wordt met zwaard en weegschaal, dan hebben die wat Michaël te maken. 
Vele artikelen (o.a. 3, 30, 33) op deze blog gaan over die michaëlsymbolen.

Vaak stammen deze symbolen uit een ver verleden, ‘ergens’ zijn ze voor het eerst gebruikt. Ook met een ‘daarom’. 
Het zou interessant zijn om te kunnen weten uit welke stemming, met welke gedachten die vroegere mensen juist deze symboliek kozen.
Dat is meestal niet te achterhalen, dus gaan we interpreteren.

Een feit is wel dat vele oude symbolen voortleven. Wel niet meer met die oorspronkelijke betekenis en bedoeling, verdwenen zijn ze niet. En daarmee leiden ze ook een beetje een ‘eigen’ leven. Wat weer tot gevolg heeft dat het voorwerp min of meer los komt te staan van zijn oorspronkelijke bedoeling: iets tot uitdrukking brengen, ergens voor staan.

Dat heet vervlakking.

Dan begint het voorwerp voor ‘iets anders’ te staan. 
Kenners van de oude symboliek noemen dat ‘veruiterlijking’.

Zo is de kerstboom ten prooi gevallen aan deze veruiterlijking. Tegelijkertijd is hij tot een soort nieuw symbool geworden: dat van knusheid en gezelligheid, vrolijkheid en dat dan wel weer: veel licht verspreidend in een donkere tijd.

Dat laatste zou je nog kunnen zien als iets ‘christelijks’.

Begrijp me goed: ik veroordeel ‘knusheid en gezellighed’ helemaal niet – ik zou niet zonder kunnen – maar tegelijkertijd is er met en aan de boom nog zoveel meer te beleven wat echt met het kerstfeest te maken heeft.

Ieder jaarfeest kan – naast het ‘gewoon’ te vieren, ‘eraan mee te doen’- ook oproepen tot bezinning – en is en/of was er voor de bezinning.
En de symboliek kan daarbij helpen.

Je kan je afvragen: waarom is de kerstboom – kerst = Christus, een boom die altijd groen blijft, die nauwelijks bloeit. Grohmann geeft er in zijn ‘Leesboek voor de plantkunde‘ een mooie verklaring voor.

Ook door wat Rudolf Steiner over de kerstboom zei, kan je de boom op een andere manier symbolisch optuigen.
Mensen die zijn aanwijzingen gebruiken, hangen er 30 papieren rode rozen in, om aan te geven dat Jezus 30 jaar op aarde leefde. Als hij na de doop in de Jordaan nog 3 jaar leeft als de Christus, wordt dat gesymboliseerd door boven in de boom 3 witte rozen te bevestigen.

Ook sprak Steiner over diverse andere symbolen die een plaats zouden kunnen krijgen om een diepere relatie tot uitdrukking te brengen tussen waar deze symbolen voor staan en het wezen en de betekenis van Christus.

Hier volgen de door hem gegeven symbolische tekens,
Er staan enkele voorbeelden bij, maar het is geen volledige opsomming.

Het VIERKANT
Het getal vier symboliseert o.a. de vier elementen: aarde, water, lucht en vuur.
Of steen, plant, dier en mens. Je zou hier kunnen spreken (met Leen Mees:) we leven op de aarde, van de planten, met de dieren, onder de mensen.
Op ons halfrond hebben we vier aan de seizoenen gebonden jaarfeesten: Kerstmis, Pasen, Sint-Jan en Michaël.
Horizontaal oriënteren wij ons op aarde in de vier windstreken.
De zeven vrije kunsten hebben hun bijzondere vierluik: spraakkunst, redeneerkunst, rethorica en rekenkunde.
Het mensbeeld spreekt over de vierheid: fysiek lichaam, etherlijf, astraallijf en Ik.

De DRIEHOEK  staat symbool voor de drie-eenheid: Vader, Zoon, Heilige Geest;
Maria, Jozef en het Kind; twee ouders en een kind (het gezin); het drieluik in de zeven vrije kunsten: muziek, geometrie en astronomie; 
de drieledige mens: denken, voelen, willen;
hoofd, romp en ledematen

De TAROK of TAROT: ‘Zij die ingewijd waren in de Egyptische mysteriën konden dit teken lezen en begrijpen. Zij konden het “Dodenboek” lezen, dat bestond uit 78 kaarten waarin zich alle gebeurtenissen van de wereld bevinden van het begin tot het einde, van:

ALFA  tot OMEGA, die men kon lezen als men wist samen te stellen in de juiste volgorde» Dit boek bevatte -in beelden- het leven, dat sterft en dat opnieuw ontluikt in een nieuw leven» Hij die het aantal en de beelden juist wist samen te stellen kon dit boek lezen. En deze wijsheid der getallen, deze wijsheid der beelden werd onderricht in de oude tijden.
En Christus wordt ‘de alfa en de omega’ genoemd.

TAO is het teken dat later uitgedrukt werd door de letter T» Op deze T is een cirkel geplaatst; het teken van de goddelijke natuur van de vader die alles omvat»
Het Egyptische anch-teken. Het is de sleutel die de mysteries van hemel en aarde kan ontsluiten. Het is een symbool van onsterfelijkheid.

Het PENTAGRAM
is het symbool van “alles wat de ruimte omvat en van de mensheid die zich ontwikkelt. Het is de ster, het symbool der mensheid dat alle “wijzen” volgen, zoals de “wijzen” aangaven in de oude tijden. Het is de geest van de aarde, van de grote Heros die geboren werd in de Heilige Nacht, opdat het Licht het meest glanze in de meest-diepe duisternis.
Er wordt ook gezegd: de samenstellende driehoeken verwijzen naar de vier elementen en naar spiritualiteit.
Zo ‘correspondeert’ dit teken in zekere zin met de onderste twee: de driehoek en het vierkant, want Steiner had de plaatsing van deze tekens in de kerstboom zo gedacht:

Vanuit een andere invalshoek brengt Steiner de Chrsitus in verband met de zon. De planeten en het ontstaan ervan worden door hem uitvoerig beschreven. Voor hem is Christus ‘een kosmische zonnegeest’. Dan is het niet verwonderlijk dat ook de planetentekens bij hem een plaats krijgen in deze symbolische kerstboom.
Rondom de boom, in een halve lemniscaat.
Ze worden wel aangegeven met kleur:
In de volgorde van onderop rechts:
Saturnus: donkerblauw
Zon: wit
Maan: geel
Mars: rood
Mercurius:
geel
Jupiter: oranje
Venus: heldergroen

Deze volgorde van de planeten stemt ook overeen met de volgorde van de dagen van de week: zaterdag, zondag enz. Die eindigt op vrijdag en vestigt nogmaals de aandacht op het kruis opdat de spiraal het levensteken zou zijn, zoals de tekens aan de stam de geboorte aanduiden, alle een kruis vormend in hun plaatsing.

Over alle gebruikte symbolen valt meer te zeggen dan hier kan worden weergegeven. 

Over de verlichting.

Bovenstaande inhoud ontleende ik voor een deel aan een artikel uit een schoolkrant van de vrijeschool in Antwerpen. Nadere gegevens onbekend.

De auteur heeft Steiners voordracht van 6 december 1906, in GA 96 gebruikt.
Vertaald. Ook in deze vertaling voordrachten uit GA 54 en GA 92

Over Kerstmis is meer werk van Steiner vertaald, bv. hier, uit GA 117
Kerstmis: uit GA 98, GA 127, GA 187

De lijst is niet compleet.

Meer over deze tekens

.

Kerstmis: alle artikelen

.

1976

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Kinderboekbespreking (33)

.

Er zijn heel veel kinderboeken.
Ze zijn en worden door allerlei recensenten besproken. Die hebben allemaal een opvatting of een boek mooi, goed, enz. is.

Er staan vaak illustraties in. Ook die worden mooi, dan wel minder mooi of zelfs lelijk gevonden. Maar hoe geldig zijn deze criteria. Smaken verschillen en als ze opvoedkundig beoordeeld worden, spelen allerlei mensbeelden, bewust of onbewust, ook hun rol.

De kinderen zelf vormen de grootste maatstaf. Als een boek telkens voorgelezen en of bekeken moet worden; als het ‘met rode oortjes’ wordt gelezen, verslonden, zelfs, dan weet je dat de schrijver of illustrator een snaar heeft weten te raken die nog lang naklinkt. Ook de kinderen hebben een smaak en het ene zal dit, het andere dat boek fijner vinden.

In de artikelenreeks ‘Kinderboekbespreking’ op deze blog zal er een aantal de revue passeren.

Pieter HA Witvliet
.

Dit is naar mijn smaak het prachtigste kerstboek dat er bestaat.
Geschreven in meeslepende stijl. Er gebeurt van alles: spannende dingen – en gelukkig: het loopt goed af! Dingen om je zorgen om te maken: maar Maria overkomt niets. Mooie dingen: de slechteriken gaan een beter leven leiden. Enz.
Ik bewaar aan het voorlezen de mooiste herinneringen. Niet alleen aan onze eigen kinderen, maar vooral ook aan mijn klassen ( 1 t/m 3 – groep 3 t/m 5).
Na de 1e advent las ik er iedere dag een klein stukje uit voor. De kaars(en) in de adventskrans brandde(n) en de kinderen zaten in het nog schemerige lokaal stil te luisteren.
Zo’n boek gun ik ieder kind: om voor te lezen of om zelf te lezen.

 

Gunhild Sehlin
Ill. Jan Verheyen

Boek  – het is er nog!

Vanaf 6jr

Kinderboekbesprekingalle titels

Kinderboekbespreking: alle auteurs

.

1975

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – toespraken bij de Kerstspelen uit Oberufer (voorwoord)

.

In de voordrachtenreeks (GA=Gesamt Ausgabe) zijn de toespraken die Steiner hield naar aanleiding van opvoeringen van de kerstspelen, gebundeld in nr. 274 [1]:
.

TOESPRAKEN BIJ DE OUDE VOLKSE KERSTSPELEN

ANSPRACHEN ZU DEN WEIHNACHTSPIELEN AUS ALTEM VOLKSTUM

gehalten in Dornach 1915 bis 1924
und ein Aufsatz Weihnachten 1922

Vorbemerkung [2]

blz. 7

Zum ersten Male werden die Ansprachen Rudolf Steiners zu den Weihnachtspielen, soweit sie sich erhalten haben, in Buchform veröffentlicht. In dem das Buch einleitenden Aufsatz aus dem Jahre 1922 erzählt Rudolf Steiner – er nennt ihn eine Christfest-Erinnerung – «von den volkstümlichen Weihnachtspielen». Dort schon wird von ihm im wesentlichen mitgeteilt, was er oftmals in verschiedenartiger Form den jeweils neuen Zuhörern über die Entstehung und Wesensart dieser Spiele nahezubringen suchte. Man kann daher vergleichen, wie einmal Rudolf Steiner über diese Spiele schreibt und dann über sie auch spricht. Bereits bei der Herausgabe der Einführungen zu den Eurythmie-Aufführungen, Bibl.Nr. 277, wurde auf dieses Moment hingewiesen und betont, daß die Wiederholungen bei diesen Ausgaben aus der Sache heraus nicht vermeidbar sind. Daß aber im Grunde genommen es ein Widerspruch ist, gesprochenes Wort zu drucken, betonte Rudolf Steiner bei der Drucklegung von Vorträgen oder Vortragszyklen immer wieder. So sei auch hier darauf aufmerksam gemacht. Doch treten gerade oftmals bei den Wiederholungen in kaum bemerkbaren Zügen neue Aspekte auf, so daß sich gesamthaft ein reiches Bild dieses «Lebens der Vergangenheit» ergibt, zugleich ein nicht unwesentliches, kaum bekanntes Kapitel deutscher Theatergeschichte, wie wir es sonst nicht finden.

Voorwoord

Voor de eerste keer worden de toespraken van Rudolf Steiner bij de Kerstspelen, voor zover ze bewaard gebleven zijn, in boekvorm gepubliceerd. In een inleidend artikel uit 1922 waarmee het boek opent, vertelt Rudolf Steiner – hij noemt het een ‘herinnering aan een christusfeest – ‘over de volkse kerstspelen’. Daarin wordt door hem het meest wezenlijke meegedeeld, wat hij dikwijls in verschillende vormen aan de telkens nieuwe toeschouwers over het ontstaan en het karakter van deze spelen probeerde duidelijk te maken.
Daarom kan je vergelijken hoe Rudolf Steiner de ene keer over de spelen schrijft en dan ook over ze spreekt. Al bij de uitgave van de inleidingen bij de euritmie-opvoeringen, GA 277, wordt hieraan gerefereerd en benadrukt, dat herhalingen bij deze uitgaven door de aard van de zaak niet zijn te vermijden. Rudolf Steiner benadrukte steeds weer bij het in druk verschijnen van voordrachten of voordrachtenreeksen dat het in wezen elkaar tegenspreekt om gesproken woord te drukken. Maar juist bij de vele herhalingen zitten vaak nieuwe aspecten die je nauwelijks opmerkt, zodat dit alles bij elkaar een rijk beeld van dit ‘leven in het verleden’ oplevert, tegelijkertijd een niet onbelangrijk, nauwelijks bekend hoofdstuk uit de Duitse theatergeschiedenis, zoals we nergens anders aantreffen.

