VRIJESCHOOL – Het Finse epos ‘Kalewala’ (1-1)

.

Het blad ‘Vrije Opvoedkunst‘ van 5 mei 1990 gaat over de waarde van het Finse verhaal ‘Kalewala’.

Daarin een artikel over ‘De Kalewala’ als vertelstof.

Rudolf Steiner noemt in zijn pedagogische voordrachten dit verhaal als vertelstof niet. En bv. vinden we er ook niets over in het boekje ‘Van Roodkapje tot Parcifal – de vertelstof van de vrijeschool’.
Dat betekent niet dat dit verhaal niet in een (6e, 7e) klas verteld zou kunnen worden. En misschien wel verteld zou móeten worden, gezien de grote betekenis die sommige vrijeschoolauteurs – zie VOK – eraan hechten.

De arts Ate Koopmans – die m.i. veel heeft bijgedragen aan de kwaliteit van de kinderbespreking in de vrijeschool – schreef over de Kalewala 3 artikelen in het mededelingenblad van de Antroposofische Vereniging. 

Kalewala wordt ‘oorspronkelijker’ geschreven als ‘Kalevala’. De klemtoon valt op de eerste lettergreep. (Zoals bij alle andere namen)

Het artikel is vanuit een antroposofische visie geschreven en veronderstelt enige kennis van bepaalde antroposofische begrippen.
Het is hier  m.n. gepubliceerd voor wie zich dieper met dit Finse epos wil verbinden. 

Geheimen van de menselijke wil in KalewalA en Kalewipoeg

I. De aarde

De mens ontwikkelt de wil op aarde. Zonder incarnaties op aarde zou de menselijke wil zich niet kunnen ontplooien. We zouden zonder de weerstand van de aarde als het ware steeds een gat in de lucht slaan. De wil die in de goddelijke wereld werkzaam is, is van een andere kwaliteit. De menselijke wil kan drager worden van de kwaliteit van de vrijheid. In een vroegere mensheid leefde de wil nog heel anders als wil van goddelijk-geestelijke of elementenwezens. De eigenlijke menselijke wil was nog niet geboren. Een geestelijke wereld wilde in en door de mens.
In de tijd van het oerchristendom werd de geboorte van de menselijke wil in
verband gezien met de triniteit, de goddelijke drievuldigheid. De wil – zo werd gezegd – was een gave van de Zoon. Het Vader-principe werkte in de natuur, ook in de natuurlijke lichamelijkheid van de mens. Op deze grondslag schenkt ons de Goddelijke Zoon het vermogen van de wil. Maar deze wil kan zich in goede of kwade zin ontplooien. Daarom is er nog een derde principe nodig, dat van de Heilige Geest, die de wil
gezond maakt. De ‘helende’ geest werd als iets toekomstigs gezien.
Het Chnstusprincipe moest zich met de aarde verbinden om daar te zijn waar zich vrije wil gaat ontplooien. [1]

Iedere keer dat we op aarde iets willen, een handeling voltrekken, zetten we ons uiteen met de zwaartekracht. Iedereen weet wat de zwaartekracht is, maar ze is moeilijk te definiëren, moeilijk te omschrijven. Ze wordt voorgesteld als een veld dat vanuit het middelpunt van de aarde, tot in gebieden ver om de aarde heen werkzaam is.
Van andere krachten, die met de aarde samenhangen is men pas in de laatste eeuwen tot algemene, besef gekomen: magnetisme, elektriciteit, elektromagnetisme Door en om de aarde bestaat ook een magnetisch veld. Met behulp van beweging kunnen we in een magnetisch veld een elektrische stroom opwekken Menselijke en dierlijke organismen hebben een duidelijk elektrisch veld. Deze feiten zijn uit een sluimerend bestaan tot besef van de mens gekomen. Hij is daarbij niet bliven staan. Hij is met deze krachten gaan werken en heeft in amper 150 jaar het gezicht van de aarde daarmee verregaand veranderd.
De omwikkeling van de elektrotechniek laat een doe-kan, en een weet-kant zien.

