Maandelijks archief: december 2018

VRIJESCHOOL – Kerstspelen (5)

.

ONZE KERSTSPELEN

In zijn boek “The bridge of San Luis Rey” vertelt Thornton Wilder van het instorten van een brug in Peru, 250 jaar geleden, waarbij vijf mensen, die zich juist op dat moment op die brug bevonden, omkwamen. Hij stelde zich de vraag, of men door een zich verdiepen in de levensloop van die verschillende mensen misschien zou kunnen gaan vermoeden of het slechts een toeval is, dat juist deze vijf mensen tezamen dit lot moesten treffen, of dat er een “bedoeling” te vinden zou zijn.

Zo kan het ook voorkomen dat bepaalde mensen op het laatste moment ervoor behoed worden, dat zij door de poort van de dood zouden gaan. Mensen, die oog in oog met de dood door een ongeval gestaan hebben, b.v. door verdrinking, of op een bergtocht en toch nog net door een “toeval” het leven behielden.

Of ook mensen die door een “toeval” zich net niet aan boord van een vliegtuig of in een bepaalde trein bevonden, hoewel zij dat wel van plan geweest waren en die daardoor aan een ramp ontkomen zijn.

Richtte Wilder zijn aandacht op het verleden van de betrokken mensen, zo is men in die andere gevallen geneigd zich juist in hun verdere toekomst te verdiepen. Wat speelt zich in het leven van die mensen verder af, waardoor men zou kunnen gaan vermoeden, wat de “bedoeling” van hun “toevallige” redding geweest zou kunnen zijn. Zij hebben, zou men kunnen zeggen, een nieuw leven gekregen en wat hebben zij ermee kunnen doen?

Zulke vragen kan men niet alleen stellen ten aanzien van het leven van mensen. Iets dergelijks heeft zich afgespeeld met de middeleeuwse kerstspelen uit Oberufer. Een taalgeleerde, Karl Julius Schröer, besteedde vrijwel zijn gehele leven aan de studie van het leven en de werken van Goethe. Maar gedurende een vrij korte tijd in zijn jonge jaren, toen hij leraar was aan een gymnasium in Presburg (Bratislava) had hij “toevallig” een grote belangstelling voor dialecten en in samenhang daarmee voor oude overgeleverde volkskunst. Hierdoor kwam hij in aanraking met oude kerstspelen, die al sinds eeuwen leefden op een eiland in de Donau in Hongarije, in het dorp Oberufer, waar de afstammelingen van eenvoudige Duitse boeren- landverhuizers sinds  ± 1600 leefden. Hij woonde in 1853 een opvoering bij en sprak na afloop lang met David Malatitsch. de ”leermeester goed” die het beheer had over alles, wat met de spelen te maken had.

Schröer had intuïtief een vermoeden, dat er ergens in het paradijsspel een lacune moest zijn ontstaan en bracht dit ter sprake. Aanvankelijk ontkende Malatitsch dit verontwaardigd, aangetast als hij zich voelde in zijn autoriteit en zijn deskundigheid door die geleerde stadsmensen.

Maar Schröer houdt vol en mopperend en tegenstribbelend begint Malatitsch toch in zijn geheugen te graven, en met horten en stoten, maar dan steeds vlotter, komen er tot zijn eigen stomme verbazing, regels omhoog, die hij sinds zijn jeugd, toen hij, nog bijna een kind, onder leiding van zijn vader de rol van Engel Gabriël gespeeld had, totaal vergeten was. Ze worden, dank zij Schröer, ongeveer dertig regels uit het tweegesprek tussen Godvader en Adam, vóór de schepping van Eva, aan de vergetelheid ontrukt, wellicht zou er op den duur nog meer verloren gegaan zijn. Maar nu worden de spelen als een drenkeling op het laatste ogenblik nog bij de haren van de verdrinkingsdood gered. En met welke bedoeling”?

In deze adventstijd van 1974 worden zij vele honderden malen opgevoerd in de meest uiteenlopende plaatsen over de hele aardbol verspreid. Zo is het al vele tientallen jaren en voor talloze duizenden mensen vormen zij een allerkostbaarst en onvervangbaar levensbezit.

Zo ging het echter niet ineens. Het ging als met de Steen van Rosetta, die eeuwenlang in totale vergetelheid ergens in Egypte gelegen had. Die toen door een toeval, tijdens een expeditie van Napoleon bij het slopen van een vesting tussen het puin gevonden werd. Daardoor kon, overigens nog na jaren van gissen en studie, het Egyptische hiëroglyfenschrift ontcijferd worden, en konden de mensen een nieuwe toegang vinden tot een rijkdom aan Egyptische cultuur, waarvan de kennis en het beleven zich over de gehele aardbol verspreidden.

Zo lag het boekje, dat Schröer over de kerstspelen gepubliceerd had, jarenlang vrijwel onopgemerkt op de stoffige planken van vele wetenschappelijke bibliotheken in Europa. Hij had dit met toestemming van David Malatitsch mogen uitgeven, ‘op voorwaarde dat de tekst van de spelen in Gotische letters gedrukt zou worden, en dat het recht van opvoering uitdrukkelijk aan de toestemming van hem, Malatitsch en zijn erfgenamen, gebonden zou zijn.’ Behalve de tekst bevat het een schat van bijzonderheden en aanwijzingen over spel, regie en spelers en o.a. ook interessante en uitgebreide vergelijkingen met andere min of meer bekende spelen. In Oberufer werden de spelen intussen af en toe, met tussenpozen van vier tot twaalf jaar, opgevoerd, maar niemand toonde er verder belangstelling voor en het was volmaakt stil om de spelen.

Eenmaal na 20 jaar, vond er in deze stilte een gebeurtenis plaats, die van belang was.
In de kersttijd van 1882 had Schröer, sinds lang professor, een gesprek met de student Rudolf Steiner. Tussen hen was een intieme band ontstaan van waardering en vererende bewondering. Met opvlammend enthousiasme vertelt Schröer van wat hij in Oberufer gehoord, gezien en beleefd had, en met het kostbare boekje geeft hij ook zijn liefdevolle bewondering voor de spelen aan Rudolf Steiner door. De stilte blijft echter onverbroken, tot dat, weer 28 jaar later, in 1910 onder regie van Rudolf Steiner in München een eerste opvoering plaats vond, op een zeer markant moment van zijn leven en werken.

En dan plaatst hij het geschenk van Schröer met zoveel zorg, liefde en kracht in de wereld, dat de oude spelen in een nieuwe stroom komen, die zich al spoedig steeds weer ging vertakken naar talloos vele plaatsen op de aardbol. En bij het tot standkomen van deze verbreiding hebben de “Vrije Scholen” een belangrijke rol gespeeld, omdat vooral voor kinderen het aanschouwen en het meebeleven van deze spelen van onschatbare betekenis kan zijn.

Wij leven in een tijdperk waarin de mensheid in overgrote meerderheid vergeten is, of nu meer kan beleven, dat de wereld, zoals wij die om ons heen waarnemen, de uitdrukking en tegelijk de openbaring is van een bovenzinnelijke wereld, en dat elk mens die onze aarde betreedt, afkomstig is uit een goddelijk-geestelijke wereld, die zijn ware vaderland is. Vooral kleine kinderen weten dit nog heel goed. Een zekere tijd lang hebben zij nog een herinnering aan de wereld, waaruit zij stammen, en kunnen zij veel daarvan als realiteiten beleven en ervaren, wat voor anderen niet meer zonder meer mogelijk is.

Het ‘orgaan’ dat zij daarvoor hebben, moet echter gevoed worden, wil het niet verschrompelen en verdorren en voorgoed verloren gaan. Dat voedsel kan niet daaruit bestaan, dat men er met de kinderen over zou spreken.

Maar beelden, die een uitdrukking en een openbaring zijn van de werkelijkheden, waar het hier om gaat, die zijn het waarachtige voedsel, dat de kinderen nodig hebben en met vreugdevolle herkenning in zich opnemen.

Die beelden zijn op talloze plaatsen te vinden o.m. in de sprookjes, de oude mythologieën, in het Oude en het Nieuwe Testament. En de eenvoudige, maar veelomvattende als gedegen goud zo zuivere, eerbiedwaardige beelden, waarin de kerstspelen tot ons spreken van de meest centrale gebeurtenissen uit de mensheidsgeschiedenis, nemen daarbij een eminente plaats in. Zij behoren tot het kostbaarste voedsel, dat men kinderen geven kan.

Een opvoering van de kerstspelen is meer dan alleen maar een vertoning, die men eens gezien moet hebben; meer ook dan een middel tot voorbereiding en verrijking van de kersttijd. En de ritmische herhaling van het aanschouwen en meebeleven van jaar tot jaar speelt hierbij een belangrijke rol. Een opmerking als: “waarom spelen jullie toch elk jaar dezelfde spelen, wij kennen ze toch immers al én zou het dan niet goed zijn eens iets anders te kiezen?” wordt af en toe gemaakt, maar is bepaald niet terecht.

Wij weten om te beginnen allen, dat we bepaalde boeken graag herlezen, bepaalde werken van beeldende kunst telkens weer willen zien, geliefde muziek graag opnieuw willen horen. Maar hier gaat het toch nog om meer.

De herhaling, en vooral de ritmische herhaling, heeft een onvervangbare waarde in zichzelf, los van het al of niet beter leren kennen. Kinderen weten dat wanneer zij het allang door en door bekende sprookje toch telkens opnieuw willen horen, liefst in dezelfde bewoordingen. Vele kinderliedjes en spelletjes ontlenen juist aan die ritmische herhaling hun waarde en daarom zijn zij altijd weer opnieuw zo geliefd.

Ook op het terrein van het religieus beleven kan men de waarde hiervan ervaren. Althans wanneer de religieuze praktijk niet op sleur of traditie, maar op een
innerlijk beleefde behoefte, een uit eerbied geboren overgave en een op den duur ontstane geloofservaring berust. Veel mensen kennen dit b.v. uit het meeleven met de eredienst door het jaar heen. En leest u eens een gedeelte uit de redevoeringen van Boeddha in onverkorte weergave, hardop en in alle rust.
Daar kan men de werking van de ritmische herhaling heel sterk beleven. Zo ook bij het lezen van het 6e hoofdstuk van het evangelie volgens Johannes met de ritmisch herhaalde aankondiging van het mysterie van de opstanding.

Voedsel moet op de juiste wijze toebereid zijn om in het organisme met vrucht opgenomen te kunnen worden. De ritmische herhaling is een vorm van “toebereiden”, was door het eerder genoemde ‘’orgaan” zijn voedsel op een harmonische en wehkzame wijze kan opnemen, zodat het behouden kan blijven. Dan zal het op een zekere leeftijd toch wel gaan zwijgen, maar het leeft, het is rijk aan inhoud en het betekent voor de mens een verborgen schat, die op de allerbelangrijkste levensmomenten aan het licht kan komen of gebracht worden om hem kracht, uitkomst of redding te brengen.

Want wij leven ook in een tijdperk waarin de mensheid geteisterd werd, wordt en zal worden door de zwaarste beproevingen, die ooit in de geschiedenis voorgekomen zijn. Hiermee kan men slechts vergelijken een tijd als die van omstreeks de zevende tot de derde eeuw voor Christus, toen stormen over de wereld raasden en de mensheid door groei en ondergang van het ene wereldrijk na het andere van catastrofe tot catastrofe geslingerd werd. Ook toen reeds betekende het lot van de mensheid tevens onmetelijk lijden voor talloze individuele mensen, al waren het niet zo vele millioenen als in onze tijd die bij wereldrampen betrokken zijn. En waar zal de mens dan de kracht vinden om stand te houden?

Wellicht dat dan dat “orgaan” weer gaat spreken, dat dan die verborgen schat aan het licht komt, dat mede dank zij de beelden, die al in Oberufer met zoveel liefdevolle zorg en eerbied voorbereid en tenslotte voor de mensen geplaatst werden, die mens de hulp kan vinden die hem werkelijk redden kan. Het beleven van zijn oorsprong uit en zijn verbonden zijn met een goddelijk-geestelijk vaderland en met de hoge machten die de mens willen helpen, maar die het alleen kunnen wanneer de mens de toegang tot hen zelf wil zoeken.

Zo kunnen deze spelen in de eerste plaats voor kinderen, maar toch ook niet minder voor volwassenen, tot een heel kostbaar geschenk worden. Een geschenk, dat als een gouden sleutel in een geheime bergplaats van de ziel verborgen blijft tot het ogenblik dat men zich voor een gesloten deur geplaatst ziet, waardoor men onverbiddelijk verhinderd wordt zijn weg te vervolgen. Tenzij men hem met die sleutel weet te openen.
.

C.R.Klinkenberg, vrijeschool Den Haag, dec. 1974.
Dit artikel is een gedeeltelijk vernieuwde bewerking van een artikel, dat in december 1966 verscheen in no» 26 van het blad ,De Vrije School”, voorganger van “Vrijblijvend.

.

Kerstspelen: alle artikelen

Kerstmis: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: kerstspelen

VRIJESCHOOL in beeld: kerstmis

.

1680

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Kinderboekbespreking (12)

.

Er zijn heel veel kinderboeken.
Ze zijn en worden door allerlei recensenten besproken. Die hebben allemaal een opvatting of een boek mooi, goed, enz. is.

Er staan vaak illustraties in. Ook die worden mooi, dan wel minder mooi of zelfs lelijk gevonden. Maar hoe geldig zijn deze criteria. Smaken verschillen en als ze opvoedkundig beoordeeld worden, spelen allerlei mensbeelden, bewust of onbewust, ook hun rol.

De kinderen zelf vormen de grootste maatstaf. Als een boek telkens voorgelezen en of bekeken moet worden; als het ‘met rode oortjes’ wordt gelezen, verslonden, zelfs, dan weet je dat de schrijver of illustrator een snaar heeft weten te raken die nog lang naklinkt. Ook de kinderen hebben een smaak en het ene zal dit, het andere dat boek fijner vinden.

In de artikelenreeks ‘Kinderboekbespreking’ op deze blog zal er een aantal de revue passeren.

NIKKIE EN SANNE                                                              EN DE JAARKLOK

Satomi Ichikawa laat broer en zus Nikkie en Sanne kennis maken met de wereld om hen heen. In hun kielzog hun kleine broertje Ta-taj. ‘De jaarklok’ leidt hen door de seizoenen. In elk jaargetijde valt van alles te beleven. En de kinderen die het wordt voorgelezen of de kinderen die het zelf lezen, zullen veel leren van wat er allemaal gebeurt en benoemd wordt. Hoe herkenbaar is de voor de kinderen van die leeftijd de tekst.
In de lente zie je de jonge egeltjes, met Pasen schilder je eieren; de bloemen zijn er om bloemenkransen te maken; de zomer is warm en het bad brengt verkoeling
Af en toe met een leuk gedichtje:

Haastig likken, haastig slikken, want owee,
zonnestralen likken altijd van je ijsje mee …
Haastig klimmen, haastig plukken, want jawel,
alle kersen springen bijna uit hun kersevel!

In de herfst met je laarzen door de bladeeren die je in de tuin kan opvegen; de winter met sneeuw- en ijspret en Kerstmis tot besluit:

De kerstboom staat te pralen
met alle lichtjes aan.

Nog even, en de jaarklok
begint van voorafaan

De verzorgde, lieve, kleurrijke tekeningen van Harriet Laurey maken het iedere keer weer tot een feest om er in te lezen of te bladeren.

3-8jr

Boek  Helaas niet meer leverbaar; maar de moeite waard om er de 2e-hands markt voor af te struinen.

.
Pieter HA Witvliet

.

Kinderboekbesprekingalle titels

Kinderboekbesprekingalle auteurs

.

1679

 

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – toespraak bij de kerstspelen (8)

.

In de voordrachtenreeks (GA=Gesamt Ausgabe) zijn de toespraken die Steiner hield naar aanleiding van opvoeringen van de kerstspelen, gebundeld in nr. 274 [1]:

TOESPRAKEN BIJ DE OUDE VOLKSE KERSTSPELEN

 

ANSPRACHEN ZU DEN WEIHNACHTSPIELEN AUS ALTEM VOLKSTUM

blz. 63

Wir werden uns erlauben, Ihnen in diesen Tagen einige deutsche Weihnachtspiele, die aus älterem Volkstume erhalten sind, vorzuführen. Wir werden heute damit beginnen, ein sogenanntes Paradeis-Spiel vorzuführen. Diese Weihnachtspiele wurzeln tief im mitteleuropäisch-deutschen Volkstum und sind, wenn man sie heute betrachtet, eigentlich eine lebendige Geschichtsdarstellung. Viel lebendiger bekommt man das Bild der Volksentwickelung aus der Wiederbelebung dieser Spiele, als durch eine sonstige historische Schilderung. Es ist ja in Europa das Drama aus kirchlichen Veranstaltungen hervorgegangen. Solche kirchlichen Veranstaltungen können wir geschichtlich ziemlich weit, bis in das 12. Jahrhundert zurückverfolgen; sie gehen aber eigentlich viel weiter zurück. Aus dem 12. Jahrhundert wird namentlich über ein oftmals gespieltes kirchliches Drama «Der Antichrist» berichtet; in den verschiedensten Formen war dieser «Antichrist» vorhanden. Und es ist außerordentlich bemerkenswert zu sehen, wie in diesem «Antichrist» großartige Kämpfe dargestellt wurden, die zwischen den europäischen und asiatischen Völkern stattfanden.

We nemen de vrijheid u deze dagen een paar Duitse kerstspelen te laten zien die uit oudere volksculturen bewaard zijn gebleven. We beginnen vandaag met een zgn. paradijsspel op te voeren.
Deze kerstspelen zijn diep geworteld in de Duitse volkscultuur in Midden-Europa en zijn wanneer je ze nu bekijkt, eigenlijk een levendig historisch beeld. Het beeld hoe het volk zich ontwikkelde, krijg je veel levendiger te zien wanneer je deze spelen weer tot leven brengt, dan door een of andere historische schets. In Europa is het drama ontstaan uit opvoeringen in de kerken. Deze kerkelijke opvoeringen kunnen we tamelijk ver in de geschiedenis terug volgen, tot in de 12e eeuw; maar eigenlijk gaan ze nog veel verder terug. Er wordt namelijk over een stuk uit de 12e eeuw gesproken, een vaak gespeeld kerkelijk drama, ‘de Antichrist’; deze ‘Antichrist’ bestond in de meest verschillende vormen. En het is buitengewoon interessant om te zien hoe in deze ‘Antichrist’ een grote strijd werd getoond tussen de Europese en Aziatische volkeren. 

Nun, später wurden dann das Leiden und die Geburt Christi und sonstige kirchliche Erinnerungen zuerst von Geistlichen in den Kirchen selbst dargestellt. Es wurden dann weltliche Veranstaltungen daraus, indem zuerst die Geistlichen außerhalb der Kirche diese geistlichen Spiele aufführten, und dann die Aufführungen auch auf weltliche Personen übergingen.
Ein besonders bemerkenswertes Spiel war zum Beispiel das von den «Zehn Jungfrauen». Bei einer Aufführung der «Zehn Jungfrauen», die 1322 in Eisenach stattfand, am Fuße der Wartburg, ging es so ergreifend zu, daß der anwesende Landgraf Friedrich «mit der gebissenen Wange» trostlos darüber war, daß es, wie dieses Spiel besagte, selbst der Heiligen Jungfrau nicht möglich war, durch ihre Fürbitte die Verbannten zu erlösen. Durch den mächtigen Eindruck, den dieses Spiel auf ihn mit dieser Tendenz machte, traf ihn der Schlag. Er siechte 

Welnu, later werden dan het Lijden en de Geboorte van Christus en andere kerkelijke gedenkwaardigheden in de kerken door de geestelijken zelf, op het toneel gebracht. Daaruit ontstonden de opvoeringen buiten de kerk, eerst nog opgevoerd door de geestelijken en daarna ging het over op wereldse personen. Een bijzonder opvallend spel was bijv. dat van de ‘Tien Maagden’. Bij een opvoering daarvan in 1332 in Eisenach, aan de voet van de Wartburg, ging het er zo aangrijpend aan toe dat landgraaf Friedrich ‘met de gebeten wang’ [1] niet te troosten was toen het, zoals het spel verhaalt, zelfs voor de Heilige Maagd niet mogelijk bleek door haar voorspraak de bannelingen te verlossen. Door de overweldigende indruk die het spel met dit verloop op hem maakte, kreeg hij een beroerte. Hij zakte

blz. 64

dahin und starb infolge des Eindruckes dieses Spiels der «Zehn Jungfrauen». Diese Geschichte wird durch das folgende Mittelalter hindurch viel erzählt. Kurz, wir finden überall Spuren durch ganz Mitteleuropa solcher geistlichen Spiele.
Diese geistlichen Spiele, welche dann ins Volksmäßige übergingen, treten uns noch in der mannigfaltigsten Gestalt als Festspiele, Weihnacht-, Oster- oder Fastnacht-Spiele durch die folgenden Jahrhunderte hindurch entgegen. Es ist insbesondere interessant, wie man verfolgen kann, daß wandernde deutsche Stämme diese Spiele auf ihren
Wanderungen mitnahmen.
Wir müssen uns darüber klar sein, daß mehr im Westen Mitteleuropas lebende deutsche Stämme, die dann nach Osten herüberzogen, nach Österreich zogen, die böhmischen Gegenden, aber namentlich Ungarn bevölkerten, ihre Spiele als ein teures, heiliges Gut mitnahmen und die Aufführung dieser Spiele in einer ganz außerordentlich bemerkenswerten Weise trieben. Diese Spiele lebten im Volke, ohne daß sich die gebildeten Stände viel darum kümmerten. Erst als die deutsche Altertumskunde im 19. Jahrhundert eine gewisse Vertiefung erfuhr, waren es einzelne solcher Altertumsforscher, welche aus dem Volkstum heraus diese Spiele aufführten. 

in elkaar en stierf als gevolg van deze indrukken van het spel van de ‘Tien Maagden’. Dit verhaal werd gedurende de middeleeuwse tijd die volgde, veel verteld. Kortom, we vinden overal sporen van dergelijke geestelijke spelen door heel de middeleeuwen heen.
Deze geestelijke spelen die dan door het volk werden overgenomen, zien we door de volgende eeuwen heen terug als kerst-, paas- of vastenavondspelen. Het is bijzonder interessant hoe men volgen kan dat wegtrekkende Duitse stammen deze spelen toen ze wegtrokken, meenemen.
We moeten weten dat de meer in het westen van Midden-Europa wonende Duitse stammen, die toen naar het oosten wegtrokken, naar Oostenrijk trokken, de Boheemse streken, met name Hongarije bevolkten en dat ze hun spelen als een kostbaar, heilig goed meenamen en de opvoering van deze spelen op een heel buitengewoon opvallende manier organiseerden. Deze spelen leefden onder het volk, zonder dat de ontwikkelde stand daar veel aandacht aan schonk. Pas toen in de 19e eeuw de studie naar de Duitse historie meer aandacht kreeg, waren er bepaalde geschiedenisonderzoekers die van deze spelen melding maakten.

Einer derjenigen, die sich viel Mühe gaben, insbesondere solche Volkstümer in den verschiedensten deutschen Gegenden Ungarns aufzutreiben, war mein alter Freund und ehemaliger Lehrer Karl Julius Schröer. Seinem Verdienste ist es zuzuschreiben, daß namentlich aus der Preßburger Gegend die deutschen Weihnachtspiele erhalten blieben, wenigstens zunächst in der Literatur. Karl Julius Schröer fand solche Weihnachtspiele im Nordwesten Ungarns, in der Preßburger Gegend, in der sogenannten Oberuferer Gegend vor. Weihnachtspiele, die durchaus durch ihren Inhalt, durch ihre Sprache zeigten, wie sie aus westlicheren Gegenden mit den nach Osten wandernden deutschen Stämmen gebracht worden waren. Schröer konnte feststellen, daß solche Weihnachtspiele wie ein heiliges Gut von Generation zu Generation vererbt wurden, wie sie jedesmal, wenn die Weihnachtszeit herannahte, einstudiert und dann zur Weihnachtszeit aufgeführt wurden. Eine besonders bevorzugte Familie hatte diese Weihnachtspiele im Besitz. War nun die Zeit der Weinlese im 

Een van de mensen die zich veel moeite getroostte, met name om dergelijke volkscultuur in al die verschillende Duitse streken in Hongarije op te sporen, was mijn goede vriend en vroegere leraar Karl Julius Schröer. Het is zijn verdienste dat m.n. uit de omgeving van Pressburg de Duitse kerstspelen bewaard zijn gebleven, tenminste wel in de literatuur. Karl Julius Schröer vond zulke kerstspelen in het noord-westen van Hongarije, in de omgeving van Pressburg, de zgn. omgeving van Oberufer. Kerstpelen die vooral door de inhoud, door hun taal toonden hoe ze door de emigrerende Duitse stammen vanuit westelijker gelegen streken meegebracht zijn naar het oosten. Schröer kon vaststellen dat dergelijke spelen als een heilig goed van generatie op generatie overgeërfd werden, hoe ze iedere keer, wanneer Kerstmis naderde, ingestudeerd en met Kerstmis opgevoerd werden. Een bijzonder bevoorrechte familie had deze spelen in haar bezit. Wanneer nu de tijd van de wijnoogst in de

blz. 65

Herbste vorüber, und hatten die Landleute einige freie Zeit gewonnen, dann versammelte derjenige, der im Besitze des Manuskriptes solcher Weihnachtspiele war, die Burschen des Ortes, die er für geeignet hielt, und bereitete sie durch Einstudieren vor für die Aufführung zur Weihnachtszeit.
Es war mit solchen Aufführungen etwas ganz besonderes; sie wurden wie etwas behandelt, das eine tief religiöse Seite hat. Das geht daraus hervor, daß strenge Vorschriften für diejenigen bestanden, welche viele Wochen hindurch diese Spiele unter der Direktion des Meisters einstudiert hatten. Solche Vorschriften waren zum Beispiel diese, daß jene Burschen, die ausersehen waren, dieses Weihnachtspiel zu studieren und aufzuführen, während der Zeit des Einstudierens ihrem Meister in einer außerordentlichen Weise unbedingten Gehorsam leisten mußten; daß sie in dieser Zeit einen moralischen Lebenswandel führen mußten. Die besondere Vorschrift war diese, daß sie in dieser Zeit, wie der Volksmund sich ausdrückte, nicht zu dem Dirndl gehen durften. Wenn dann die Weihnachtspiele einstudiert waren, wurden
sie in der Regel in einem Gasthof aufgeführt, und zwar in echt volkstümlicher Weise. So gut es heute geht, wollen wir in unserer Aufführung diese Volkstümlichkeit eben festhalten, damit gewissermaßen historisch vor unsere Seele treten kann die Art und Weise, wie Weihnachten innerhalb dieses Volkstums gefeiert worden ist.

herfst voorbij was en de boeren wat meer vrije tijd kregen, riep degene die in het bezit was van de manuscripten van deze spelen, de jongens van het dorp, die hij geschikt achtte om mee te doen, bij elkaar en bereidde ze door het instuderen voor op de opvoering rond de kersttijd. Er was iets heel speciaals met deze opvoeringen; men ging ermee om als iets dat een diep religieuze kant heeft. Dat blijkt omdat er strenge voorschriften waren voor degenen die vier weken lang deze spelen onder leiding van de meester instudeerden. O.a. deze: de jongens die gekozen waren moesten gedurende de tijd van instuderen buitengewoon en onvoorwaardelijk naar hun leermeester luisteren; ze moesten een moreel leven leiden. Er was een speciaal voorschrift dat ze gedurende deze tijd niet, zoals de volksmond dat uitdrukte, naar de meisjes mochten gaan. Wanneer de spelen dan opgevoerd werden, gebeurde dat meestal in een herberg en echt op een volkse manier. Voor zover dat lukt, willen wij in onze spelen dat volkse vasthouden, zodat we in zekere zin historisch de manier voor ons kunnen zien hoe Kerstmis binnen deze volkscultuur gevierd is.