Auf eine chronologische Übersicht wurde verzichtet. Es ist aber an entsprechender Stelle jeweils bemerkt worden, wenn eine Ansprache durch einen fast gleichlautenden Wortlaut nicht wieder abgedruckt wurde, oder aber eine solche stattfand, von welcher sich keine Nachschrift erhalten hat. – 1909 ist das Oberpfälzische Weihnachtspiel in Berlin aufgeführt worden, wie Leopold van der Pals in seinen «Erinnerungen», die wir im Anhang wiedergeben, mitteilt. Ein Jahr später spricht Rudolf Steiner dann in Berlin am 22. Dezember 1910 über die Oberuferer Spiele. Der Vortrag ist veröffentlicht in Band Nr. 125 der Gesamtausgabe: «Wege und Ziele des geistigen Menschen. Lebensfragen im Lichte der Geisteswissenschaft» – unter dem Titel «Das Weihnachtsfest im Wandel der Zeiten». Auch als Einzelheft ist der Vortrag erhältlich. Es darf angenommen werden, daß Rudolf Steiner auch bei den Berliner Aufführungen, von denen Dr. Karl Schubert – Seite 107 – im Anhang berichtet, Einführungen gab. Doch liegen von diesen keine Nachschriften vor. Was grundsätzlich über solche Einleitungen zu sagen ist, findet sich in der Selbstbiographie «Mein Lebensgang» von Rudolf Steiner im Kapitel XXV ausgeführt (Bibl.-Nr. 28).
Hinweise auf Personen oder Sachverhalte erfolgen nur einmal, nicht bei Wiederholungen.

Van een chrnonologische volgorde werd afgezien. Op de plaats in kwestie is echter iedere keer aangegeven wanneer een toespraak niet opnieuw afgedrukt is, omdat er al een bestond die bijna dezelfde is of er een gehouden werd waarvan geen afschrift bewaard gebleven is. 
In 1909 is in Berlijn het ‘Oberpfälzische kerstspel’ opgevoerd, zoals Leopold van der Pals in zijn ‘herinneringen‘ meedeelt, de wij hier in het aanhangsel weergeven. Een jaar later spreekt Rudolf Steiner dan in Berlijn op 22 december 1910 over de kerspelen uit Oberufer. De voordracht staat in GA 125: onder de titel ‘Het kerstfeest in de loop van de tijden’. De voordracht is ook los te verkrijgen.
Aangenomen mag worden dat Rudolf Steiner ook bij de opvoeringen in Berlijn waarover Dr. Karl Schubert – blz. 107 in het aanhangsel vertelt, inleidingen hield. Maar daar zijn geen afschriften van. 
Wat er basaal over deze inleidingen gezegd moet worden, staat in hoofdstuk 25 van de autobiografie van Rudolf Steiner ‘Mijn levensweg‘ 

Verwijzingen naar personen en zaken worden maar eenmaal gegeven, niet bij herhaling.

[1] GA 274
[2] GA 274
.

Rudolf Steinertoespraken bij de kerstspelen

Kerstspelenalle artikelen

Kerstmisalle artikelen

.

1974

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Ontwikkelingsfasen (1-8)

.
Marjolein Wolf, Weleda Puur kind, lente 2006, nr. 17
.

Onbevangen op ontdekkingsreis
.

Negen maanden lang is de baby omsloten door natuurlijke grenzen. En dan, plotseling, komt hij terecht in de wijde wereld, in zijn blootje: een en al huid. Dit ( tuurlijke jasje is zijn steun en toeverlaat op de ontdekkingreis die voor hem ligt. Hoe bied je jouw baby én zijn huidje de bescherming die hij nodig heeft. En wat kan hij zelf? Deze vragen legden we voor aan pedagoge Hanne Looij.

Wie een pasgeboren baby in de wieg ziet liggen, kan zich verbazen hoe afhankelijk zo’n kleintje is van de mensen om hem heen. Hij lijkt niets te kunnen, maar schijn bedriegt. Want al vanaf het eerste moment is hij bezig met het verkennen van zijn grenzen. En in het begin heeft hij maar één instrument tot zijn beschikking om dit te doen en dat is zijn lijfje. Of beter gezegd: zijn huid.

De ene huid is de andere niet en dat geldt ook voor baby’s. Dat neemt niet weg dat iedere babyhuid in diverse opzichten verschilt van die van een volwassene. Zo is hij bijvoorbeeld vier tot vijf keer dunner, wat komt doordat bepaalde elementen nog nauwelijks zijn ontwikkeld. Bij volwassenen bestaat het bovenste laagje van de huid uit een hoornlaagje: een beschermend laagje dat voornamelijk uit dode cellen bestaat. Dat laagje is bij baby’s nog niet aanwezig. Ook heeft de babyhuid nog bijna geen haar. Vandaar dat deze zo zacht aanvoelt en er zo glanzend uitziet. Zelfs de handpalmen en de voetzolen – bij volwassenen vaak met eelt bedekt – voelen bij een baby nog aan als fluweel. Tel daarbij op dat de babyhuid nog een relatief laag vetgehalte heeft en je kunt je voorstellen dat het geheel dun en kwetsbaar is.

Een kring van lieve mensen

Maar er zijn meer redenen waarom de huid van de baby supergevoelig is. Hier bevinden zich namelijk ook receptoren, die prikkels van buitenaf aan de hersenen doorgeven. Zijn dat er bij de volwassen huid al een paar duizend per vierkante centimeter, bij de babyhuid is deze dichtheid nog hoger. De meeste receptoren liggen in de vingertoppen, in de lippen en de tong. Dat verklaart waarom een baby’tje alles wat hij te pakken krijgt in zijn mond wil stoppen: op deze manier neemt hij de wereld om hem heen waar. De huid is het zintuig van de tastzin en de steun en toeverlaat op de grote ontdekkingsreis die voor hem ligt. Want wie is hij en hoe zit de wereld in elkaar? Maar om daar achter te komen, heeft hij ook mensen nodig. En het liefst mensen die van hem houden. Onderzoeken tonen aan dat liefdevolle aanraking in de eerste weken een grote invloed heeft op de ontwikkeling van een mens. Kinderen die veel gestreeld en gemasseerd worden, ontwikkelen aantoonbaar meer lichaamsbewust-zijn en een hoger zelfbewustzijn dan zij die dergelijke aanrakingen moeten ontberen. 

Hé, een lijf!

Een baby’tje vraagt om omhulling, in alle opzichten: om kleertjes om hem heen, om de beslotenheid van een wiegje, maar ook om de koesterende armen van zijn ouders, ieder contact, of het nu met een hand is of met een luier, leert hem iets over zichzelf. Zo begint hij te beseffen dat hij een lichaam heeft dat ergens ophoudt, dat zijn grenzen heeft. Kun je hem als ouder daarbij ondersteunen?

‘De meest directe manier om je baby de grens van zijn lijfje te laten beleven, is door hem regelmatig te masseren en hem van top tot teen zachtjes in te wrijven met een olie,’ antwoordt Hanne Looij op mijn vraag.
‘Maar ook door weerstand, bijvoorbeeld als je hem een trappelzak aandoet of zijn beentjes in een flanellen luier wikkelt. Al trappelend en maaiend, merkt hij dat hij armpjes en beentjes heeft. Waar het om gaat is dat hij niet in een lege ruimte trappelt, maar zichzelf beleeft als hij beweegt. Soms kun je een baby bijna zien beseffen: Hé, ik heb blijkbaar een lijf!
En als je hem met zijn hele lijfje in een omslagdoek wikkelt, vindt hij dat ook heerlijk. Tenminste, de meesten. Begrenzing geeft rust. Daarom is het ook een belangrijke hulp voor een baby om in slaap te kunnen vallen. Het spreekt voor zich dat je niet moet overdrijven. Hij moet niet het gevoel krijgen dat hij in een ijzeren harnas zit.’

Tot hier en niet verder

‘Voor een goede start, adviseer ik ouders altijd om de eerste weken na de geboorte de natuurlijke begrenzing van de baarmoeder een beetje na te bootsen’, zegt Hanne. ‘Dus kleed je kindje de eerste maanden in verschillende laagjes en gebruik daarvoor het liefst natuurlijke materialen zoals wol en katoen: die ademen. Zijn kleertjes worden zo een extra huidje, iets dat bij hem hoort. Dat geeft hem een veilig gevoel. En vergeet het hoofdje niet. De fontanel is nog open en vaak hebben baby’s nog maar heel weinig haar. Bovendien is het hoofd van een baby in verhouding een groot deel van zijn lichaam; via zijn hoofd kan hij dus erg veel warmte verliezen. Door het te bedekken met een mutsje, scherm je hem af. Je legt eigenlijk een grens aan, zo van: je komt tot hier.’

Je neus stoten hoort erbij

‘Natuurlijk heeft een grens meer functies. De muren van je huis beschermen je tegen invloeden van buitenaf, maar daarnaast beperken ze je ook. Als je naar buiten wilt, kun je niet door de muur heen lopen. Probeer je dit toch, dan stoot je je neus. Deze uitdrukking betekent dat je geconfronteerd wordt met jezelf. En dat is wat een grens ook doet. Die maakt je bewust van een stuk van jezelf dat je nog niet kende. Iedere uiterlijke beperking is een uitdaging om innerlijk sterker te worden.

Als je baby bijvoorbeeld in de box ligt en gewoon een beetje aan het mopperen is vanwege een kleine ongemakkelijkheid, pak hem dan niet direct op. Door hem even te laten liggen, wordt hij een moment op zichzelf teruggeworpen. Misschien is die ervaring niet aangenaam, maar hij vormt wel een basis voor groei en ontwikkeling. Je geeft je kind de kans te ontdekken dat hij kleine probleempjes ook heel goed zelf kan oplossen. Zo beleeft en ontwikkelt hij zijn eigen innerlijke kracht.

Als je nooit de beslotenheid van je eigen wezen ervaart, ontwikkel je ook geen gevoel van eigenheid. En zou je ook nooit de ander kunnen begrijpen. Een baby beleeft dit natuurlijk nog onbewust, maar dit soort ervaringen zijn een voorwaarde om later tot een bewuste beleving van dit gevoel te komen. In feite is de hele opvoeding erop gericht om dit proces zo evenwichtig mogelijk te laten verlopen.’ 

KLEINE ANTENNETJES

Haartjes beschermen niet alleen de tere babyhuid, ze tasten ook af wat er om hen heen gebeurt. De zenuwen rond de haarwortels reageren al wanneer een zuchtje wind de babyhaartjes 0,001 millimeter ombuigt.

UIT DE ZON

Om de huid te beschermen maken de pigmentcellen in de opperhuid de bruine kleurstof melanine aan. Onder invloed van de zon neemt die activiteit sterk toe, maar niet bij baby’s. Zij moeten het nog zonder deze natuurlijke bescherming stellen. Zet daarom het eerste jaar je baby niet in de volle zon.

.
Zie in dit artikel een hersenfoto van een kind dat aandacht kreeg en van een kind dat dit niet kreeg.

Hanne Looij: Caleidoscoop van een levende pedagogie.
.
Ontwikkelingsfasenalle artikelen

Opvoedingsvragenalle artikelen

.

1973

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over het leerplan van klas 7

.

Voor een goed begrip van het leerplan, de leerstof e.d. is het zeer aan te bevelen de artikelen: Rudolf Steiner over het leerplan en Rudolf Steiner over het kind, de leerkracht, ontwikkeling, lesstof en leerplan eerst te lezen.

In de pedagogische voordrachten GA 293 – 311 is relatief maar weinig meegedeeld over de leerstof op zich. Veelal wordt deze besproken in samenhang met de ontwikkeling van het kind.
Uit deze voordrachten volgt hier wat er over de leerstof van de 6e klas kan worden gevonden.

Het is raadzaam ook even terug te kijken bij wat er aan een voorafgaande klas over het vak werd gezegd; vaak is er sprake van ‘voortzetting van wat in vorige jaren is aangelegd’.
.

LEERSTOF VAN KLAS 7

Aardrijkskunde

Dann versuche man in der Geographie die Dinge über die Himmelsverhältnisse fortzusetzen und mit der Betrachtung der geistigen Kul­turverhältnisse der Erdbewohner, der Erdenvölker, zu beginnen; im­mer im Zusammenhang mit dem, was man über die materiellen Kul­turverhältnisse, namentlich die wirtschaftlichen Verhältnisse, in den zwei ersten Jahren, in denen Geographie getrieben wurde, für die Kin­der gewonnen hat.

Dan probeert men in de aardrijkskunde verder te gaan met de sterrenkunde en een begin te maken met de beschouwing van de geestelijk-culturele omstandigheden van de aardebewoners, de volkeren op aarde – steeds in samenhang met wat men de kinderen heeft geleerd over de omstandigheden van de materiële cultuur, met name de economische omstandigheden, 163 in de eerste twee jaar dat men aardrijkskunde gaf.
GA 295/162-163
Vertaald/150

Algebra zie rekenen

Euritmie

Und dann im vierten, fünften und sechsten Schuljahr kommen hinzu die Formen, also für Konkretes, Abstraktes und so weiter, wobei solche Dinge für die Kinder ja möglich werden, weil sie in der Grammatik ja mittlerweile so weit vorwärtsgekommen sind. Dann setzen wir das fort im siebenten und achten Schuljahr für kompliziertere Formen.