Het begon in zekere zin met de doe-kant: krachtopwekking in elektrische generatoren en motoren, turbines, centrales, talloze apparatuur, nieuwe vervoersmogelijkheden: eigenijk alles een soort plaatsvervangers van de wil, van wilsenergie. In onze eeuw dan treedt van decennium tot decennium de weet-kant sterker naar voren: elektromagnetische golven worden uitgezonden en ontvangen als informatiedragers: het gebied van de elektronische apparatuur, radio, televisie, etc. Ook waar de aarde nog ongerept is, in de meest afgelegen gebieden: ieder van ons staat in een elektromagnetisch spinneweb dat de gehele aarde omgeeft. Om de aarde cirkelende satellieten dienen als spiegels, waardoor ieder punt op aarde bereikbaar blijft als ontvangstpunt voor golven, die ons informatie weten te bezorgen. Dag en nacht omgeven en doortrekken ons trillingen en golven als een soort anti-levenswereld. Ritmen zijn de dragers van het leven, van het etherische. Elektromagnetische golven kunnen een beweging, een impuls opwekken en kunnen informatiedrager zijn, maar geen drager van het leven. Het is de ons doordringende sfeer van de ‘Unternatur’, waar ‘willen’ en ‘weten’ als in een voortdurende kortsluiting elkaar dwangmatig ondersteunen.

We kunnen dit nog van een andere kant zien: als bedreiging van de etherstructuur van de gehele aarde. De etherwereld werd en wordt opgebouwd uit kosmische ritmen. Zij zijn als het ware de grondelementen van de ethersfeer, en van het etherlichaam van plant, dier en mens. Door deze kosmische ethersfeer stuurt de techniek als het ware voortdurend Ahrimanische stoorzenders, verhardende, juist niet ritmische trillingen, naar aardse willekeur gemeten en geteld. Een machtige expansie van Ahrimans rijk vindt in onze eeuw plaats. En de mens moet afdalen, resp. omgeven worden door deze toverkunsten van Ahriman. Hij moet hen hanteren – en ze moeten zijn onzichtbare en zichtbare lichamelijkheid doortrekken; een onvermijdelijke confrontatie.

Deze aanval van de Ahrimanische machten en krachten op de etherwereld – door de mens – heeft een totalitair, mondiaal karakter: de hele aarde-ethersfeer. Mondiaal aangelegd zijn ook de kiemen om helend, genezend te werken op de etherwereld. In het omgaan met de antroposofie kunnen we nuchter, zakelijk vaststellen, dat iedere zin een stukje Christus-substantie kan betekenen. Niet is, maar kan betekenen – wanneer hij door de menselijke ziel wordt gedacht en verwerkt en daarmee in de etherwereld wordt ingebouwd. Eenmaal gedacht betekent: een los dwarrelend blad. Verwerkt, ritmisch-meditatief verwerkt betekent het een plantje, een ether-organisme, – hoe bescheiden ook. Dat betekent voeding, opbouw, genezing voor de etherwereld – Al het oefenend waarnemen van de plantenwereld in de zin van Goethes metamorfose-ideeën bereidde de mens op het schouwen van de Christus in de etherwereld voor, aldus Rudolf Steiner.

Naast deze meest bewust-menselijke, moderne wegen vinden er ook in de breedte gaande maatregelen plaats, die mensheidsleiders hebben getroffen. We hoeven maar te denken aan de cultus van de Christengemeenschap. Maar zijn er niet ook veel oudere, die in hun tijd een profetisch-voorbereidend karakter hadden? We hoeven maar aan de Germaanse god Widar te denken, die in onze tijd – aldus Rudolf Steiner – voor de Christus, verschijnend in de etherwereld, zijn bovenzinnelijke lichamelijkheid ter beschikking stelt. Widars lichte ethergestalte is Christus verschijningsvorm in de etherwereld. 

In de etherwereld van Noord-Europa en Noord-Azië werkt de oude Hyperboreï-sche tijd door – de zonnetijd van de aarde – die lang voor de zgn. zondeval (Lemurische tijd) plaats vond. In zijn boekje over de Mystenestromen heeft pro. Lievegoed deze voorchristelijke Christusgeheimen beschreven. In Scandinavië heeft Rudolf Steiner tegen bepaalde mensen gezegd, dat daar de oude, natuurlijke helderziendheid direct in de moderne van de antroposofische scholingsweg kon overgaan zonder dat de mensen eerst door een niet-helderziend donker tijdperk, een ‘godenschemering’ hoefden te gaan – zoals overal elders ter wereld.

Meer naar het Noord-Oosten vinden we in Europa en Azië de uitgebreide, wijdvertakte maar niet zeer talrijke familie van de Ugrisch-Finse volkeren. Zij bewonen Finland, Estland, Noord-Rusland en nog enkele kleine koloniën aan de benedenloop van de Wolga, op de Krim en in de Kaukasus.

In Finland verzamelt Lönnroth zijn liederen in Lapland en Karelië en schept het Kalewala-epos aan de vooravond van het meest duistere materialisme. Eerst Fählmann, dan Krentzwald, evenals Lönnroth beiden artsen, verzamelen in Estland en scheppen het Kalewipoeg-epos – het verhaal van Kalews zoon.