Eine besondere Eigentümlichkeit dieser Spiele war ihre Durchsetzung mit einem volkstümlichen Humor. Und es ist ganz falsch, wenn man diese Volksspiele etwa sentimental aufführt. Jede Sentimentalität muß ferneliegen. Führt man sie sentimental auf, so zeigt man einfach, daß man kein Verständnis hat für ein Element, welches im religiösen Leben des Mittelalters und der beginnenden Neuzeit ganz besonders vorhanden war. Die Leute konnten tief religiös sein, waren es aber in humorvoller Weise, waren es ohne falsche Mystik, ohne Sentimentalität. Und sie konnten zwischen den Schilderungen der erhabensten Szenen zu gleicher Zeit echt volkstümliche Witze machen, echt volkstümlichen Humor entfalten. Man wollte das Lachen nicht verlernen, indem man betend zu den erhabensten Dingen aufblickte. Das ist ein Charakteristisches für die besondere Religiosiät 

Een bijzondere eigenschap van deze spelen was dat ze doorspekt waren met volkse humor. En het is totaal verkeerd wanneer je dezse spelen sentimenteel opvoert. We moeten verre blijven van elk sentiment. Als je ze sentimenteel opvoert, laat je simpelweg zien, dat je geen besef hebt van een element dat in het religieuze leven van de middeleeuwen en de beginnende nieuwe tijd op een bijzondere manier aanwezig was. De mensen konden diep religieus zijn, maar dat waren ze met humor, waren dat zonder onware mystiek, zonder sentimentaliteit. En ze konden tussen de vertolking van de meest verheven scenes, tegelijkertijd echte volkse grappen maken, echte volkse humor laten zien. Men wilde het lachen niet verleren door biddend op te zien naar de verhevendste dingen. Dat is een eigenschap van het bijzondere religieuze gevoel

blz. 66

früherer Zeiten, die in dieser Richtung gesund war. Ungesund wurde die Religiosität erst in späteren Zeiten.
Heute werden wir uns erlauben, dasjenige Spiel aufzuführen, das in der Regel den anderen voranging: das Paradeis-Spiel, darstellend wie Gott Adam und Eva ins Paradies führt, und wie sie von dem Teufel verführt werden. «Adam und Eva» ist ja der Festtag, welcher dem 25. Dezember im Kalender vorangeht, der eigentlichen Weihenacht. Und für die Weihnachtszeit, die spätere Weihnachtszeit war dann so etwas gewöhnlich in Aussicht genommen, wie das Christ-Geburt- Spiel, das wir uns dann erlauben werden, morgen diesem ParadeisSpiel nachfolgen zu lassen.

in deze vroegere tijden, dat wat dat betreft gezond was. Het religieuze gevoel werd pas later ongezond.
Vandaag nemen we de vrijheid het spel op te voeren dat als regel door de andere vooraf ging: het paradijsspel, dat vertoont hoe God Adam en Eva in het paradijs brengt en hoe ze door de duivel verleid worden. ‘Adam-en-Evadag’ is op de kalender de feestdag vóór Kerstmis op 25 december, het eigenlijke kerstfeest. En wat de kersttijd betreft, daarin stond dan gewoonlijk het geboortespel op het programma, dat wij dan morgen op dit pararadijsspel willen laten volgen.

In dieser Aufführung wurde zum ersten Male der von Rudolf Steiner rekonstruierte Text zur Einleitung des «Paradeis-Spieles» gesprochen. – Von den Auf- führungen am 25. und 26. Dezember liegen keine Nachschriften vor.
Bij deze opvoering werd als inleiding van het paradijsspel voor (bij?) de eerste keer de door Rudolf Steiner gereconstrueerde tekst gesproken. – Van de opvoeringen van 25 en 26 decfember zijn geen notities. 

.

[1] GA 274
[2] anekdote: hij had een litteken op zijn wang, veroorzaakt door het bijten van zijn moeder.

.

Rudolf Steinertoespraken bij de kerstspelen

Kerstspelen: alle artikelen

Kerstmisalle artikelen

.

1678

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 3 (3-3)

.

Enkele gedachten bij blz. 47/48 en 62/63 in de vertaling van 1993.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA295) [3]

ROBERT JULIUS MAYER

Nadat Steiner over de gevolgen van het Concilie van Constantinopel heeft gesproken waarbij a.h.w. de geest werd afgeschaft, komt hij tot de conclusie dat we daardoor niet tot een werkelijk inzicht kunnen komen in het wezen van de mens.

En wil je kinderen helpen bij hun ontwikkeling, dan moet je deze kennen. En ontwikkeling is – vanuit een bepaald perspectief – o.a. ontwikkeling van denken, voelen en willen of met andere woorden: van geest, ziel en lichaam.

Zonder ‘geest’ heb je dus eigenlijk geen volledig mens voor je.

Maar er is nóg een idee in de ontwikkeling van de westerse mensheid gekomen, dat een werkelijk inzicht in het wezen van de mens in de weg staat.

Steiner noemt het een grootse verworvenheid van de fysica.
In het begrijpen daarvan, maakt men volgens hem, ‘een grote vergissing.’

Deze ‘grootse verworvenheid’ is onder woorden gebracht door Julius Robert Mayer.*

*Julius Robert Mayer (1814-1878), arts en natuurkundige; hij formuleerde in 1842 de wet van het behoud van energie. Zie J.R.Mayer, Bemerkungen über das mechanische Äquivalent der Wärme (1851)
.

Die idee is in een wet, een formule, zo gaan heten: de wet van behoud van energie en kracht.

Mayer postuleerde die wet niet in deze abstracte vorm. Volgens Steiner wilde hij de metamorfose van krachten aan het licht brengen:

(  ) dem sogenannten Gesetz von der Erhaltnng der Energie oder der Kraft. Dieses Gesetz besagt ja, daß die Summe aller im Weltenall vorhandenen Energien oder Kräfte eine konstante ist, daß sich diese Kräfte nur umwandeln, so daß etwa eine Kraft einmal als Wärme, ein andermal als mechanische Kraft erscheint und dergleichen. In diese Form kleidet man aber das Gesetz von Julius Robert Mayer nur dann, wenn man ihn gründlich mißversteht! Denn ihm war es zu tun um die Aufdeckung der Metamorphose der Kräfte, nicht aber um die Aufstellung eines so abstrakten Gesetzes, wie es das von der Erhaltung der Energie ist.

met de zogenaamde wet van behoud van energie of kracht. Zoals u weet houdt deze wet in dat de som van alle energie of kracht in de kosmos constant is; dat deze krachten alleen steeds een andere vorm aannemen. Een kracht kan zich bijvoorbeeld de ene keer als warmte en de andere keer als mechanische kracht manifesteren, enzovoort. Maar men giet de wet van Julius Robert Mayer alleen in deze vorm wan­neer men Mayer principieel verkeerd begrijpt! Want het ging hem erom de metamorfose van krachten aan het licht te bren­gen en niet om een zo abstracte wet te postuleren als die van behoud van energie.

Evenals ‘geen geest – 869’ betekent deze opvatting dat het wezen van de mens niet begrepen kan worden. 
Immers: als de metamorfosegedachte naar de achtergrond verdwijnt of zelfs helemaal verdwijnt, gaat daarmee ook de blik op de veranderingen verloren waaraan de mens tijdens zijn leven onderworpen is. 
Ontwikkelingsfasen zijn geen op zich staande fasen: de ene is verbonden aan de andere, maar de ene is ook de voorbereiding op de andere. In dat opzicht alleen al, is er geen ‘constante’. 

Nu is dat voor de stoffelijkheid moeilijker te zien: we hebben ons hele leven ons lichaam; we zien het wel veranderen, maar tegelijkertijd zijn het bijv. nog steeds ‘deze vingers’ en geen andere. Maar is dat ook zo?

In GA 202 geeft Steiner dit voorbeeld:

Nur weil wenn Stoff vergeht, fortwährend neuer Stoff entsteht, redet der Mensch von einer Konstanz des Stoffes. Er gibt sich demselben Irrtum hin, dem er sich hingeben würde, wenn eine Anzahl von Dokumenten in ein Haus eingetragen, drinnen abgeschrieben würden, aber als solche verbrannt würden und die Abschriften wieder herauskommen, und er, weil er dasselbe herauskommen sieht, was hineingetragen ist, denken würde, es sei dasselbe. In Wirklichkeit sind die alten verbrannt worden und neu abgeschrieben worden.

Alleen omdat er, wanneer stof vergaat, voortdurend nieuwe stof ontstaat, spreekt de mens over een constante van de stof. Maar daar maakt hij dezelfde vergissing als die hij zou maken wanneer er een aantal documenten in een huis binnengebracht worden, binnen worden gekopieerd, maar de oorspronkelijke documenten verbrand en dat de kopieën weer naar buiten komen, en hij dan zou denken dat deze dezelfde zijn. In werkelijkheid zijn de oude verbrand en eerst gekopieerd.

En zoals zo vaak volgt er dan een verrassende conclusie:

So ist es auch mit dem Werden in der Welt. Denn da, wo im Menschen Stoff vergeht, zum Scheine wird und neuer Stoff entsteht, da sitzt die Möglichkeit der Liebe. Und Freiheit und Liebe gehören zusammen.

Zo is het ook met de wording in de wereld. Want waar in de mens stof vergaat, schijn wordt en nieuwe stof ontstaat, zit de mogelijkheid van de liefde. En vrijheid en liefde horen samen.
GA 202/12
Niet vertaald

Zonder dit nader uit te werken, geeft zo’n opmerking al enigszins aan, hoe belangrijk het is voor de mens – want dat liefde en vrijheid belangrijk voor hem zijn, hoeft niet uitgelegd te worden – dat ook de stoffelijke processen in zijn lichaam begrepen worden.

En Steiner noemt nóg een belangrijk aspect: het sociale leven. Het niet begrijpen van de natuur en van het geestelijk leven maakt het voor de mens moeilijker zich in te voegen in het sociale leven:

Was ist, in einem großen Zusammenhange angesehen, kultur- geschichtlich dieses Gesetz von der Erhaltung der Energie oder der Kraft? Es ist das große Hindernis, den Menschen überhaupt zu verstehen. Sobald man nämlich meint, daß niemals Kräfte wirklich neu gebildet werden, wird man nicht zu einer Erkenntnis des wahren Wesens des Menschen gelangen können. Denn dieses wahre Wesen des Menschen beruht gerade darin, daß fortwährend durch ihn neue Kräfte gebildet werden. Allerdings in dem Zusammenhange, in dem wir in der Welt leben, ist der Mensch das einzige Wesen, in welchem neue Kräfte und – wie wir später noch hören werden – sogar neue Stoffe gebildet werden. Aber da die heutige Weltanschauung überhaupt nicht solche Elemente in sich aufnehmen will, durch welche auch der Mensch voll erkannt werden kann, so kommt sie dann mit diesem Gesetz von der Erhaltung der Kraft, das ja in einem gewissen Sinne nicht stört, wenn man nur die anderen Reiche der Natur – das Mineralreich, das Pflanzenreich und das Tierreich – ins Auge faßt, das aber sofort alles von wirklicher Erkenntnis auslöscht, wenn man an den Menschen herankommen will.

Wat betekent in een groter, cultuurhistorisch verband deze wet van behoud van energie of kracht? Deze wet is een grote hindernis die het onmogelijk maakt de mens ook maar enigszins te begrijpen. Gelooft men namelijk dat er nooit werkelijk nieu­we krachten gevormd kunnen worden, dan zal men niet tot inzicht kunnen komen in het ware wezen van de mens. Want dit ware wezen van de mens ligt nu juist in het feit dat voortdurend door de mens nieuwe krachten worden gevormd. Maar het is wel zo dat binnen de samenhang waarin wij in de wereld leven de mens het enige wezen is waarin nieuwe krachten worden gevormd en zelfs, zoals we later nog zullen horen, nieuwe stof­fen. Maar aangezien in het huidige wereldbeeld volstrekt geen plaats is voor elementen waardoor ook de mens in zijn totaliteit doorgrond kan worden, komt men met deze wet van behoud van energie op de proppen. Neemt men alleen de andere na­tuurrijken, die van mineralen, planten en dieren, in ogen­schouw, dan is die wet niet zo storend, maar probeert men de mens te doorgronden, dan belemmert deze wet onmiddellijk ieder werkelijk inzicht.

In GA 306 noemt Steiner deze wet ook:

Die Tatsache ist, daβ dieses Gesetz von der Erhaltung der Kraft der inneren Wesenheit des Menschen, der Wahrheit widerspricht. Es gilt nur für die unorganische Welt im strengen Sinne des Wortes. Für die organische gilt es nur so weit, als diese von Unorganischem ausgefüllt ist; für die Eisenteilchen im Blutserum gilt dieses Gesetz, aber nicht für das ganze Menschenwesen.

Het feit is dat deze wet van het behoud van kracht in tegenspraak is met het wezen van de mens, met de waarheid. Hij geldt alleeb voor anorganische wereld in de strictere zin van het woord. Voor de organische wereld geldt deze alleen in zoverre deze gevuld is met anorganische stof; voor de ijzerdeeltjes in het bloedserum geldt deze wet, maar niet voor het hele mensenwezen.

(In deze voordracht GA 306 gaat Steiner er weer vanuit een ander gezichtspunt op in, dat ik er hier nog niet bij betrek.)

Dieses Gesetz von der Erhaltung der Kraft, das ist es ja vor allen Dingen, welches den Menschen so in das Weltenall hineinstellen möchte, daβ dieser Mensch dabei eigentlich nur wie ein Naturprodukt in diesem Weltenall drinnensteht.

Deze wet van het behoud van kracht wil de mens in het wereldal die plaats geven dat hij daarin eigenlijk alleen maar een natuurproduct is.
GA 201/236
Niet vertaald

Sie werden als Lehrer die Notwendigkeit haben, auf der einen Seite Ihren Schülern die Natur verständlich zu machen, auf der anderen Seite sie hinzuführen zu einer gewissen Auffassung des geistigen Lebens. Ohne mit der Natur bekannt zu sein, wenigstens in einem gewissen Grade, und ohne ein Verhältnis zum geistigen Leben zu haben, kann sich heute der Mensch auch nicht in das soziale Leben hineinstellen. 

Als leraar zult u genoodzaakt zijn de leerlingen aan de ene kant inzicht in de natuur te verschaffen en aan de andere kant te brengen tot een zeker begrip van het geestelijke leven. Zonder tenminste enigszins bekend te zijn met de natuur en zonder een relatie tot het geestelijke leven te hebben, kan de mens zich tegenwoordig ook niet goed invoegen in het sociale leven.
GA 293/48
vertaald/48

Hierna gaat Steiner weer meer naar de details en grijpt daarbij terug op de inhoud van voordracht 2. Daar wordt een apart artikel aan besteed.

Aan het eind van de voordracht komt hij terug op de wet, de gedachte van het behoud van kracht en stof. Hij noemt de formulering zoals die gebruikt wordt ‘een grote vergissing’. En een belemmering voor een juist inzicht in het wezen van de mens.
Wat er in de mens gebeurt, weerlegt deze gedachte.

Dat is het feit dat er in de mens metamorfosen plaatsvinden: iets vergaat, maar iets anders komt ervoor in de plaats.

blz.  61/62   ver. 61/62

Was geschieht denn tatsächlich in der menschlichen Wesenheit? Auf der einen Seite steht die Knochen-Nervennatur, auf der anderen Seite die Blut-Muskelnatur. Durch das Zusammenwirken beider werden fortwährend Stoffe und Kräfte neu geschaffen. Die Erde wird vor dem Tode dadurch bewahrt, daß im Menschen selber Stoffe und Kräfte neu geschaffen werden. Jetzt können Sie das, was ich eben gesagt habe: daß das Blut durch seine Berührung mit den Nerven Neuschöpfung von Stoffen und Kräften bewirkt, zusammenbringen mit dem, was ich im vorigen Vortrage sagte: daß das Blut fortwährend auf dem Wege zur Geistigkeit ist und dabei aufgehalten wird. Diese Gedanken, die wir in diesen zwei Vorträgen gewonnen haben, werden wir miteinander verbinden und dann weiter darauf aufbauen. Aber Sie sehen schon, wie irrtümlich der Gedanke der Erhaltung von Kraft und Stoff ist, wie er gewöhnlich vorgebracht wird: denn durch das, was im Inneren der Menschen- natur geschieht, wird er widerlegt, und für eine wirkliche Auffassung der Menschenwesenheit ist er nur ein Hindernis. Erst wenn man wieder den synthetischen Gedanken bekommen wird, daß tatsächlich zwar nicht aus Nichts etwas hervorgehen kann, daß aber das eine so umgewandelt werden kann, daß es vergeht und das andere entsteht – erst wenn man diesen Gedanken an die Stelle des Gedankens von der Erhaltung der Kraft und des Stoffes gestellt haben wird, wird man etwas Gedeihliches für die Wissenschaft erhalten können.

Wat gebeurt er nu werkelijk in het wezen van de mens? Aan de ene kant is er het bot-zenuwstelsel en aan de andere kant het bloed-spierstelsel. Door de samenwerking van beide stelsels worden voortdurend nieuwe stoffen en krachten gecreëerd. De aarde wordt behoed voor de dood doordat in de mens zelf nieuwe stoffen en krachten geschapen worden. Nu kunt u het­geen ik vandaag gezegd heb combineren met hetgeen ik in de vorige voordracht zei. Enerzijds bewerkstelligt het bloed door zijn aanraking met de zenuwen het ontstaan van nieuwe stoffen en krachten en anderzijds is het bloed voortdurend op weg te vergeestelijken en wordt het daarbij gehinderd. Deze gedach­ten die we in deze twee voordrachten hebben ontwikkeld, zul­len we met elkaar verbinden en als uitgangspunt nemen voor wat dan verder volgt. Maar u ziet al dat de gedachte van het behoud van kracht en stof een grote vergissing is in de vorm waarin hij gewoonlijk geformuleerd wordt. Want door wat er in het innerlijk van de mens gebeurt wordt deze gedachte weer­legd; voor een juist inzicht in het wezen van de mens vormt die gedachte alleen maar een belemmering. Pas wanneer men weer de synthetische gedachte zal krijgen, dat er inderdaad welis­waar niets uit het niets kan ontstaan, maar dat iets zo gemeta­morfoseerd kan worden dat het vergaat en er iets anders voor ontstaat – pas wanneer deze gedachte de plaats zal hebben in­genomen van de gedachte van het behoud van kracht en stof, pas dan zal men tot iets vruchtbaars voor de wetenschap kun­nen komen.

 

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] 
GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[3] 
GA 295
Praktijk van het lesgeven

.

Algemene menskunde: voordracht 3 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

1677

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

VRIJESCHOOL – Opspattend grind (60)

.

HET EUREKA VAN ERIK SCHERDER

In het Eindhovens Dagblad vertellen wetenschappers hun eurekamoment.

In de krant van 13-10-2018 doet hoogleraar neuropsychologie aan de VU Erik Scherder dat.

Hij zegt:

„Soms voel ik me net een roepende in de woestijn. Waar ik ook kom – in de collegezaal, op televisie en onlangs nog voor de Tweede Kamercommissie – overal vertel ik hetzelfde: kom in beweging! We zitten veel te veel stil en dat is rampzalig voor conditie en cognitie. Zeker ook voor kinderen.”

Hij kwam tot dit inzicht omdat hij zag wat niet bewegen voor negatieve gevolgen had, zoals diabetes-2 op zeer jonge leeftijd.

Veel kinderen spelen in vergelijking met 1995 veel  minder buiten. In het onderwijs is het gymnastiekonderwijs tot een minimum teruggebracht.

De professor zegt: ‘Op scholen moet veel meer bewogen worden: tweemaal per dag een half uur om het langdurige zitten te onderbreken. Dat zou enorm ten gunste komen van de aandacht en concentratie tijdens de lessen.’

Hij neemt als voorbeeld ‘apenkooien’. Dat zorgt voor een netwerkactivatie in de hersenen dat vervolgens bijdragen levert aan andere cognitieve kwaliteiten. Als je door die apenkooi gaat, wordt het pariëtale en frontale netwerk actief: je plant, coördineert en ook de kleine hersenen doen mee. Precies die netwerken die gebruikt worden om sommen op te lossen, maar op een andere manier aangestuurd.

De befaamde wetenschapper Donald Hebb zei: ‘Neurons that fire together, wire together. Vrij vertaald: zenuwcellen die vuren, zoeken hun buren. Hoe vuren zenuwcellen in een kind het beste? Als ze steeds net iets anders worden aangestuurd. En bewegen is altijd anders.’

Prof. Scherder is van mening dat de regering scholen moet verplichten tot het veel laten bewegen van kinderen. Hoe?

Los de sommen springend op.’

-Jim Jansen, ED 13-10-2018

 

.

Welke vrijeschool gaat de professeor eens uitnodigen om hem in bijv. een tweede klas te laten zien hoe de tafels van vermenigvuldiging worden aangeleerd; of in een vierde, wanneer er een gedicht met alliteraties wordt gelopen; of in de 5e een gedicht met hexameters; wat zou hij vinden van euritmie waarbij je een patroon (vierkant, zevenster e.d.) moet lopen met hoekverschuivingen, op muziek waarbij je voeten de maat van het muziekstuk moeten lopen en je handen het ritme van de melodie moeten aangeven of daarbij – nog moeilijker – met de armen de toonhoogten. Wat zou er allemaal worden ‘afgevuurd’ in de ‘beweeglijke klas’?

.

Bewegen in de vrijeschool

Opspattend grind: alle artikelen

.

1676

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – toespraak bij de kerstspelen (4)

.

In de voordrachtenreeks (GA=Gesamt Ausgabe) zijn de toespraken die Steiner hield naar aanleiding van opvoeringen van de kerstspelen, gebundeld in nr. 274 [1]:

TOESPRAKEN BIJ DE OUDE VOLKSE KERSTSPELEN

 

ANSPRACHEN ZU DEN WEIHNACHTSPIELEN AUS ALTEM VOLKSTUM

blz. 33

Dornach, 30. Dezember 1917 anläßlich der Aufführung von alten deutschen Weihnachtspielen vor in der Schweiz internierten deutschen Kriegsgefangenen

Im Namen aller Freunde unserer anthroposophischen Bewegung und namentlich derjenigen, die hier an diesem Bau vereinigt sind, habe ich Sie mit tiefster Befriedigung heute auf das allerherzlichste zu begrüßen. Sie werden an die aufrichtige Herzlichkeit dieses unseres Grußes glauben. Sind ja doch die Empfindungen, die wir Ihnen entgegenbringen,

Dornach, 30 december 1917 naar aanleiding van de opvoering van oude Duitse kerstspelen voor in Zwitserland geïnterneerde Duitse krijgsgevangenen

Uit naam van alle vrienden van onze antroposofische beweging en met name van degenen die hier samen aan de bouw[het Goetheanum] werken, wil ik u vandaag met een diep tevreden gevoel allerhartelijkst begroeten. U moet de oprechte hartelijkheid van deze groet ter harte nemen. De gevoelens die wij u tegemoet dragen,

blz.34

durchtränkt von all dem, was wir miterleben als Folgen jener schmerzlichen Ereignisse der Gegenwart, die so tief eingreifen nicht nur in das allgemeine Weltenschicksal, sondern auch in das Schicksal jedes einzelnen Menschen, insbesondere derjenigen, deren Besuch uns heute hier zugedacht ist.
Das, was wir Ihnen bieten möchten, sind Weihnachtspiele. Anspruchslos sollen diese Darbietungen genommen werden; das bitten wir Sie zu bedenken. Denn sie sollen der Versuch sein, alte Erinnerungen der europäischen Kultur aufzufrischen. Und vielleicht kann ich am leichtesten sagen, wie es sich mit diesen Spielen verhält, wenn ich mir erlaube, darauf aufmerksam zu machen, wie ich selbst zunächst mit diesen Spielen bekanntgeworden bin.
Das, was diese Spiele darbieten sollen, steht zunächst in einem loseren Zusammenhang mit unserer anthroposophischen Bewegung, aber dies ist nur scheinbar. 

zijn vol van alles wat wij beleven als gevolg van die zo smartelijke gebeurtenissen in deze tijd die zo ingrijpend zijn, niet alleen in het algemene wereldlot, maar ook in het lot van ieder mens, in het bijzonder van degenen die ons vandaag hier met een bezoek vereren. Wat wij u hier zouden willen schenken, zijn kerstspelen. U moet onze opvoeringen als bescheiden zien; wij vragen u dat te bedenken. Want ze willen een poging zijn oude herinneringen van de Europese cultuur op te frissen. En misschien kan ik het gemakkelijkst zeggen wat er met deze spelen is, wanneer ik de vrijheid neem om te vertellen hoe ik zelf deze spelen heb leren kennen.
Wat deze spelen willen tonen, staat in eerste instantie wat losser van onze antroposofische beweging, maar dat lijkt maar zo.