En dan komen er in de vierde, vijfde en zesde klas de vormen bij voor concrete en abstracte dingen enzovoort, waarbij 177 dat voor de kinderen ook mogelijk wordt, omdat ze in de grammatica inmiddels zo ver zijn gekomen. In de zevende en achtste klas wordt dat dan voortgezet met gecompliceerdere vormen.
GA 295/176-177
Vertaald/161

Geschiedenis

Im siebenten Schuljahr wird es sich darum handeln, daß man dem Kinde recht begreiflich macht, welches Leben der neueren Menschheit mit dem 15. Jahrhundert heraufzieht, und daß man dann die euro­päischen und so weiter Verhältnisse etwa bis zum Beginn des 17. Jahr­hunderts schildert. Es ist dies der allerwichtigste Zeitraum, auf den man viel Sorgfalt verwenden muß. Es ist wichtiger sogar als das Nächst­folgende.

In de zevende klas zal het erom gaan dat men het kind goed duidelijk maakt hoe het leven er vanaf de vijftiende eeuw voor de moderne mensheid uit gaat zien en dat men de situatie in Europa en elders schetst tot ongeveer het begin van de zeventiende eeuw. Dit is een uitermate belangrijke periode, die men zorgvuldig dient te behandelen. Belangrijker zelfs dan de tijd daarna.
GA 295/162
Vertaald/150

Ebenso habe ich die tiefste Befriedigung gehabt, wie von unse­rem Lehrer der siebenten Klasse in dieser geisteswissenschaftlichen Weise Geschichte vor den Kindern entwickelt worden ist – aber wie gesagt, nicht Geisteswissenschaft, sondern die Geschichte gei­steswissenschaftlich-methodisch behandelt. Da verwandelt sich dasjenige, was sonst mehr oder weniger den Kindern fremd bleibt, in etwas, was das Kind unmittelbar verwandt mit seiner eigenen Wesenheit weiß. Und da kann man überall die Brücke herstellen zwischen dem, was das Kind erfährt vom Entwicklungsgang der Menschheit und dem, was in das Kind hineinsprühen kann, damit es ein brauchbares Mitglied der künftigen Menschheit sein soll.

Net zo was ik diep tevreden met hoe door onze leraar van de zevende klas op deze geesteswetenschappelijke manier geschiedenis is ontwikkeld – maar niet, zoals gezegd, de geesteswetenschap, maar de geschiedenis geesteswetenschappelijk behandeld. Dan metamorfoseert zich iets, in wat anders voor de kinderen min of meer vreemd blijft, in iets, wat het kind omdat het verwant is met zijn eigen wezen, meteen weet. En dan kan je overal een brug slaan tussen wat het kind ervaart van de gang van de ontwikkeling van de mensheid en wat in het kind sprankelen kan, zodat het een bruikbaar lid van de toekomstige mensheid zal zijn.
GA 297/220
Vertaald op deze blog/220

Gezondheidsleer – zie voedingsleer

Gymnastiek

Kompliziertere Geräteübungen sind erst im siebenten und achten Schuljahr zu machen, in dem die freien Übungen auch fortgesetzt wer­den. Aber die freien Übungen sollen alle mit Laufen, Klettern, Sprin­gen zusammenhängen

Ingewikkelde oefeningen aan toestellen doet men pas in de zevende en achtste klas, waarbij ook de vrije oefeningen worden voortgezet. Maar de vrije oefeningen moeten allemaal samenhangen met rennen, klimmen en springen.
GA 295/177
Vertaald/161

Maatschappijleer

Sozialkunde

Es wird berichtet über den Unterricht in sozialer Erkenntnis.
Dr. Steiner: In der 7. und 8. Klasse könnte man das geben, was in den ,,Kernpunkten der sozialen Frage” steht.

Er wordt verslag gedaan over het onderwijs in sociale kennis.

Dr.Steiner: In de 7e en 8e klas zou je goed kunnen behandelen wat in deKernpunten‘ staat.
GA 300A/123
Niet vertaald

Meetkunde

Zie klas 6

Muziek

Und in den beiden letzten Schuljahren, im siebenten und achten Schuljahr, bitte ich zu berücksichtigen, daß das Kind überhaupt nicht mehr das Gefühl hat, es werde «dressiert» zu irgend etwas, sondern daß das Kind schon das Gefühl hat, es treibe Musik, weil das ihm Vergnügen macht, weil es das genießen möchte, als Selbstzweck, zur Freude. Dahin 295/176 hat der sogenannte Musikunterricht zu wirken. Daher kann in diesen zwei Jahren das musikalische Urteil geweckt und ausgebildet werden. Es kann schon darauf aufmerksam gemacht werden, welchen Charak­ter dieses musikalische Kunstwerk hat und welchen jenes hat. Welchen Charakter ein Beethovensches Kunstwerk hat und welchen Charakter ein Brahmssches Kunstwerk hat. In einfachen Formen also sollte man das Kind zum musikalischen Urteil bringen. Vorher muß man das mu­sikalische Urteil zurückhalten, aber jetzt muß man es pflegen.

En wilt u er in de twee laatste schooljaren, in de zevende en achtste klas, op letten dat het kind volstrekt niet meer het gevoel heeft dat het ‘gedresseerd’ wordt tot iets, maar dat het kind het gevoel heeft dat het muziek maakt omdat het er plezier in heeft, omdat het ervan wil genieten, als doel in zichzelf, om de vreugde die het geeft. Zo moeten de muzieklessen werken. Daardoor kan in deze twee jaar het muzikale oordeel gewekt en ontwikkeld worden. Men kan de kinderen er gerust op wijzen wat voor karakter het een of andere kunstwerk heeft. Welk karakter een werk van Beethoven heeft en welk karakter een werk van Brahms heeft. Met eenvoudige vormen moet men het kind dus tot een muzikaal oordeel brengen. Voor die tijd moet men terughoudend zijn met het muzikale oordeel, maar nu moet men erop ingaan.
GA 295/175-176
Vertaald/160

Natuurkunde

Dann gehen Sie im siebenten Schuljahr über zu der Erweiterung des Akustischen, des Thermischen, also des Wärmelehreunterrichts, des optischen Unterrichts, des Elektrizitäts- und Magnetismusunterrichts. Und erst von da aus gehen Sie über zu den wichtigsten mechanischen Grundbegriffen, also Hebel, Rad an der Welle, Rolle, Flaschenzug, Rollenzug, Schiefe Ebene, Walze, Schraube und so weiter.

In de zevende klas breidt u de akoestiek en het thermische, de warmteleer dus, de optica, de elektriciteit en het magnetisme uit. En pas van daaruit komt u bij de belangrijkste mechanische grondbegrippen: hefboom, wiel, rol, katrol, takel, hellend vlak, wals, schroef enzovoort.
GA 295/166
Vertaald/153

In der 7. Klasse wären Optik, Magnetismus ausführlicher zu bespre­chen als in der 8. Klasse. Dann die Mechanik der festen Körper.|

In de 7e klas zou de optica, het magnetisme uitvoeriger aan de orde moeten komen dan in de 8e klas. Dan de mechanica van de vaste lichamen.
GA 300A/122
Niet vertaald

Niet-Nederlandse taal

X.: Was soll ich lesen im Französischen in der 7. Klasse? Ich hatte Gedichte genommen.

X.: Wat moet ik lezen in de Franse les in de 7e klas? Ik heb gedichten genomen.

Dr. Steiner: Fabeln lesen. La Fontaine.
In der 7. Klasse kann man ihn (Dickens:Christmascarol )schon lesen. Sie können auch selbst eine zusammenhängende Prosa auswählen; es ist nur beispielsweise ange­führt gewesen. Es gibt einige ganz nette Schulausgaben für unsere Schulen. Es müßten natürlich in irgendeinem Lebensalter Proben gelesen werden.

Fabels lezen. La Fontaine.
In de 7e klas kan je kun je Christmascarol van Dickens lezen. U kan ook zelf een samenhangend stuk proza kiezen; ik heb het maar als voorbeeld gegeven. Er bestaan voor onze scholen een paar heel aardige schooluitgaven. Op een of andere leeftijd moeten natuurlijk wel stukken (uit een geheel) gelezen kunnen worden. 
GA 300B/33
Niet vertaald

Rekenen en algebra

Im siebenten Schuljahr versuche man, nachdem man zur Buchsta­benrechnung übergegangen ist, Potenzieren, Radizieren beizubringen; auch das, was man das Rechnen mit positiven und negativen Zahlen nennt. Und vor allen Dingen versuche man, die Kinder in das hereinzubringen, was im Zusammenhang mit freier Anwendung des prak­tischen Lebens die Lehre von den Gleichungen genannt werden kann.

In de zevende klas probeert men de kinderen, na de overgang naar het letterrekenen, machtsverheffen en worteltrekken bij te brengen, ook het rekenen met wat men noemt positieve en negatieve getallen. En in de allereerste plaats probeert men de kinderen vertrouwd te maken met datgene wat de leer van de 1 vergelijkingen genoemd kan worden, in samenhang met een vrije toepassing op het praktische leven.
GA 295/169-170
Vertaald/155-156

Scheikunde

Dann gehen Sie aus von einem solchen Vorgang wie von der Ver­brennung und suchen von einem solchen alltäglichen Vorgang dann den Übergang zu gewinnen zu einfachen chemischen Vorstellungen.

Dan behandelt u het proces van verbranding en zo’n alledaags proces neemt u dan als uitgangspunt voor de overgang naar eenvoudige scheikundige voorstellingen.
GA 295/166
Vertaald/153

Taal

Im siebenten Schuljahr wird man das wieder fortzusetzen haben, was im sechsten Schuljahr gemacht worden ist. Und nun versuche man, an den Sprachformen dem Kinde ein richtiges plastisches Erfassen der Ausdrucksformen für das Wünschen, Erstaunen, Bewundern und so weiter zu entwickeln. Man versuche, daß das Kind lerne, dieser inneren Konfiguration der Gefühle gemäß die Sätze zu formen. Dabei gehe man weniger so vor, daß man etwa Gedichte oder sonstiges malträtiert, um zu zeigen, wie der oder jener einen Wunschsatz geformt hat, sondern man gehe direkt darauf los, indem man das Kind aussprechen läßt etwas Gewünschtes, dann den Satz formen läßt. Dann läßt man aussprechen etwas Bewunderndes und läßt dann den Satz formen, oder man hilft dem Kinde, den Satz zu formen. Und dann vergleicht man den Wunschsatz mit dem Satz der Bewunderung, um auf diese Weise die Anschau­ung der inneren Plastik der Sprache weiter auszubilden.
Nun wird das, was in der Naturgeschichte heraufgebracht worden ist, es dem Kinde schon ermöglichen, im Aufsatze leichte Charakteristi­ken zu geben, sagen wir von dem Wolfe, von dem Löwen, von der Biene und so weiter. Neben diesem mehr auf das allgemein Menschliche in der Bildung Hingehenden pflege man in dieser Zeit besonders die Abfassung von geschäftlich-praktischen Dingen. Der Lehrer muß sich darum kümmern, was es für geschäftlich-praktische Dinge gibt, und 295/160 muß sie dann in dieser Zeit in einer vernünftigen Form in die Köpfe seiner Schulkinder hineinbringen.

In de zevende klas moet men dan weer voortzetten wat in de zesde gedaan is. En nu probeert men om het kind aan de hand van de taaluitingen op werkelijk plastische wijze de uitdrukkingsvormen voor wensen, voor verwondering, bewondering enzovoort te laten ‘pakken’. Men probeert het kind te leren om zinnen te vormen die in overeenstemming zijn met deze innerlijke configuratie van gevoelens. Daarbij gaat men niet zozeer gedichten en dergelijke te lijf, om te laten zien hoe deze of gene een wens in een zin heeft gegoten, nee, men laat een kind zonder omhaal zelf een wens uitspreken en dan de zin vormen. Dan laat men het de een of andere bewondering uiten en zin gieten, of men helpt het kind de zin te vormen. En dan vergelijkt men de zin die een wens uitdrukt met de zin die bewondering uitdrukt, om op die manier de innerlijke vormkracht van de taal verder aanschouwelijk te maken.
Nu zal dat wat in de ‘natuurlijke historie’ behandeld is, de kinderen al de gelegenheid bieden om bij het opstel eenvoudige karakteristieken te geven van bijvoorbeeld de wolf, de leeuw, de bij enzovoort.
Naast deze onderwerpen, die meer op het ontwikkelen van het algemeen menselijke zijn gericht, houden we ons in deze tijd vooral met het beschrijven van praktisch-zakelijke dingen bezig. De leraar moet oog hebben voor wat er aan praktisch-zakelijke dingen bestaat en hij moet
ze dan in deze tijd in een verstandige vorm in de hoofden van zijn leerlingen zien te krijgen.
GA 295/159-160
Vertaald/147-148

Und man ver­suche mit dem, was an physikalischen und chemischen Begriffen ge­wonnen wird, eine zusammenfassende Anschauung hervorzurufen über Erwerbsverhältnisse, Betriebsverhältnisse – also diesen oder jenen Be­trieb – und Verkehrsverhältnisse; das alles im Zusammenhang mit dem physikalischen, chemischen und geographischen Unterricht, aus der Naturgeschichte heraus.