Waarom werden deze epen zo laat geschapen en voor de mensheid pas in de donkerste materialistische tijd en dan nog op beperkte schaal toegankelijk. Epen waren anders toch scheppingen van vroegere cultuurperioden met tenminste nog resten van een ‘mythologisch’ bewustzijn? Waarom bleven daar in het hoge Noorden deze liederen verborgen leven om in de periode van het materialisme samengevoegd als totaliteit, als organisme aan het daglicht te komen. 

Twee dingen zijn duidelijk. Beide epen zitten vol met mysterieheimen. En beide epen zijn vragen van kolossale wilsgeheimen, van de jonge, toekomstige, embryonale wil van de mens. Het aarde-element is de grondslag voor de wilsontwikkeling en voor het in wezen zo jonge economische leven. [2]

In de wereld van de Kalewala leren we de etherwereld in kosmische en aardse samenhangen kennen en hanteren; Kalewipoeg = Kalews zoon treedt de donkere machten van de aardediepten en die van het boze tegemoet. Kalewala en Kalewipoeg leveren grondmateriaal van mensheidsformaat om de mensehjke wtl te leren plaatsen en te leren inzetten in de strijd om de aarde. Onder deze genezende beelden staat dat van de Sampo centraal. De grote Sampo die door de goddelijke smid Ilmarinen en alleen door hem, kan worden gesmeed. Die Sampo die voor aarde en mensheid voorspoed en vruchtbaarheid brengt. Proberen we een stukje door te dringen in wezen en kwaliteit van deze geheimzinnige Sampo.

De Sampo en de etherwereld

Om de kwaliteit en het bijzondere wezen van de Sampo te leren kennen moeten we van de drie grote Kalewala helden ons in het bijzonder met Ilmarinen bezig houden. Op hem zetten we in dit artikel de schijnwerper. Hij is het immers die de Sampo smeden kan. Als Wainemoinen, de goddelijke zanger naar het Noordland trekt om de jonkvrouw van het Noordland te vrijen, wordt hem door de moeder verteld, dat hij haar tot vrouw kan krijgen, als hij de Sampo smeedt. Wainemoinen kan die opgave niet vervullen en geeft de opdracht door aan Ilmarinen, de goddelijke smid, hem in het vooruitzicht stellend, dat hij dan de Noordlanddochter zal krijgen. En Ilmarinen smeedt de Sampo, hij kan hem smeden.

Voordat we kijken, hoe dat in Kalewala geschiedt, volgt hier kort iets over de merkwaardige dingen, die over de Sampo worden verteld. Het eerste: over het woord Sampo. Het zou uit de Germaanse talen ontleend zijn en niet uit het Fins en betekenen: samen-bouwen. Dat er dus in gemeenschap iets gebouwd wordt, samen iets opgebouwd wordt, daarop zou de Sampo wijzen.

Het tweede is een uitspraak van Rudolf Steiner dat de Sampo zou samenhangen met het menselijk etherlichaam, ja, dit in zekere zin is. [3] En verder: dat we in de Sampo een beeld zouden hebben van de voorchristelijke graal.[ 4] Dat wil zeggen, een beeld van de lichamelijkheid, waarin aan het begin van onze jaartelling de Christusgeest op aarde eens zal werken – de schaal, waarin ooit de Zonnegeest kan worden opgenomen.

Op heel hoge, verheven motieven worden we dus gewezen. Ik vermeld deze dingen direct aan het begin, al staan ze er vooreerst wat kaal en abstract. Maar al mogen deze motieven hoog en verheven zijn: in Kalewala is alles heel dichtbij, verbonden met het dagelijks leven, verbonden ook met de aarde, met de materie. Dat is het weldadige; Kalewala is vol leven, sappig leven. Sterren- en planetenkosmos, de aarde, planten, dieren, mineralen en elementenwezens: alles is nog ‘heel’.

Keren we terug naar onze drie helden.

Kalewala zit vol met inwijdingsmotieven alsof ze de gewoonste zaak van de wereld zijn. Zowel Wainemoinen als Lemminkainen maken inwijdingsproceduren door van grandioos, kosmisch formaat. Wainemoinen wil eens op een dag een boot bouwen door middel van woordmagie. Er ontbreken hem drie woorden om de boot te kunnen afbouwen.