Nur derjenige, welcher diese anthroposophisch orientierte Geisteswissenschaft verkennt, kann des Glaubens sein, daß solche Aufgaben, wie die mit diesen Weihnachtspielen verbundenen, nicht in ihrer Richtung liegen. Muß doch in ihrer Richtung das Interesse für alles dasjenige liegen, was das geistige Leben und die Entwickelung der Menschheit betrifft.
Ich selbst wurde bekannt vor Jahrzehnten mit diesen Spielen, und zwar gerade mit den Spielen, von denen heute hier eine Probe entwickelt werden soll, durch meinen alten Freund und Lehrer, Karl Julius Schröer. Karl Julius Schröer entdeckte gerade diese Spiele, die alt sind, die irgendwo, da oder dort, in früheren Zeiten aufgeführt worden sind und die jetzt wiederum erneuert werden. Man kann viele solche Spiele allenthalben sehen. Allein gerade die beiden Spiele, um die es sich heute hier handeln wird, und einige andere unterscheiden sich doch von anderen Weihnachtspielen in ganz beträchtlicher Art. Karl Julius Schröer fand sie in den vierziger und fünfziger Jahren des 19. Jahrhunderts auf der Insel Oberufer. Das ist eine Vorinsel der Insel Schütt, welche durch die Donau unterhalb Preßburg, da wo Ungarn an Österreich angrenzt, gebildet wird. Da haben sich seit dem 16. oder mindestens seit dem Beginne des 17. Jahrhunderts unter den deutschen Bauern, den sogenannten Haidbauern, diese Weihnachtspiele erhalten, 

Alleen degene die deze antroposofisch georiënteerde geesteswetenschap ontkent, kan van mening zijn dat opgaven zoals die met deze kerstspelen verbonden zijn, voor hem of haar niets zijn. Want je moet wel geïnteresseerd zijn in alles wat het geestelijke leven en de ontwikkeling van de mensheid betreft.
Ik zelf leerde deze spelen tientallen jaren geleden kennen en wel deze spelen die we hier willen proberen te ontwikkelen, door mijn oude vriend en leraar, Karl Julius Schröer.
Hij ontdekte juist deze spelen die oud zijn, die ergens daar en daar, vroeger, opgevoerd zijn en die nu weer vernieuwd worden. Je kan dergelijke spelen overal zien. Maar met name de twee spelen waarom het hier gaat en nog een paar, zijn toch in een heel belangrijke mate anders dan andere kerstspelen. Karl Julius Schröer vond ze in de  jaren veertig, vijftig van de 19e eeuw op het eilandje Oberufer. Dat is een vooreilandje van het eiland Schütt dat door de Donau onder Pressburg, daar waar Hongarije aan Oostenrijk grenst, werd gevormd. Daar zijn sinds de 16e eeuw of tenminste sinds het begin van de 17e deze kerstspelen onder de Duitse boeren, de zgn. haidboeren, bewaard gebleven,

blz. 35

alle in persönlicher Überlieferung. Von Generation zu Generation sind sie gegangen. Der Haidbauer, von dem sie Karl Julius Schröer übernommen hat, hatte eigentlich nur noch die einzelnen Rollen abgeschrieben. Ein ganzes Manuskript von diesen Dingen fand sich kaum. Sie sind jedes Jahr, wenn man das konnte, wenn unter den Bauern Oberungarns die Leute dazu da waren, bei diesen Oberuferer Bauern aufgeführt worden.
Werfen wir zunächst einen flüchtigen Blick auf die Art, wie das zuging. Ich möchte das in der folgenden Weise schildern. Wenn die herbstlichen Arbeiten, die Erntearbeiten verrichtet waren, dann sammelte einer der angesehensten Bauern des Ortes, der von seinen Vorfahren diese Spiele ererbt hatte und das Recht ererbt hatte, sie aufzuführen, sich eine Reihe von Burschen zusammen und übte mit denen durch die Monate Oktober, November bis Dezember, bis in den Advent hinein die Aufführungen ein. Die Gesinnung, welche mit der Aufführung dieser Spiele verbunden war, ist eigentlich dasjenige, was das Ergreifendste an der Sache ist. Es war wirklich, indem man an die Aufführung dieser die biblischen Geheimnisse enthüllenden Schauspiele ging, das ganze mit einem tiefen moralischen Bewußtsein verbunden.

doordat ze persoonlijk werden overgedragen. Ze zijn meegegaan van generatie op generatie. De haidboer van wie Karl Julius Schröer ze meekreeg, had alleen nog wat losse rollen overgeschreven. Er was nauwelijks meer een volledig manuscript te vinden. Ze zijn elk jaar wanneer het kon, wanneer onder de boeren van ‘Opper-Hongarije’ (Oberungarns) mensen dat wilden, bij deze boeren uit Oberufer opgevoerd. Laten we eens in grote lijnen kijken naar de manier waarop dat toeging. Dat zou ik zo willen schetsen. Wanneer het werk in de herfst, het oogstwerk, achter de rug was, dan riep een van de boeren van het dorp die heel veel aanzien had en die van zijn voorouders deze spelen geërfd had en ook het recht ze op te voeren, een groep jongens bij elkaar en oefende gedurende de maanden oktober, november tot december, tot in de advent de toneelstukken in. De stemming die met het opvoeren van deze spelen was verbonden, is eigenlijk heel aangrijpend. Als men aan de opvoering van deze toneelstukken, die bijbelse geheimen onthullen, begon, was alles met een diep moreel bewustzijn verbonden.

Das geht schon aus den Bedingungen hervor, die man denen auferlegt, welche mitspielen wollten. Der Bauer, der damals, in den fünfziger Jahren des 19. Jahrhunderts, diese Spiele in Verwaltung hatte, teilte diese Bedingungen in folgender Art Karl Julius Schröer mit. Er sagte: Diejenigen Burschen, die aufführen durften, die also irgend etwas in diesen Spielen darstellen sollten, mußten für die ganze Zeit der Übungen bis zum Fest folgende Bedingungen erfüllen: erstens durften sie in dieser Zeit zu keinem Dirndl gehen; zweitens durften sie keine Schelmenlieder singen und drittens mußten sie ein ehrsames Leben führen die ganzen Wochen hindurch, was für manchen eine sehr schwierige Tatsache offenbar war; viertens mußten sie in allen Dingen, die sich auf die Vorbereitungen der Spiele bezogen, rückhaltlos dem Meister folgen, der sie mit ihnen einstudierte. Das war eben irgendeiner der angesehensten Bauern.
Diese Spiele wurden aufgeführt vor Katholiken und vor Protestanten durcheinander, und auch die Aufführenden selber waren das. Die 

Dat zie je al aan de voorwaarden die golden voor degenen die wilden meespelen. De boer die toen, in de jaren vijftig van de 19e eeuw, deze spelen onder zijn beheer had, deelde deze voorwaarden op de volgende manier aan Karl Julius Schröer mee. Hij zei: de jongens die aan de opvoering mochten meedoen, die dus een rol in deze spelen hadden, moesten de hele oefentijd tot aan het feest aan de volgende voorwaarden voldoen: ten eerste mochten ze in deze tijd naar geen enkel meisje gaan; ten tweede mochten ze geen schunnige liedjes [2] zingen en ten derde moesten ze al die weken een eerzaam leven leiden wat voor velen best een moeilijke opdracht was; ten vierde moesten ze bij alles wat met de voorbereidingen van de spelen te maken had, zonder meer doen wat de meester zei die het met hen instudeerde. Dat was dus een van de meest vooraanstaande boeren.
Deze spelen werden opgevoerd voor katholieken en protestanten door elkaar en ook de spelers waren dat. De spelen

blz. 36

Spiele hatten zwar einen religiösen, doch nicht den geringsten Konfessionscharakter. Und feindliche Gesinnung von irgendeiner Seite gegenüber dem, was in diesen Spielen dargeboten werden sollte, war eigentlich nur von seiten der «Intelligenz» in Oberufer. Dazumal schon war die Intelligenz abgeneigt solchen volkstümlichen Weihnachtspielen, solchen von jener Gesinnung getragenen Aufführungen. Nur, zum guten Glück, bestand die Intelligenz dazumal aus einem einzigen Schulmeister, der zugleich Bürgermeister und Notar war. Eine einzige Persönlichkeit, aber sie war spinnefeind den Spielen. Und die Bauern mußten sie gegen diese Obrigkeit des Ortes durchführen. Teilnehmen durften an den Aufführungen als Mitspielende nur Burschen. Von dieser Gepflogenheit müssen wir aus leicht begreiflichen Gründen absehen; wie überhaupt manche Finessen, die mit jenen Aufführungen verbunden waren, wir natürlich nicht nachmachen können, obwohl wir uns bemühen, durch unsere eigenen Aufführungen eine Vorstellung von dem hervorzurufen, was dazumal durch die Bauern geboten werden konnte.
Die Burschen hatten auch die Frauenrollen darzustellen. Eva, Maria und so weiter wurden durchaus von Burschen dargestellt. 

hadden weliswaar een religieus karakter, maar in het geheel geen godsdienstige inslag. En een vijandige stemming uit een of andere hoek naar wat in deze spelen getoond werd, kwam eigenlijk alleen van de kant van de ‘intellentsia’in Oberufer. Toen al moest de intelligentsia niet veel van deze volkse kerstspelen hebben, van deze opvoeringen die door deze stemming werden gedragen. Maar, gelukkig bestond de intelligentsia toen maar uit een enkel persoon, de schoolmeester, die tegelijkertijd burgemeester en notaris was. Slechts één persoon, maar die had dan ook een bloedhekel aan de spelen. En de boeren moesten tegen deze plaatselijke overheid in, volhouden. Aan de opvoeringen mochten alleen jongens meedoen.[3] Van deze gewoonte moeten wij om begrijpelijke redenen afzien; zoals van meer bijzonderheden die met de opvoeringen samenhingen; die kunnen we natuurlijk niet overnemen, hoewel we ons best doen door onze eigen opvoeringen, een voorstelling op te roepen van wat toentertijd door de boeren gegeven kon worden.
De jongens moesten ook de vrouwenrollen spelen. Eva, Maria enz. werden uiteraard door jongens gespeeld.

Nachdem sie wochenlang geübt hatten, setzte sich der ganze Zug der Spieler in Bewegung. Vorne ging einer, der einen sogenannten Kranawittbaum als Paradiesesbaum oder Weihnachtsbaum trug. Das ist ein Wacholderbaum. Dahinter kam dann der Sternträger, der auf einer Stange oder auch auf einer sogenannten «Scher» den Stern trug. Sie werden es nachher sehen: die Schere ist so eingerichtet, daß der Stern durch Aufrollen der Sternschere nah oder fern gemacht werden kann. So bewegte sich der Zug dem Wirtshaus zu, in dem die Aufführung stattfinden sollte. Die Bekleidung derjenigen Personen, die mitspielten, außer dem Teufel und außer dem Engel, wurde erst im Wirtshaus selbst bewerkstelligt. Während sich die Personen ankleideten, lief im ganzen Ort der Teufel, den Sie auch kennenlernen werden, herum, machte überall Unfug mit einem Kuhhorn, machte aufmerksam, sprach auf die Leute ein, kurz, er bewirkte, daß möglichst viele Leute im Wirtshaus erschienen, wo dann die Aufführung stattfinden sollte. Die Aufführung selbst war dann so, daß die Zuschauer in einer Art von Hufeisenform saßen, und 

Nadat ze wekenlang geoefend hadden, kwam de hele troep spelers in beweging. Voorop liep iemand die een zgn. jeneverbesboompje als paradijsboom of kerstboom droeg. Daarachter liep dan de sterrendrager die op een stang of ook wel op een zgn. ‘schaar’ de ster droeg. U zal het straks zien: de schaar is zo gemaakt dat de ster door openknijpen van de schaar de ster dichtbij of verderaf gehouden kan worden. Zo zette de troep zich in beweging naar de herberg waarin de opvoering zou plaatsvinden. Het verkleden van de spelers, behalve de duivel en de engel, gebeurde in de herberg. Terwijl de personen zich verkleedden, liep de duivel, die u ook zal leren kennen, door het dorp, maakte overal herrie met een koehoorn, maakte de mensen er attent op, sprak op ze in, kortom, hij probeerde voor elkaar te krijgen dat zoveel mogelijk mensen naar de herberg zouden gaan, waar de opvoering dan zou plaatsvinden. Die ging dan zo, dat de toeschouwers in een soort hoefijzervorm zaten en

blz. 37

daß die Bühne in der Mitte dieses Hufeisens war, was wir natürlich wiederum auch nicht nachmachen können.
Sie werden sehen, daß es im wesentlichen biblische Erinnerungen sind, die aufgeführt wurden. Als erstes – die Aufführungen wurden bewerkstelligt zwischen drei und fünf Uhr – wurde in der Regel aufgeführt das Hirten-Weihnachtspiel, das wir hier als zweites darstellen. Es stellte dar die Verkündung des Christus Jesus durch den Engel, die Geburt des Christus Jesus, also alles dasjenige, was unser zweites Spiel, das Hirtenspiel, darbieten wird. Dann folgte das Paradeis-Spiel, welches darstellt den Sündenfall im Paradies – unser heute aufzuführendes erstes Stück -, dann folgte in der Regel noch ein Fastnacht-Spiel. So wie in der alten griechischen Tragödie dem Schauspiel immer ein Satyrspiel folgte, so hier ein Fastnacht-Spiel, ein komisches Nachspiel. Bemerkenswert ist, daß die Personen, welche heilige Individualitäten darstellten – Maria, Joseph und so weiter, die in den ersten Spielen auftraten – nicht im Fastnacht-Spiel mitspielen durften; so sehr verband man einen gewissen religiösen Gefühlsinhalt mit diesen Spielen.

dat het toneel in het midden van het hoefijzer lag, wat wij natuurlijk ook niet zo kunnen doen.
U zal zien dat het hoofdzakelijk bijbelse herinneringen zijn die worden opgevoerd. Als eerste – de opvoeringen werden uitgevoerd tussen drie en vijf uur – werd als regel het herderspel opgevoerd, dat wij als tweede zullen laten zien. Het stelde de verkondiging voor van Christus Jezus door de engel, Zijn geboorte, dus alles wat ons tweede spel, het herderspel, zal laten zien. Dan volgde het paradijsspel dat de zondenval in het paradijs laat zien – dat wij nu als eerste vertonen -, dan volgde in de regel nog een vastenavondspel. Net zoals in de oude Griekse tragedie op het toneelstuk altijd een saterspel volgde, dus hier een vastenavondspel, een komisch naspel. Opvallend is dat de mensen die heilige persoonlijkheden speelden – Maria, Jozef enz. die in het eerste spel zaten – niet met het vastenavondspel mochten meespelen; zo zeer verbond men met de spelen een zekere religieuze gevoelsinhoud.

Einzelne Dinge sind darinnen sehr interessant zu verfolgen. Wenn Sie heute das Hirtenspiel – das zweite aufzuführende – sehen werden, werden Sie drei Wirte erblicken, bei denen der wandernde Joseph, der als alter Mann in allen diesen Spielen dargestellt wird, als alter, gebrechlicher, schwacher Mann Herberge sucht für sich und Maria. Sie werden von den zwei ersten Wirten abgewiesen, von dem dritten in den Stall geführt. Das war ursprünglich anders, aber in Oberufer durchaus noch so dargestellt: ursprünglich war da ein Wirt, eine Wirtin und deren Magd. Und damit wurde noch die Idee verknüpft: der Wirz weist Joseph und Maria ab, wie auch die Wirtin, nur die Magd bietet eine Unterkunft im Stall. Weil es wahrscheinlich schwierig geworden ist, bei den Aufführungen die nötigen jungen Leute zu finden, um eine Wirtin und deren Magd darzustellen, wurden dann die Rollen übertragen auf zwei andere Wirte, so daß wir jetzt drei Wirte haben. Aber wie gesagt, das ist beim alten Oberuferer Spiel durchaus schon nicht so zu nehmen wie bei den anderen Weihnachtspielen. Die Weihnachtspiele, Osterspiele, Passionspiele und so weiter führen zurück auf uralte Aufführungen, die alle eigentlich hervorgegangen sind aus den 

Het is interessant om een paar dingen na te lopen. Wanneer u vandaag het herderspel zal zien – het tweede dat wij opvoeren, zal u drie waarden zien, bij wie de rondreizende Jozef die in al deze spelen als oude man verschijnt, een oude, gebrekkige, zwakke man, onderdak zoekt voor zichzelf en Maria. Ze worden door de eerste twee weggestuurd, door de derde in de stal gebracht. Dat was oorspronkelijk anders, maar in Oberufer nog zo gedaan: oorpronkelijk was er een waard, een waardin en een dienstmaagd. En daarmee was het idee verbonden: de waard wijst Jozef en Maria af, ook de waardin, alleen de dienstmaagd biedt onderdak in de stal. Omdat het waarschijnlijk moeilijk geworden is om jonge mensen te vinden om een waardin en een dienstmaagd te spelen, werden toen de rollen aan twee andere waarden gegeven, zodat we nu drie waarden hebben. Maar zoals gezegd, dat moet je bij het spel uit Oberufer niet zo nemen als bij de andere kerstspelen. De kerstspelen, de paasspelen, passiespelen enz. gaan terug op oeroude uitvoeringen die eigenlijk allemaal ontstaan zijn uit

blz. 38

Kirchenfeiern. In den Kirchen hat man ursprünglich anschließend an die Weihnachtsfeier, Osterfeier und so weiter, durch die Geistlichen dargestellt, allerlei Dinge aufgeführt, die sich bezogen auf die Heilige Geschichte. Dann – namentlich dadurch, daß die Zuhörerschar immer vermehrt wurde und daß die Dinge aus der lateinischen Sprache in die Landessprache übertragen worden sind – ist es gekommen, daß die Spiele allmählich von dem Kirchlichen mehr ins Weltliche übersetzt wurden und daß sie außerhalb der Kirche durch Bauern eben dargestellt worden sind. Und so haben wir Ihnen diese Spiele hier vorzuführen. So haben sie sich erhalten in der ursprünglichen Gestalt, die sie wahrscheinlich schon im 16. Jahrhundert, hatten. Und zwar haben sie sich aus dem Grunde erhalten, weil sie höchstwahrscheinlich aus alten Zeiten der deutschen Entwickelung in Süddeutschland stammen, namentlich aus der Bodenseegegend. Als die verschiedenen Stämme, die ursprünglich in der Bodenseegegend von Süddeutschland waren, in früheren Jahrhunderten nach Usterreich und nach Ungarn eingewandert sind, haben sie diese Spiele mitgenommen. Diese Spiele waren auch in der Heimat da, aber in der Heimat veränderten sie sich fortwährend. 

kerkelijke feesten. In de kerken hebben oorspronkelijk aansluitend aan de kerstviering, paasviering e.d. de geestelijken allerlei opgevoerd dat betrekking had op de heilige geschiedenis. Daarna – namelijk door het feit dat het aantal kerkgangers steeds groter werd en dat de teksten van het Latijn in de volkstaal vertaald werden – is het zo gegaan dat de spelen geleidelijk door de kerk meer naar het wereldse vertaald werden en dat ze buiten de kerk door boeren opgevoerd werden. En zo moeten we de spelen hier voor u opvoeren. En zo zijn ze in de oorspronkelijke vorm bewaard gebleven, die ze waarschijnlijk in de 16e eeuw al hadden. En wel daarom, omdat ze hoogstwaarschijnlijk uit een ver verleden van de Duitse ontwikkeling in Zuid-Duitsland stammen, met name uit het gebied rond het Bodenmeer. Toen de verschillende volken die oorspronkelijk rond het Bodenmeer in Zuid-Duitsland woonden, in vroegere eeuwen naar Oostenrijk en naar Hongarije zijn ge-emigreerd, hebben ze deze spelen meegenomen. Deze spelen waren er ook in het thuisland, maar daar veranderden ze voortdurend.

Da hatten zahlreiche Leute, Geistliche, Gelehrte, Einfluß auf diese Dinge, und die Dinge wurden verdorben. Unverdorben wurden sie erhalten unter der Pflege derjenigen, die inmitten der slawischen, magyarischen Bevölkerung auf sich angewiesen waren, und die durch die Jahrhunderte die Dinge in der ursprünglichen Gestalt erhalten haben. Deshalb war es für Schröer ein wirklicher Fund, als er in den vierziger, fünfziger Jahren des 19. Jahrhunderts unter den Deutschen Oberungarns diese Spiele entdeckte. Sie sind für eine feinere Empfindung durchaus nicht das, was die heute so vielfach aufgeführten Weihnachtspiele sind, die sich in den späteren Jahrhunderten verändert haben, sondern es ist wirklich etwas, was uns in einen Teil der europäischen Vergangenheit früherer Jahrhunderte zurückversetzt. Karl Julius Schröer war besonders geeignet, so etwas zu erhalten. Er war wirklich ein mustergültiger Mann, ein merkwürdiger Mann, und sein Andenken muß mit solchen Dingen mit erhalten bleiben; er war tief durchdrungen von dem Gedanken, wie durch solche und ähnliche Dinge eigentlich der Kitt geschaffen

Daar hadden talloze mensen, geestelijken, geleerden, invloed op de dingen en ze werden negatief beïnvloed. Maar ze bleven onaangetast onder de zorg van degenen die midden in de Slavische, Hongaarse bevolking op zichzelf aangewezen waren en die ze door de eeuwen heen in de oorspronkelijke vorm gelaten hebben. Daarom was het voor Karl Julius Schröer een echte vondst, toen hij in de jaren veertig, vijftig van de 19e eeuw onder de Duitse bevolking van Opper-Hongarije [4] deze spelen ontdekte. Voor wie er een specifieker gevoel voor heeft, zijn ze beslist niet zo als de tegenwoordig dikwijls opgevoerde kerstspelen die in de latere eeuwen veranderden, maar ze zijn werkelijk iets dat ons terugbrengt naar een deel van het Europese verleden in vorige eeuwen. Karl Julius Schröer was er bijzonder de man naar zoiets te bewaren. Hij was echt een voorbeeldig mens, een merkwaardig iemand en de herinnering aan hem moet hiermee bewaard* blijven; hij was diep doordrongen van de gedachte hoe deze en soortgelijke dingen eigenlijk het bindmiddel

*zij herinnering moet bewaard blijven: In de ‘Bijdragen aan Rudolf Steiners GesdamtAusgabe’ nr.47/48, Michaël 1947, werd een artikel over toneelkunst van Karl Julius Schröer opnieuw gepubliceerd om op het veelzijdige werk van de belangrijke goetheanist te wijzen.

blz. 39

worden ist, der dieses Staatengebilde Österreich kulturell zusammengehalten hat auf dem Grund und Boden, der geschaffen worden ist von jenen Kolonisten, die vom Rhein, von Süddeutschland, von Mitteldeutschland her hinüber gewandert sind nach Oberungarn, gewandert sind vom Westen nach Osten; auch nach der Steiermark, nach den südlicheren Gegenden Ungarns gewandert sind als Zipser Sachsen nach Siebenbürgen, gewandert sind als Schwaben nach dem Banat, was, ich möchte sagen, wie in einer tragischen Weise den Grund und Boden abgab, auf dem sich gerade diese Kultur entwickelt hat. Nun, von diesem Kulturgedanken war Schröer ganz durchdrungen, als er die alten Erinnerungen, die in den Weihnachtspielen enthalten sind, aufgefrischt hat. Er hat manches andere auch getan. Und wenn man sich mit ihm in sein Kulturstudium versenkte, das so ohne alle Färbung des Chauvinismus war, das aber tief von der Kulturmission durchdrungen war, die damit verbunden ist,  so erkannte man erst den vollen Wert der Lebensarbeit dieses Mannes, der alles das gesammelt hat, was gerade von der Mitte des 19. Jahrhunderts ab in diesen Gegenden bereits mehr oder weniger durch die sich ausbreitenden Kulturströmungen, die heute diesen Boden beherrschen, zum Verschwinden gebracht worden ist.

is geworden dat de staatsvorm Oostenrijk bij elkaar heeft gehouden op het land dat gecultiveerd werd door kolonisten die over de Rijn, vanuit Zuid-Duitsland, van Midden-Duitsland weggetrokken zijn naar Opper-Hongarije, weggetrokken van het westen naar het oosten; ook naar Stiermarken, naar de zuidelijker gelegen gebieden van Hongarije als Zipser Saksen naar Siebenburgen. weggetrokken als Schwaben naar Banaat [5], wat ik zou willen noemen, een tragische manier van het verlaten van huis en haard, waar nu juist die cultuur zich ontwikkeld had. Schröer was geheel doordrongen van deze cultuurgedachte, toen hij de oude herinneringen die in de kerstpelen bewaard gebleven zijn, opgefrist had. Hij heeft ook veel andere dingen gedaan en wanneer je je met hem verdiepte in zijn studie van deze cultuur die helemaal niet gekleurd werd door chauvinisme, maar die diep overtuigd was van de culturele missie die ermee verbonden is, dan erken je pas de volle waarde van het levenswerk van deze man die alles verzameld heeft wat m.n. vanaf het midden van de 19e eeuw in deze streken al meer of minder door de zich uitbreidende cultuurstromen die tegenwoordig dit land beheersen, begonnen is te verdwijnen.