En men probeert om met behulp van de natuur- en scheikundige begrippen die men heeft ontwikkeld een algemeen beeld te geven van handel en bedrijfsleven — een of andere bedrijfstak dus — en verkeer. Dat alles in samenhang met natuurkunde, scheikunde en aardrijkskunde, uitgaande van de ‘natuurlijke historie’.
GA 295/165
Vertaald/152

Tekenen

Dann sollte im siebenten Schuljahr alles das gepflegt werden, was sich auf Durchdringungen bezieht. Also als einfaches Beispiel sagen Sie: «Da haben wir einen Zylinder, der wird von einem Pfosten durch­drungen. Der Pfosten muß durchgesteckt werden durch den Zylinder.» Sie müssen zeigen, was da in dem Zylinder für eine Schnittfläche ent­steht beim Hineingehen und beim wieder Herausgehen. Das muß mit dem Kinde gelernt werden. So etwas muß es lernen, was entsteht, wenn sich Körper oder Flächen gegenseitig durchdringen, so daß es weiß, welcher Unterschied ist, ob eine Ofenröhre oben senkrecht durchs Plafond geht, wobei ein Durchdringen im Kreis erfolgt, oder schief, wobei ein Durchdringen in der Ellipse erfolgt. – Dann muß das Kind in diesem Jahr eine gute Vorstellung beigebracht erhalten vom Perspekti­vischen. Also einfaches perspektivisches Zeichnen, Verkürzung in der Entfernung, Verlängerung in der Nähe, Überdeckungen und so weiter. Und dann wiederum die Verbindung des Technischen mit dem Schönen, so daß man in dem Kinde eine Vorstellung davon hervorruft, ob es schon oder unschön ist, wenn irgendeine, sagen wir, teilweise Überdeckung einer Wand eines Hauses durch einen Vorsprung hervorge­rufen wird. Ein solcher Vorsprung kann schön oder unschön eine solche Wand überdecken. Solche Dinge wirken ungeheuer, wenn sie einem Kinde gerade im siebenten Schuljahre, also wenn es dreizehn, vierzehn Jahre alt ist, beigebracht werden.
Das alles steigert man ins Künstlerische, indem man gegen das achte Schuljahr hingeht.

In de zevende klas vervolgens moet alles worden behandeld wat te maken heeft met doorsnijdingen. Een eenvoudig voorbeeld: ‘Daar hebben we een cilinder, die wordt doorsneden door een balk. De balk moet door de cilinder gestoken worden.’ U moet laten zien wat voor snijvlak ontstaat in de cilinder op de plaats waar de balk er in- en waar hij eruit gaat. Dat moet met het kind geleerd worden.

Het kind moet leren wat er gebeurt wanneer lichamen of vlakken elkaar doorsnijden, zodat het weet wat het verschil is tussen een kachelpijp die van boven loodrecht door het plafond gaat, waarbij het snijvlak een cirkel is, en een die er scheef doorgaat, waarbij een ellips ontstaat. Dan moet men het kind in deze klas een goede voorstelling bijbrengen van het perspectief. Eenvoudig tekenen in perspectief, verkorting bij veraf gelegen en verlenging bij dichtbij gelegen objecten, bedekking enzovoort. En dan weer de verbinding van techniek en schoonheid, zodat men in het kind de voorstelling oproept of het mooi is of niet wanneer een vooruitstekend gedeelte van een huis een deel van de muur bedekt. Zo’n vooruitstekend gedeelte kan op fraaie of lelijke wijze zo’n muur bedekken. Zulke dingen hebben een enorme werking wanneer ze kinderen juist in die zevende klas worden bijgebracht, wanneer ze dertien, veertien jaar zijn. Dat alles culmineert dan in het kunstzinnige tegen het achtste schooljaar.
GA 295/171-172
Vertaald/157-158

Vertelstof

Dann müssen Sie sich in die Lage versetzen, Erzählungen über die Volksstämme zu bringen, wie die Volksstämme geartet sind, was mehr mit der Naturgrundlage zusammenhängt. 

Vervolgens moet u zich erop voorbereiden om verhalen over de volkeren te vertellen, over hun karakter, wat vooral samenhangt met de natuurlijke omstandigheden waarin zij leven.

7.Erzählungen über die Volksstämme

7. verhalen over volkeren
GA 295/19-20
Vertaald/19

Voedings- en gezondheidsleer

Im siebenten Schuljahr kehre man wiederum zum Menschen zurück und versuche namentlich das beizubringen, worauf ich gestern hingedeutet habe, was in bezug auf die Ernährungs- und Gesundheitsver­hältnisse dem Menschen beigebracht werden sollte.

In de zevende klas keert men weer terug naar de mens en probeert men vooral datgene over te brengen waar ik gisteren op heb gewezen, namelijk wat een mens moet weten over voeding en gezondheid. [65]=Zie Opvoedkunst, 14e voordracht.] 
GA 295/165
Vertaald/152

.

7e klasalle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen

Het leerplan: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 7e klas

..

1972

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – toespraak bij de Kerstspelen uit Oberufer (14)

.

In de voordrachtenreeks (GA=Gesamt Ausgabe) zijn de toespraken die Steiner hield naar aanleiding van opvoeringen van de kerstspelen, gebundeld in nr. 274 [1]:
.

TOESPRAKEN BIJ DE OUDE VOLKSE KERSTSPELEN

ANSPRACHEN ZU DEN WEIHNACHTSPIELEN AUS ALTEM VOLKSTUM

ANSPRACHE DORNACH 25-12-1923  [2]
während der Gründungsversammlungen
der Allgemeinen Anthroposophischen Gesellschaft

blz. 85

Ich habe mir gestern erlaubt, einiges über die historische Herkunft der Spiele zu sagen, die wir Ihnen hier während dieser Weihnachtstagung aufführen. Heute möchte ich nur noch etwas hinzufügen über die Art und Weise, wie diese Spiele in den ungarischen deutschen Kolonien aufgeführt worden sind in der Zeit, als sie Ende der vierziger Jahre, Anfang der fünfziger Jahre des vorigen Jahrhunderts Karl Julius Schröer dort gefunden hat. Die Spiele waren handschriftlich das Besitztum der gewissermaßen angesehensten Familien im Dorfe. Und sie wurden gespielt von dem Dorfe aus, in dem sie vorhanden waren, in den Nachbardörfern im Umkreise von zwei bis drei Stunden. Wenn im Herbste die Weinlese vorüber war, also etwa Mitte oder Ende Oktober, dann kamen – nicht jedes Jahr, aber wenn es, ich möchte sagen, gerade das Schicksal ergab – die Bauernhonoratioren des Dorfes zusammen und besprachen sich. Der Schullehrer, der zu gleicher Zeit Notar war, war nicht dabei; er hielt sich zur Intelligenz, und die Intelligenz verachtete diese Spiele. Aber die Bauern, nachdem ein paar

Toespraak Dornach 25 december 1923
tijdens de stichtingsvergaderingen van de Algemene Antroposofische Vereniging

Ik heb gisteren de vrijheid genomen iets over de historische herkomst van de spelen te zeggen die wij hier tijdens deze kerstconferentie opvoeren.
Vandaag zou ik nog iets willen aanvullen over de manier waarop deze spelen in de Hongaars-Duitse nederzettingen opgevoerd werden in de tijd toen zij op het eind van de jaren veertig, begin vijftig van de negentiende eeuw daar door Karl Julius Schröer werden gevonden.
De spelen waren als handschrift het bezit van de in zekere zin meest aanzienlijke families in het dorp. 
En vanuit het dorp waar ze aanwezig waren, werden ze gespeeld in de nabij gelegen dorpen, in een omtrek van twee tot drie uur.
Wanneer in de herfst de druivenpluk voorbij was, dus midden of eind oktober, dan kwamen – niet ieder jaar, maar wanneer, ik zou willen zeggen, het lot het bepaalde – aanzienlijke boeren van het dorp bijeen en overlegden. De schoolmeester, die tegelijkertijd notaris was, was er niet bij; hij rekende zich tot de intellectuele elite en die verachtte deze spelen. 
Maar de boeren, nadat de spelen een paar

.blz. 86

Jahre aus irgendwelchen Gründen die Spiele wiederum nicht gespielt wurden, sagten dann: Na, unseren jungen Burschen könnte es auch nichts schaden, wenn sie wiederum was besseres zu tun hätten zur heiligen Weihnachtszeit! – Und dann wurde beratschlagt, ob richtige Burschen dazu da sind, die man brauchen kann zum Spielen. Eine Liste wurde zusammengestellt. Dann aber, wenn man die Burschen gefragt hat, ob sie spielen wollen, und wenn sie nun ausersehen waren zu spielen, stellte man einzelne strenge Bedingungen.
Es will viel heißen für diese Gegenden, daß die Burschen – denken Sie, die ganze Zeit von Oktober bis zu Weihnachten hin und Heilige Dreikönige – sich nicht betrinken durften, nicht zu dem Dirndl gehen durften und was wir hier schon gar nicht durchführen können, absoluten Gehorsam leisten mußten dem, der die Sache mit ihnen ein- studierte. Nun, wenn wir so etwas verlangen würden wie das letzte, dann würden uns die Mitspielenden schön auf den Kopf kommen!
So wurden denn durch Wochen hindurch mit außerordentlichem Fleiß diese Übungen gemacht, in denen die Spiele einstudiert wurden. 

jaar om een of andere reden weer niet gespeeld werden, zeiden dan: wel, het zal voor onze jonge knapen ook niet verkeerd zijn, dat ze tegen de heilige kersttijd weer eens iets beters te doen hebben!
En dan werd er overlegd of de juiste jongens er waren die voor de spelen gebruikt konden worden. Er werd een lijst opgesteld. 
Dan echter, wanneer men de jongens gevraagd had of die wilden spelen en als ze uitverkoren waren om te spelen, stelde men een paar strenge voorwaarden.
Het betekende veel voor deze streken dat de jongens – denk er eens aan, van oktober tot aan de kerst en Driekoningen – zich niet mochten bedrinken, niet naar de meisjes mochten gaan en wat we hier al helemaal niet kunnen doorvoeren, absoluut gehoorzaam moesten zijn aan de man die ze met hen instudeerde. Wel, als wij zoiets zouden eisen als dat laatste, dan zouden de medespelers daar ons wel even op aanspreken!
Zo werden dan wekenlang met buitengewone ijver de repetities gehouden waarin de spelen werden ingestudeerd.

Aber noch etwas gab es, was wir nicht durchführen können. Derjenige, welcher etwas vergessen hatte oder etwas schlecht machte, mußte; einen halben Kreuzer Strafe zahlen. Nun, das können wir auch nicht durchführen, Strafen können wir nicht verhängen fürs Vergessen! Und so wurden dann in strengster Weise diese Übungen gemacht bis zum ersten Adventsonntag. Denn am Adventsonntag fing man schon an, das Paradeis-Spiel, das Sie gestern gesehen haben, zu spielen. Zu Weihnachten gab es das Christ-Geburt-Spiel und gegen den 6. Januar dann das Spiel, das in den nächsten Tagen noch hier zu sehen sein wird.
Die Anordnung des Spieles – ich habe ja schon gestern einiges davon erwähnt – war so, daß die Burschen sich versammelten und sich anzogen im Hause des Lehrmeisters, und von da aus dann in das Wirtshaus gingen, in dem die Aufführung stattfand. Aber der Teufel, der wurde schon früher weggeschickt. Sie haben ihn ja gestern auch gesehen. Er war mit einem Kuhhorn ausgestattet und tat etwas, was wir wiederum nicht nachmachen können, denn er tutete zu jedem Fenster hinein. Vielleicht würde das gerade unserem Dorf unten auch Spaß machen, aber wir wollen es zunächst nicht probieren. Dann aber sprang