Na een bezoek aan het dodenrijk dat niets oplevert, laat hij zich opslokken door een reusachtig zeewezen: een soort Jonas in de walvis situatie. Daarbinnen kwelt hij het wezen in zijn ingewanden en inwendige organen om het ertoe te bewegen de magische woorden te laten klinken. Als het wezen tevergeefs geprobeerd heeft hem uit te spuwen, laat het zijn gehele woordwijsheid klinken. Vol magische woordwijsheid verlaat Wainemoinen het wezen en kan zijn boot afbouwen. Een indrukwekkende inwijding in de mysteriën van het magisch werkende wereldwoord. Lemminkainen is nauw verbonden met de geheimen van de fysieke gestalte. Hij is degeen, die de fysieke tweegeslachtelijke voortplanting opwekt, de ‘kosmische vrijer’. Hij vereert alle vrouwen met zijn bezoek. Wanneer hij de dochter van het Noordland wil vrijen worden hem door de Noordlandmoeder drie opgaven gesteld, die alle met het dodenrijk samenhangen: een wild rendier te vangen, een vuursnuivend ros te temmen en een zwaan uit de rivier van het dodenrijk te schieten. Na de eerste twee opdrachten te hebben volbracht komt hij aan de rivier van het dodenrijk. Daar wordt hij gedood, in een waterval geworpen en zijn lichaam in stukken gehakt. Zijn moeder dregt de stukken op en ‘heelt’ het lichaam door toverspreuken en door bijen verzamelde goddelijke balsems. Zij weet omtrent de geheimen van het fysieke lichaam, enerzijds in samenhang met de generaties, anderzijds met zijn kosmisch-goddelijke oorsprong. Anders is de situatie bij Ilmarinen, de goddelijke smid.

Wainemoinen gaat het dodenrijk in en uit, als het ware moeiteloos. Men wil hem daar vasthouden, maar hij ontkomt door zijn toverkunsten met gemak. Hij dringt door tot in het gebied van het wereldwoord. – Lemminkainens inwijding mislukt in zekere zin. Hij dringt niet door in het dodenrijk, maar wordt gedood. Zijn doodstoestand ervaart hij als een diepe slaap. Zijn moeder wekt hem op met behulp van helende substanties en goddelijke krachten. Zijn wijsheid ligt als het ware nog in zijn moeder. Ilmarinens ‘inwijdingsstaat’ spreekt uit zijn kunnen, zijn omgaan met de aarde. Hij heeft eens de hemelkoepel gesmeed, het blauwe ethergewelf. Hij is het die de Sampo kan smeden en, zo is hem beloofd, hij zal als beloning de Noordlanddochter tot vrouw krijgen. Maar deze wil nog niet, vindt zich nog te jong. Na jaren komen Wainemoinen en Ilmarinen opnieuw om haar te vrijen. De Noordlandvrouw geeft eerst de voorkeur aan Wainemoinen, maar de dochter zelf wil Ilmarinen. Deze krijgt van de Noordlandvrouw – evenals tevoren Lemminkainen – drie opdrachten in de invloedsfeer van het dodenrijk te vervullen, die geen enkel vroeger heeft kunnen volbrengen. Maar hij krijgt raad en hulp van de Noordlanddochter zelf, zijn toekomstige bruid en volbrengt de opdrachten moeiteloos. Dan moet de Noordlandvrouw – duidelijk tegen haar zin – wel instemmen in de verbintenis.

Wat was dat wel voor een begerenswaardig soort vrouwen, die dochters van de waardin van het Noordland? We vinden bij hen wat we bij vrijwel alle figuren in Kalewala zien: ze worden geschilderd in verschillende niveaus van de werkelijkheid. Ilmarinen als schepper van de hemel wordt ook beschreven als vlijtige smid met alle moeiten en beproevingen van de aardse werkelijkheid. Als Ilmarinens vrouw wordt de Noordlanddochter met praktische zin voor haar hoeve, haar vee, met zin ook voor plagerijen beschreven. Maar haar eigenlijke wezen ziet Wainemoinen na zijn eerste mislukte vrijerstocht: een zonnewezen, wevend in de ethersfeer van licht en kosmische goud- en zilverprocessen (8e rune, regel 1-30).
Een schoner beeld van de kwaliteit van de zonne-ether is nauwelijks mogelijk. Wainemoinen, Ilmarinen, Lemminkainen zijn allen op zoek naar een zonne-ether-wezen. Alleen Ilmarinen, de bouwer, kan zich met haar verenigen. Ilmarinen, die de kwaliteit van de nog kosmisch werkzame, de bouwende verstandsziel in zich draagt. [5]