Die Grammatik, die Wörterbücher der deutschen Dialekte in Ungarn, in den Zipser Gegenden, hat er uns in sorgfältigster Bearbeitung hinterlassen, die Heanzen-, die Gottscheer Mundart, nach der Grammatik behandelt. Es hat eigentlich so sein Lebenswerk, das er der Literaturgeschichte und Goethe gewidmet hat, eine wunderbare Schilderung hinterlassen über alles dasjenige, was zusammenführt mit dem gesamten deutschen Elemente, das in allen Kulturgebieten dieses mitteleuropäischen Staates Österreich als der eigentliche Kulturkitt zugrunde liegt. Und das ist es, was als eine besondere Idee die Forschungen Karl Julius Schröers durchlebt. So daß wir nicht bloß das Produkt philologischer oder linguistischer Gelehrsamkeit vor uns haben, sondern etwas, was gesammelt worden ist mit Herz und Sinn für dasjenige, was als Geist in diesen Sachen lebt. Und deshalb ist es so befriedigend, diese Dinge ein wenig auffrischen zu können.
Unser Freund, Leopold van der Pals, hat versucht, das musikalische

In hoogst zorgvuldige bewerkingen heeft hij ons de grammatica, de woordenboeken van de Duitse dialecten in Hongarije nagelaten, van de streken rond Zips [6], het dialect van Gottscheer, grammaticaal behandeld. Zijn levenswerk dat hij aan de literatuurgeschiedenis en aan Goethe wijdde, is een prachtig beschreven nalatenschap van alles wat samenkomt in het gezamenlijke Duitse element dat aan alle cultuurgebieden van deze Midden-Europese staat Oostenrijk als het eigenlijke culturle bindmiddel ten grondslag ligt. En dat leeft als een bijzonder idee in het onderzoekswerk van Schröer voort. Zodat we niet alleen het product van filologische of linguïstische geleerdheid voor ons hebben, maar iets wat met hart en ziel verzameld is voor de geest die erin leeft. En daarom is het zo bevredigend deze dingen wat te kunnen opfrissen.
Onze vriend Leopold van der Pals [7] heeft geprobeerd het muzikale

blz. 40

Element dieser Dinge etwas aufzufrischen, und mit seiner Musik werden Sie die Darbietungen hier sehen. So daß man sagen kann, dasjenige, was wir Ihnen hier bieten, ist das Produkt von den wirklichen Mysterienspielen, den verschiedenen Weihnachtspielen, wie sie überhaupt über Europa hin verbreitet waren in früheren Jahrhunderten. Aber man sollte sie nicht in der Gestalt haben, wie zum Beispiel in jener Karikierung, in der dann die Welt die sogenannten Oberammergauer Passionsspiele bewundert hat. Da hat man nichts mehr von dem, was eigentlich in jenen alten Zeiten gewollt war.
Allerdings, manches ist nicht wieder aufzufrischen. So zum Beispiel ist nicht aufzufrischen eine besondere Art des Vortrages, die noch ganz nach alter Sitte, auch in den fünfziger Jahren noch, unter den Bauern gepflogen war. Mit Ausnahme der besonders feierlichen Momente, wo Gottvater spricht und dergleichen, wurde alles, was vorgebracht wurde, von den Mitspielenden so vorgebracht, daß der Spielende im Geiste seines Verses sprach. Der Vers hatte vier Hebungen, er trat auf, der Ton bewegte sich bei der vierten Hebung um eine Tonstufe, Tonfolge. 

element ervan te vernieuwen en met zijn muziek zal u de opvoeringen zien. Zodat je kan zeggen: wat we u hier aanbieden is het resultaat van echte mysteriespelen, van verschillende kerstspelen zoals die dan in vroegere eeuwen over Europa verspreid waren. Maar we moeten ze niet in de vorm hebben, zoals bijv. in de karikatuur die de wereld bewonderd heeft in het zgn. Oberammergauer passiespel. Daar zit niets meer in van wat men ermee in oude tijden wilde. Natuurlijk, veel kan niet meer vernieuwd worden. Zo laat zich bijv. niet vernieuwen een bijzondere manier van voordragen die nog helemaal volgens de oude gewoonte, ook in de jaren vijftig nog, onder de boeren bewaard werd. Met uitzondering van het bijzonder plechtige ogenblik waarop godvader spreekt enzo, werd alles wat voorgedragen werd, door de spelers zo gedaan dat hij in de geest van de verzen sprak. Het vers had vier heffingen, hij speelde, de toon ging bij de vierde heffing één toon omhoog.

Eine bestimmte Person, sagen wir: Joseph, den Sie nachher finden werden, der Mann der Maria, hat zum Beispiel die erste Hebung in der Tonhöhe c vorgebracht, dann e, dann f, dann wurde also wiederum zurückgegangen bei der vierten Hebung. Die anderen Personen sprachen so, daß sie mit einem c begannen, und dann dreimal die Tonhöhe e e e hatten, dann wiederum zum c zurückgingen. Mit großer Kunst, aber mit einer einfachen, zurückhaltenden Kunst wurden diese Dinge vorgebracht und man merkte daran wirklich die Weihnachts-, die österliche Stimmung mit Übergängen ins Weltliche, ohne Sentimentalität, ohne alles Gefühlselement. So ist in diesen Dingen dasjenige enthalten, was die Leute als ihr geistiges Leben, wenn sie aus der Kirche in die Welt heraustraten, fühlten und empfanden.
Es sollen noch einige Stellen erläutert werden, welche vielleicht schwerer verständlich sein könnten. Das Ganze ist selbstverständlich in der Mundart vorgebracht worden, und da kommt manches darinnen vor, was nicht gleich verständlich sein könnte. Da ist zum Beispiel im Paradeis-Spiel der Gottvater.
Wenn gesagt wird: Eva ist gemacht aus einer Rieben, Sie müssen

Een bepaald persoon, laten we zeggen: Jozef die u straks zal zien, de man van Maria, heeft bijv. de eerste heffing op de toonhoogte c gezegd, dan op e, dan op f, dan bij de vierde heffing weer terug. De andere personen spraken zo dat zij met een c begonnen en dan drie keer de toonhoogte e, e, e hadden, dan weer terug naar c. Met grote kunst, maar met een eenvoudige, teruggehouden kunst werden deze dingen naar voren gebracht en men merkte daaraan daadwerkekijk die kerst- die paasstemming, met overgangen naar het wereldse, zonder sentimentaliteit, zonder dat alles gevoel was. Zo is er in deze dingen bewaard gebleven wat de mensen als hun geestelijk leven, wanneer ze uit de kerk in de wereld kwamen, voelden en beleefden.
Er moeten nog een paar stukjes uitgelegd worden die wellicht wat moeilijker te begrijpen zijn. Alles is vanzelfsprekend in het dialect gesproken en daar zit natuurlijk veel in wat je niet meteen begrijpt. Neem bijv. in het paradijsspel godvader. Wanneer er gezegd wordt: Eva is uit een rip [in het stuk staat ‘Riebe’] gemaakt, moet u

nicht denken, daß es eine falsche Aussprache hier ist, wenn es heißt, daß Eva erschaffen wird von Gottvater aus einer Rieben des Adam. Der Bauer sagt wirklich nicht Rippe, sondern Riebe. Der Teufel meldet dann im Laufe des Herodes-Spieles einmal, er habe a paar ratzen. Ratzen ist eine Entstellung von Ratten. Dann ist vielleicht auch nicht allgemein bekannt das Wort «Kletzen».
Hätten Adam und Eva Kletzen gfress`n, ’s wär ihna tausendmal nützer gwes`n. Nun, Kletzen ist etwas, was in jener Gegend, wo die Spiele aufgeführt wurden, zu Weihnachten immer gegessen worden ist: das sind nämlich gedörrte Pflaumen und Birnen. Das wird gesagt, damit die Leute an etwas anzuknüpfen haben, was sie schon kennen. Dann das Wort frozzeln, welches der Teufel gebraucht. Frozzelei, necken, sich lustig machen. Es gibt in beiden Spielen so einige Ausdrücke, die vielleicht nicht sogleich verständlich sein werden.
So werden Sie sehen, daß von den Wirten namentlich eine Redensart gebraucht wird:
I als a wirt von meiner gsta0lt
Hab in mein haus und logament gwalt.

niet denken dat dit een verkeerde uitspraak is hier, wanneer klinkt dat Eva geschapen wordt door godvader uit een [Rieben] van Adam. De boer zegt inderdaad niet rip [Rippe], maar Riebe. De duivel meldt in de loop van het Herodesspel een keer, dat hij een paar ‘ratzen’ heeft. Ratzen is een verbastering van ratten. Dan is misschien ook het woord ‘Kletzen’ niet algemeen bekend. ‘Hadden Adem en Eva ‘Kletzen’ genomen, het was hen duizendmaal beter bekomen. Wel, Kletzen is iets wat in de streek waar de spelen werden opgevoerd, altijd met kerst wordt gegeten: het zijn namelijhk gedroogde pruimen en peren. [in de Nederlandse vertaling staat er ‘pruimedanten’. En het woord ‘frozzeln’ dat de duivel gebruikt. ‘Frozzelei, pesten, zich vrolijk maken’. Zo zitten er in beide spelen een paar uitdrukkiingen die misschien niet meteen duidelijk zullen zijn.
U zal nog zien dat door de waarden vooral een bepaalde manier van uitdrukken gebruikt wordt: vertaald met: ‘een waard van mijn postuur, komt immer plaats tekort.’

Da könnte man meinen, daß der Wirt denkt, er sei ein Wirt von einer besonderen Statur, Gestalt und hätte in seinem Haus Gewalt. Es bedeutet dies aber Rang. Ich als ein Wirt von meinem Rang, von meinem Gestelltsein. Der so gut gestellt ist, solches Ansehen hat, der hat in seinem Haus Gewalt, nämlich Anziehungskraft für sein Wirtshaus. Also: ein Wirt, der weiß, seinem Haus solchen Ruf zu geben wie ich, der hat die Macht, sein Haus in solches Ansehen zu bringen, daß es viele Leute zu Gästen hat. Das ist mit diesem Ausdruck gemeint. Geschrei bedeutet: Gerücht; das Wort braucht der Bauer für ein Gerücht, das sich verbreitet. Der Engel sagt: Elisabeth stehe in dem Geschrei, daß sie unfruchtbar sei. – Also ist damit gemeint: es gehe das Gerücht, daß sie unfruchtbar sei. Aber der Bauer sagt: Geschrei, er sagt nicht: das Gerücht. Dann werden Sie von einem der Hirten das Wort hören: um und um. Das kommt öfter vor, es ist so üblich.
I hob`s ihm glichen um-und-um.

Je zou kunnen denken dat de waard denkt, dat hij als waard  een bijzondere gestalte heeft, en dat hij in zijn huis de baas is. Maar het betekent status. Ik als waard met mijn status, welgesteld. Die zo welgesteld is, zo’n aanzien heeft, die heeft in huis autoriteit, zodang dat men naar zijn herberg toekomt. Dus een waard die zijn herberg zo’n naam weet te geven als ik, die heeft het vermogen zijn huis zo’n aanzien te geven dat er veel mensen als gast verblijven. Dat is met deze uitdrukking bedoeld. ‘Geschrei’ betekent: gerucht; dat woord gebruikt de boer voor een gerucht dat zich verspreidt. De engel zegt: Elizabeth staat in het ‘Geschrei’, dat ze onvruchtbaar is. Maar de boer zegt: ‘Geschrei’, niet gerucht. Van een herder zal u nog het woord horen: ‘um und um’. Dat komt vaker voor, het is heel gewoon.

blz. 42

Also: ich habe ihm meine Handschuhe geliehen, wie schon öfter. Dann finden Sie unter den Hirtenreden öfters das Wort bekern. Das ist in der Gegend, wo die Spiele gespielt wurden, gebräuchlich für etwas, was sich zugetragen hat; also eine Geschichte, die sich erzeugt, die sich zugetragen hat. Als sie sich sehen, sagen sie: es hat sie gefrört, gefroren; oder der Ausdruck: spiegelkartenhal is. Der Boden ist so glatt wie ein Spiegel. Ein besonders hübsches Wort ist die Art, wie der eine Hirte aufmerksam gemacht wird, daß es schon spät ist, daß die Vögel schon zwitschern – das ist in der Bauernsprache piewen.
Stichl, steh auf, die waldvegala piewa scho! In der zweiten Zeile sagt der Gallus:
Stichl, steh auf, dö fuhrleut kleschn scho auf der stroßn.

Dus: ik heb hem mijn wanten geleend, zoals al eerder. Dan tref je onder de woorden van de herders vaker het woord ‘bekern’ aan. Dat is in de streek waar de spelen gespeeld werden gebruikelijk voor iets wat zich voorgedaan heeft; dus een gebeurtenis, wat heeft plaatsgevonden. Wanneer ze elkaar ontmoeten zeggen ze:
‘gegrört’, gevroren; of de uitdrukking ‘spiegelkartenhal’. De grond is zo glad als een spiegel. Een bijzonder aardig woord is de manier waarop de ene herder gezegd wordt, dat het al laat is, dat de vogeltjes al kwetteren – dat is in de boerentaal ‘pieuwen’.
‘Stiechel, sta op, de veugelkens tuteren al.’ In de tweede strofe zegt Gallus:
‘Stiechel, sta op, de voerlui zwiepen al langs de wegen.’

Kleschen, das ist mit der Peitsche knallen. Die Fuhrleute knallen schon mit der Peitsche auf der Straße.
Das sind so einige Ausführungen, die ich unserer Aufführung noch voranstellen wollte. Im ganzen können die Spiele durchaus für sich selber sprechen. Sie sind der schönste Abglanz von allem, was in früheren Jahrhunderten durch ganz Mitteleuropa ging, in solchen festlichen Spielen ablief. Es gibt zum Beispiel noch die St. Galler IIandschrift, die aus 340 Versen besteht. Es gibt Spiele, die bis ins 11. Jahrhundert zurückgehen. Aber alles dasjenige, was sonst in dieser

‘Kleschen’, dat is met de zweep knallen. De voerlui knallen al met de zweep op straat.
Dat is nog een beetje uitleg dat ik aan de opvoering nog vooraf wilde laten gaan. Over het algemeen kunnen de spelen zeker voor zichzelf spreken. Zij zijn het mooiste beeld van alles wat in vorige eeuwen door heel Midden-Europa ging, wat in zulke feestelijke spelen verliep. Je hebt bijv. nog het St.Galler Handschrift dat uit 340 verzen bestaat. Er zijn spelen die tot op de 11e eeuw teruggaan. Maar alles wat in deze richting bestaat,

Beziehung existiert, glaube ich, kann nicht ganz heranreichen an die Innigkeit, die gerade in den Oberuferer Spielen liegt, die bis in die fünfziger Jahre des 19. Jahrhunderts sich in der Preßburger Gegend erhalten haben.
Man darf schon sagen: Diese Spiele gehören zu jenen Dingen, die sich leider verloren haben, die verschwunden sind und die man so gern, so gern wiederum auffrischen möchte. Denn sie sind wirklich so, als ob man durch sie sich erinnerte an das, was mit dem Werden unseres geistigen Lebens so innig zusammenhängt.
Das ist es, was vor der Aufführung Ihnen zu sagen ich mir gestatten wollte.

komt geloof ik, niet in de buurt van de innigheid die vooral in de spelen uit Oberufer zit, die tot in de jaren vijftig van de 19e eeuw in de omgeving van Pressburg bewaard zijn gebleven. Je mag wel zeggen: deze spelen behoren tot de dingen die helaas verloren zijn gegaan, de verdwenen zijn en die men zo graag, zo graag zou willen vernieuwen. Want ze zijn echt zo alsof men door hen zich weer herinnert van wat met de ontwikkeling van ons geestelijk leven zo innig samenhangt.
Ik wilde graag de vrijheid nemen om dit vóór de opvoeringtegen tegen u te zeggen.

.
[1] GA 274
[2] Hier wordt het woord ‘Schelmenlieder’ gebruikt; ondeugende liedjes, je hebt ook schelmenstreken, schelmenroman; er is ook een schilderij ‘Schelmenlieder
[3] hier (blz. 15 onder) heeft Steiner het over jongens en meisjes
[4] de vertaling van Oberungarn is nu; Opper-Hongarije
[5] Banaat
[6] Zips
[7] Leopold van der Pals

.

Rudolf Steinertoespraken bij de kerstspelen

Kerstspelen: alle artikelen

Kerstmisalle artikelen

.

1675

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

VRIJESCHOOL – Peuter-kleuter – de kindertekening (4)

.

DE UNIVERSELE TAAL VAN 

KINDERTEKENINGEN

leder mens komt vanuit de geestelijke wereld met een opdracht naar de aarde, volgens de antroposofie. Bij baby’s is die geestelijke wereld nog voelbaar en zichtbaar. Babyogen hebben een diepblauwe hemelkleur en worden pas later bruin, blauw, grijs of groen, onder invloed van de pigmentering en het aardse zonlicht. Alle kenmerken duiden erop dat het kindje nog niet met de aarde in verbinding is getreden: het hoofdje is nog week, de fontanellen zijn nog niet gesloten en met donzige haartjes bedekt. De handjes en voetjes zijn teer en zacht en de zwevende armpjes en handjes worden omhoog gehouden zonder enige moeite. De baby leeft nog gedeeltelijk in de geestelijke wereld, waarin geen zwaartekracht bestaat – net als in het vruchtwater van de baarmoeder. Het ‘Ik’ draagt het kleine kind de eerste drie jaren nog onbewust met zich mee. Alle kindertekeningen ter wereld doen verslag van deze kosmische reis ‘naar de aarde’ – en met behulp van een aantal begrippen uit de antroposofie kunnen we ze beter leren begrijpen.

De antroposofie onderscheidt vier wezensdelen of lichamen aan een mens: het fysieke, het etherische, het astrale en het ‘Ik’. Deze vier lichamen zijn na de geboorte wel latent aanwezig, maar nog niet volgroeid.

Ons fysieke lichaam hebben we gemeen met het mineraalrijk, het is vast en van zichzelf onbeweeglijk. Het wordt geheel doordrongen door het etherlichaam, ofwel door alles wat stroomt en groei teweeg brengt. Dat hebben we met de plantenwereld gemeen. Je zou kunnen zeggen dat planten een voortdurende vorm van slaperig aanwezig zijn beleven. Het etherlichaam maakt het ook mogelijk dat de mens innerlijke beelden kan vormen. Het vormt en ‘boetseert’ als het ware het levende materiaal van het kinderlichaam. Omstreeks het zevende jaar is dit vormwerk klaar en wordt het etherlichaam geboren. Pas dan heeft het kind zich voldoende geïndividualiseerd om los van het etherlichaam van de ouders te kunnen bestaan. Fysiek wordt dit moment gemarkeerd door de ‘grote-mensen-tanden’ die dan doorbreken; psychisch zie je dat er in het innerlijk van het kind een eigen voorstellingswereld kan ontstaan.

Het fysieke en etherlichaam worden omhuld en doordrongen door een derde: het astraallichaam. Dit is de bron van al onze gewaarwordingen, gevoelens en emoties. Hiermee beleven we onze blijheid, droefenis, koude, warmte, honger en dorst. Het astraallichaam hebben we gemeen met de dieren en is bij de mens rond het veertiende jaar voldoende geïndividualiseerd om zelfstandig te kunnen bestaan, wat de puberteit inluidt.

Het ‘Ik’ werkt in al deze drie lichamen en vooral in het astraallichaam. Omstreeks het derde levensjaar kondigt dat ‘Ik’ zich aan (koppigheidsfase), nadat het kind heeft leren lopen en spreken en ‘ik’ gaat zeggen. De eigenlijke geboorte van het Ik-lichaam voltrekt zich echter pas rond het eenentwintigste levensjaar; gedurende het hele leven is er een steeds intiemere toenadering van ‘Ik’ tot de ziel. Het ‘Ik’ geeft betekenis aan het verloop van je leven met betrekking tot je opdracht en geeft je je eigenheid. Aan het eind van je leven gaat je ‘Ik’ terug naar de geestelijke wereld.

Van dromende naar wakkere mensheid

Steiner schetst daarnaast de mensheidsontwikkeling als geheel. Vanuit de geestelijke wereld kwam de mens in een dromerig denken op aarde en ontwikkelde zich verder tijdens de oude cultuurtijdperken, als het oude India en Egypte. Mensen konden toen nog geestelijke wezens waarnemen als beelden in hun denken. Tijdens de Renaissance maakte dat beeldende denken plaats voor het natuurwetenschappelijk denken. Dit is meer gericht op de fysieke wereld en in de negentiende eeuw van het filosofische materialisme is dit zelfstandige denken optimaal tot ontwikkeling gekomen. De mens kreeg hierdoor meer vrijheid, kon los van de ‘ouderlijke omhulling’ van de ‘goddelijke wezens’ en denken wat hij zelf wilde. Steiner noemt deze laatste fase de ontwikkeling van de bewustzijnsziel.

Van peuter naar eersteklasser

Hoe de mens van een dromend bewustzijn tot een helder waakbewustzijn kwam, kun je terugvinden in de kindertekening: het kind komt dromend uit de geestelijke wereld en wordt een wakker aardekind. Kindertekeningen tonen in de eerste zeven jaar deze algemene mensheidsontwikkeling. Kindertekeningen zijn universeel – over de hele wereld wordt gedurende deze leeftijdsfase op dezelfde manier getekend.

Het lijkt op een taal. Wat zie je in die eerste kindertekeningen en waarom tekent een kind dit?

In mijn werk als peuterjuffie zag ik elke keer weer een grote verandering plaatsvinden gedurende de twee jaar dat een peuter bij ons was. Het dromerige kindje groeide uit tot een wakkere en fantasierijke kleuter. Deze ontwikkeling is terug te vinden in de tekeningen die zij in deze tijd maken. Kindertekeningen in de eerste zeven jaar worden gezien als een universele taal. Kinderen willen ons iets laten zien en vertellen.

Over de gehele wereld wordt deze ‘taal’ door het kleine kind op dezelfde manier verteld ongeacht het cultuurverschil. Je zou de eerste kindertekeningen kunnen vergelijken met de runen, die in eerste instantie een heilige betekenis hadden en pas later zijn ‘verworden’ tot gewone lettertekens. Het kind drukt in zijn tekening iets van zijn zielenleven uit. Het heeft nog geen abstract voorstellingsvermogen, maar zet dingen op papier zoals het op dat moment de wereld van binnenuit beleeft. Die wereld hoort nog gedeeltelijk bij de geestelijke wereld en is voor het kind nog een geheel. Alles is nog een deel van het kind zelf. Dat is ook de reden, dat voor het kleine kind de wereld goed en mooi moet zijn. In de ‘tekentaal’ zie je nu een bepaalde ontwikkeling plaatsvinden. Het kind wordt, komende vanuit de geestelijke wereld, steeds meer een aardeburger. Het kleine kind is tot drie jaar het meest verbonden met de geestelijke wereld. Het kind tekent dan nog vaak zonder oogcontact met het papier. Pas als het kind schoolrijp is, als het een aardeburger is geworden en een eigen voorstellingsvermogen bezit, beleeft het kind de wereld om zich heen als iets dat buiten en om hem heen beweegt. Het kan dan een voorstelling in zijn hoofd maken en deze op papier zetten. Hier verdwijnt dan ook de ‘universele taal’. Het kleine kind tekent een huis als een omhulling, terwijl het schoolrijpe kind het huis tekent zoals het er uit ziet. Verrassend is dan dat het kind weleens minder plezier beleeft aan dit tekenen, omdat de voorstelling er anders uitziet dan hij of zij het op papier zou willen zetten. »

De eerste kindertekeningen tot drie jaar

De eerste kindertekeningen zijn breed opgezette wervelingen of spiralen. Daarin toont het kind ons duidelijk zijn kosmische herkomst. Je ziet in deze eerste tekeningen de bewegingsritmen in de kosmos, de golvende banen van de planeten of gewoon alles wat stroomt. Rudolf Steiner zegt dat het kind in deze tijd dromend, schouwend en helderziend in het leven staat. De spiralen die kinderen tekenen lopen van buiten naar binnen – en niet andersom. Het kind doet dit niet met volle bewustzijn, maar laat zich al dromend meevoeren door het vormproces. Als je naar het tekenende kind kijkt, zie je dat het deze beweging nauwelijks gefocust met de ogen volgt. Het heeft als het ware nog een alomvattend, ‘kosmisch’ beleven.

• Daarna worden de spiralen soms door een accent onderbroken. Het kind toont hiermee dat het zich losmaakt van de geestelijke wereld en meer een aardekind wordt.

• Voordat het kind ‘ik’ gaat zeggen tekent het soms onbewust engelen, die de geestelijke wereld uitdrukken waar zij vandaan komen. Deze engelfiguren worden overal ter wereld herkend in de kindertekeningen.

• Na de spiralen komen de pendelende bewegingen. Dit motief komt vaak voor in de prehistorie en wordt het ‘schaalmotief genoemd. De schaal staat voor het ontvangende, opnemend gebaar.

• Na het pendelende schaalmotief, dat door het kind speels over het blad gemaakt wordt, verschijnen er twee richtingen als een horizontale en een verticale beweging op papier. Het kind beleeft hier het feit dat het kan lopen en geeft deze krachten weer in de tekening. Aan deze lijnen worden aan de uiteinden kluwens getekend. Het kind ‘staat in de ruimte’.

Drie tot vijf jaar

Bij kinderen tussen twee en drie jaar vergroeit de voorhoofdsnaad tot een geheel: het voorhoofdsbeen. Dit vormt een soort stuwdam naar buiten en naar binnen. Het kind dat hiervóór nog open stond voor de kosmos, trekt zich nu terug achter die afsluitende ‘muur’. De eerste koppigheidsfase breekt aan. Deze afsluiting vind je terug in de tekening: de cirkel die wordt dichtgemaakt.

• Doordat het kind steeds meer leert spreken, gaat het een nieuwe band aan met de medemens en ontstaan de eerste denkvormen. Zo kan er tijdens het tekenen een vorm ontstaan die het kind herkent als een beer of een hond. Deze denkvormen worden zichtbaar in het proberen te tekenen van een cirkel. Een afgesloten ‘ruimte’ is bewust en beheerst van de oneindige wereld afgezonderd. Het kind kan dit nog vele malen herhalen.

• Daarna krijgt de cirkel een stip in het midden. Het kind gaat ’ik‘ zeggen in plaats van zijn naam. De cirkel met de stip staat dus voor het ‘ik’ in zijn omgeving. Als het kind een kruis gaat tekenen in de cirkel, beleeft het hierbij het binnen en buiten. In deze tijd ontwikkelt zich het glazuur voor de blijvende tanden onder het tandvlees terwijl ook de botten harder worden.

• Dan beginnen de vormen langzaam van binnen naar buiten te bewegen. Eerst vanuit het middelpunt tot aan de omtrek van de cirkel; daarna komen er tastende voelsprieten buiten de cirkel.

• De eerste boom-mens-zuil-tekening ziet eruit als een spiraal, waaronder een verticale streep staat. Deze boommensfiguur heeft nog geen contact met de aarde, maar zweeft in de ruimte. De boom is in de Germaanse natuursymboliek het teken van verbinding tussen hemel en aarde. Onbewust blijft er tot na het zevende jaar een intensieve verbondenheid bestaan tussen de motieven boom en mens.