Maar er was nog iets wat we hier niet kunnen doen. Wie wat vergeten was of iets slecht uitvoerde, moest geld* betalen. Dat kunnen we ook niet invoeren, we kunnen geen straf opleggen voor vergeten!
En zo werden deze oefeningen op de meest strenge manier gehouden tot aan de eerste adventszondag. Want op deze zondag begon men al het Paradijsspel dat u gisteren hebt gezien, te spelen. Tegen de kerst was er het spel over de geboorte van Christus en tegen de 6e januari dan het spel dat hier de komende dagen nog te zien zal zijn.
De organisatie van het spel – ik heb er gisteren al iets over gezegd – was zo, dat de jongens zich verzamelden en zich in het huis van de leermeester omkleedden en vandaar naar de herberg gingen waar de opvoering plaatsvond.
Maar de duivel werd er al eerder opuit gestuurd. U hebt hem gisteren ook gezien. Hij was uitgerust met een koeienhoorn en deed iets wat wij ook weer niet kunnen doen, want hij toeterde door elk raam heen. Misschien zouden ze dat in ons dorp hier beneden nog wel leuk vinden, maar we gaan het maar niet proberen. 
Maar dan sprong hij 

blz. 87

er auch auf jedes Fuhrwerk hinauf und trieb so sein Unwesen. Dann gesellte er sich zu der ganzen Kumpanei, wie man es nannte. Dort wurde es so aufgeführt: in der Mitte des Wirtshaussaales war die Bühne, und an den Wänden standen die Bänke für die Zuschauer. Die Einstudierung schilderte mir Karl Julius Schröer, mein alter Freund und Lehrer, sehr genau; er hat ja diese Spiele niedergeschrieben nach der Art, wie er sie gehört hat von den Bauern selber, sie dann korrigiert nach dem Manuskript. Es sind immerhin Fehler unterlaufen. Und ich muß schon sagen, erst im Laufe der Jahre komme ich auf so manches, was eigentlich ursprünglicher Text dieser Spiele war. So zum Beispiel konnten wir wirklich die verflossenen Jahre niemals zurechtkommen mit den ersten zwei Zeilen, welche der Herrgott spricht im ParadeisSpiel. Da steht bei Schröer: Adam, nimm an den lebendigen Atem, den du empfangest mit dem Tahen (Tag). Es reimt sich weder, noch hat es einen Sinn. Erst in diesem Jahre wurde mir ganz klar, es stimmt ab- solut:
Adam, nimm an den lebendigen Atem,
Den du empfangest mit dem datem…

op iedere wagen en haalde zo zijn grappen en grollen uit. Daarna sloot hij zich aan bij de hele spelersgroep, de ‘kompanij’ zoals die genoemd werd. Het werd daar zo opgevoerd:
In het midden van de gelagkamer was een toneel gebouwd en tegen de muren stonden de banken voor het publiek. 
Karl Julius Schröer, mijn oude vriend en leraar, schetste voor mij precies hoe er ingestudeerd werd; hij heeft immers deze spelen opgeschreven naar wat hij van de boeren zelf hoorde, en dan volgens het manuscript verbeterde. Er zijn nu eenmaal fouten ingeslopen. En ik moet zeggen dat ik pas in de loop van de jaren op veel stuit wat eigenlijk de oorspronkelijke tekst van deze spelen was. 
Zo kon ik de voorbije jaren nooit uit de voeten met de eerste twee regels die Godvader in het Paradijsspel spreekt. Bij Schröer staat: Adam, nu neem de adem des levens die je deze dag ontvangt. (Adam, nimm an den lebendigen Atem, den du empfangest mit dem Tahen (Tag). Het rijmt niet en is ook niet zinvol. Pas dit jaar werd het mij heel duidelijk: het is absoluut goed:
Adam, nimm an den lebendigen Atem,
Den du empfangest mit dem datem….

mit dem Datum. Das ist absolut volkstümlich, also an diesem Tage. Das ist durchaus dasjenige, was da gestanden hat. Ich habe es daher wirklich schmerzlich empfunden, als schon vor einigen Jahren mit einer ungeheuren Schlampigkeit und Nachlässigkeit diese Spiele nachgedruckt wurden. Mir ist oftmals diese Zumutung gestellt worden, daß ich diese Spiele wieder erscheinen lassen soll; ich wollte es nicht tun, ohne eben erst diese Spiele redigiert zu haben. Aber es wurden solche Drucke mit großer Nachlässigkeit gemacht, und daher ist in den Drucken, die jetzt verbreitet sind, überall zeilenweise solcher Unsinn zu sehen.
Natürlich haben wir hier andere Mittel zur Verfügung. Wir spielen nicht in einem Wirtshause, können auch nicht die Anspruchslosigkeit entfalten, wie sie dort war, aber trotzdem: im Grundcharakter möchten wir diese Spiele so geben, wie sie eigentlich unter den Bauern bis in die Mitte des 19. Jahrhunderts herein ursprünglich aufgeführt worden sind. Sie lernen da Spiele kennen, in denen Sie erstens wirklich

met de datum’. Dat is absoluut volks, dus op deze dag.
En dat heeft er ook beslist gestaan. Ik vond het echt heel erg, toen een aantal jaren geleden deze spelen zijn gedrukt met een vreselijke slordigheid en nalatigheid. Men heeft mij dikwijls gestimuleerd deze spelen weer te laten verschijnen; ik wilde het niet zonder eerst deze spelen te hebben geredigeerd. Maar er werden er gedrukt met grote nalatigheid en vandaar dat er in de drukuitgaven die nu in omloop zijn, overal zinnen staan met dergelijke onzin.
Natuurlijk staan ons ook andere middelen ten dienste. Wij spelen niet in een herberg, we kunnen ook niet de eenvoudig, bescheiden houding aannemen, zoals daar, toen, maar ondanks dat: wij willen deze spelen zo geven als ze eigenlijk onder de boeren tot in het midden van de 19e eeuw oorspronkelijk werden opgevoerd. 
U leert hier spelen kennen waarin U allereerst

blz. 88

die Grundgebräuche der Leute von dazumal ersehen können. In diesen Begrüßungen, wie sie vorhanden sind vor diesem Christ-Geburt-Spiel zum Beispiel, liegt etwas, was in schöner Weise den Kontakt herstellte zwischen den Spielern und dem damaligen Publikum. Es fühlte sich jeder eigentlich mit zur Sache gehörig, der dazumal erschien gerade durch diese Begrüßungen, die eigentlich etwas wunderbares sind. Daher habe ich nachgeforscht, ob es nicht auch vor dem Paradeis-Spiel eine solche Begrüßung gegeben hat, und Sie konnten wirklich, ohne daß das historische Dokument vorliegt, rein aus dem Geiste der Überlieferung eine solche Begrüßung vorgespielt bekommen im vorigen Jahr auch für das Paradeis-Spiel.
Sie werden ferner sehen, daß in diesen Spielen wirklich innerste Frömmigkeit waltet, aufrichtige, ehrliche Frömmigkeit, immer mit einer gewissen Derbheit zusammen waltet. Und damit ist gerade etwas im Grundcharakter der damaligen christlichen Frömmigkeit gegeben. Die war ohne Sentimentalität durch und durch absolut ehrlich. Der Bauer konnte nicht sentimental werden, er konnte nicht ein langes Gesicht machen; er mußte auch lachen, selbst bei dem Frömmsten. Und das tritt uns bei diesen Spielen in einer so schönen Weise entgegen.

kan opmaken wat de basale gewoonten van de mensen van toen waren. In die begroetingen die erin zitten voor het geboortespel bv. zit iets wat op een mooie manier het contact bewerkstelligt tussen de spelers en de toenmalige toeschouwers.
Iedereen voelde zich eigenlijk bij de zaak betrokken dat toen ontstond door deze begroetingen die eigenlijk iets wonderlijks zijn. Daarom ben ik nagegaan of er ook bij het Paradijsspel niet zo’n soort begroeting heeft gezeten en u kon werkelijk, zonder het historische document te hebben, puur uit de geest van de overlevering een dergelijke begroeting vorig jaar ook in het Paradijsspel voorgespeeld krijgen.
U zal verder zien dat in deze spelen werkelijk de meest innige vroomheid heerst, oprechte, eerlijke vroomheid, altijd met een zekere boersheid samengaand. En daarmee is juist iets aangegeven van het grondkarakter van de christelijke vroomheid van die tijd.
Die was zonder sentiment, absoluut door en door eerlijk. De boer kon niet sentimenteel worden, hij kon geen uitgestreken gezicht vertonen; hij moest ook lachen, zelfs bij het meest vrome. En dat komen we bij deze spelen zo prachtig tegen.

Manche Ausdrücke werden dadrinnen als in der Sprache unbekannt auffallen, zum Beispiel wird mancher bei «Kletzen gefressen» nichtwissen, was das bedeutet. Das sind nämlich getrocknete Birnen und Pflaumen, die insbesondere in diesen Gegenden zur Weihnachtszeit als solche Kletzen gegessen werden. Es wurden die Birnen getrocknet, dann in Spalten geschnitten, Pflaumen wurden getrocknet, und das bildete dann die Kletzen. Aber insbesondere wurden diese getrockneten Früchte in das Brot hinein verbacken, und im Brote drinnen wurden diese kleinen Stückchen von den Kletzen mit besonderem Appetit genossen. Das war zu Weihnachten in diesen Gegenden etwas ganz besonders Gutes, das Kletzenbrot. Daher haben Sie gehört im Paradeis-Spiel:
Hätten Adam und Eva Kletzen gfress`n,
’s wär ihna tausendmal nützer gwes>n –
als wenn sie den Apfel im Paradies gegessen hätten! Gerade in solchen Dingen, die so ganz aus dem Volkstum heraus sind, kann man sehen,

Veel uitdrukkingen vallen op doordat ze in de taal onbekend zijn, bv. zal menigeen bij ‘Kletzen fressen’ – ‘pruimedanten genomen’ niet weten wat dat betekent. Dat zijn nl. gedroogde peren en pruimen, die met name in deze streken tegen de kersttijd werden gegeten. De peren werden gedroogd en versneden, pruimen werden gedroogd en dat vormde dan de ‘Kletzne’ (pruimedanten). Die werden vooral in het brood meegebakken en in het brood werd van deze kleine stukjes van de pruimedanten met smaak genoten. In deze streken was dat tegen kersttijd iets heel bijzonders, het pruimedantenbrood. Vandaar dat u in het Paradijsspel hebt gehoord:

Hadden Adam en Eva pruimedanten genomen,
het was hun duizendmaal beter bekomen 

dan toen zij in het Paradijs van de appel aten!
Juist aan zulke dingen die zo helemaal uit het volk komen, kan je zien,

Manche Ausdrücke werden dadrinnen als in der Sprache unbekannt auffallen, zum Beispiel wird mancher bei «Kletzen gefressen» nichtwissen, was das bedeutet. Das sind nämlich getrocknete Birnen und Pflaumen, die insbesondere in diesen Gegenden zur Weihnachtszeit als solche Kletzen gegessen werden. Es wurden die Birnen getrocknet, dann in Spalten geschnitten, Pflaumen wurden getrocknet, und das bildete dann die Kletzen. Aber insbesondere wurden diese getrockneten Früchte in das Brot hinein verbacken, und im Brote drinnen wurden diese kleinen Stückchen von den Kletzen mit besonderem Appetit genossen. Das war zu Weihnachten in diesen Gegenden etwas ganz besonders Gutes, das Kletzenbrot. Daher haben Sie gehört im Paradeis-Spiel:
Hätten Adam und Eva Kletzen gfress`n,
’s wär ihna tausendmal nützer gwes>n –
als wenn sie den Apfel im Paradies gegessen hätten! Gerade in solchen Dingen, die so ganz aus dem Volkstum heraus sind, kann man sehen,

hoe authentiek deze spelen gebleven zijn. 
Nu zouden we u daadwerkelijk willen laten zien wat uit dit oude volksleven bewaard gebleven is als een stukje Middeleeuwse geschiedenis dat doorloopt tot in deze tijd, 

Ik mag u misschien nog attent maken op onze affiche die zeker meer nog op het Driekoningenspel slaat dan op het Herdersspel, maar die is ook vandaag al door ons gebruikt. 
We willen vanuit de kleurige stemming vormgeven aan wat m.n. deze Kerstspelen in deze tijd nog kunnen betekenen.

Anlässlich der Weihnachtstagung 1923/24 wurden am 24. und am 25. Dezember infolge des grossen Andranges sowohl das Paradeis-Spiel als auch das Christ-Geburt-Spiel um 4.30 Uhr und um 6 Uhr aufgeführt. Beide Ansprachen entsprechen sich fast wörtlich, so dass nur die erste Einführung hier zum Abdruck gelangt.

Bij de kerstconferentie 1923/24 werden op 24 en 25 december door de grote vraag én het Paradijsspel ‘en het Herdersspel om 4.30u en om 6.u opgevoerd. De beide toespraken komen bijna letterlijk overeen, zodat alleen die bij de eerste opvoering hier is afgedrukt.

*Een halve ‘Kreuzer’: van de 13e tot de 19e eeuw in Zuid-Duitsland, Oostenrijk en Zwitserland in omloop, oorspronkelijk een zilveren munt met twee opgelegde kruizen, later een munt van onedel metaal met relatief weinig waarde.

.

[1] GA 274
[2] GA 274
.

Rudolf Steinertoespraken bij de kerstspelen

Kerstspelenalle artikelen

Kerstmisalle artikelen

.

1971

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de dierkunde (16) – over de egel

.