In de Estische Kalewipoeg, [6] die in bepaalde motieven overeenkomst met Kalewala vertoont, anderzijds echter een totaal ander karakter heeft, omdat veel uit een latere tijd stamt, vinden we ook de bijzondere kwaliteit van het Noordland geschilderd. De held van het epos, Kalews zoon = Kalewipoeg maakt met een aantal makkers een expeditie naar het Noordland. Kalewipoeg besluit op een dag naar het Noorden te trekken, omdat hij het ‘pad der wijsheid’ wil gaan. Hij wil naar het Noorden, ‘waar hemel en aarde elkaar raken en waar hoge zonnemachten heersen’. Hij kent de maten van de zee, hij kent de grenzen van de onderwereld, maar de ‘laatste uiteinden van het heelal heeft hij nog niet doorvorst’. Hyperborea, ‘eine Sonnensttte’ “(zoonneplaats) wordt hem aangekondigd door een witte vogel. Ze ontmoeten op hun tocht een wolkenjonkvrouw, een reuzin in de luchten. Haar vader geeft de begeleiders van Kalewipoeg – hij zelf is achtergebleven en slaapt – raadsels op: daaraan herkent hij de reeds met verstand begaafde mensen. De verstandsziel is ontwaakt. Na een martiaal avontuur waar de toorn hem parten speelt, trekt Kalews zoon weer naar het Zuiden en moet toegeven, dat zijn tocht in wezen mislukt is. Op het pad van de wijsheid is hij niet verder gekomen, maar indirect geeft hem deze tocht later – zoals we nog zullen zien – de mogelijkheid de onderwereld, de wereld van de aardediepten te doorgronden, te leren beheersen en bewaken.

Maar we zien wat het Noordland te bieden heeft: in Kalewala’s tijden waren het de begeerde zonne-etherkrachten – maar nog in alle wezenlijke concreetheid: de Noordlanddochter. Voor een latere tijd, voor Kalews zoon, was het al abstracter geworden, naar het ‘pad der wijsheid’ had hij verlangen, een weg van lichte zonnewijsheid. Voor de ontwaakte verstandsziel van Kalewipoegs tijd was dit echter reeds onbereikbaar, althans op een directe manier. Een volk van kobolden met halve hondenlijven en hondestaarten treedt hem in het hoogste Noordland tegemoet. Kalews zoon ontbrandt in toorn. Na een heftige strijd vervloekt hij het Noorden. Maar eens zal hij door deze ervaringen de demonen van de onderwereld kunnen bestrijden. De verstandsziel maakt gebruik van de krachten van het etherlichaam. In het Noorden, in ‘Hyperborea’ werkt nog het oorspronkelijke zonne-etherweven van voor de zondeval. De ontwaakte verstandsziel is niet bij machte deze krachten bewust in de ziel op te nemen. Maar ze leiden Kalews zoon naar een nieuwe, ongeëvenaarde toekomstige ontwikkeling. Daarover in een volgend hoofdstuk.

Het etherlichaam van de mens vormt niet alleen de grondslag voor de verstandsziel, maar voor het leven übeerhaupt. In zintuig-zenuwprocessen komt het etherlichaam vrij voor de verstandelijke vermogens. [7] In de stofwisselingsprocessen is het etherlichaam in hoge mate aan het fysieke lichaam gebonden: een voorwaarde voor het leven. In de ritmische processen is het etherlichaam de drager van het ritme: zich bindend-verlossend, zich bindend-verlossend. De gevoelens in de ziel golven en stromen op de grondslag van vrijkomende licht-ethersubstantie. Alle ‘vrije’ gevoelens die niet met de lichamelijke sfeer samenhangen, gaan gepaard met lichtwerkingen. Ilmarinen bouwt aan het etherlichaam. Hij bouwt de ‘grote Sampo’ en de Noordlandvrouw sluit deze op in een berg van koper achter negen sterke sloten. Hij slaat wortel in de grond, tot in grote diepte. En hij maalt, hij maalt tussen iedere maaltijd

einen Scheffel zum Verbrauchen
einen zweiten zum Verkaufen
einen dritten zum Verwahren

En hij maalt meel en zout en geld. Ja, de stofwisseling hangt nauw met het economische leven samen. Uit de mysterie-impulsen van het Noorden is het economische leven voortgekomen.[8]

Het valt niet mee de Sampo te smeden. Eerst mislukt het viermaal. Als eerste komt er een boog uit zijn smeltkroes, een boze boog. Hij eist iedere dag een hoofd op, een mensenleven. Ilmarinen gooit hem terug in de smeltkroes. Vervolgens komt er een rood schip uit tevoorschijn, dat alleen op oorlog en strijd uit is, dan een koe die haar melk in de aarde laat weglopen en tenslotte een ploeg die woest in het wilde weg, ook de vruchtbaarste weiden doorploegt. Alles ongetemde brokstukken, karikaturen van het etherlichaam die in een wilde vitaliteit dood en verderf zaaien. De vijfde keer komen er alle vier winden aan te pas om het vuur aan te blazen en de grote Sampo geboren te doen worden.