 

• Omstreeks het derde jaar zweeft de zuilmens niet meer in de kosmes rond, maar krijgt hij grond onder zijn voeten. Armen worden dwars aan de romp vastgezet en zitten nog met uiteinden aan elkaar. Uit onderzoek is gebleken dat alle jonge kinderen over de hele wereld de eerste mens, boom en huistekening op dezelfde manier op papier zetten.

 

• Het huis verschijnt eerst als een regenboogachtige omhulling. Zijn het de planeetsferen waar het kind vandaan kwam, of de beleving in de baarmoeder waar het thuis was? Later lijkt het huis meer op een bijenkast.

• Daarna wordt het kosmisch ronde huis meer aards rechthoekig getekend. Het huis krijgt dan deuren en ramen, de blik naar buiten verwijdt zich. Het kind is niet alleen in huis – maar kan er buiten staan.

• De driehoek verschijnt omstreeks het vijfde jaar en beïnvloedt de verdere vorming aanzienlijk. Om een driehoek te kunnen maken, moet het kind zijn innerlijke voorstelling gebruiken. Eerst verschijnt deze vorm als dak op het huis, dan als muts en later als romp.

Vijf tot zeven jaar

In deze fase gaat de rechte lijn een grote rol spelen. Die zie je terug in het vierkant, de rechthoek en veel andere variaties.
Er worden ladders, torens en trapvormige netten getekend. In deze tekeningen laat het kind de verdere ontwikkeling van zijn wervelkolom zien. Door die verharding raakt het kind als het ware opgesloten in zichzelf. Was het kind eerst niet bang in het donker bij het slapengaan, nu kan dat wél gebeuren. Dit zien we terug in de torens en het vele traliewerk. De ladder en het trapmotief komen eveneens in de prehistorie voor en symboliseren het trapsgewijs opklimmen tot een hogere rijpheid, tot een hoger bewustzijn.

• Daarna lost deze angst zich op, in tekeningen te zien als ruimte en de bevrijding die daaruit ontstaat.

Schommelende, wiegende vormen verschijnen. Op deze leeftijd maken kinderen een grote groei in hun ledematen door, die je terugziet in de tekening.

• Er verschijnen mensen met lange benen en armen. Het mensbeeld wordt drieledig: hoofd, een romp en ledematen. Ook het tekenblad wordt drieledig. Beneden de aarde, in het midden alles wat zich op aarde afspeelt en bovenin de lucht.

Het huis heeft ook drie delen: een onderverdieping, soms een tussen-verdieping en een schoorsteen. Het kind tekent hiermee de bewegingen en de processen die in het lichaam plaatsvinden.

• Rond zes jaar krijgt het kind een besef van voor en achter. De derde dimensie treedt op en er komt steeds meer beweging in de tekening. Je ziet spelende kinderen, auto’s en dieren. Er komen vlinders en vogels in de tekening. De zon krijgt soms een mond met tanden, bomen krijgen appeltjes en deze appeltjes vallen van de boom op de grond. Deze motieven verschijnen na het begin van de tandenwisseling, als het kind schoolrijp is.

Sint en Piet en het paard Americo

• Bij het schoolrijpe kind is het huis gesloten. Je ziet vaak ramen met schuine gordijntjes ervoor en een plantje in het midden. In deze periode neemt de creatieve impuls van het kind af, tengevolge van zijn nieuwe bewustzijn. Het gaat nu meer ‘afbeeldend’ tekenen: na een reis van zeven jaar is het aangekomen op de aarde •

tekening van een duidelijk schoolrijp kind

.

Peterke Boerboom.

Dit artikel verscheen eerder in ‘De Seizoener’, jrg. 7, winter 2012
Overgenomen met toestemming van de auteur.

Bronnen: Jakob Streit ‘Zon en kruis
Michaela Strauss ‘Kindertekeningen
Rhoda Kellogg ‘Analyzing Children’s Art

Rhoda Kellogg, een Engelse psychologe en lerares, onderzocht een half miljoen kindertekeningen in de leeftijd van twee tot zeven jaar – uit dertig verschillen de landen over de hele wereld. Zij kwam tot de conclusie dat er sprake is van een universele beeldtaal.

.

Meer artikelen over kindertekeningen  [1]   [2]   [3]  [5]

Peuter en kleuter: alle artikelen

.

1674

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) – GA 306 – voordracht 4

.

Hier volgt een eigen vertaling. Bij het vertalen heb ik ernaar gestreefd Steiners woorden zo veel mogelijk in gangbaar Nederlands weer te geven. Met wat moeilijkere passages heb ik geprobeerd de bedoeling over te brengen, soms met behulp van wat er in andere voordrachten werd gezegd. Ik ben geen tolk en heb geen akten Duits. Er kunnen dus fouten zijn gemaakt, waarvoor excuses. De Duitse tekst gaat steeds vooraf aan de vertaling. Verbeteringen of andere vertaalsuggesties e.d. zijn meer dan welkom: pieterhawitvliet voeg toe apenstaartje gmail punt com
.

GA 306: vertaling
Inhoudsopgave   voordracht [1]  [2]  [3]  [5]  [6]  [7]+ [8]
met drie vragenbeantwoordingen 18 april; 19 april; 22 april
en inleidende woorden bij een euritmie-opvoering
+vertaald bij Pentagon

RUDOLF STEINER

DE PRAKTIJK VAN DE PEDAGOGIE BEZIEN VANUIT GEESTESWETENSCHAPPELIJKE MENSKUNDE

Acht voordrachten, gehouden in Dornach van 15 tot 22 april 1923, met drie vragenbeantwoordingen en inleidende woorden bij een euritmie-opvoering
[1]

4e voordracht, 18 april 1923 [2]

Inhoudsopgave
(Aan deze inhoudsopgave heb ik meer trefwoorden toegevoegd dan in de Duitse boekuitgave staan)

Blz. 72: het belang van nabootsen
Blz. 73: levensuitingen van het kind verder begeleiden
Blz. 74 e.v.: programma van eisen is nog geen vernieuwingsbeweging
Blz. 75: het gaat om praktische menskunde
Blz. 76 e.v.: spel en arbeid; spel en ernst
Blz. 78: matjes vlechten, staafjes leggen i.p.v. nabootsen wat volwassene doet; taak van de kleuterschool
blz. 79: de lappenpop en de kant-en-klare pop; fantasie; lezen;
blz. 80: schrijven; letters vanuit het beeld (met voorbeelden);
Blz. 81: schrijven vóór lezen; schrijven is veel meer iets van de hele mens dan lezen
Blz. 82: door deze methode leren de kinderen later lezen; onderwijs is hygiënisch van invloed
Blz. 83 e.v.: mens: fysiek vasr; etherisch stromend; astraal lucht; Ik warmte
Blz. 84 e.v.: spelmethode (Buchstabier-) klankmethode, normaalwoordenmethode (Normalmethode)
Blz. 85 e.v.: klank
Blz. 86 e.v.: waf-waf-theorie; bim-bamtheorie
Blz. 87 e.v.: verschil kloinker-medeklinker
Blz. 88: sympathie – klinker; antipathie – medeklinker
Blz. 89 e.v.: kleine leeftijdsfase(n): rond het 9e jaar
Blz. 90: definities; 9-jarige geen onderscheid Ik en omgeving
Blz. 91 e.v.: vóór het 9e jaar: alles beeld; erna andere beschrijving van bijv. planten en dieren;  plantkunde volgens bepaalde systematiek: daarmee begrijp je niets van de plant
Blz. 92: voor het kind moet plantkunde de eenheid van aarde en plant benadrukken; aanschouwelijkheidsonderwijs: wat laat je zien
Blz.93: als ‘zijnde’ is er groot verschil tussen kristal en plant; dierenrijk is een uitgebreide mens: leeuw, olifant, giraffe
Blz. 94: dier: eenzijdigheid t.o.v. mens. Dingen die de kinderen van hun natuur uit willen horen,

blz. 72

In den vorangehenden Betrachtungen habe ich versucht, hineinzufüh­ren in dasjenige, was hier Menschenerkenntnis genannt wird. Einiges von dem, was noch fehlt, wird sich ja im Laufe der Betrachtungen noch ergeben. Und ich habe gesagt, daß diese Menschenerkenntnis eine solche ist, die nicht zur Theorie bloß führt, sondern die Instinkt des Menschen, allerdings durchseelter, durchgeistigter Instinkt des Menschen werden kann, so daß das in der Tat dann hineinführt auch in die lebendige Erziehungs- und Unterrichtspraxis. Man muß natür­lich berücksichtigen, daß ja in Vorträgen gewissermaßen nur in einer Art von Gesten auf dasjenige hingedeutet werden kann, was dann diese Menschenerkenntnis für Unterrichts- und Erziehungspraxis wird. Aber es muß deshalb, weil diese Dinge gerade auf die Praxis abzielen, hier viel mehr in einer Art andeutender Weise gesprochen werden, als das heute sonst beliebt ist. Wenigstens ist man sich ja heute nicht bewußt, wie sehr dasjenige, was man in Worten schildern kann, überhaupt nur eine Art Andeutung bleibt, eine Art von Hin­weis auf das, was dann im Leben viel vielseitiger ist, als man es in Worten andeuten kann.

In de voorafgaande beschouwingen heb ik geprobeerd een inleiding te geven over wat hier menskunde genoemd wordt. Enkele aspecten die nog ontbreken zullen in de loop van de overpeinzingen nog aan het licht komen. En ik heb gezegd dat deze menskunde zo is dat die niet alleen theorie oplevert, maar dat deze tot een instinct van de mensen kan worden, met name een doorzield en doorgeestelijkt instinct, zodat dit daadwerkelijk leidt tot een levendige opvoeding- en onderwijspraktijk. Natuurlijk moet je er rekening mee houden dat er in voordrachten in zekere zin alleen met een soort van aanwijzingen op gewezen kan worden, wat er dan uit deze menskunde voor het onderwijs- en de opvoedingspraktijk ontstaat. Maar juist omdat deze dingen voor de praktijk bedoeld zijn, moet er veel meer op een meer aanduidende manier over gesproken worden dan waar men tegenwoordig de voorkeur aan geeft. Tegenwoordig is men zich er maar nauwelijks bewust van hoe zeer, wat je met woorden kan schetsen, toch maar een soort aanwijzing blijft, een hint naar wat dan in het leven veel veelzijdiger is, dan je in woorden duiden kan.

Wenn wir beachten, wie das Kind im wesentlichen ein nachahmendes Wesen ist, wie das Kind gewissermaßen ein seelisches Sinnesorgan ist, das an seine Umgebung in einer leiblich-religiösen Weise hingegeben ist, so wird man für diesen Lebensabschnitt, also bis zum Zahnwechsel hin, im wesentlichen darauf zu sehen haben, daß alles in der Umgebung des Kindes wirklich so wirkt, daßdas Kind es sinngemäß aufnehmen und in sich verarbeiten kann. Es wird daher vor allen Dingen auch darauf gesehen werden müssen, daß das Kind mit dem, was es sinngemäß aus seiner Umgebung sich aneignet, immer das Moralische seelisch-geistig sich mit aneignet; so daß wir bei dem Kinde, das an das Lebensalter des Zahnwechsels herantritt, eigentlich schon in bezug auf die wichtigsten Impulse des Lebens alles wie vorbereitet haben.

Wanneer we kijken naar hoe het kind vooral een nabootsend wezen is, naar hoe het kind in zekere zin een bezield zintuigorgaan is, dat zich aan zijn omgeving toevertrouwd op een lichamelijk-religieuze manier, dan moet je voor deze leeftijdsfase, dus tot aan de tandenwisseling er voornamelijk op letten dat alles in de omgeving van het kind echt zo werkt, dat het kind dat zinvol op kan nemen en kan verwerken. En vooral moeten we ernaar kijken dat het kind met wat het zinvol uit zijn omgeving in zich opneemt, steeds het morele mentaal en met zijn gevoel opneemt; zodat we bij het kind dat in de leeftijd komt dat het zijn tanden gaat wisselen, eigenlijk al alles wat betrekking heeft op de belangrijkste impulsen in het leven, hebben voorbereid.

blz. 73

Wenn man also das Kind ungefähr in der Zeit des Zahnwechsels in die Schule hereinbringt, dann hat man nicht etwa ein leeres, sondern ein vielbeschriebenes Blatt vor sich. Und wir werden ja gerade bei dieser mehr pädagogisch-didaktischen Betrachtung, die wir jetzt wer­den anzustellen haben, darauf zu sehen haben, wie nicht etwas Ur­sprüngliches in das Kind hereingebracht werden kann in der Zeit zwi­schen dem Zahnwechsel und der Geschlechtsreife, sondern wie man überall die Impulse, die in den ersten sieben Lebensjahren in das Kind hereingebracht worden sind, wird erkennen müssen, und wie man ihnen diejenige Richtung wird geben müssen, welche das spätere Le­ben dann von dem Menschen verlangt. Deshalb wird es so stark dar­auf ankommen, daß gerade der Lehrende und Erziehende in einer feinsinnigen Weise hinzuschauen vermag auf alle Lebensregungen der Kinder. Denn in diesen Lebensregungen steckt schon sehr viel, wenn er die Kinder in die Schule bekommt. Und er muß dann diese Lebensregungen leiten und lenken; er muß sich nicht einfach vorset­zen: das ist richtig, das ist falsch, das sollst du tun, jenes sollst du tun; sondern er ist darauf angewiesen, die Kinder zu erkennen und ihre Lebensregungen weiterzuführen.

Wanneer je dus het kind zo rond de tijd van de tandenwisseling naar school laat gaan, heb je geen leeg blad voor je, maar een blad waar al veel op geschreven is. En we zullen bij deze meer pedagogisch-didactische beschouwingen waarmee we nu moeten beginnen, erop letten hoe we in de tijd tussen tandenwisseling en puberteit niet iets oorspronkelijks aan het kind kunnen geven, maar hoe je overal de impulsen die in de eerste zeven jaar aan het kind gegeven zijn, zal moeten kennen en hoe je die in de juiste richting moet sturen die het latere leven van de mens vraagt. Daarom zal het er sterk op aankomen dat juist de leerkracht en opvoeder op een fijnzinnige manier kunnen kijken naar alle levensuitingen van de kinderen. Want daar zie je al veel aan wanneer hij de kinderen op school krijgt. En hij moet die leiden en sturen; hij moet niet simpelweg aankomen met: dit is goed, dat is fout, dat moet je doen en dit moet je doen; hij moet wel de kinderen kennen en met hun levensuitingen verder gaan.

Natürlich entsteht jetzt jene Frage, die wir in der Waldorfschule nicht praktisch in der Weise haben erproben können wie das, was für das kindliche Alter vom Zahnwechsel bis zur Geschlechtsreife zu tun ist. Die erste Zeit bis zum Zahnwechsel hin, von der Geburt ab, ist ja gewiß die allerwichtigste Erziehungsarbeit; allein da wir schon die allergrößte Schwierigkeit haben, Einrichtungen zu schaffen, welche für die Kinder taugen, nachdem sie das schulpflichtige Alter erreicht haben, können wir jetzt an einen Kindergarten noch nicht einmal den­ken – da wir jedes Jahr an die unteren Klassen eine neue Klasse für die älteren Kinder anzubauen haben; wir haben mit einem Achtklassen­Schulunterricbt in der Waldorfschule begonnen – wir können nicht einmal daran denken, so etwas wie einen Kindergarten oder derglei­chen als Vorbereitungsstufe für die Volksschule zu errichten. Dieje­nigen Menschen, die über solche Dinge oberflächlich denken, sind ja allerdings der Meinung, man brauche einen solchen Kindergarten nur zu errichten, dann könne es losgehen. So ist die Sache aber nicht. Was

Natuurlijk komt nu die vraag op die wij op de vrijeschool niet in de praktijk hebben kunnen toetsen zoals dat voor de kinderleeftijd van de tandenwisseling tot de puberteit wel kan. De eerste tijd tot aan de tandenwisseling, vanaf de geboorte, is zonder meer de belangrijkste tijd voor het opvoedende werk; alleen, omdat we de allergrootste moeite hebben om ruimten te creëren die voor de kinderen geschikt zijn wanneer ze leerplichtig zijn geworden, kunnen we nu zeker nog niet aan een kleuterschool denken – daar we ook ieder jaar bij de lagere klassen een nieuwe moeten inrichten voor de oudere kinderen – we zijn de school met acht klassen begonnen – we kunnen er nog niet aan denken, zoiets als een kleuterschool als voorbereiding op de basisschool in te richten. Mensen die hier lichtvaardig over denken, hebben de stellige overtuiging dat je zo’n kleuterschool alleen maar hoeft in te richten om te kunnen beginnen. Zo liggen de zaken echter niet. Wat

blz. 74

dazu notwendig ist, das ist eine außerordentlich ausführliche Gestal­tung bis in alle Einzelheiten nun auch der Pädagogik und Didaktik für den Kindergarten. Und dem sich zu widmen ist gar nicht möglich, solange jedes Jahr eine neue Klasse an die Waldorfschule anzustük­keIn ist.
Der Ernst, der heute mit sogenannten Reformbewegungen ver­knüpft ist, der wird nur leider von den allerwenigsten Menschen in der richtigen Weise aufgefaßt. Denn die Reformbewegungen der Laien bestehen ja hauptsächlich darin, daß sie Forderungen aufstel­len, Forderungen, die man ja sehr leicht aufstellen kann; es gibt nichts Leichteres heute, wo ja alle Menschen gescheit sind – ich meine das durchaus nicht ironisch, sondern im Ernst-, als Forderungen auf-zustellen. Ja, eine tadellose Schulreform als Programm aufzustellen, dazu ist heute nur nötig, daß sich innerhalb unserer Zivilisation, die ja von Gescheitheit nur so strotzt, elf, zwölf Menschen finden, auch drei oder vier würden schon gescheit genug sein, die dann die Forde­rungen aufstellen, was zu geschehen hat: erstens, zweitens, drittens usw. Da wird etwas außerordentlich Gescheites herauskommen, ich zweifle nicht daran.

daarvoor nodig is, is een buitengewoon uitvoerig plan tot in alle details waar het gaat om pedagogie en didactiek in de kleuterschool. En daar echt zorg voor te dragen is niet mogelijk, zolang er ieder jaar een nieuwe klas op de vrijeschool bij komt.
De ernst die tegenwoordig met de zogenaamde vernieuwingsbewegingen verbonden wordt, wordt helaas door een zeer gering aantal mensen op de juiste manier opgevat. Want de vernieuwingsbewegingen van de leken bestaan er hoofdzakelijk uit, dat ze eisen stellen, eisen die men heel gemakkelijk kan formuleren; er is vandaag de dag niets makkelijkers, nu alle mensen pienter zijn – ik bedoel dit niet spottend, maar in alle ernst – dan eisen op te stellen. Ja, om een schoolvernieuwingsprogramma op te stellen waarop niets aan te merken valt, is tegenwoordig alleen nodig dat er in onze maatschappij die van schranderheid overloopt, elf, twaalf mensen bij elkaar komen, drie of vier zouden ook al slim genoeg zijn, die dan de eisen formuleren wat er moet gebeuren: ten eerste, ten tweede, ten derde enz. Ik twijfel er niet aan dat er iets heel knaps uitkomt.

Die abstrakten Programme, die überall aufgestellt werden, sind außerordentlich gescheit. Man kann nämlich heute, weil die Menschen so intellektualistisch sind, sehr Gutes auf diese Weise – abstrakt äußerlich Gutes meine ich – in außerordentlicher Art zustande bringen. Aber für den, der die Dinge vom Leben aus be­urteilt und nicht vom Standpunkte des intellektualistischen Denkens, nimmt sich das alles so aus, als wenn irgendwie Menschen nachden­ken darüber, was ein ordentlicher Ofen in einem Zimmer zu leisten hat. Da werden sie natürlich eine ganze Reihe von kategorischen Im­ perativen anführen können, die der Ofen zu leisten hat: er muß das Zimmer warm machen, er darf nicht rauchig sein usw. Die Paragra­phen 1, 2 und 3 können sehr schön sein, aber wenn man nun das alles weiß: der Ofen soll warm sein, der Ofen soll nicht rauchen usw., so kann man doch noch nicht das Einheizen eines Ofens handhaben; da muß man andere Dinge dazu lernen. Und je nach Lage des Zimmers und nach Lage vielleicht noch anderer Dinge wird es sich gar nicht möglich machen, in tadelloser Weise alle diese Forderungen zu erfüllen,

De abstracte programma’s die overal opgesteld worden, zijn heel erg schrander. Men kan namelijk tegenwoordig, omdat de mensen zo intellectualistisch zijn, op deze manier veel goede – abstract uiterlijk goed, bedoel ik – op een bijzondere manier tot stand brengen. Maar voor iemand die de dingen vanuit het leven beoordeelt en niet vanuit het standpunt dat het intellectualistische denken inneemt, ziet dat er zo uit alsof een of ander iemand erover nadenkt wat een goede kachel in een kamer moet doen. Dan zou deze natuurlijk met een hele lijst van categorische imperatieven komen die de kachel dan moet uitvoeren: hij moet goed warm zijn, mag niet roken enz. De paragrafen 1, 2 en 3 kunnen heel mooi zijn, maar wanneer men alles weet: hij moet warm zijn, moet niet roken enz. krijg je toch de kachel nog niet warm; daarvoor moet je nog andere dingen leren. En al naar gelang de toestand van de kamer en naar wellicht de toestand van nog andere dingen, is het nog helemaal niet mogelijk, op een onberispelijke manier al deze eisen in te willigen,

blz. 75

die sehr gescheit aufgestellt werden können. Und so sind zu­meist die Programme, die heute von den Reformbewegungen ausge­hen; ungefähr so abstrakt sind sie wie das, was ich über den Ofen ge­sagt habe. Deshalb sind sie durchaus nicht zu bekämpfen, sie enthal­ten zweifellos viel Richtiges, aber, etwas anderes als ideal richtige Schulforderungen ist die Praxis einer wirklichen Schule. Da hat man es nicht zu tun mit etwas, was sein soll, sondernda hat man es zu tun mit einer bestimmten Anzahl von Kindern; da hat man es zu tun mit einer bestimmten Anzahl von – gestatten Sie mir, daß ich auch das er­wähne, denn es kommt in Betracht – mit einer bestimmten Anzahl von so und so begabten Lehrern. Mit alledem muß gerechnet wer­den. Im Abstrakten kann ein Reformprogramm aufgestellt werden; im Konkreten hat man nur eine Anzahl von bestimmt begabten Leh­rern, für die sich vielleicht gar nicht die Möglichkeit ergibt, diese ab­strakten Forderungen unbedingt zu erfüllen. Diesen durchgreifenden Unterschied zwischen dem Leben und zwi­schen dem Intellektualismus, den begreift unsere Gegenwart aus ei­nem ganz bestimmten Grunde nicht. Sie begreift ihn deshalb nicht, weil unsere Gegenwart tatsächlich sich daran gewöhnt hat, das Intel­lektualistische gar nicht mehr zu spüren, und es am wenigsten dort zu spüren, wo es sich am allerintensivsten geltend macht. 

die heel knap geformuleerd kunnen worden. En zo zijn vaak de programma’s vanuit de reformbewegingen; ze zijn ongeveer net zo abstract als ik over de kachel heb gezegd. Daarom kun je ze zeker niet bestrijden, er zit ongetwijfeld veel goeds in, maar iets anders dan ideaal juiste schooleisen, is de praktijk van een echte school. Daar heb je niet te maken met iets, wat er moet zijn, maar daar heb je te maken met een bepaald aantal kinderen – sta mij toe dat ik dit aanstip, want het bestaat – met een bepaald aantal o zo begaafde leerkrachten. Er moet met alles rekening worden gehouden. In abstracto kan er een vernieuwingsprogramma opgesteld worden; in concrete heb je maar een bepaald aantal begaafde leerkrachten die misschien helemaal de mogelijkheid niet hebben om zondermeer aan deze eisen te voldoen. Dit ingrijpende verschil tussen het leven en tussen het intellectualisme begrijpt onze tegenwoordige tijd door een heel bepaalde reden niet. En dat komt doordat onze tegenwoordige tijd in feite gewend geraakt is, het intellectualisme helemaal niet op te merken en op z’n minst daar waar het zich het meest intens laat gelden.