GERBERT GROHMANN

            ‘LEESBOEK VOOR DE DIERKUNDE’

blz. 123                                                                                                   hoofdstuk 16

Over de egel

Een zonderling moet je hem wel noemen, onze egel!
Wie heeft hem nou eigenlijk een keer goed en precies gezien?
Als hij eens opgerold wordt gevonden, laat hij zich alleen zien als een stekelbol die je hoogstens heel voorzichtig kan proberen op te tillen, wie weet! Maar hoe hij er eigenlijk uitziet, of hij ook een staartje heeft?
’s Nachts doorkruist hij snuffelend tuinen, velden en struikgewas, eerder iets stuntelig trippelend en daarbij snuivend. Zijn galop is echt een egelgalop, dan gaat het wat sneller. Wie zulke pootjers heeft als een egel, kan ook geen grote sprongen maken en al helemaal niet in bomen klimmen, toch verstaat meester egel verbazingwekkend goed de kunst om bij de jacht nog menige vluchteling in te halen. Het gebeurt zeker ook wel, dat de domkop op een helling over de kop slaat omdat hij z’n evenwicht verliest en naar beneden rolt. Maar wat geeft het eigenlijk: hij weet zich wel te redden, hij rolt zich op en komt behouden beneden als werd hij op engelenvleugels gedragen. Dus heeft hij met zijn stekeljas ook tegelijkertijd altijd zijn voertuig bij zich bij steile hellingen. Dat doet geen mens hem na, woonhuis, op z’n minst toch slaapkamer, vaste beschutting en rolwagen, alles bij elkaar. Egel, jij aardekruiper, je bent een moordkerel!
Beneden steekt hij langzaam zijn kop weer uit en is dan, als zijn stekelkleed nog niet op orde is, best angstaanjagend om naar te kijken, met die rimpels in zijn snuit en grimmig kijkend. Maar al gauw zit alles weer recht en de heldere, vrolijke, vriendelijke donkere oogjes blikken naar buiten, zorgeloos, zoals op zijn eerste levensdag, want hij is toch een aardige, eerlijke en trouwe knaap. Ook de juiste weg is snel gevonden, want egels hebben een goed gevoel voor plaats.
Van de zintuigen zijn reuk en gehoor veruit de scherpste. Uit het brede bekje druppelt bijna altijd een beetje speeksel, dus de egel hoort niet echt tot de meest aantrekkelijke dieren – hij stinkt zelfs een beetje. Maar moeten we hem dat bij zoveel goede eigenschappen kwalijk nemen?
Iets bijzonders is onze egel onder de dieren wel, hoor.
Zoals een mens of een beer, loopt hij ook met zijn hele voetzool op de grond, maar de voetjes aan de korte en dikke pootjes zijn plomp.
Deze ridder met die lange spitse stekels is bang als geen ander. Zijn enige wapen, het stekeljasje, is tegen niemand gericht, die het niet zelf in zijn eigen huid prikt. Wat is dat toch voor een zonderlinge afweer waarmee de aanvaller zichzelf moet verwonden! Wanneer hij ervan afziet, zal geen egel hem wat aandoen.
Honden en vossen haten de goede egel hardgrondig, de honden omdat ze zich vreselijk aan hem ergeren, zoals je al aan hun woedende geblaf kan horen. Maar egels hebben meer geduld dan honden. Hier geldt: wachten is het wapen van de egel. En wie zich eens een paar keer tot bloedens toe zijn snuit heeft gestoten, wordt vanzelf verdraagzamer. Maar vossen zijn erdoor verslagen, al moet je hen wel nageven, dat ze de opgerolde egel naar het water rollen waarin hij zich onmiddellijk moet openen en dan is het al met hem gebeurd. Ook wanneer de vos de egel simpelweg omdraait, zodat de pootjes naar boven liggen en dan zijn verschrikkelijk stinkende en bijtende urine over hem spuit, kan de uiterst fijngevoelige neus van de egel dat niet verdragen. de egel moet zich openrollen en weer is het met hem gedaan.
Gebraden egel hoeft wellicht niet slecht te smaken, zoals zigeuners schijnen te weten. Ze pakken de egel in in een dikke laag vochtige klei en gooien hem dan in het vuur, zodat hij met zijn eigen sappen gaar wordt. Op het laatst wordt de kleiklomp kapotgeslagen en de stekels blijven daarin steken. Zo heeft ieder zijn lievelingskostje en weet dat op z’n eigen manier klaar te maken.
Naast de hond en de vos is ook de uil een gevaarlijke vijand van de egel, omdat hij van die lange klauwen heeft waardoor hij door de stekels heen zijn prooi kan pakken.
’s Winters slapen de egels diep en vast. Voor ze gaan liggen, hebben ze zich nog vol gevreten met alle maar denkbare lekkere dingen, zodat ze een lekker vol buikje mee kunnen nemen in hun winterslaap. Goed, lekker eten betekent voor de egel zoveel als alle mogelijke insecten, zoals krekels, kakkerlakken en sprinkhanen, mestkevers en alle andere kevers en hun larven en in de lente natuurlijk veel meikevers. Verder verdwijnen achter het brede egelbekje ontelbare naaktslakken. Al wordt de egel dan altijd tot de familie van de insecteneters gerekend en een gebit hebben wat daarbij hoort met zesendertig scherpe tandjes, hij schijnt zich toch ook raad te weten met allerlei andere lekkere hapjes. Hij vangt zelfs op een handige manier muizen door ze met zijn wroetsnuit uit hun schuilplaats te trekken. Zelfs kikkers moeten eraan geloven, wanneer een egel hen te pakken krijgt, ja zelfs slangen!
Bijzonder rijk gedekt is de egeltafel natuurlijk in de herfst en de menukaart is dan heel afwisselend. Ook zoete dingen zoals fruit versmaadt hij niet, maar het liefst eet hij dierlijk voedsel. Eet smakelijk, oude stekelheld! Omdat de egel in tuinen in velden zoveel ongedierte vangt, moeten we hem als goede vriend verzorgen en vertroetelen.
In de late herfst wanneer het voedsel niet meer zo rijkelijk voorhanden is, weet de egel niets beters te doen dan zich voor te bereiden op de winterslaap.
Onder dichte takken richt hij zijn goede nest in, behaaglijk warm bekleed, een holletje in de grond, zelden ook een dieper gat met twee uitgangen. Wat doet het er dan toe wanneer buiten de sneeuw jaagt en de koude stormen waaien! De egel slaapt, o, zo diep! De warmte van zijn bloed wordt lager, zijn ademhaling houdt bijna op.
Bij zijn voorbereiding kan je hem in een werkelijk verrassende toestand gadeslaan. Hij walst door het dorre loof en prikt het aan zijn stekels. Dan loopt hij als een dikke bal met zijn bladerenvracht rustig naar huis. Dus de egel weet zijn stekels te gebruiken. Zoete vruchten draagt hij evenseens op deze manier naar huis.
Na de winterslaap begint het hart van de egel weer krachtig te slaan en het bloed verwarmt hem weer, kortom, het vreedzame egelleven begint weer opnieuw. Dat gebeurt wanneer de sneeuw allang gesmolten is en de aarde weer zacht is. Die heeft hem een bedje gegeven, hij vertrouwde dat en nu mag ze hem weer voedsel geven.
In gevechten moet hij zich staande weten te houden, wanneer hij zich met tegenstanders moet meten die zich weren en bijten zoals bv. de hamster, maar ook hier bewijst de held zijn moed die zijn stekels heel goed weet te gebruiken. Daarom hoeft hij ook niet bang te zijn van slangen. Loopt hij tegen een adder aan, dan wordt die overmeesterd via zijn kop. De slang verweert zich op haar manier en bijt met haar giftanden in de snuit van de egel, in zijn bek, in z’n spitse neus, waar het maar aankomt. Steeds opnieuw en het bloed van de egel begint te stromen, het gif vloeit in dergelijke hoeveelheden dat zelfs een veel sterkere en grotere tegenstander dan een egel al gauw het loodje moet leggen. Maar dat alles doet de egel niets, niet zijn wonden en niet het slangengif. Het tast zijn bloed niet aan en het lijkt wel of hij niet de minste pijn voelt. Hij wacht rustig af tot de slang doodmoe is en dan bijt hij haar de kop af. Ze kan nog kronkelen wat ze wil, maar de egel vreet haar op als hoogst welkome prooi.
De egel gaat alleen op jacht. Alleen in de paartijd zijn mannetje en vrouwtje bij elkaar. Dan kan je ze samen zien spelen en elkaar uitdagen. Het leger of zoals je wil, het egelnest waarin de jongen ter wereld komen, wordt zorgvuldig onder dichte bosjes, heggen of zelfs in een korenveld gebouwd. De pasgeboren jongen zijn eerst nog blind. Het zijn er zo’n drie tot zes in getal. De stekelvacht is er al vanaf het begin, maar de stekels zijn eerst nog zo zacht, dat ze die naam nauwelijks verdienen. Ook het oprollen moet beetje bij beetje worden geleerd. Het zal de jonge egeltjes niet moeilijk vallen, want als je als egel wordt geboren, zit het eenvoudig in je bloed.

.
meer

mooie tekeningen/foto’s

Grohmannleesboek voor de dierkunde – inhoud

dierkundealle artikelen

Grohmannleesboek voor de plantkunde

VRIJESCHOOL in beeld4e klas- dierkunde

.

1970

VRIJESCHOOL –– Het leerplan – Caroline von Heydebrand (7e klas)

.

Kort na het overlijden van Rudolf Steiner in maart 1925 verscheen voor de eerste keer een schriftelijke weergave van het leerplan van de vrijeschool.
Die werd samengesteld door Caroline von Heydebrand die vanaf het begin in 1919 aan de vrijeschool in Stuttgart was verbonden. Zij had ook de begincursus – GA 293294 en 295 – bijgewoond en de vele lerarenvergaderingen met Rudolf Steiner (GA 300abc). 
In de jaren 1919 – 1925 tekenden zich de contouren van een leerplan af dat nadien in grote lijnen hetzelfde is gebleven.
Dat betekent echter niet dat het ‘achterhaald’ zou zijn. In velerlei opzichten zijn de ideeën nog altijd even verfrissend en laten ruimte voor ontwikkeling.

Caroline von Heydebrand, Mitteilungsblatt, okt. 1925
.

HET SCHOOLKIND VAN HET TWAALFDE JAAR TOT DE PUBERTEIT

Zoals het negende jaar een belangrijke cesuur in het leven van de wordende mens betekent, zo is ook het binnengaan in het twaalfde jaar van een bijzondere betekenis. 
Op deze leeftijd begint het kind zich steeds sterker te verbinden met zijn bottensysteem dan eerder het geval was. 
Het jongere kind beweegt met een vanzelfsprekende gratie door zijn spiersysteem dat gevoed wordt door de ritmische bloedsomloop. Nu neemt de jonge mens bezit van zijn skelet, hij gaat a.h.w.van de spieren via de pezen naar het skelet, zijn bewegingen verliezen het ritme en de bevalligheid, worden hoekig, onbeholpen, willekeurig. Het kind komt in de ‘vlegeljaren’ en weet niet wat het met zijn ledematen moet beginnen.
Maar alles wat in het leven en in de wetenschap moet gehoorzamen aan mechanische wetmatigheden, kan nu zonder nadeel zinvol aan het kind bijgebracht worden daar het zich met zijn geest-zielenwerzen sterker met de mechanica van zijn bottensysteem verbindt. 
Een hele wereld van nieuwe leergebieden gaat in deze tijd voor hem open. 

De zevende klas

Aardrijkskunde

Verder gaan met klimatologische verhoudingen en beginnen met te schetsen hoe de geestelijk-culturele verhoudingen van de bewoners op aarde zijn, steeds in samenhang met wat over fysische en economische verhoudingen al geleerd is.

Biologie

De leerling is in de voorafgaande jaren van het mensenrijk naar het dieren- en plantenrijk naar de aarde tot aan de verschillende mineralen afgedaald. Nu gaat de beschouwing weer terug naar de mens. Je bespreekt voedings- en gezondheidsverhoudingen. Aan het eind van de eigenlijke kindertijd, aan het begin van de puberteit is de opgroeiende mens zo ver dat hij begrip en betrokkenheid kan opbrengen voor voeding- en gezondheid, zonder die egoïstisch te benaderen, zoals oudere mensen gewoonlijk doen.

Euritmie

Door de keuze van de gedichten is het mogelijk een goede samenwerking te krijgen met het vak Nederlands. De uitdrukkingsvorm voor wens, verbazing, verwondering die het kind hier leert, kan nu door de euritmische bewegingen die erbij horen met het hele licvhaam worden ervaren.
De aanzet voor geometrische vormen, concentratie- en beheersingsoefeningen, groepsvorming en staafoefeningen worden verder ontwikkeld.

Tooneurtimie:
Hier wordt begonnen met het werken aan de mol-toonladders. Je gaat verder met het weergeven van melodieën van oude meesters, bv. voor fluit en viool die door de kinderen zelf worden bespeeld. Je kiest melodieën van Mozart, Bach, Corelli, Telemann, Händel enz. Al in de voorafgaande jaren spelen de kinderen zelf voor de euritmie eenvoudige fluit- of vioolmelodieën.

Geschiedenis

Er moet zorgvuldig aandacht besteed worden aan de verhoudingen in Europa en buiten Europa vanaf het begin van de 15e tot aan het begin van de 17e eeuw, het tijdperk van de ontdekkingen en uitvindingen. Het kind moet een diepe indruk krijgen van het buitengewoon groot belang van deze tijd waarin de nieuwere mensheid binnengaat.

Gymnastiek

Voortzetting van de oefeningen met een meetkundig karakter, met en zonder stok, ook als oefening voor het uithoudigsvermogen. Sterke ritmes. Verdergaan met oefeningen met een rij, aangepast aan de leeftijd.

Toestel:
Verdergaan met oefeningen die weer tot meer lichaamsbeheersing leiden. Op de brug oefeningen met kort steunen, aan de rekstok eenvoudige draaiingen. Wandrek en ringen: gebogen houding. Oefeningen met de dubbele bok.

Handenarbeid

Voortzetting van de 6e klas.

Handwerken

Jongens en meisjes naaien met de hand een blouse of een ander kledingstuk. De meisjes voorzien hun blouses van borduurwerk dat ze zelf ontwerpen. Er wordt begonnen met leren over de stoffen.