Bijzonder karakteristiek zijn de ingrediënten, waaruit de Sampo gesmeed moet worden: uit de spitsen van een zwanenveer, uit een gerstekorrel, uit de melk van jonge koeien en uit de wol van een lam. We hebben hier te maken met een noordelijke versie van het ‘Viergetier’, de tetramorf: adelaar, leeuw, stier en mens. Deze gestalten representeren de krachten die successievelijk in het etherlichaam zijn gaan werken – de kosmische adelaarkrachten, de krachten uit de omtrek (leeuw), die uit de diepte van de aarde en die van de evenwichtige mens. Voor de nachristelijke tijd wordt er een vijfde gestalte afgebeeld: het lam – als beeld voor de opgenomen Christuskrachten.

Hier worden ze meer vanuit het substantie-aspect beschreven. De zwanenveer: de meest reine kosmische krachten. De graankorrel: de door het zonlicht geboren substantie, maar in de sfeer van de aarde verdicht, een samenweven van de twee tegengestelde krachtvelden van zon en aarde: omtrek. De eiwithoudende melk, van het zwaarte-dier, de koe. En de wol van het lam, de toekomstige vorm van het etherlichaam, wanneer de mens de Christuskracht in zich heeft opgenomen. [9] (Over het lam als het gulden vlies schrijft Lievegoed ook in zijn boekje: een voorchristelijke imaginatie van het reine zonnewezen van de mens, voordat hij door de gebeurtenissen van de zondeval gaat).

Uit deze vier substanties, resp. krachten wordt het etherlichaam opgebouwd en daarmee als aarde-etherlichaam werkzaam. Maar vooreerst diep verborgen, onzichtbaar in het onbewuste werkzaam, verborgen in de koperen berg, in de sfeer van de warme stofwisselingskrachten, wortel schietend in aardemachten en voorbereidend de toekomstige ziele-ontwikkeling van de mensheid. Eens zal de verstands- en gemoedsziel van de zonnekrachten in het etherlichaam gebruik leren maken. We moeten de verstandsziel dan wel geheel anders leren zien – niet als de verschraalde intellectualist zoals we hem tegenwoordig meestal ontmoeten. In warmte en licht worden de zonnekrachten van de verstandsziel geboren. Het echte levende denken ontstaat in de warmte, als een licht in de warmte, in de smidse van de geesten van de vorm. Zij smeden in de warmte, in de warmtesubstantie, in het materiaal van de geesten van de wil (Thronen) vormgevend, vormen scheppend. Het van wil doortrokken denken is een voortzetting hiervan, de mens kan leren smeden in de warmte. Een hoofdstukje Philosophie der Freiheit.

In de Griekse cultuurperiode ontplooit zich de verstandsziel als oorspronkelijke kracht, als eigen menselijke zielekwaliteit. In de eerste filosofen van het oude Griekenland wordt een nieuw vermogen ontwikkeld: de nog van levende imaginaties doortrokken verstandsziel. In de middeleeuwen verfijnt zich het verstand tot een soort filosofische filigraankunst, om dan af te sterven in een dode intellectualiteit. – Voorbereid, aangekondigd reeds vinden we deze verstandsziele-ontwikkeling bij Homerus in de Ilias en de Odyssee.

Heel anders is de wereld van Kalewala en Kalewipoeg. In Ilias en Odyssee leeft als het ware de vrij geworden, zich ontplooiende ziel van het schoolkind. In Kalewala is het gebeuren nog veel oorspronkelijker, als van een kind tussen 1 en 7 jaar, diep verbonden met geheimen van fysiologie en levenssfeer. Tot in de wording van de fysieke lichamelijkheid worden we aangesproken. In de taal van de wezensdelen kunnen we zeggen: in Ilias en Odyssee speelt het leven zich licht en vluchtig af tussen etherlichaam en astraallichaam (geëmancipeerd van het fysieke lichaam), in Kalewala werken etherlichaam (en astraallichaam) in hun verhouding tot het fysieke lichaam, werelden scheppend. Aarde, stofwisseling, substantie, hun levensgeheimen zijn hier in beelden en ritmen en stafrijmende woorden gevat.