Derjenige, der wirklich heute weiß, wie groß der Unterschied zwischen Theorie und Praxis ist, der findet die schauderhaftesten, unpraktischsten Theorien im heutigen Geschäftsleben. Die heutige Struktur des Geschäftslebens ist in Wirklichkeit so theoretisch wie möglich eingerichtet. Nur grei­fen die Leute, die im Geschäftsleben drinnenstehen, mit robusten Hän­den zu; sie machen sich die Ellenbogen frei und setzen nur ihre theoretischen Dinge mit Brutalität oftmals durch. Da geht es dann eben so lange, bis das Geschäft zugrunde geht. Da kann man intellektualistisch sein. Aber da, wo das Leben anfängt wirkliches Leben zu sein, wo einem etwas entgegengebracht wird wie in der Schule, dem gegenüber man nicht einfach zugreifen kann, sondern bei dem man gegebene Impulse hat, die weiterentwickelt werden müssen, da helfen einem die aller-schönsten Theorien nichts, wenn nicht aus wirklich individuellster Menschenerkenntnis heraus praktisch geschaffen werden kann. Daher

Degene die nu echt weet hoe groot het verschil tussen theorie en praktijk is, stoot op de meest verschrikkelijke, meest onpraktische theorieën in het huidige zakenleven. De tegenwoordige structuur van het zakenleven is in werkelijkheid zo theoretisch als mogelijk is, ingericht. Alleen, de mensen die in het zakenleven werkzaam zijn, pakken de dingen met krachtige hand aan; ze maken hun handen vrij en drukken dan hun theoretische dingen vaak grofweg door. En dat gaat dan zo lang goed tot de zaak te gronde gaat. Daar kan je intellectualistisch zijn. Daar waar het leven begint, echt leven te zijn, waar iemand iets aangereikt krijgt zoals op school, die je niet zo maar aanpakken kan, maar bij wie je bepaalde impulsen voelt die ontwikkeld moeten worden, daar heb je niets aan de allermooiste theorieën, wanneer je niet uit echte, de meest individuele menskunde praktisch kan werken. Vandaar

blz. 76

sind solche Köpfe, die so angefüllt sind mit allem möglichen theoreti­schen pädagogischen Wissen, wirklich am allerwenigsten für den prak­tischen Schulunterricht tauglich. Viel tauglicher sind da eigentlich noch die Instinktmenschen, die aus sich heraus, aus einer natürlichen Liebe heraus die Kinder erkennen können. Aber heute sind eben die Instinkte nicht mehr so sicher, daß man, ohne eine Leitung dieser Instinkte aus dem Geiste heraus gelten zu lassen, mit diesen Instinkten sehr weit kommt.Das Menschenleben ist heute kompliziert geworden, und das Instinktleben verlangt ein einfaches Menschenleben, ein Menschen­leben, das fast hinunterreicht zur Einfachheit des tierischen Lebens. Das muß alles berücksichtigt werden, dann erst wird man in der rich­tigen Weise auf das hin sehen können, was hier als wirklich praktisch gemeinte Pädagogik und Didaktik angeschlagen wird. Es ist ja in dieser Beziehung das Erziehungswesen mitgegangen mit dem allmählichen Hereintreten des Materialismus in unsere mo­derne Zivilisation. Das zeigt sich ja insbesondere dadurch, daß man gerade für das Alter bis zum Zahnwechsel hin, das eigentlich das al­lerwichtigste im Menschenleben ist, vielfach mechanische Methoden statt organischer Methoden eingeführt hat. 

dat zulke bollebozen die zo vol met alle mogelijke theoretisch-pedagogische kennis, inderdaad het allerminst deugen voor het praktische schoolonderwijs. Je hebt eigenlijk nog veel meer aan de mensen die instinctief werken, die van binnenuit, vanuit een liefde van nature, de kinderen kunnen leren kennen. Maar tegenwoordig is men niet meer zo zeker van zijn instincten dat men ze zonder leiding vanuit de geest aan te nemen, met deze instincten heel ver komt.
Het menselijk leven is tegenwoordig gecompliceerd en een instinctief leven heeft een eenvoudig leven van de mens nodig, een mensenleven dat bijna op het niveau staat van het naïeve leven van een dier. Dat moet je allemaal wel meetellen, dan kan je pas op een goede manier kijken naar wat hier verstaan wordt ondert werkelijk praktisch bedoelde pedagogiek en didactiek.
In dit opzicht is de opvoedingswetenschap meegegaan met het geleidelijk opkomen van het materialisme in onze moderne beschaving. Dat is vooral te zien aan het feit dat men m.n. voor de leeftijd tot de tandenwisseling, die eigenlijk het allerbelangrijkste in het leven van de mens is, al dikwijls mechanische methoden i.p.v. organische methode ingevoerd heeft.

 Aber man muß sich klar­machen: das Kind ist bis zum Zahnwechsel darauf angelegt, nachzu­ahmen. Dasjenige, was der spätere Ernst des Lebens fordert und der spätere Ernst des Lebens in Arbeit hineinverwebt, das wird beim Kinde, wie ich schon gestern erwähnte, als Spiel betätigt, aber als Spiel, das zunächst dem Kinde voller Ernst ist. Und der Unterschied zwischen dem Spiel des Kindes und der Arbeit des Lebens besteht le­diglich darin, daß bei der Arbeit des Lebens zunächst das Einfügen in die äußere Zweckmäßigkeit der Welt in Betracht kommt, daß wir da hingegeben sein müssen an die äußere Zweckmäßigkeit der Welt. Und das Kind will dasjenige, was es in Betätigung umsetzt, aus sei­ner eigenen Natur heraus entwickeln, aus seinem

Maar je moet je wel realiseren: bij het kind ligt het tot de tandenwisseling in zijn aard na te bootsen. Wat het leven later aan ernst vraagt en wat aan latere ernst in het leven in het werken terechtkomt, daarmee is het kind, zoals ik gisteren al gezegd heb, in zijn spel bezig, maar als spel is het voor het kind beslist grote ernst.  En het verschil tussen het spel van het kind en de arbeid in het leven bestaat er slechts uit dat bij het werk op de eerste plaats staat dat het een plaats krijgt in de uiterlijke doelmatigheid in de wereld, dat we ons daar moeten overgeven aan de uiterlijke doelmatigheid. En het kind wil, wat het aan activiteit ontplooit vanuit zijn eigen natuur, ontwikkelen, uit zijn leven als mens. Het spel werkt van binnen naar buiten; arbeid van buiten naar binnen. En de bijzondere betekenis van de basisschool is nu net dat het spel langzamerhand arbeid wordt. En als je de grote vraag praktisch kan beantwoorden: hoe wordt spelen arbeid? dan

beantwortet man eigentlich die Grundfrage der Volksschulerzie­hung.
Aber das Kind spielt im Nachahmen und will spielen im Nachah­men. Weil man sich nicht hineingefunden hat durch eine wirkliche, wahre Menschenerkenntnis in das kindliche Lebensalter, hat man aus den intellektualistischen Überlegungen der Erwachsenen heraus aller­lei Spielartiges für die Kinder im Kindergarten ersonnen, das aber von den Erwachsenen eigentlich ausgedacht ist. Während die Kinder nachahmen wollen die Arbeit der Erwachsenen, erfindet man viel­fach durch Stäbehenlegen, oder wie dergleichen Dinge heißen, beson­dere Dinge, für die Kinder, die sie dann vollführen sollen und wo­durch sie ganz abgebracht werden von demjenigen, was lebendig aus ihnen herausfließt, und was die Arbeit der Erwachsenen eben nur nachahmen will. Sie werden daraus herausgeführt und werden durch allerlei mechanisch Ausgedachtes in Tätigkeitsfelder hineingebracht, die nicht für das kindliche Lebensalter sind. Besonders das 19.Jahrhundert war sehr beziehungsreich im Ausdenken von allen mögli­chen Kinderarbeiten für den Kindergarten, die man eigentlich nicht ausführen lassen sollte.

geef je eigenlijk antwoord op de kernvraag van de basisschoolopvoeding.
Maar het kind speelt nabootsend en wil dat ook. Omdat men door een echte, ware menskunde geen inzicht heeft gekregen in de kinderleeftijd, hebben vanuit intellectualistische gezichtspunten volwassenen allerlei bedacht waarmee de kinderen in de kleuterschool kunnen spelen; maar dat eigenlijk bedacht is door volwassenen. Terwijl de kinderen het werk van de volwassenen willen imiteren, bedenkt men veelvuldig door staafjes leggen of hoe dergelijke dingen heten, speciale dingen voor de kinderen die dat dan moeten doen en waarbij ze dan helemaal niet meer kunnen doen wat organisch bij hen naar buiten komt en alleen maar het werk van de volwassenen na wil doen. Daarvan worden ze weggehaald en worden door allerlei automatismen, door wat uitgedacht is op een gebied geactiveerd dat niet voor de kinderleeftijd is. Vooral de 19e eeuw was veelbetekenend voor het bedenken van alle mogelijke activiteiten voor kinderen voor in de kleuterklas, die men eigenlijk niet zou moeten laten uitvoeren.

Denn das will es noch nicht befolgen, wovon man ihm sagt: Das sollst du tun. Es will nachahmen, was der Erwachsene tut. So ist es eben die Aufgabe für den Kindergarten, dasjenige, was die Arbeiten des Lebens sind, in solche Formen hineinzubringen, daß sie aus der Be­tätigung des Kindes ins Spiel fließen können. Man hat das Leben, die Arbeiten des Lebens hineinzuleiten in die Arbeiten des Kindergar­tens. Man hat nicht auszudenken Dinge, die eigentlich im Leben nur ausnahmsweise mal vorkommen und die eigentlich richtig nur ange­eignet werden, wenn man sie dann im späteren Leben zu dem, was man in normaler Weise sich angeeignet hat, hinzulernen muß. So zum Beispiel kann man sehen, wie die Kinder dazu angehalten werden,

Want als je zegt: dat moet je doen, wil het dat nog niet echt. Het wil nabootsen wat de volwassene doet. Dus is het de opdracht voor de kleuterklas om wat werk is in het leven, zodanig aan te bieden dat ze door de activiteit van het kind tot spel wordt. Je moet het leven, wat als werk bij het leven hoort, meenemen in het werk in een kleuterklas. Je moet geen dingen gaan uitdenken die in het leven als uitzondering voorkomen en die eigenlijk alleen maar geleerd worden wanneer je in het latere leven naast wat je op een normale manier heb geleerd daar nog bij moet leren. Zo kan je bijvoorbeeld zien hoe de kinderen

blz. 78

in Papierblätter Schnitte hineinzumachen, dann allerlei rotes und blaues und gelbes Zeug da hindurchzustecken, so daß da drinnen aus buntem Papier Gewobenes entsteht. Was man damit erreicht, ist, daß man das Kind durch eine mechanisierende Tätigkeit abhält davon, in die normale Lebenstätigkeit hineinzukommen. Denn was man da mit den Fingern unmittelbar machen soll, das macht die normale Tätig­keit, indem man irgendeine Näh- oder Stickarbeit in primitiver Weise ausführen läßt. Die Dinge, die vom Kinde ausgeführt werden, müs­sen unmittelbar aus dem Leben genommen werden; sie dürfen nicht ersonnen werden von der intellektualistischen Kultur der Erwachse­nen. Worauf es beim Kindergarten gerade ankommt, das ist, daß das Kind nachahmen muß das Leben. Diese Arbeit, das Leben so zu gestalten, daß man vor dem Kinde dasjenige in richtiger Weise ausführt, was im Leben den Zwecken angepaßt ist, was beim Kinde angepaßt ist dem Hervorgehen aus dem Betätigtseinwollen des eigenen Organismus, das ist eine große Ar­beit, eine ungeheuer bedeutungsvolle pädagogische Arbeit. Die Ar­beit, Stäbehenlegen auszudenken oder solche Papierflechtarbeiten zu machen, die ist leicht zu machen.

in papierbladen moeten knippen, dan allerlei rode en blauwe en gele strookjes [er staat ‘rommel’ o.i.d.] daar doorheen moeten steken zodat er dan op het papier een bont vlechtwerk ontstaat. Wat je daarmee bereikt is, dat je door een automatisch verlopende activiteit het kind ervan afhoudt tot normale activiteit te laten komen die bij het leven hoort. Want wat je daar direct met je vingers moet doen, dat doe je als normaal werk wanneer je een of ander eenvoudig naai- of breiwerk doet. De dingen die door de kinderen worden gedaan moeten direct uit het leven genomen zijn; ze mogen niet bedacht zijn door de intellectualistische cultuur van de volwassene. Waarop het met name in de kleuterschool op aankomt is, dat het kind het leven moet nabootsen.
Deze taak, het leven zo vorm te geven dat je voor het kind op een juiste manier verricht, wat in het leven aangepast is aan de zin van het leven, wat bij het kind aangepast is aan wat uit zijn wil tot activiteit uit zijn eigen organisme komt, is een grote taak, een ongekend belangrijk pedagogisch werk. De taak, staafjes leggen of van die vlechtmatjes maken, dat is makkelijk genoeg.

Aber die Arbeit, unser komplizier­tes Leben nun wirklich so zu gestalten, wie das Kind es schon selber macht, indem der Knabe mit irgendwelchen Spaten oder dergleichen spielt und das Mädchen mit der Puppe spielt – richtig die menschli­che Betätigung ins kindliche Spiel umsetzen, und dies auch für die komplizierteren Betätigungen des Lebens zu finden: das ist es, was geleistetwerden muß, und das ist eine lange Arbeit, für die heute noch fast gar keine Vorarbeiten da sind. Denn man muß sich klar sein darüber, daß in diesem Nachahmen, in dieser sinngemäßen Betäti­gung des Kindes, das Moralische und Geistige mit drinnensteckt, und die künstlerische Anschauung mit drinnensteckt, aber ganz sub­jektiv, ganz im Kinde. Geben Sie dem Kinde einTaschentuch oder einen Lappen, und knüpfen Sie diesen so, daß er oben einen Kopf hat, unten ein Paar Beine, dann haben Sie ihm einen Bajazzo oder eine Puppe gemacht. Sie können dann noch mit Tintenklecksen Augen und Nase und Mund daranmachen, oder besser das Kind selber ma­chen lassen, und Sie werden sehen: ein gesundes Kind hat mit dieser

Maar de taak om ons gecompliceerde leven daadwerkelijk zo vorm te geven als het kind het zelf al doet, als de jongen met een of andere schepje speelt o.i.d en het meisje met een pop – om de echte menselijke activiteit om te zetten in kinderspel en dat ook voor de meer gecompliceerde dingen van het leven te vinden: dat moet gedaan worden en dat gaat lang duren, er is vandaag de dag nog nauwelijks voorwerk voor verricht. Want je moet wel duidelijk weten: in dit nabootsen, in die zinvolle nabootsing van het kind zitten ook het morele en het geestelijke en het creatieve waarnemen ook, maar helemaal subjectief; alles in het kind. Geef je het kind een zakdoek of een lap en leg er dan een knoop in, zodat er bovenaan een hoofd zit en van onderen een paar benen, dan heb je zo een clown of een pop gemaakt. Dan kan je nog met een paar inktvlekken ogen, neus en mond aangeven of beter nog, dat het kind zelf laten doen en je zal zien: een gezond kind is heel blij met zo’n pop.

blz. 79

Puppe seine große Freude. Denn dann kann es das, was sonst an der Puppe dran sein soll, ergänzen durch bildhaft nachahmende Seelentätigkeit. Es ist viel besser, wenn Sie aus einem Leinwandfetzen ei­nem Kind eine Puppe machen, als wenn Sie ihm eine schöne Puppe geben, die womöglich noch mit der unmöglichsten Farbe die Backen angestrichen hat, die schön angezogen ist, die sogar, wenn man sie niederlegt, die Augen zumachen kann und dergleichen. Was tun Sie denn, wenn Sie dem Kind eine solche Puppe geben? Sie verhindern es, seine Seelentätigkeit zu entfalten; denn es muß seine Seelentätigkeit, diese wunderbar zarte, erwachende Phantasie, überall absper­ren, um ganz Bestimmtes, Schön-Geformtes ins Auge zu fassen. Sie trennen das Kind ganz von dem Leben, weil Sie seine Eigentätigkeit zurückhalten. Das ist dasjenige, was insbesondere für das Kind bis zum Zahnwechsel in Betracht kommt.
Und wenn das Kind dann in die Schule hineinkommt, dann tritt einem eben das entgegen, daß das Kind am meisten Opposition hat gegen Lesen und Schreiben, wie ich es gestern gesagt habe. Denn nicht wahr, da ist ein Mann: er hat schwarze oder blonde Haare, er hat eine Stirne, Nase, Augen, hat Beine; er geht, greift, sagt etwas, er hat diese oder jene Gedankenkreise – das ist der Vater. Nun soll das Kind aber das Zeichen da – VATER – für den Vater halten.

Want dan kan het van zich uit door de beeldende nabootsende activiteit dat wat aan het popje ontbreekt zelf aanvullen. Het is veel beter wanneer je van een wit lapje een popje maakt voor een kind dan wanneer je het een mooie pop geeft die zo mogelijk onmogelijk gekleurde wangen heeft, die mooi aangekleed is, die zelfs als je ze neerlegt, de ogen kan sluiten enz. Wat doe je als je een kind zo’n pop geeft? Je belet het om z’n gevoelsactiviteit te ontplooien; want het moet de activiteit van zijn ziel, deze wonderbaarlijk intieme, ontwakende fantasie, overal afremmen om naar iets specifieks, iets mooi gevormds te kijken. Je snoert het kind van het leven af, omdat je zijn eigen activiteit remt. Dat geldt vooral voor het kind tot aan de tandenwisseling. En wanneer het kind dan op school komt, dan kun je meemaken dat het de meeste weerstand heeft tegen lezen en schrijven, zoals ik gisteren heb gezegd. Want, niet waar, dan is er een man: hij heeft zwart of blond haar, een voorhoofd, een neus, ogen, benen; hij loopt, pakt dingen vast, zegt wat, hij heeft deze of gene gedachtegang – het is vader. Nu moet het kind echter deze tekens hier – VADER – voor zijn vader houden.

Es ist gar keine Veranlassung, daß das Kind das für den Vater hält. Nicht die geringste Veranlassung ist dazu da. Das Kind bringt Bildekräfte mit, die aus seinem Organismus herauswollen, mit denen es sich ge­bracht hat innerlich bis zur wunderbaren Formung des Gehirnes und dessen, was im Nervensystem sonst sich daranschließt; mit denen es sich gebracht hat bis zu jener wunderbaren Ausbildung der zweiten Zähne. Der Mensch sollte bescheiden werden und sollte sich fragen, was er da alles verstehen müßte, wenn er nur auf Grundlage der er­sten Zähne die zweiten Zähne aus seiner Kunst heraus bilden sollte; was da für unbewußte Weisheit in alledem waltet! An diese unbe­wußte Weisheit in den Bildekräften war das Kind hingegeben. Das Kind lebt in Raum und Zeit – nun soll man das Kind zu Bedeutungen führen, wie sie im Lesen und Schreiben zutage treten. Man muß nicht das Kind einfach hinführen zu dem, was die vorgerückte Kultur in dieser

Voor het kind is er geen enkele aanleiding om dat voor zijn vader te houden. Niet de minste aanleiding is er. Het kind brengt vormende krachten met zich mee die vanuit zijn organisme naar buiten willen, waarmee het inwendig tot die wonderbaarlijke vormgeving van de hersenen is gekomen en met wat zich daar ook nog in het zenuwsysteem bij aansluit; waarmee het gekomen is tot die prachtige vormgeving van het blijvende gebit. De mens zou bescheiden moeten worden en zich moeten afvragen wat hij allemaal wel niet zou moeten begrijpen wanneer hij met de melktanden als basis de blijvende tanden vanuit zich als iets kunstzinnigs zou moeten vormen, wat daar allemaal voor onbewuste wijsheid in zit! Het kind was overgeleverd aan deze onbewuste wijsheid in de vormkrachten. Het kind leeft in ruimte en tijd – nu moet je het kind gaan leren wat het belang is van schrijven en lezen. Je moet het kind niet simpelweg kennis laten maken met wat uit de voortgeschreden cultuur in dit

blz. 80

Beziehung ausgebildet hat, man muß das Kind hinführen zu dem, was es selber aus seiner Wesenheit heraus will. Man muß es so an das Lesen und Schreiben heranführen, daß seine Bildekräfte, die bis zum 7. Jahr in ihm selbst gearbeitet haben, die sich jetzt freimachen und äußerliche seelische Betätigung werden, daß diese Bildekräfte eben sich betätigen.
Wenn Sie einem Kinde zunächst nicht Buchstaben oder selbst Worte hinschreiben, sondern ihm aus den auch in seiner Seele existierenden Bildekräften heraus dasjenige hinzeichnen, was hier so aussieht,

opzicht ontstaan is, maar je moet met het kind uitkomen bij wat het zelf vanuit zijn wezen wil. Je moet hem zo in contact laten komen met lezen en schrijven dat zijn vormkrachten die tot het 7e jaar in hemzelf hebben gewerkt, die nu vrijkomen en activiteit worden van de ziel, nu actief kunnen worden.
Wanneer je voor een kind niet meteen letters of zelfs woorden voorschrijft, maar iets voor hem tekent vanuit zijn levende vormkrachten, vanuit zijn beleving, wat er hier zo uitziet,

dann werden Sie sehen, daß das Kind sich noch erinnert an etwas, was wirklich da ist, was es mit seinen Bildekräften schon erfaßt hat. Das Kind wird Ihnen sagen: Das ist ein Mund! Und jetzt können Sie das Kind nach und nach dazu führen, daß Sie ihm sagen: Nun sprich ein­mal Mmmund; laß das letzte weg. Sie führen das Kind dazu, nach und nach zu sagen mmm… Und jetzt sagen Sie ihm: Nun wollen wir einmal dasjenige aufmalen, was du da gemacht hast. Wir haben was weggelassen:

zal je zien dat het kind aan iets denkt wat echt bestaat, wat het met zijn vormkrachten al begrepen heeft. Het kind zal tegen je zeggen ‘dat is een mond!’ En nu kan je het kind langzamerhand ertoe brengen door te zeggen: wel, spreek dat eens uit: mmmond; laat het laatste weg. Je brengt het kind ertoe stap voor stap te laten zeggen: mmm….En nu zeg je tegen hem: dat gaan we nu eens tekenen, wat je net hebt gedaan. We hebben wat weggelaten:

haben wir gemalt. Und nun machen wir es einfacher:

(Dit) hebben we getekend. En nu doen we het wat eenvoudiger:

Es ist ein M draus geworden.

Er is een M van geworden.*

Oder wir zeichnen dem Kinde so etwas auf (es wird gezeichnet>. Das Kind wird sagen: Fisch… Man wird dazu übergehen, F zu sagen.

Of we tekenen voor het kind zoiets (het wordt getekend). Het kind zal zeggen: vis (Duits Fisch) …Dan ga ertoe over V (F) te zeggen.*

blz. 81

Machen wir das nun einfacher, diesen Fisch! Dann wird ein F daraus. Wir kriegen die abstrakten sogenannten Buchstaben überall aus den Bildern heraus.

Nu maken we deze vis weer eenvoudiger! Dan wordt het een F. We krijgen de abstracte zogenaamde letter overal uit het beeld.

Da ist es nicht nötig, daß wir nun immer historisch zurückgeben, wie aus der Bilderschrift wirklich in solcher Weise unsere heutige Schrift entstanden ist. Das ist gar nicht nötig, wir brauchen nicht kul­turhistorische Pädagogik zu treiben. Wir brauchen nur selber uns hineinzufinden, etwas durch die Phantasie beflügelt, dann werden wir in allen Sprachen die Möglichkeit finden, von charakteristischen  Wor­ten auszugehen, die wir ins Bild verwandeln können und aus denen heraus wir dann erst die Buchstaben gewinnen. So wenden wir uns an dasjenige, was das Kind will gerade im Zahnwechselalter und unmit­telbar darnach. Und schon daraus ergibt sich für Sie, daß man zuerst aus dem zeichnenden Malen und dem malenden Zeichnen – denn für das Kind ist es gut, wenn es gleich Farben verwendet, es lebt ja in der Farbe, das weiß jeder, der das Kind kennt -, wenn man aus dem malenden Zeichnen zum Schreiben übergeht und erst aus dem Schrei­ben das Lesen gewinnt. Denn das Schreiben ist eine Betätigung des ganzen Menschen.

Het is niet nodig die wij steeds historisch weergeven hoe uit het beeldschrift daadwerkelijk op zo’n manier (van beeld naar abstractie) het huidige schrift ontstaan is. Dat is helemaal niet nodig; wij hoeven geen cultuurhistorische pedagogie te bedrijven. We hoeven ons er alleen maar zelf in in te leven, iets door de fantasie geïnspireerd, dan zullen wij in alle talen de mogelijkheid vinden om van karakteristieke woorden uit te gaan die we in een beeld kunnen veranderen en daarvan kunnen we dan de letters afleiden. Zo richten we ons op wat het kind wil, juist in de leeftijd van de tandenwisseling en onmiddellijk daarna.En het gevolg is dat je eerst vanuit het tekenende schilderen en het schilderende tekenen – want voor het kind is het goed dat het meteen kleur gebruikt, het leeft in kleur, dat weet iedereen die het kind kent – wanneer je uit het schilderend tekenen overgaat op schrijven en pas uit het schrijven het lezen laat ontstaan. Want schrijven is een bezigheid van de hele mens.

Da muß die Hand in Betracht kommen, da muß sich der ganze Leib in irgendeiner Weise, wenn auch fein, einfügen, da ist der ganze Mensch daran beteiligt. Das hat noch etwas Konkretes, das Schreiben, das aus dem malenden Zeichnen herausgeholt wird. Das Lesen, nun, da sitzt man schon dabei, da ist man schon ein richtiger Duckmäuser, da strengt sich nur noch ein Teil des Menschen an, der Kopf. Das Lesen ist schon abstrakt geworden. Das muß nach und nach als eine Teilerscheinung aus dem Ganzen heraus entwickelt werden.
Bei diesen Dingen ist es heute außerordentlich schwer, im rein Naturgemäßen standzuhalten gegen die Vorurteile der Gegenwart.

Dan moet de hand erbij te pas komen, dan moet het hele lichaam op de een of andere manier, zij het ook subtiel – meedoen, dan is de hele mens erbij betrokken.
Het heeft nog iets concreets, dit schrijven dat uit het schilderende tekenen wordt gehaald. Lezen echter, daar zit je alleen maar bij, dan houd je je gedeisd, dan is er alleen nog een deel van de mens actief, het hoofd. Het lezen is abstract geworden. Dat moet je geleidelijk als een deel van het geheel ontwikkelen. Bij deze dingen is het tegenwoordig buitengewoon moeilijk om dit zo puur natuurlijke tegenover de vooroordelen van nu, overeind te houden.

blz. 82

Denn wenn man anfängt, in einer solch ganz naturgemäßen Weise die Kinder zu unterrichten, dann lernen sie etwas später lesen, als man es heute verlangt. Wenn dann die Kinder von einer solchen Schule übertreten in eine andere Schule, dann können sie noch nicht soviel wie die Kinder der anderen Schule. Ja, aber es kommt doch gar nicht darauf an, was man sich aus dem materialistischen Kulturzeitalter für eine Vorstellung darüber gebildet hat, was  das Kind mit acht Jahren können soll. Sondern es kommt darauf an, daß es vielleicht gar nicht gut ist für das Kind, wenn es zu früh lesen lernt. Denn da sperrt man auch wiederum für das spätere Leben etwas zu, wenn das Kind zu früh lesen lernt. Lernt das Kind zu früh lesen, dann führt man es zu früh in die Abstraktheit hinein. Und Sie würden unzählige spätere Sklerotiker beglücken für ihr Leben, wenn Sie ihnen nicht zu früh das Lesen bei brächten als Kinder. Denn diese Verhärtung des ganzen Or­ganismus – ich nenne es populär so -, die in der mannigfaltigsten Form der Sklerose später auftritt, die kann man zurückverfolgen zu einer falschen Art, das Lesen beizubringen. Natürlich kommen diese Dinge auch noch von vielen anderen Sachen, aber darum handelt es sich, daß es diese Dinge durchaus gibt, daß ein naturgemäßer Unter­richt vom Seelisch-Geistigen aus überall hygienisch auf den Leib wirkt.