Meetkunde

Wordt voortgezet tot aan de stelling van Pythagoras.

Muziek

In de zevende klas wordt in het bijzonder de beleving van het octaaf  verzorgd. Twee-, drie- en vierstemmige liederen worden zowel a capella als ook met begeleiding van instrumenten gezongen. Naast het meer gewone volkslied, komt ook het oudere, polyfoon geschreven volkslied, zodat ze dit in zich opnemen, wat later moet leiden tot het begrijpen en uitvoeren van oudere en nieuwere polyfone koormuziek. De theoretische begrippen, ontdekt door praktische oefeningen, worden uitgebreid. Langzamerhand wordt het muzikale oordeel gewekt en begrip voor eenvoudige muzikale vormen. De leerling wordt gewezen op het karakter van een muzikaal kunstwerk, bv. op het verschil in karakter van een stuk van Beethoven met dat van Brahms. Hij moet opgevoed worden tot het genieten van wat muzikaal mooi is.

Natuurkunde

De leerling vergroot zijn kennis over de akoestiek, optica, warmteleer, magnetisme en elektriciteit. Daarbij leert hij de belangrijkste zaken uit de mechanica kennen: de hefboom, raderen met aandrijfas, katrol, het schuine vlak, cylinder, schroef enz.

Niet-Nederlandse talen

Engels en Frans:
De nadruk ligt op leesstukken en de behandeling van het taalkarakter. Het leven, het doen en laten van de volken die de taal spreken wordt behandeld. Je geeft een heel beknopt resumé van de betreffende literatuur. Bij de leesstukken laat je zelden vertalen, maar wat gelezen is, vrij navertellen. Je zou bij Frans bv. delen uit de komedies van Molière, bij Engels bv. Christmas Carol van Dickens kunnen lezen.

Latijn en Grieks:
De leergang van de zesde klas wordt voortgezet. Af en toe kun je kleine stukjes van Homerus gebruiken, zonder al te veel in te gaan op de formele moeilijkheden.

Rekenen

Potentiëren, worteltrekken, negatieve getallen en de leer van de vergelijkingen in samenhang met het praktische leven worden doorgenomen.

Scheikunde

Vanuit het alledaagse proces van verbranding leert het kind de eerste simpele scheikundige voorstellingen kennen. Met hulp van de al geleerde begrippen uit de natuurkunde, scheikunde, aardrijkskunde schets je een samenvattend geheel van handel- nijverheid- en verkeersverhoudingen.

Taal

Je laat het kind in de manier van taalgebruik een goede plastische opvatting ontwikkelen van de uitdrukkingsvormen bij ‘wensen’, ‘verwonderen’, ‘verbazen’. enz. Het kind leert de constructie van deze zinnen bij zijn gevoel vormen. Je laat een zin vormen die uitdrukt dat iets gewenst is, dan een die bewondering uitdrukt en deze zinnen worden met elkaar vergeleken om zo begrip te wekken voor de innerlijke plastiek van de taal. 
In het opstel laat je iets karakteristieks uit de natuur beschrijven. Wat zakelijk-praktisch is wordt in de zakenbrieven zorgvuldig verder ontwikkeld.

Tekenen

Getekend worden voorwerpen die elkaar doordringen, het korter worden, elkaar overlappen op een eenvoudige manier met perspectief. Ook hierbij wordt begrip en gevoel gewekt voor het mooie aan de techniek.

Tuinbouw

Wat in de 6e klas werd begonnen, wordt voortgezet

Vertelstof

Volkeren- en rassenkunde* bieden lees- en vertelstof.

*In 1919 geeft Rudolf Steiner een opsomming van de vertelstofmotieven voor de verschillende klassen. Voor klas 7 geeft hij aan: ‘Erzählungen über die Volksstämme [GA 295/19] Vertaald als ‘verhalen over volkeren’.
In de pedagogische voordrachten zegt Steiner nergens iets over ‘rassen’. 
Er is door hem ook geen vak ‘rassenkunde’ geïntroduceerd.
In zijn antroposofisch werk vinden we wél allerlei gezichtspunten over de rassen.
In de pedagogische en ook andere voordrachten vinden we dat ‘antroposofie’ – dus dan óók zijn rassenopvattingen – NIET in de lesstof thuishoort. [zie hier]
Desalniettemin hebben leraren in het verleden deze ‘antroposofische rassenkunde’ wél als periodestof aangeboden. 
In 1996 leidde dit tot een ‘rel’.
In een latere uitgave van von Heydebrands leerplan komt de ‘rassenaanwijzing’ niet meer voor.  

.

Meer artikelen over het leerplan

7e klas: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: 7e klas:  alle beelden

.

1969

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 6 (6-4)

.
Groenwoorden van Steiner; zwart: de vertaling daarvanblauwmijn woorden.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA295) [3]

Enkele gedachten bij blz. 102, 103, 104 in de vertaling van 1993.

In de 1e voordracht schetst Steiner een mensbeeld dat wij aan en in ons zelf en om ons heen kunnen ervaren. Dat omvat o.a.:
Het fysieke lichaam, dat we kunnen zien, aanraken enz. 
We hoeven ons waarnemingsvermogen niet extra te ontwikkelen om van dit wezensdeel te kunnen zeggen dat het er ‘IS’. 
Dat geldt niet voor het etherlijf, astraallijf en Ik. Om die te kunnen waarnemen, hebben we anders ontwikkelde zintuigen nodig. 

Steiner heeft voor die ontwikkeling wegen gewezen. Een methode a.h.w. om een waarnemingsvermogen te ontwikkelen dat je de niet-zintuiglijke werkelijkheid toont.
Zijn bekendste boek daarover is: ‘Wie erlangt man Erkenntnisse der höheren Welten’ GA 10 – ooit vertaald als: ‘Hoe verkrijgt men bewustzijn op hogere gebieden’, nu met de titel: ‘De weg tot inzicht in hogere werelden‘.

Steiner is ervan overtuigd dat de mens in staat is, zijn bewustzijn te verruimen.

Op een bepaalde manier heeft hij daarin gelijk gekregen: vanaf het verschijnen van allerlei soorten drugs in de jaren zestig van de vorige eeuw, is het begrip ‘bewustzijnsverruimende middelen’ geen term waar we van opkijken. De beschrijvingen van de ‘trips’ die gebruikers van LSD gaven, tonen ons een andere wereld dan die van de zintuiglijke waarneming.

Dat is beslist niet de wereld van de hogere gebieden die Steiner beschrijft: die is niet te bereiken langs ‘chemische’ weg, maar alleen door een verhoogde activiteit van ons eigen Ik. I.p.v. ‘de roes’, een ‘verhoogde wakkerkeid’.

Naast de zekerheid dat deze werelden door innerlijke activiteit ontsloten kunnen worden, geeft Steiner aan dat om de resultaten van dit geestelijk wetenschappelijk onderzoek te kunnen begrijpen, het niet nodig is dat je zelf ‘helderziend’ bent, maar dat ‘het gezonde verstand‘ en ‘de goede wil’ het je mogelijk maken, dat de ‘bewijzen’ voor die geesteswetenschappelijke feiten als ‘uitingen’ in de wereld zichtbaar zijn.

Dus, het ‘echte’ etherlijf kunnen we als niet geschoolde niet waarnemen, wél de uitingen die zich bv. voordoen in groei en regeneratie. 
En zo is het ook met de overige wezensdelen astraallijf en Ik.

In de 1e voordracht gaat Steiner dan nog – zei het summier – verder met de wezensdelen, ‘waarover we nu nog niet beschikken – in een (verre) toekomst wél‘, door ze in ieder geval te noemen: geestzelf, levensgeest en geestmens. 
Ook die zijn alleen te ontwikkelen door het Ik.

In deze 6e voordracht belicht Steiner een andere ontwikkeling van het Ik.

Ook hierbij krijgen we te maken met het feit dat wij slechts naar hem kunnen luisteren, omdat het mededelingen zijn vanuit zijn geesteswetenschappelijke inzichten. 
Daarbij komt tegelijkertijd nóg een moeilijkheid: Steiner gebruikt begrippen die in onze taal voorkomen, maar niet met dezelfde betekenis.

Het is dus lastig om wat je zelf aan inhoud geeft aan deze bestaande woorden, nu op een andere manier te moeten ‘leren’ – in ieder geval díe inhoud te kennen.

Het gaat om de woorden

IMAGINATIE, INSPIRATIE EN INTUÏTIE

en uiteraard om de rol van het IK.

Steiner heeft in deze voordracht bepaalde krachten ‘elementaire’ krachten genoemd, op blz. 100 noemt hij ze ‘kosmische’ krachten. De elementaire, waarmee we op aarde direct hebben te maken, reiken in wezen veel verder – de warmte tot aan de zon – en zijn dus ook ‘kosmische’ krachten. 

Als hier af en toe sprake is van ‘niet kunnen verdragen’, niet ‘kunnen opgaan in’, is het niet zo moeilijk je voor te stellen dat we met ons fysieke lichaam niet kunnen opgaan in de zonnewarmte, dat verdragen we niet: we moeten ervoor beschermd worden. De warmte moet zodanig worden afgezwakt, dat we die wél kunnen verdragen.
Op een ander niveau kunnen we zeggen dat we kleuters over het algemeen geen algebra kunnen leren of ingewikkelde nano-theorieën. Ze hebben het vermogen (nog) niet dat nu te kunnen. We ‘beschermen’ ze daar dan ook tegen door het bij hen weg te houden, hun iets te geven wat wél bij hen past. 

In de 2e voordracht maakt Steiner duidelijk dat er buiten ons een ‘gedachtewereld’ aanwezig is; een wereld waarin we verkeerden vóór we geboren werden. Die gedachtewereld komt, na onze geboorte, nog bij ons binnen – maar niet in de vorm waarin deze existeert in de ‘kosmische’ wereld: de krachten van deze gedachtewereld ‘stralen’ bij ons binnen, maar worden afgezwakt, geremd, gedempt door onze antipathiekracht. Zo ontstaan de voorstellingsbeelden.

Iets dergelijks komt ook in deze 6e voordracht voor:

blz. 102-103   vert. 100

Mit unserem Ich, das die jüngste Bildung unserer Evolution ist, könnten wir nicht durch diese Weltenkräfte schreiten, wenn dieses Ich sich unmittelbar an diese Kräfte hingeben sollte. Dieses Ich könnte nicht an alles sich hingeben, was in seiner Umgebung ist und worin es selbst drinnen ist. Dieses Ich muß jetzt noch davor bewahrt werden, sich ergießen zu müssen in die Weltenkräfte. Es wird sich einmal dazu entwickeln, in die Weltenkräfte hinein aufgehen zu können. Jetzt kann es das noch nicht.

Met ons ik, de jongste loot in onze evolutie, kunnen we ons niet temidden van deze kosmische krachten begeven, althans als het zo zou moeten zijn dat het ik zich direct aan deze kosmische krachten overgeeft. Dit ik zou zich niet aan alles kunnen overgeven wat om hem heen is en waarin het zelf is opgenomen. Dit ik moet er in de huidige ontwikkelingsfase nog voor behoed worden te moeten uitstromen in de kosmische krachten. Eens zal het zich zo ontwikkelen dat het kan opgaan in de kosmische krachten. Nu kan het dat nog niet.

Ook ons volledig wakkere Ik kan ‘in die andere wereld’ niet ‘direct’ leven: wel ‘indirect’, d.w.z. in het beeld van die wereld:

Deshalb ist es notwendig, daß wir für das völlig wache Ich nicht versetzt werden in die wirkliche Welt, die in unserer Umgebung ist, sondern nur in das Bild der Welt. 

Daarom is het noodzakelijk dat we met ons volledig wakkere ik nog niet leven in de werkelijke wereld om ons heen, maar slechts in het beeld van de wereld.

En wat ons in de 2e voordracht vanuit de ziel redenerend bij het ‘beeld’ bracht, doet het ook wanneer we in de 6e voordracht vanuit het Ik redeneren:

Daher haben wir in unserem denkenden Erkennen eben nur die Bilder der Welt, was wir vom seelischen Gesichtspunkte aus schon angeführt haben.

En daarom nu hebben we in ons denkend kennen slechts beelden van de wereld – wat we ook al gezegd hebben vanuit het oogpunt van de ziel.

In de 6e voordracht is het standpunt bij alles: bezien vanuit de geest:

Jetzt betrachten wir es auch vom geistigen Gesichtspunkte aus.

Nu bekijken we dit ook vanuit geestelijk oogpunt.

Daher muß, wenn wir wachen, unser Leib uns zuerst die Bilder des Kosmos hervorbringen. Dann lebt unser Ich in den Bildern von diesem Kosmos.

vert. 100-101

In het denkend kennen leven we in beelden, en wij mensen kunnen in de huidige ontwikkelingsfase tussen geboorte en dood met ons volledig wakkere ik slechts in beelden van de kosmos leven, maar nog niet in de werkelijke kosmos. Daarom moet ons lichaam ons, wanneer we wakker zijn, eerst de beelden van de kosmos verschaffen. Dan leeft ons ik in de beelden van deze kosmos.

‘Het lichaam’, daarvoor kunnen we vanuit de 2e voordracht gezien, zeker de hersenen als lichamelijk ‘spiegelingsorgaan’ beschouwen. 