De geheimen van het fysieke lichaam zijn die van Skythianos, de grote ingewijde, die een incarnatie onder de Skythen doormaakte in het begin van onze jaartelling. Er zijn geleerden die Finnen en Estlanders als nakomelingen van de Skythen beschouwen.[10]

Rudolf Steiner beschrijft Skythianos als de grote ingewijde van het fysieke lichaam, zoals Boeddha van het etherlichaam en Zarathoestra van het astraallichaam. De voordrachten over Kalewala van 9, 14 en 15 november 1914 staan geheel in het uitstralingsveld van Skythianos.

Daarmee is de cultuur van Kalewala en Kalewipoeg ook een eminente voorbereiding voor de bewustzijnsziel. Deze put zijn bijzondere kwaliteit immers uit het fysieke lichaam. Pas in onze tijd van de bewustzijnsziel gaat de doelstelling van het fysieke lichaam in vervulling.

Tegen het eind van Kalewala komt er een geheel nieuwe periode voor de werkzaamheid van de Sampo. De drie helden Wainemoinen, Ilmarinen, Lemminkainen gaan gemeenschappelijk op pad om de nog steeds in de koperen berg verborgen Sampo te halen en in het daglicht te brengen. De vroeger zo gastvrije Noordlandvrouwe heeft zich tot een verhard, op macht beducht wezen ontwikkeld. Zij wil niets weten van de vraag van de drie helden om de Sampo te delen. Zij ontleent haar hele macht en invloed aan de Sampo. Als zij ontdekt heeft, dat hij tenslotte door de drie mannen is ontvoerd, wordt ze geweldig boosaardig, omdat ze haar macht ziet verdwijnen. En ze roept al haar toverkunsten en magische kunstgrepen te hulp om hem terug te veroveren. Maar zoals bekend breekt hij bij haar pogingen om hem terug te krijgen in stukken en de stukken zinken in zee en ‘vormen daar de schatten van het water’, van de wereldether. ‘Nooit zal het het water aan rijkdom ontbreken’. Andere stukken blijven drijven en spoelen met de branding aan land. Wat brengen deze stukken?

Deze kern en kiem bevatten,
oorsprong van dúúrzame welstand!
Hier is ploegen, hier is zaaien,
hiervan alle groei en oogst!
Hiervan komt de glans van ’t maanlicht, 
hiervan komt het lief’lijk zonlicht
over Suomi’s wijde velden,
over finlands schone beemden!’                 43: 297-303

Duidelijker kan het eigenlijk niet gezegd worden. Kosmisch-aardse etherwerkingen, zegen door het water, zegen door aarde, lucht en licht, maar nu mede door het doen en handelen van mensen heen (ploegen, zaaien).

Wel moeten we ons om te zien wat er eigenlijk geschilderd wordt realiseren, dat over het etherlichaam wordt gesproken, toen dit nog niet zo sterk met het fysieke lichaam verbonden was. De mens was etherisch – en in zekere zin ook fysiek -geenszins zo sterk afgezonderd en geïndividualiseerd als nu. Het etherlichaam werkte nog als groeps-, als volk- of als mensheidsetherlichaam, in totaliteiten. Zulke ‘etherlichamen’ waren nog in hoge mate met de natuur, met het landschap, met de elementen en met het licht van een streek verbonden. In de Sampo wordt het reine etherwezen beschreven dat nog direct in de zonnesfeer zijn oorsprong had en in het Noorden bewaard werd als oerhemelkrachten op aarde. Vooreerst moeten deze hemelkrachten uit de zwanenveren etc. in het individuele mensenwezen veranderd worden: Ilmarinen schept de Sampo. Wanneer ze een constitutioneel bestanddeel van de mens zijn geworden, komen ze ter beschikking van het onbaatzuchtige deel van de ziel: daar waar de mens de aarde dient: de Sampo wordt werkzaam voor de vruchtbaarheid van de aarde.

Ten opzichte van de stroom van de Aziatisch-Europese culturen is het als het ware een — veel latere — spiegeling van de oer-Perzische tijd hier in het Noorden. In de Perzische tijd werden de grassen veredeld tot granen, uit de rosaceeën de vruchten, uit wingerdachtige klimplanten de druiven. Zarathustra was de grote voorchristelijke Christusingewijde, die het in elkaar weven en samenwerken van de grote zonne-aura en de aardesfeer schouwde. Hij werkte in een bevolkingsgroep die uit het oude Atlantis magische vermogens had bewaard, vermogens die in oude tijden misbruikt waren, maar die Zarathustra nu opnieuw wekt en in een nieuwe gezondheidbrengende oriëntatie brengt, in dienst van de hoge zonnewezens. – Het moderne pollenonderzoek heeft aangetoond hoe snel het verbouwen van granen zich uitbreidde – zo wordt aangegeven dat b.v. reeds ± 5000 vóór Chr. in Denemarken een aantal nu nog bekende graansoorten voorkwam (vanaf 7000 vóór Chr. in Aziatische en Klein-Aziatische gebieden).