Want als je begint de kinderen iets te leren op deze natuurlijke manier, leren ze iets later lezen dan men nu eist. Wanneer de kinderen dan van de ene school naar de andere gaan, kunnen ze nog niet zoveel als de kinderen van die andere school.  Maar het gaat er toch niet om wat voor voorstelling men zich vanuit een materialistische cultuurfase gevormd heeft over wat een kind met acht jaar moet kunnen. Het gaat erom dat het wellicht helemaal niet goed is voor een kind wanneer het te vroeg leert lezen. Want nu blokkeert men voor het latere leven opnieuw iets wanneer men het kind te vroeg leert lezen. Wanneer het kind te vroeg leert lezen, brengt men het te vroeg in de abstractie. En men zou talrijke latere sclerotici voor hun leven gelukkig maken, wanneer men hun als kinderen niet te vroeg het lezen bij zou brengen. Want deze verharding van heel het organisme – zo noem ik het populair maar – die op allerlei manieren  zich later voordoet, kan men terugvolgen tot op een verkeerde manier van leren lezen. Natuurlijk heeft dit ook nog veel andere oorzaken, maar het gaat erom dat deze dingen voorkomen, dat onderwijs in overeenstemming met de natuur, vanuit de geest en de ziel, bij alles hygiënisch op het levende lichaam van invloed is. 

Erfassen Sie, wie Sie den Unterricht und die Erziehung gestal­ten sollen, so erfassen Sie zu gleicher Zeit, wie Sie dem Kinde die beste Gesundheit fürs Leben geben. Und Sie können ganz sicher sein: würden gesündere Methoden im heutigen Schulwesen herrschen, dann würde gar mancher vom männlichen Geschlecht nicht so früh mit einem Glatzkopf herumgehen, wie das sehr häufig der Fall ist! Diese Dinge, die eben darauf beruhen, daß man das Seelisch-Gei­stige überall fortwirken sieht im Leiblich-Physischen, werden eben gerade vom materialistischen Standpunkte aus viel zu wenig berück­sichtigt. Und ich möchte es immer wieder betonen: die Tragik des Materialismus besteht darin, daß er von den materiellen Vorgängen gar nichts mehr weiß, sondern sie nur ganz von außen betrachtet; daß er gar nicht mehr weiß, wie ein Moralisches übergeht in ein Physisches. Man gewöhnt sich ja heute schon durch die Art und Weise, wie der Mensch behandelt – man könnte fast sagen mißhandelt – wird

Begrijp je hoe je het onderwijs en de opvoeding vorm moet geven, dan begrijp je tegelijkertijd hoe je het kind de beste gezondheid voor het leven meegeeft. En daar kan je heel zeker van zijn: wanneer er gezondere methoden in het huidige schoolleven zouden zitten, dan zouden veel minder mannen met een kaal hoofd rondlopen zoals dat nu zo vaak het geval is! Deze dingen die erop berusten dat je overal het psychisch-mentale in het levend-lichamelijke verder ziet werken, worden nu juist door de materialistische standpunten veel te weinig in ogenschouw genomen. En ik zou het iedere keer weer willen benadrukken: het tragische van het materialisme bestaat eruit dat het van de materiële processen helemaal niets meer weet, deze alleen maar van buitenaf bekijkt; dat deze niet meer weet hoe iets moreels overgaat in iets fysieks. Men raakt tegenwoordig al gewend aan een heel verkeerde manier van voorstellen. door de manier waarop de mens behandeld wordt – je kan bijna zeggen mishandeld wordt –

blz. 83

von der Wissenschaft, eine ganz falsche Vorstellung an. Denken Sie sich doch nur einmal: Wenn Sie heute Physiologie- oder Anatomie­bücher aufschlagen, dann haben Sie gewisse Zeichnungen: das Knc­chensystem wird aufgezeichnet, das Nervensystem wird aufgezeich­net, das Blutzirkulationssystem wird aufgezeichnet. Ganz suggestiv wirkt das; man bekommt die Vorstellung, als ob der Mensch wirk­lich wiedergegeben wäre, wenn man das alles so aufzeichnet. Hier ist ja gar nicht das wiedergegeben, was der Mensch physisch-leiblich ist. Das ist ja höchstens 10 Prozent davon, denn 90 Prozent vom Menschen ist ja eine Flüssigkeitssäule. Er besteht ja zu 90 Prozent aus Flüssigkeit, die in ihm fortwährend fluktuiert, die man gar nicht so mit festen Konturen zeichnen kann. Nun, Sie werden sagen: die Physiologen wissen das! Gewiß, aber es bleibt in der Physiologie, es geht nicht über in die Lebenspraxis, weil schon die Zeichnungen sug­gestiv nach einer anderen Seite leiten. Aber wessen man sich noch weniger bewußt wird, das ist, daß wir ja nicht bloß – zum kleinsten Teil – ein fester Mensch sind, zum größten Teil ein Flüssigkeitsmensch sind, sondern daß wir auch in jedem Momente ein Luftmensch sind. Die Luft draußen ist im nächsten Moment in uns drinnen, die Luft in uns ist im nächsten Moment draußen. Ich bin ein Teil der ganzen Luftumgebung. 

door de wetenschap. Denk je eens in: wanneer je vandaag de dag fysiologie – of anatomieboeken openslaat, zie je bepaalde tekeningen: van het bottenstelsel, het zenuwsysteem, de bloedsomloop. Dat werkt heel suggestief; je krijgt de voorstelling als men dat zo tekent, alsof de mens daadwerkelijk zo weergegeven zou moeten worden. Maar wat de mens levend-lichamelijk is, wordt hier helemaal niet weergegeven. Dat is er hooguit 10% van, want 90% van de mens  is min of meer een vloeistofkolom. Hij bestaat zo’n beetje voor 90% uit vloeistof dat voortdurend in hem fluctueert en dat je niet zomaar met vaste omtrekken kan tekenen. Nu zal je zeggen: dat weten die natuurkundigen toch! Zeker, maar het blijft binnen de fysiologie, het komt niet in de praktijk van het leven terecht, omdat die tekeningen suggestief in een andere richting wijzen. Maar men wordt zich nog minder bewust van, dat we niet alleen – tot in het kleinste deeltje – een vast mens zijn en voor het grootste deel een vloeistofmens, maar dat we ook ieder ogenblik een luchtmens zijn. De lucht buiten ons, bevindt zich het volgende ogenblik in ons, de lucht in ons, is het volgende ogenblik weer buiten ons. Ik ben een deel van de hele luchtomgeving.

Das ist fortwährend fluktuierend in mir. Und erst die Wärmezustände! In Wirklichkeit müssen wir den Menschen unterscheiden in den festen Menschen, den Flüssigkeitsmenschen, den Luftmenschen, den Wärmemenschen – das kann noch weiterge­hen, aber darauf wollen wir uns zunächst beschränken.
Daß man über diese Dinge ganz unsinnige, falsche Ansichten hat, das zeigt sich an dem Folgenden. Wenn das wirklich so wäre, wie es aufgezeichnet wird als Knochensystem, Nervensystem usw., wo ein­fach alles in eine solche Zeichnung verwandelt wird, daß man immer­fort versucht ist, den Menschen als bloßen festen Organismus vorzu­stellen – wenn das alles so wäre, wäre es kein Wunder, daß das mo­ralische, das seelische Leben in diese festen Knochen, in diese starre Blutzirkulation nicht hineingehen kann: es hat gar nichts damit zu tun. Fangen Sie aber an, den Menschen wirklich jetzt auch als Flüs­sigkeitsmenschen, als Luftmenschen, zuletzt als Wärmemenschen vorzustellen,

Dat fluctueert voortdurend in mij. Om nog te zwijgen van de warmtemens! In werkelijkheid moeten we van de mens onderscheiden: de vaste mens, de vloeistofmens, de luchtmens, de warmtemens – het kan nog verder gaan, maar we beperken ons eerst maar hiertoe.
Dat men over deze dingen heel onzinnige, verkeerde opvattingen koestert, kun je aan het volgende zien. Als het werkelijk zo was, als is getekend als bottenstelsel, zenuwsysteem enz., waar simpelweg alles in zo’n tekening omgezet wordt dat je steeds in de verleiding komt, je de mens als een puur vast organisme voor te stellen – wanneer dat allemaal zo zou zijn, dan zou het geen wonder zijn dat het morle, het zielenleven in deze vaste botten, in deze starre bloedsomloop geen toegang vindt: daarmee heeft het niets te maken. Maar wanneer je begint je de mens werkelijk als een vloeistofmens, als een luchtmens en ook nog als een warmtemens, voor te stellen,

blz. 84

dann haben Sie ein feines Agens, eine feine Entität – zum Beispiel in den Wärmezuständen -, und dann werden Sie darauf kom­men, wie in den physischen Wärmeverlauf allerdings die moralische Konstitution des Menschen hinein verlaufen kann. Wenn Sie die Wirklichkeit vorstellen, dann kommen Sie zu jener Einheit des Phy­sischen und Moralischen. Und die muß man dann vor sich haben, wenn man den Menschen in seiner Entwickelung behandeln will -die muß man durchaus vor sich haben. Also es kommt tatsächlich darauf an, daß wir auf den Menschen hinzuschauen vermögen, daß wir aus einem ganz anderen physiolo­gisch-psychologischen Untergrund heraus den Weg zu dem Men­schen finden, und dann ergibt sich, wie man diesen Menschen zu be­handeln hat. Sonst entwickelt er die innere Opposition gegen dasje­nige, was er eigentlich lernen soll, während angestrebt werden muß, daß er selbst hineinwächst in dasjenige, was er lernen soll. Und in­dem er hineinwächst, beginnt er selbstverständlich auch das, was er lernen soll, liebzuhaben. Er kann es aber nur dadurch liebgewinnen, daß er aus seinen eigenen Wesenskräften in die Sache hineinwächst.

dan heb je een subtiele drijfkracht, een subtile eenheid – bijv. in de warmtetoestanden – en dan kom je erop hoe in het fysieke verloop van de warmte juist de morele constitutie van de mens verder gaat. Wanneer je een voorstelling maakt van de werkelijkheid, kom je uit bij die eenheid van het fysieke en de moraliteit. En dat moet je voor je zien wanneer je een mens in zijn ontwikkeling wil helpen – dat moet je echt voor je zien. Dus komt het er echt op aan, dat we in staat zijn naar de mens te kijken, dat we vanuit een heel andere fysiologisch-psychologische basis de weg naar de mens vinden en dan dan zal blijken wat je met deze mens moet doen. Anders ontwikkelt hij aversie tegen wat hij eigenlijk zou moeten leren, terwijl ernaar gestreefd zou moeten worden dat hij zelf naar wat hij leren moet, toegroeit. En als hij dat doet, gaat hij vanzelfsprekend ook houden van wat hij moet leren. Maar dat kan alleen, als hij vanuit zijn eigen kracht daarin thuisraakt.

Am meisten schaden – und zwar gerade diesem Lebensalter ge­genüber so vom 7., 8., 9. Jahr – am meisten schaden die einseitigen Illusionen, diese fixen Ideen, die man sich macht: das oder jenes soll so oder so geschehen. Man ist zum Beispiel so ungeheuer stolz dar­auf, daß so im Laufe des 19. Jahrhunderts, aber schon im 18.Jahrhundert vorbereitet, die alte Buchstabiermethode übergegangen ist in die Lautiermethode und dann in die Normalwörtermethode beim Le­senlernen. Und weil sich die Leute heute schämen, das Alte irgend-wie noch zu respektieren, so wird man ja heute kaum noch einen Menschen finden, der schwärmen würde für die alte Buchstabierme­thode. Er wäre ein dummer Kerl nach Ansicht der Gegenwart, das gibt es ja nicht – also darf er nicht mehr schwärmen für die alteBuch­stabiermethode. Die Lautiermethode, aber auch die Normalwörter-methode werden angewendet. Man ist sehr stolz auf die Lautierme­thode, wo dem Kinde der Lautcharakter beigebracht wird. Das Kind lernt nicht: das ist ein P oder das ist ein N oder das ist ein R, sondern es lernt alles auszusprechen, so wie es im Worte drinnen lautet. Nun

Het meest schadelijk – en wel wat deze leeftijd van 7,8,9 jaar betreft, het meest schadelijk zijn de eenzijdige illusies, deze starre ideeën die men koestert: dit of dat moet zus of zo gebeuren. Men is er bijv. buitengewoon trots op dat zo in de loop van de 19e eeuw, echter al in de 18e eeuw voorbereid, de oude spelmethode (Buchstabiernethode) veranderd is in de klankmethode (Lautiermethode) en dan in de ‘Normalwörtermethode’ voor het leren lezen. En omdat de mensen zich nu schamen het oude nog te respecteren, zul je tegenwoordig nog nauwelijks iemand vinden die de oude spelmethode bejubelt. Naar de huidige opvatting is zo iemand een domkop, dus nee, de oude spelmethode mag niet meer bejubeld worden.
De klankmethode, maar ook de normaalwoordenmethode worden gebruikt. Men is erg trots op de klankmethode, waarmee het kind de klank wordt bijgebracht. Het kind leert niet: dit is een p(ee) of dat is een (e)n of dat is een (e)r, maar het leert alles uitspreken, zoals het in een woord klinkt. Wel,

blz. 85

ja, das ist ganz gut. Die Normaiwörtermethode ist auch gut, wo man manchmal von ganzen Sätzen ausgeht, wo man dem Kinde den Satz bildet, dann erst analysierend zu dem Worte und dem einzelnen Laut geht. Aber schlimm ist es, wenn diese Dinge schrullenhaft werden. Die Gründe für alle drei Methoden, sogar für die alte Buchstabier­methode, die Gründe sind alle gut, sind alle geistreich – es läßt sich nicht leugnen, daß die Dinge al]e geistreich sind. Aber woherkommt es, daß sie geistre ich sind? Das kommt von dem Folgenden. Denken Sie, Sie haben einen Menschen nach der Photographie gekannt und immer en face gesehen. Da haben Sie halt so irgendeine Vorstellung von dem Menschen. Jetzt kriegen Sie einmal ein Bild in die Hand, und es sagt einer: Das ist das Bild von dem Menschen. – Das Bild ist nun ein Profilbild. Sie werden sagen: Aber nein, das ist doch ein ganz fal­sches Bild! der Mensch schaut ja ganz anders aus: hier das Bild en face, das ist das richtige Bild, das andere ist ganz falsch. – Es ist das Bild desselben Menschen in diesem Falle, aber es ist von der anderen Seite aufgenommen. U

dat is heel goed. De normaalwoordenmethode is ook goed wanneer men van hele zinnen uitgaat, waarbij men voor het kind een zin vormt en dan pas analyserend naar de woorden gaat en naar de losse letters. Maar verkeerd is, dat het doorschiet. De basis voor alle drie de methoden, ook voor de oude spelmethode, is wel goed, zijn wel geestrijk – je kunt niet ontkennen dat het geestrijk is. Maar waardoor komt dat? Dat komt zo. Denk je eens in dat je een mens kent van een foto, dat je hem steeds en face hebt gezien. Dan heb je van die mens een bepaalde voorstelling. Nu krijg je een foto in handen en iemand zegt: ‘Dit is een foto van een mens.’ Het is een foto en profile. Je zou zeggen: ‘Nee toch, dat is toch een heel verkeerde afbeelding! De mens ziet er heel anders uit: hier, de foto en face, dat is het juiste beeld, het andere is helemaal verkeerd.’- In dit geval is het een foto van dezelfde mens, alleen van een andere kant genomen.

nd so ist es im Leben immer – die Dinge im Leben müssen überall von den verschiedensten Seiten betrachtet wer­den. Man kann sich ja zwar in irgendeinen einseitigen Standpunkt verlieben, weil er sehr geistreich sein kann, man kann seine guten Gründe haben, man kann die Buchstabiermethode, die Lautierme­thode, die Normalwörtermethode verteidigen, und der Gegner wird einen nicht widerlegen können, weil man ja nur an seine eigenen Gründe selbstverständlich glaubt. Das ist gut möglich, daß die be­sten Gründe vorgebracht werden, aber: es sind Einseitigkeiten. In der Lebenspraxis müssen die Dinge eben immer von den verschie­densten Seiten angegriffen werden.
Wenn man schon einmal aus dem malenden Zeichnen, dem zeich­nenden Malen heraus die Formen gewonnen hat, und wenn man dann übergegangen ist dazu, daß man allerdings jetzt ganz gut tut, eine Art Lautier- oder Wörtermethode zu pflegen, damit man das Kind nicht so sehr sich an die Einzelheiten verlieren läßt, sondern es hin-lenkt zum Ganzen, so ist doch wiederum dem materialistischen Zeit­alter eines abhanden gekommen, und das ist das Folgende: der Laut als solcher, das einzelne M, das einzelne P, das ist eben auch etwas.

En zo is het in het leven altijd: de dingen in het leven moeten overal vanuit de meest verschillende kanten bekeken worden. Weliswaar kun je verliefd worden op een of ander eenzijdig standpunt, omdat dit zeer geestrijk kan zijn, je kunt er gegronde redenen voor hebben; je kan de spelmethode, de klankmethode en de normaalwoordenmethode verdedigen en de opponent zal het niet kunnen weerleggen, omdat men vanzelfsprekend aan zijn eigen redenen hecht. Het is goed mogelijk dat de beste redenen aangevoerd worden, maar: het zijn eenzijdigheden. In de praktijk van het leven moeten de dingen nu eenmaal steeds vanuit de meest verschillende kanten benaderd worden.
Wanneer je al eens van het schilderende tekenen, het tekenend schilderen vormen ontwikkeld hebt en wanneer je er dan toe over bent gegaan – daar doe je zeker heel goed aan – een soort van klank- of woordenmethode toe te passen opdat het kind zich niet te veel in details hoeft te verliezen, maar op de totaliteit gewezen wordt, dan is er toch in de materialistische tijd weer wat verloren gegaan en wel: de klank als zodanig, de losse m, de losse p, die zijn er ook nog.

blz. 86

Und es kommt darauf an, daß, wenn der Laut im Wort drinnen ist, er schon den Weg nach der Außenwelt genommen hat, da ist er schon übergegangen in die materiell-physische Welt. Das, was wir in der Seele haben, sind nämlich die Laute als solche, und das hängt sehr stark ab von der Art und Weise, wie unsere Seele beschaffen ist. In­dem wir buchstabieren, sprechen wir, wenn wir das M ausdrücken wollen, eigentlich EM. Der Grieche tat das nicht, der Grieche sprach MY. Das heißt: er setzte den Hilfsvokal nach dem Konsonanten, wir setzen ihn vorher. Wir bekommen den Laut heute in Mitteleuropa, indem wir vom Vokalischen zum Konsonantischen den Weg nehmen. Denselben Laut bekam man in Griechenland, indem man den umge­kehrten Weg ging. Das weist hin auf die Seelenverfassung, die da zu­grunde liegt.
Das ist außerordentlich wichtig und bedeutsam. Denn derjenige, der nun nicht bloß auf das Äußerliche der Sprache schaut, wie nun die Sprache schon einmal geworden ist als Bedeutungssprache – unsere Sprachen sind ja fast alle Bedeutungssprachen, wir haben in den Wor­ten kaum mehr etwas anderes als Zeichen für das, was draußen ist
.
En het komt erop aan dat wanneer de klank in een woord zit, deze al onderweg is naar de buitenwereld, die is al overgegaan naar de stoffelijke wereld. Wat we in onze ziel hebben zijn namelijk de klanken als zodanig en dat hangt zeer sterk af van hoe onze ziel is. Wanneer we spellen, spreken we, wanneer we de m willen zeggen, eigenlijk em. De Griek deed dat niet, de Griek zei my. Dat betekent: hij plaatste een hulpklinker na de medeklinker, wij zetten hem ervoor. Tegenwoordig krijgen we in Midden-Europa de klank wanneer we vanuit de klinker naar de medeklinker gaan. Dezelfde klank kreeg je in Griekenland langs de omgekeerde weg. Dat wijst op de zielengesteldheid die daaraan ten grondslag ligt.
Dat is heel belangrijk en betekent veel. Degene die niet alleen naar het uiterlijk van de taal kijkt, zoals de taal nu eenmaal geworden is, begripstaal – onze talen zijn bijna allemaal begripstalen, we hebben in de woorden nauwelijks meer iets anders dan tekens voor wat buiten ons is –

derjenige, der von da zurückgeht auf das Seelische, das in den Wor­ten lebt, das überhaupt in der Sprache lebt, der kommt schon zurück zu dem sogenannten Laut. Denn alles Konsonantische hat einen ganz anderen Charakter als alles Vokalische. 
Sie wissen: In bezug auf die Entstehung der Sprache gibt esja die mannigfaltigsten Theorien. Es ist da wiederum so wie bei der Photographie. Unter anderem hat man ja zum Beispiel die «Wau-Wau» -Theorie. Sie besteht ja darin, daß man meint: dasjenige, was der Mensch sprachlich bildet, das ahmt er dem nach, was als Laut heraustönt aus Wesenheiten. Er ahmt nach dieses Wesenhafte. Er hört den Hund: Wau-Wau. Wenn er selbst glaubt, ein Ähnliches in seiner Seelenverfassung auszudrük­ken, so gebraucht er auch einen ähnlichen Laut. Es ist nichts dagegen einzuwenden. Es sind sehr viele Gründe für diese Wau-Wau-Theorie anzuführen, sehr geistreiche Gründe. Wenn man nur auf ihrem Bo­den stehenbleibt, sind sie nicht zu widerlegen. Aber das Leben besteht nicht in Begründung und Widerlegung, sondern das Leben besteht in lebendiger Bewegung, in Transformation, in lebendiger Metamorphose.

degene die van daaruit teruggaat op wat aan gevoel in de woorden leeft, wat zeer zeker in de taal leeft, komt weer terug op de zgn. klinker. Want al het consonantische heeft een heel ander karakter dan al het vocale.
U weet, m.b.t. het ontstaan van taal zijn er de meest uiteenlopende theorieën. Het is hier net als met de foto’s. Je hebt o.a. bijv. de ‘wau-wau’-theorie. Die behelst dat men van mening is: wat de mens sprekend doet, is nabootsen van wat als klank uit een wezen komt. Hij bootst dit ‘wezen’lijke na. Hij hoort een hond: ‘Waf, waf’. Wanneer hij zelf denkt dat hij net zoiets vanuit zijn gemoedsstemming uitdrukt, dat hij dan ook een soortgelijke klank gebruikt. Daar is niets tegen in te brengen. Er zijn veel redenen voor deze waf-waftheorie aan te voeren, zeer geestrijke redenen. Wanneer je slechts bij deze redenen blijft, zijn ze niet te weerleggen. Maar het leven bestaat niet uit bewijs en het weerleggen daarvan, het leven bestaat uit een levendige beweging, uit transformatie, uit levendige metamorfose.

blz. 87

Was an einer Stelle richtig ist, ist von einer anderen Stelle aus falsch, und umgekehrt. Das Leben muß in seiner ganzen Beweglich­keit erfaßt werden. – Sie wissen: es gibt eine andere Theorie, die der Wau-Wau-Theorie gegenübersteht und sie bekämpft. Da leitet man das Entstehen der Sprache davon her, daß so, wie wenn eine Glocke angeschlagen wird, das Metall eine bestimmte innere Konstitution hat und dieser oder jener Laut dann herauskommt, so sich der Mensch den Dingen gegenüber verhält. Es ist mehr ein Sichhereinfühlen in die Dinge, nicht ein äußeres Nachahmen, bei dieser Bim-Bam-Theo­rie. Sie ist wiederum durchaus richtig für gewisse Dinge. Man kann sagen, diese Theorie hat viel für sich, die Wau-Wau-Theorie auch. Aber die wirkliche Sprache entsteht nämlich weder auf dem Bim­Bam-Weg noch auf dem Wau-Wau-Weg, sondern auf beide Arten und noch auf manche andere Art. Es sind Einseitigkeiten. Manches in unserer Sprache ist wirklich so gebildet, daß das Bim-Bam erfühlt ist, manches ist so, daß es Wau-Wau oder Muh-Muh nachgebildet ist.
.
Wat op de ene plaats juist is, is vanuit een ander standpunt fout en omgekeerd. Het leven moet in zijn volle beweeglijkheid begrepen worden. – U weet: er bestaat een andere theorie, tegengesteld aan de ‘woef-woeftheorie en deze bestrijdt. Het ontstaan van de taal wordt afgeleid van de omstandigheid dat wanneer er op een klok wordt geslagen, en het metaal van een bepaalde samenstelling is, dit of dat geluid klinkt en zo verhoudt de mens zich ook tot de dingen. Het is meer een voelend zich inleven in de dingen, niet een uiterlijk nabootsen, bij deze ‘bim-bam’theorie. Ook nu is deze zeker juist voor bepaalde dingen. Je kunt zeggen, op zich zit er veel in deze theorie, ook in de waf-waftheorie. Maar de echte taal ontstaat toch noch langs de bim-bamweg, noch langs de waf-wafweg, maar via beide vormen en nog vele andere. Het zijn eenzijdigheden. Veel in onze taal is inderdaad zo gevormd dat daarbij het bim-bam gevoeld is, dat waf-waf of boe-boe nagebootst is.