De ‘beelden van de kosmos’: dat gaat wel verder dan de in de 2e voordracht genoemde ‘beeldenwereld’ waarin we leefden vóór de geboorte, waarbij Steiner dan heel vaak zegt: respectievelijk de conceptie.

Even later drukt Steiner dit nog wat pregnanter uit:

Denn der wirkliche Vorgang dabei ist der: Wenn das Ich des Morgens in den Wachzustand übergeht, so dringt es in den Leib ein, aber nicht in die physischen Vorgänge des Leibes, sondern in die Bilderwelt, die bis in sein tiefstes Inneres der Leib von den äußeren Vorgängen erzeugt. Dadurch wird dem Ich das denkende Erkennen übermittelt.

Want in werkelijkheid gebeurt er het volgende: wanneer het ik ’s morgens in de waaktoestand overgaat, dan dringt het door in het lichaam, maar niet tot in de fysieke processen van het lichaam, nee, het dringt door in de beeldenwereld die het lichaam tot in zijn diepste innerlijk van de processen in de buitenwereld ontwikkelt. Daardoor krijgt het ik het denkende kenvermogen.

Wat hierboven aan de orde is gekomen, is voor een deel ook al besproken in [6-3]. Daar vind je Steiners opmerkingen over hoe het Ik zich verhoudt tot het gevoel en de wil.

Op blz. 104  vert. 102 gaat hij verder met het Ik in de waaktoestand bij het denkende kennen:

Daher werden Sie verstehen, wenn ich Ihnen jetzt das Leben des Ich charakterisiere während dessen, was man im gewöhnlichen Leben Wachzustand nennt – was also umfaßt: voll Wachen, träumend Wachen, schlafend Wachen -, wenn ich charakterisiere, was das Ich, indem es im gewöhnlichen Wachzustande im Leibe lebt, eigentlich in Wirklichkeit durchlebt. Dieses Ich lebt im denkenden Erkennen, indem es aufwacht in den Leib; da ist es voll wach. Es lebt darin aber nur in Bildern, so daß der Mensch in seinem Leben zwischen Geburt und Tod,  fortwährend nur in Bildern lebt durch sein denkendes Erkennen .

Nu zult u begrijpen wat ik ga zeggen over het leven van het ik in de toestand die we in het gewone leven ‘waaktoestand’ noemen; dit omvat dus: volledig wakker-zijn, dromend wakker-zijn en slapend wakker-zijn. Ik zal u nu karakteriseren wat het ik, levend in het gewone waakbewustzijn van het lichaam, eigenlijk in werkelijkheid beleeft. Het ik leeft bij het ontwaken in het lichaam in het denkende kennen en is daarbij volledig wakker. Maar het leeft slechts in beelden, zodat de mens in zijn leven tussen geboorte en dood door zijn denkend kennen voortdurend alleen maar in beelden leeft, 

Bijna onopvallend zegt Steiner hier in een tussenzin (die ik even apart neem)

wenn er nicht solche Übungen macht, wie sie in meinem Buche «Wie erlangt man Erkenntnisse der höheren Welten?» angedeutet sind,

tenzij men oefeningen doet zoals die in mijn boek ‘De weg tot inzicht in hogere werelden’* aangeduid zijn.

*De weg tot inzicht in hogere werelden‘.

In enkele pedagogische voordrachten werkt Steiner dit nader uit. Hij gaat er dan wellicht vanuit dat de leerkracht deze oefeningen moet doen om ook het niveau te bereiken dat bij een beter waarnemen van het kind hoort.
Zie daarvoor bv. GA 297, deze voordracht – op deze blog vertaald

Nemen we nog even de korte karakteristiek erbij:

De geest benaderen we vanuit: wakker, dromen, slapen.
Ik, als geestelijke kern, ben overdag in het denkende kennen volledig wakker.
In wat er in mijn voelen en willen omgaat, tot in het lichamelijke toe, daarvoor droom en/of slaap ik ook overdag.
Wat we wel als ervaring kennen is, dat er in ons gevoelens kunnen opborrelen; vaak weten we niet waar die vandaan komen. We kunnen er met ons wakkere wezen, met ons denkend kennen niet bij, maar ervaren het wel. In dit dromend wakker zijn, maken we dromend iets mee.
Dat nu, zegt Steiner, is wat we in feite altijd al ‘inspiratie’ hebben genoemd: geïnspireerde voorstellingen, onbewust geïnspireerde voorstellingen:

blz. 104-105   vert. 102

Dann senkt sich erwachend das Ich auch ein in die Vorgänge, die das Fühlen bedingen. Fühlend leben: da sind wir nicht voll wach, sondern da sind wir träumend wach. Wie erleben wir denn eigentlich das, was wir da im träumenden Wachzustande fühlend durchmachen? Das erleben wir tatsächlich in dem, was man immer genannt hat Inspirationen, inspirierte Vorstellungen, unbewußt inspirierte Vorstellungen. Da ist der Herd von alledem, was aus den Gefühlen beim Künstler hinaufsteigt in das wache Bewußtsein. Dort wird es zuerst durchgemacht. Dort wird auch alles das durchgemacht, was beim wachen Menschen oftmals als Einfälle hinaufsteigt ins Wachbewußtsein und dann zu Bildern wird.

Vervolgens daalt het ik bij het ontwaken ook af in de processen die het voelen bepalen. Voelend leven – daarin zijn wij niet volledig wakker, nee, we zijn dromend wakker. Hoe beleven we eigenlijk datgene wat we voelend doormaken als we dromend wakker zijn? Dat beleven we in feite als datgene wat men altijd inspiratie genoemd heeft: geïnspireerde voorstellingen, onbewust geïnspireerde voorstellingen. Daar is de bron van alles wat bij een kunstenaar uit het gevoelsleven opborrelt in het waakbewustzijn. Daar wordt het het eerst ervaren. Daar wordt ook alles ervaren wat bij de wakkere mens soms als invallen tot het waakbewustzijn doordringt en dan tot beelden wordt.

Steiner geeft nu zelf aan, wat hij nog aan ‘inspiratie’zou willen toevoegen:

Was in meinem Buche: «Wie erlangt man Erkenntnisse der höheren Welten?» Inspirationen genannt wird, das ist nur das zur Helligkeit, zum Vollbewußtsein heraufgehobene Erleben desjenigen, was bei jedem Menschen unten im Gefühlsleben unbewußt an Inspirationen vorhanden ist. Und wenn besonders veranlagte Leute von ihren Inspirationen sprechen, so sprechen sie eigentlich von dem, was die Welt in ihr Gefühlsleben hineingelegt hat und durch ihre Anlagen heraufkommen läßt in ihr volles Wachbewußtsein. Es ist das ebenso Weltinhalt, wie der Gedankeninhalt Weltinhalt ist. Aber in dem Leben zwischen Geburt und Tod spiegeln diese unbewußten Inspirationen solche Weltenvorgänge, die wir nur träumend erleben können; sonst würde unser Ich in diesen Vorgängen sich verbrennen, oder es würde ersticken, namentlich ersticken.

vert. 103

Wat in mijn boek De weg tot inzicht in hogere werelden inspiratie* genoemd wordt, dat zijn eigenlijk dezelfde inspiraties die bij ieder mens diep in het onbewuste gevoelsleven leven — maar die dan volledig tot bewustzijn gekomen zijn, en in helderheid beleefd worden. En wanneer mensen met een bijzondere aanleg het over hun inspiraties hebben, dan bedoelen ze eigenlijk datgene wat de kosmos in hun gevoelsleven heeft gelegd en door hun aanleg laat doordringen tot hun volledige waakbewustzijn. Dat is evenzeer een kosmische inhoud als de gedachte-inhoud kosmisch is. Maar in het leven tussen geboorte en dood spiegelen deze onbewuste inspiraties kosmische processen die we alleen dromend kunnen beleven, want anders zou het ik verbranden in deze processen of stikken – ja, stikken is een beter woord.

*inspiratie: imaginerend, inspirerend en intuïterend: De termen imaginatie, inspiratie en intuïtie worden door Steiner gebruikt om de drie hogere kenvermogens aan te duiden. Wat deze vermogens inhouden zet hij o.a. uiteen in De wetenschap van de geheimen der ziel (1910)  en in Zelfkennis en hoger inzicht, (Nu: meditaite) eerder: De trappen van het hogere bewustzijn,

Over dat ‘verstikkende’ gaat Steiner nog even verder en hij geeft daarmee een voorbeeld van wat al enkele keren heeft geklonken: dat het Ik niet te veel kan doordringen in gevoel (en wil).

blz. 105/106

Dieses Ersticken beginnt auch manchmal beim Menschen in abnormen Zuständen. Denken Sie nur einmal, Sie haben Alpdruck. Dann will ein Zustand, der sich abspielt zwischen Ihnen und der äußeren Luft, wenn bei einem Menschen in diesem Wechselverhältnis nicht alles in Ordnung ist, in abnormer Weise übergehen in etwas anderes. Indem das übergehen will in Ihr Ich-Bewußtsein, wird es Ihnen nicht als eine normale Vorstellung bewußt, sondern
als eine Sie quälende Vorstellung: als der Alpdruck. Und so qualvoll wie das abnorme Atmen im Alpdruck, so qualvoll wäre das gesamte Atmen, wäre jeder Atemzug, wenn der Mensch das Atmen vollbewußt erleben würde. Er würde es fühlend erleben, aber qualvoll wäre es für ihn. Es wird daher abgestumpft, und so wird es nicht als physischer Vorgang, sondern nur in dem träumerischen Gefühl erlebt.

Dit verstikt worden begint soms ook wanneer iemand zich in een abnormale toestand bevindt. Stelt u zich maar eens voor dat iemand last heeft van nachtmerries. Wanneer bij iemand de wisselwerking tussen hemzelf en de lucht buiten hem niet helemaal in orde is, dan bestaat er de tendens dat die toestand tussen hem en de lucht op niet normale wijze wil overgaan in iets anders. Doordat het wil overgaan in zijn ik-bewustzijn wordt het hem niet als een normale voorstelling bewust, maar als een kwellende voorstelling: als een nachtmerrie. En eenzelfde kwelling als het abnormale ademen bij een nachtmerrie zou het hele ademen zijn, iedere ademteug, wanneer men het volledig bewust zou beleven. Men zou het voelend beleven, maar een kwelling bleef het. Daarom wordt het ademen afgezwakt en niet als fysiek proces beleefd, maar slechts in het dromende gevoel.

En wat al eerder ook werd opgemerkt: het Ik kan niet doordringen tot in de wil:

Und gar die Vorgänge, die sich beim Wollen abspielen, ich habe es Ihnen schon angedeutet: furchtbarer Schmerz wäre das! 

En dan de processen die zich bij het willen afspelen! Ik heb het al gezegd: dat zou afgrijselijk pijn doen!  [6-3]

Maar dat is wel het gebied van de gewone intuïties. Want, het Ik dat slaapt bij het willend doen, heeft, als het met dat sterk verminderd bewustzijn toch belevenissen heeft, deze als onbewuste intuïties:

Daher können wir weiter sagen als drittes: Das Ich im wollenden Tun ist schlafend. Da wird das erlebt, was erlebt wird mit stark herabgedämpftem Bewußtsein – eben im schlafenden Bewußtsein – in unbewußten Intuitionen. Unbewußte Intuitionen hat der Mensch fortwährend; aber sie leben in seinem Wollen. Er schläft in seinem Wollen. Daher kann er sie auch nicht im gewöhnlichen Leben heraufbolen. Sie kommen nur in Glückszuständen des Lebens herauf; dann erlebt der Mensch ganz dumpf die geistige Welt mit.

vert.  102-103

Ten derde kunnen we dus zeggen dat het ik slaapt bij het willend doen. Daar heeft het ik belevenissen met een sterk verminderd bewustzijn — een slapend bewustzijn – in onbewuste intuïties.*

*inspiratie: imaginerend, inspirerend en intuïterend: De termen imaginatie, inspiratie en intuïtie worden door Steiner gebruikt om de drie hogere kenvermogens aan te duiden. Wat deze vermogens inhouden zet hij o.a. uiteen in De wetenschap van de geheimen der ziel (1910)  en in Zelfkennis en hoger inzicht, (Nu: meditaite) eerder: De trappen van het hogere bewustzijn,

Onbewuste intuïties heeft men voortdurend, maar ze leven in het willen. Daarom kan men ze zich in het dagelijks leven niet bewustmaken. Ze komen alleen op gelukkige momenten tot bewustzijn: dan beleeft de mens zeer vaag de geestelijke wereld mee.

Op blz. 104, 105 en 106 vat Steiner dit alles nog een keer samen en gaat in op wat men gewoonlijk onder intuïtie verstaat en wat er nog meer over gezegd kan worden vanuit de optiek van het Ik m.b.t. wakker-dromen-slapen.
Om je deze gezichtspunten eigen te maken, zal je gewoon de inhoud met aandacht moeten bestuderen.

Over ‘de wil en Goethe’ (blz. 104) en het hoofd (blz. 106) zal nog apart worden ingegaan.

In dit schema zie je nog eens de verhouding van het Ik t.o.v. denken, voelen, willen.
bij dat volledig wakker in beelden, had imaginatie kunnen staan:

.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] 
GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven
.

Algemene menskunde: voordracht 6: alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.
1968

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.