Hier in het Noorden leeft een etherreservoir uit de oude HyperboreÏsche tijd. Maar diep verborgen in de mysteriën straalden deze etherkrachten van een centrum uit in de mensheid, als het ware samengevat in een hogere lichamelijkheid, een mensheids-etherlichaam. Deze hogere lichamelijkheid werd in de mysteriën bewaard en binnengeleid in het lichaam van het nathanische Jezuswezen (van het Lucas evangelie).

In die zin vormt de Sampo werkelijk de graalsschaal waarin de Christus-zonnegeest werd opgenomen.

Sampo – samen bouwen. Ook wanneer het etymologisch niet mocht kloppen blijft het nog een echte samenhang. Het is de samenhang met het Widarwezen, de god van het ‘tezamen vlijtig zijn’. Na de godenschemering en de ondergang der goden waarbij de grote Odin door de Fenriswolf vernietigd werd, blijft Widar, de zwijgzame Ase werkzaam. Hij werkt met de schoenmakers aan de laars, die hij eens in de muil van de Fenriswolf zal stoten. De laars wordt gemaakt uit alle stukjes leer, die de schoenmakers bij het maken van schoenen overhouden: allemaal overschotjes. Daarmee zal eens Widar de Fenriswolf kunnen verslaan, met behulp van over-schotkrachten van de mensheid.

Diezelfde Widar, zo zagen we, heeft in onze tijd de opgave op zich genomen de Christus als zijn etherische verschijningsvorm te dienen. In de Germaanse mythologie werd hij voorgesteld als de zoon van Odin. Toen was hij als het ware een profetisch wezen, een toekomstgestalte, die pas na de godenschemering zijn werkzaamheid ten volle zal gaan ontplooien.

In het ethergebied kunnen de beelden van Kalewala werkzaam worden. Maar het zijn niet de beelden alleen, het is ook de taal, met zijn ritmen, zijn alliteraties. Finse vrienden vertellen hoe mager en zwak zij de Duitse vertaling ervaren in vergelijking met de oorspronkelijke taal, hoe prachtig en levend die vertaling ook moge zijn (van Schiefner en Welding). Van Kalewala kunnen we zeggen, dat het in diepere lagen van ons mensenwezen wortelt dan bv. de Ilias en de Odyssee.

Naast dit etherische aspect zijn er natuurlijk talloze andere zienswijzen en benaderingen mogelijk. In het volgende artikel willen we een aspect van de ik-ontwikkeling bekijken. In Kalewala en in sterkere mate nog in het Kalewipoeg-epos vinden we biografische, aan-het-ik-verwante elementen.

De drie grote Kalewala helden, Wainemoinen, Ilmarinen, Lemminkainen worden vanuit deze gezichtshoek vrijwel onzichtbaar. Zij laten grootse vermogens, ziele-kwaliteiten en grandioze karaktereigenschappen zien, maar geen biografie. Anders bij Kullervo: in zijn oer-indrukwekkende lotgevallen vinden we biografische elementen – zij het ook niet in de zin van een moderne biografie. Sterker nog wordt dit in ‘Kalewipoeg’, de grandioze levensgeschiedenis van Kalews zoon. In zeer duistere, maar lichte geheimen van de mensheidsontwikkeling leiden ons deze beide, in vele opzichten zo diep tragische gestalten. Ook zij hangen, zij het aanvankelijk op verborgen wijze, met het ‘voorchristelijke’ werken van de Christus in de mensheidsontwikkeling samen. In het bijzonder bereiden zij de uiteenzetting met het boze voor, zoals in onze tijd meer en meer werkelijkheid wordt.

.

[1] GA 353, 19-03-1924

[2]  GA 195, 21-12-1919

[3] GA 158, 9-4-1912

[4] Dagmar Welding in haar nawoord van de Duitse vertaling van Kalewala.

[5] GA 158, 9-11-1914

[6] Kalewipoeg, übertragen von L. Löwe, Reval 1900.

[7] GA 293

[8] GA 195, 21-12-1919

[9]A. R. Koopmans: over de tetramorf. Mededelingen 7/8 van 1967. 

.

Meer over de Kalevala

Vertelstof: alle artikelen

.

1892

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

 

 

 

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.