Es ist durchaus so: es sind beide Theorien richtig und manche andere auch noch. Es kommt aber darauf an, daß man das Leben er­faßt. Erfaßt man das Leben, dann wird man finden, daß die Wau­Wau-Theorie mehr paßt für die Vokale, die Bim-Bam-Theorie für die Konsonanten ; aber wieder nicht ganz, es sind wieder nur Einsei­tigkeiten. Doch zuletzt kommt man darauf, zu erkennen – wie ich es schon in der kleinen Schrift «Die geistige Führung des Menschen und der Menschheit»> angedeutet habe -, daß die Konsonanten in der Tat nachgebildet sind den äußeren Geschehnissen und den äußeren For­men der Dinge: sie bilden das F dem Fisch nach, das M dem Mund nach, oder das L dem Laufen nach usw. Die Konsonanten sind schon so entstanden, daß sie in einem gewissen Sinne zu der Bim-Bam­Theorie stimmen – aber nur feiner ausgestaltet müßte sie werden. Die Vokale aber sind Ausdrucksweisen, Offenbarungen für das Innere des Menschen. Da ahmt er nicht in der Form, die er dem Laut oder dem Buchstaben gibt, das Äußere nach, da ahmt er überhaupt zu­nächst nicht nach, sondern da drückt er seine Gefühle von Sympathie und Antipathie aus. Sein Gefühl von Freude oder Neugierde mit I; von Staunen oder Verwunderung: A, ich bin erstaunt ; E, ich will

Zo is het beslist: beide theorieën zijn juist en vele andere ook. Maar het komt erop aan, dat je het leven begrijpt. Begrijp je het leven, dan vindt je dat de waf-waftheorie meer aansluit bij de klinkers, de bim-bamtheorie meer bij de medeklinkers; maar weer niet helemaal, opnieuw zijn het eenzijdigheden. Maar uiteindelijk kom je tot het inzicht – zoals ik dat in een boekwerkje ‘De geestelijke leiding van mens en mensheid’ aangegeven heb* -, dat de medeklinkers werkelijk nagevormd zijn van gebeurtenissen en vormen van dingen in de buitenwereld: ze vormen de V naar de vorm van de vis, de M van de mond of de L van het lopen enz. De consonanten zijn dus zo ontstaan dat ze in zekere zin overeenstemmen met de bim-bamtheorie – die zou fijner afgestemd moeten worden. De vocalen zijn een manier van uitdrukken, van uiten van het innerlijk van de mens. Hier wordt de vorm voor een klank of een letter niet nagebootst van iets uit de buitenwereld; hierbij wordt helemaal niets nagebootst, maar gevoel wordt tot uitdrukking gebracht, sympathie en antipathie. Zijn gevoel van vreugde of nieuwsgierigheid met de I; van verbazing of verwondering: A, ik ben verbaasd; E, ik wil

blz. 88

etwas weg haben, was mich stört ; U, ich fürchte mich ; Ei, ich habe dich lieb. Alles dasjenige, was in den Vokalen liegt, das ist unmittel­bare Offenbarung der seelischen Sympathien und Antipathien. Es ent­steht zwar nicht durch Nachahmung, aber so: Der Mensch will sich äußern, will seine Sympathien und Antipathien äußern. Nun hört er an dem Hunde, wenn der Hund etwas Schreckhaftes erfassen will, Wau-Wau: da paßt er sich an, wenn sein Erlebnis ähnlich ist dem Wau-Wau des Hundes, und dergleichen. Es ist aber der Weg des Vokalisierens ein solcher von innen nach außen ; es ist der Weg des Konsonantierens von außen nach innen, von dem Nachbilden. Schon im Laute bildet man nach. Sie werden das nachweisen können, wenn Sie auf Einzelheiten eingehen.
Sie werden aber dann sehen, weil das nur für die Laute gilt, nicht für Worte – es hängt nicht an der Seele -, daß es schon ein Fortfüh­ren des Wortes ist zum ursprünglichen Seelenzustad, wenn man dann auch in der Analyse so weit kommt, daß man dem Kinde Buch­staben bei bringt. So daß man sagen kann: man muß nur richtig er­fassen dasjenige, was das Kind in einem bestimmten Lebensalter sel­ber fordert, man wird dann im Grunde genommen lauter Buchstaben durcheinander anwenden, so wie ein ordentlicher Photograph –
.
iets niet, wat me stoort; U, ik ben bang; Ei, ik heb je lief. Alles wat in de vocalen ligt, is een onmiddellijk zich uiten van de gevoelens van sympathie en antipathie. Dat ontstaat niet door nabootsing, maar aldus: de mens wil zich steeds uiten, wil zijn sympathieën en antipathieën uiten. Nu hoort hij bij de hond wanneer deze iets waarvan hij schrikt, wil grijpen: waf, waf: hij past zich erbij aan wanneer zijn beleving lijkt op het waf-waf van de hond en dergelijke. Het is de weg van het vocaliseren van iets van binnenuit naar buiten toe; het is de weg van consonant worden van buitenaf naar binnen toe. Je kan het zien, wanneer je op de details ingaat.
Maar dan zal je ook zien, omdat dit alleen voor de klanken geldt, niet voor de woorden – dat zit niet aan de ziel vast – dat het meer een verder leiden van het woord is tot de oorspronkelijke zielentoestand, ook al kom je dan met de analyse zo ver dat je het kind letters aanleert. Zodat je kunt zeggen: je moet wel goed weten wat het kind op een bepaalde leeftijd vanuit zichzelf vraagt en dan zul je in wezen alleen maar letters door elkaar gebruiken, zoals een bekwame fotograaf –

einem ja meistens gerade dadurch lästig werden kann – auch den Betreffenden sich drehen läßt und ihn von allen Seiten photographiert ; dann hat er ihn erst. So ist es auch notwendig, daß derjenige, der her­ankommen will an den Menschen, diesen Menschen eben von allen Seiten erfaßt. Mit der Normalwörtermethode erfaßt man nur das Körperlich-Leibliche. Mit der Lau tiermethode kommt man schon dem Seelischen nahe, und – horribile dictu -ja, es ist schrecklich zu sagen: mit der Buchstabiermethode kommt man ganz ins Seelische hinein. Das Letzte ist selbstverständlich heute noch Idiotismus, aber seeli­scher ist es zweifellos ; nur ist es nicht unmittelbar anzuwenden. Man muß es mit einer gewissen pädagogischen Geschicklichkeit und Pra­xis, mit künstlerischer Pädagogik an das Kind heranbringen, so daß das Kind nicht dressiert wird, den Buchstaben konventionell auszu­sprechen, sondern daß es das Entstehen des Buchstabens erlebt, was ja in seinen Bildekräften liegt, was es da wirklich hat. Darauf kommt es an.
.
die  meestal lastig wordt voor iemand doordat deze zich moet draaien zodat hij hem dan van alle kanten kan fotograferen, dan pas staat hij er op. En dat heeft iemand ook nodig die de mens wil begrijpen – hij moet de mens veelzijdig begrijpen.
Met de normaalwoordenmethode begrijp je slechts het lichamelijk-lijfelijke. Met de klankmethode kom je in de buurt van het gevoel, en horribile dictu – ja, het is vreselijk om te moeten zeggen – met de spelmethode kom je helemaal in het gevoel terecht. Dat laatste klinkt tegenwoordig nogal idioot, maar zonder twijfel zit daar meer ziel in; alleen, het is niet meteen toe te passen. Je moet het met een bepaalde pedagogische handigheid een kind aanbieden, zodat het kind niet gedrild wordt de letters conventioneel uit te spreken, maar het moet het ontstaan van de letter beleven, het zit in zijn vormkrachten, in wat zijn realiteit is. Daar komt het op aan.

blz. 89

es an. Und dann werden wir sehen, daß es noch reichlich genügt, wenn wir auf diese Weise etwa bis nach dem 9. Jahr das Kind dazu bringen, daß es lesen kann. Es schadet nämlich gar nichts, wenn das Kind nicht früher lesen kann, denn es hat auf naturgemäße Weise das Lesen gelernt, wenn es in der eben geschilderten Art gelernt hat und etwa ein paar Monate über neun Jahre alt ist. Bei verschiedenen Kin­dern kann es etwas früher oder später sein. Da beginnt nämlich für das Kind dann ein kleinerer Lebensab­schnitt. Die großen Lebens abschnitte sind die mehrmals genannten: von der Geburt bis zum Zahnwechsel, vom Zahnwechsel bis zur Ge­schlechtsreife, dann bis in die Zwanzigerjahre hinein. Aber da darf man dem heutigen Menschen ja überhaupt schon nicht mehr von Ent­wickelung reden! Heute geht es ja nicht, nicht wahr, daß man dann dem Menschen noch sagt: du machst auch noch eine Entwickelung durch bis zu einem besonderen Reifezustand nach dem 21. Jahr. Das verletzt den heutigen Menschen, da – entwickelt er sich nicht mehr, da schreibt er Feuilletons. Man muß also heute schon etwas zurück­haltender sein, wenn man von den späteren Lebensaltern spricht. 

En dan zullen we zien dat het rijkelijk volstaat, als we langs deze weg het kind iets na zijn negende ertoe brengen dat het kan lezen. Het kan namelijk helemaal geen kwaad als het kind nog niet eerder kan lezen, want het heeft op een natuurlijke manier leren lezen, wanneer het dat op de zojuist geschetste manier heeft geleerd en 9 jaar en een paar maanden is. Bij enkele kinderen kan dit iets eerder of iets later zijn. Daar begint dan namelijk voor het kind een kleinere levensfase. De grote levensfasen zijn de al vaker genoemde: van de geboorte tot aan de tandenwisseling, vanaf de tandenwisseling tot aan de puberteit, dan tot begin twintig. Maar van daaraf mag je tegen de huidige mens niet meer over ontwikkeling praten. Het gaat nu niet meer aan tegen een mens te zeggen: je maakt ook na je 21e nog een ontwikkeling door tot een bepaalde rijping. Dat kwetst de mens van nu, hij ontwikkelt zich niet meer, (dan schrijft hij feuilletons = zijn leven verloopt maar gewoon?)  Je moet tegenwoordig wel wat terughoudender zijn, als je over latere levensfasen spreekt.

Aber es ist notwendig, daß man die großen Lebensabschnitte erfaßt als Erzieher und Unterrichter, und dann auch die kleinen Abschnitte, die wiederum in den großen drinnenliegen. Da ist ein kleiner Abschnitt zwischen dem 9. und 10. Jahr, mehr gegen das 9. Jahr zu gele­ge: da kommt das Kind dazu, sich immer mehr und mehr von seiner Umgebung zu unterscheiden. Da wird es eigentlich erst gewahr, daß es ein Ich ist. Vorher muß man daher dasjenige in der Erziehung und im Unterricht an das Kind heranbringen, wodurch es mit der Umge­bung möglichst zusammenwächst; das Kind kann sich bis zu diesem Lebensalter gar nicht als Ich von der Umgebung unterscheiden. In dieser Beziehung herrschen ja allerdings die kuriosesten Ansichten. So zum Beispiel – denken Sie daran, daß Sie oftmals die Bemerkung hören können -: Wenn das Kind sich an eine Ecke stößt, fängt es an, die Ecke zu schlagen. Da kommt der intellektualistische Mensch und erklärt das so: schlagen tut man doch bloß, wenn man mit Bewußt­sein wahrgenommen hat, was einen wiederum mit Bewußtsein ge­stoßen hat. Das ist die Definition des Kasus zum Schlagen – ja, bei

Maar als opvoeder of leerkracht is het belangrijk dat je de grote levensfasen begrijpt en ook de kleinere die op hun beurt deel zijn van de grotere. Een kleinere fase ligt tussen het 9e en het 10e jaar, meer naar het 9e toe: dan begint het kind zich steeds meer van zijn omgeving te onderscheiden. Dan wordt het eigenlijk voor het eerst gewaar dat het een Ik is. Vandaar dat je daarvóór in opvoeding en onderwijs het kind iets moest leren, waardoor het zo mogelijk zich één voelt met de omgeving; het kind kan zich tot in deze leeftijd nog helemaal niet als Ik los van de omgeving zien. Wat dat betreft bestaan er nog de meest vreemde opvattingen. Zo bijv. moet je eens denken aan aan de opmerking die je vaak kan horen: wanneer het kind zich aan een (tafel)punt stoot, dan gaat het die punt slaan. Dan komt de intellectualistische mens en die legt dat zo uit: slaan doe je toch eigenlijk alleen wanneer je met bewustzijn waargenomen hebt, dat iemand zich met bewustzijn heeft gestoten. Dat is de definitie van de casus ‘slaan’- ja bij

blz. 90

solchen Definitionen möchte man immer wieder erinnern an das grie­chische Beispiel von der Definition:Was ist ein Mensch? Ein Mensch ist ein lebendiges Wesen, das zwei Beine und keine Federn hat. Das ist eine ganz richtige Definition. Sie führt ins alte Griechenland zu­rück. Ich will jetzt gar nicht darauf eingehen, daß unsere Physikdefi­nitionen heute nicht viel besser sind; man lehrt da auch oft die Kinder, daß ein Mensch ein Wesen ist, das auf zwei Beinen geht und keine Federn hat. Ein Bube, der etwas aufgeweckter war, dachte weiter nach über die Geschichte. Er fing sich einen Hahn, rupfte dem die Federn aus und brachte ihn in die Schule mit. Er zeigte den gerupften Hahn vor und sagte: Das ist ein Mensch! Das ist ein Wesen, das auf zwei Beinen geht und keine Federn hat. – Nun ja, Definitionen sind ja sehr nützlich, aber auch fast immer sehr einseitig. Es kommt aber darauf an, daß man sich unmittelbar ins Leben hineinfindet. Ich muß das immer wiederholen. Es handelt sich darum, daß man vor allen Dingen erfaßt, wie das Kind bis nach dem 9. Jahr sich gar nicht von seiner Umgebung richtig unterscheidet. Man kann also eigentlich nicht sagen: das Kind stellt sich den Tisch als lebendig vor, wenn es ihn schlägt. Das fällt ihm gar nicht ein. Es schlägt aus dem Innern seines Wesens heraus. – Diesen Animismus gibt es gar nicht, dieses Beseelen von Unorganischem, das sich schon in die Kulturgeschichte eingeschlichen hat.

zulke definities wil ik steeds graag weer in herinnering roepen het Griekse voorbeeld van de definitie: wat is een mens? Een mens is een levend wezen, dat twee benen heeft en geen veren. Dat is een heel goede definitie. Die brengt ons terug naar het oude Griekenland. Ik wil er nu niet op ingaan, dat onze natuurkundige definities vandaag niet veel beter zijn; men leert de kinderen nu ook dat de mens een wezen is dat op twee benen loopt en geen veren heeft. Een jongen die wat slimmer was, dacht erover na. Hij ving een haan, plukte die en nam hem mee naar school. Hij liet de geplukte haan zien en zei: dit is een mens! Het is een wezen dat op twee benen gaat en het heeft geen veren. – Nu ja, definities zijn nuttig, maar ook vaak wel zeer eenzijdig. Het komt er echter op aan, dat je er in het leven wat aan hebt.
Dat moet ik steeds herhalen. Het gaat erom dat je begrijpt hoe het kind tot na het 9e jaar zich van zijn omgeving nog niet goed kan losmaken. Je kan dus eigenlijk niet zeggen: het kind stelt zich de tafel als iets levens voor, als het die slaat. Dat komt niet in hem op. Het slaat vanuit zijn innerlijk wezen. – Dit animisme, de dingen een ziel toeschrijven, bestaat helemaal niet, het is in de cultuurgeschiedenis binnengeslopen.

Man ist ganz erstaunt, welche Phantasie die Ge­lehrten oft haben, wenn sie zum Beispiel glauben, daß der Mensch die Dinge beseele. Ganze Mythologien werden so erklärt. Es ist so, wie wenn diese Menschen, die so etwas sagen, noch keine primitiven Menschen kennengelernt hätten. Es fällt zum Beispiel keinem Bauer ein, der ja auch noch primitiv ist, die Naturerscheinungen zu besee­len. Es handelt sich darum, daß das Kind die Begriffe «Durchseelen, Beleben der Dinge»» nicht hat. So wie es lebt, lebt eben alles, es träumt aber nicht das Kind dies bewußt hinein. Daher müssen Sie auch keinen Unterschied machen in Ihrem Beschreiben und Reden, wenn Sie die Umgebung beschreiben: Sie müssen die Pflanzen leben lassen, Sie müssen alles leben lassen; denn das Kind unterscheidet sich noch nicht als Ich von der Umgebung. Daher können Sie auch noch nicht in diesem kindlichen Lebensalter bis nach dem 9. Jahr mit

Me nis heel verbaasd over wat voor fantasie de geleerden dikwijls hebben, wanneer ze bijv. geloven dat de mens de dingen een ziel toeschrift. Hele mythologieën worden zo verklaard. Jet is zo alsof deze mensen die zoiets zeggen, nog geen eenvoudige mensen hebben leren lennen. Geen boer zal erop komen, en die is toch ook eenvoudig, om de natuurvershijnslelen een ziel te geven. Het gaat erom dat het kind de begrippen ‘een ziel geven, de dingen voor levend houden’, niet kent. Zoals hij leeft, leeft alles, het kind fantaseert dit niet bewust. Vandaar dat je ook geen verschil moet maken in wat je beschrijft of waarover je praat, wanneer je de omgeving beschrijft: je moet de planten laten leven, je moet alles laten leven; want het kind maakt nog geen onderscheid tussen zichzelf  als Ik en zijn omgeving. Vandaar dat je ook nog niet op deze kinderlijke leeftijd tot na het 9e jaar met

blz. 91

irgend etwas an das Kind herankommen, was zum Beispiel eine schon intellektualistische Beschreibung ist. Sie müssen in voller Frische alles ins Bild verwandeln. Wo das Bild aufhört und die Beschreibung beginnt, da erreicht man gar nichts im 8., 9. Lebensjahr. Erst nach­her ist dies möglich. Und dann handelt es sich wieder darum, daß man in der richtigen Weise sich hineinfindet in diese einzelnen Le­bensabschnitte. Nur für bildhafte Darstellungen hat das Kind bis zum 9. Jahr hin überhaupt Verständnis; das andere geht so vorüber vor dem Auffassungsvermögen des Kindes wie vor dem Auge der Ton. Mit dem Zeitpunkte aber, der zwischen dem 9. und 10. Jahr liegt, können Sie dann anfangen, sagen wir, Pflanzen zu beschreiben. Da können Sie anfangen mit primitiven Beschreibungen des Pflanzenwesens; denn da unterscheidet sich das Kind allmählich von der Um­gebung. Aber Sie können ihm noch nichts Mineralisches beschreiben; denn so stark ist sein Unterscheidungsvermögen noch nicht, daß es die große Differenz zwischen dem, was es innerlich erlebt, und dem Mineral schon auffassen könnte. Es hat jetzt erst die Möglichkeit, den Unterschied zwischen sich und der Pflanze aufzufassen. Dann können Sie allmählich übergehen zur Tierbeschreibung.

iets bij het kind aankomen kan, wat bijv. al een intellectualistische beschrijving is. Je moet alles sprankelend in een beeld veranderen. Waar het beeld ophoudt en de beschrijving begint, bereik je in het 8e, 9e jaar helemaal niets. Pas naderhand is dat mogelijk. En dan gaat het er weer om dat je op een goede manier je in deze speciale levensfase inleeft. Het kind heeft tot het 9e jaar alleen maar begrip voor beeldende voorstellingen; het andere gaat aan het belangstellingsvermogen van het kind voorbij, zoals een toon aan het oog. Op het tijdstip echter, dat tussen het 9e en 10e jaar ligt, kun je beginnen, laten we zeggen, planten te beschrijven. Je kan beginnen met eenvoudige beschrijvingen van planten; want nu begint het kind zich langzamerhand van zijn omgeving te onderscheiden; zo sterk is dit vermogen nog niet dat het het grote verschil tussen wat het innerlijk beleeft en het mineraal al zou kunnen begrijpen. Het krijgt eerst de mogelijkheid het verschil tussen hemzelf en de plant te begrijpen. Dan kun je langzamerhand overgaan tot het beschrijven van dieren.

Aber das muß eben so gemacht werden, daß das Ganze richtig drinnensteht im Leben. Wir haben heute die Botanik. Die sind wir geneigt, auch schon in die Schule hineinzutragen. Wir tun das aus einem gewissen Schlendrian heraus. Eigentlich ist es etwas Schreck­liches, wenn wir das von der Botanik, was wir mit Recht haben als Erwachsener, in die Schule hineintragen. Denn was ist denn diese Bc­tanik, die wir da haben? Sie ist eine systematische Anordnung von den Pflanzen, die man nach gewissen Gesichtspunkten findet. Da werden erst die Pilze, die Algen, die Hahnenfüße usw. beschrieben, so richtig nebeneinander. Ja, wenn man aber eine solche Wissenschaft ausbildet, die ja als Wissenschaft ganz gut ist – nun, dann ist das un­gefähr so, wie wenn Sie einem Menschen die Haare ausreißen und nun eine Systematik ausbilden derjenigen Haarformen, die da hinter den Ohren wachsen, die da oben wachsen, an den Beinen wachsen, wie wenn Sie das alles systematisch anordneten. Sie werden eine hüb­sche Systematik herauskriegen, aber Sie verstehen nicht das Haarwesen

Maar dat moet je zo doen dat het geheel een goede plaats inneemt in het leven. Er bestaat tegenwoordig plantkunde. We zijn geneigd die in de school binnen te halen. Dat doen we dan wel vanuit een zekere sleur. Eigenlijk is het wel iets verschrikkelijks, wanneer we wat we als volwassenen aan plantkunde hebben, de school binnenhalen. Want wat is deze plantkunde dan, die we hebben? Het is een systematische opsomming van de planten die men volgens bepaalde gezichtspunten vindt. Dan worden eerst de paddenstoelen, de algen, de boterbloemen enz. beschreven, zo prachtig naast elkaar. Maar wanneer je zo wetenschap ontwikkelt, die als wetenschap heel goed is – is dat ongeveer net zo alsof je er bij een mens een haar uittrekt om dan een systeem te ontwikkelen van bepaalde haarsoorten, welke achter de oren groeien, die bovenop groeien, op de benen, of hoe je dat maar systematisch wil toepassen. Daar komt wel een mooie systematiek uit, maar wat haar is, begrijp je daarmee niet.

blz. 92

dadurch. Man unterläßt daher, weil das einem zu nahe liegt, daß man das Haarwesen im Zusammenhang mit dem ganzen Men­schen betrachten muß. Das Pflanzenwesen ist für sich auch nicht vor­handen, das Pflanzenwesen gehört zur Erde. Sie glauben, Sie könn­ten einen Goldregen, wenn Sie ihn betrachten, so wie er in der Bota­nik klassifiziert ist, verstehen! Ich habe nichts dagegen, daß er in der Botanik klassifiziert wird; Sie können aber nur dann, wenn Sie ihn auf den sonnigen Abhängen sehen und wenn Sie die Erdschichtung be­trachten, die darunter ist, verstehen, warum er gelb ist: daß das aus der Farbe der darunterliegenden Erde ist! Da wird Ihnen die Pflanze wie das Haar, das aus dem Menschen heraussprießt. Die zunächst dem Kinde bekannte Erde mit den darauf befindlichen Pflanzen wird so ein Ganzes. Sie dürfen nicht an das Kind herangehen direkt mit dem, was aus der heutigen Botanik stammt, und dies hineintragen in die Schule. Auch da muß man aus dem Leben heraus die Pflanze und die Erde so beschreiben, wie man das Haar beschreibt, das aus dem Menschen herauswächst. Und so können Sie auch gar nicht die Pflanze beschreiben, ohne über den Sonnenschein, über das Klima, über die Erdenkonfiguration zu sprechen, wie es dem Kinde angemessen ist.

Vandaar dat men nalaat, omdat dit een beetje te dichtbij komt, om wat haar is, met de hele mens in samenhang te bekijken. Wat planten zijn is op zich ook niet aanwezig, de planten horen bij de aarde. Geloof je dat je een goudenregen, wanneer je die in de plantkunde geclassificeerd vindt, begrijpt? Ik heb er niets op tegen dat die in de plantkunde in klassen ingedeeld wordt; maar je kan hem alleen, wanneer je hem op de zonnige hellingen ziet en wanneer je naar de aardlagen kijkt die zich onder hem bevinden, begrijpen, en waarom hij geel is: dat komt door de aarde die daaronder ligt!. Dan wordt een plant als een haar die uit de mens groeit. De aarde die in het begin door het kind gekend wordt, met de daarop groeiende planten wordt zo tot één geheel. Je moet niet meteen het kind benaderen met wat uit de tegenwoordige plantkunde komt en dat dan mee naar school nemen. Ook daar moet je vanuit het leven de plant en de aarde zo beschrijven, zoals je een haar beschrijft die op een mens groeit. En je kan de plant helemaal niet beschrijven zonder over de zonneschijn, over het klimaat, over de toestand van de aarde te spreken, op het niveau van het kind.

Das Nebeneinanderbeschreiben der einzelnen Pflanzen, wie Sie es auch im Botanisieren haben, so daß man sagt: man muß auch dem Kinde Anschauungsunterricht bieten, das ist dem Kinde nicht angemessen. Es handelt sich auch beim Anschauungsunterricht darum, was man es anschauen läßt. Das Kind hat ein instinktives Gefühl aus dem, was es in sich trägt für das Lebendige, das wahrhaft Wirkliche. Wenn Sie ihm mit dem Toten kommen, erletzen Sie dieses Leben­dige, diesen Sinn für das wahrhaft Wirkliche im Kinde. Aber die Men­schen haben heute wenig Sinn für die Differenzierungen des Seien­den. Denken Sie nur einen Philosophen von heute, der über den Be­griff des Seins nachdenkt. Dem wird es einerlei sein, ob er eine Berg­kristallform oder eine Blüte als Beispiel eines Seienden nimmt. Denn beides ist da, man kann es herlegen, das sind existierende Dinge. Aber das ist ja gar nicht wahr! Die Dinge sind ja schon in bezug auf das Sein nicht gleichartig. Den Bergkristall können Sie in drei Jahren wieder nehmen: er ist durch seinen eigenen Bestand. Die Blüte ist ja

Het naast elkaar beschrijven van losse planten, zoals je dat bij botaniseren tegenkomt, waarbij gezegd wordt: je moet het kind ook aanschouwelijkheidsonderwijs geven, past helemaal niet bij het kind. Ook bij het aanschouwelijkheidsonderwijs gaat her erom wat je laat zien. Het kind heeft,  door wat het in zich meedraagt aan leven, een instinctief gevoel voor wat echt waar is. Wanneer je met dode dingen komt, beschadig je dit levendige, dit gevoel voor wat echt waar is. Maar de mensen hebben weinig gevoel voor de nunaces in het bestaan. Wat te denken van een filosoof die nu leeft, die over het begrip van het zijnde nadenkt. Voor hem is het om het even of hij een begkristalvorm of een bloeiende bloem als voorbeeld voor een zijnde neemt. Want het is er allebei, je kan ze neerleggen, het zijn existerende dingen. Maar dat is dus helemaal niet waar! Met betrekking tot het zijnde zijn de dingen niet gelijk. Het bergkristal kan je over drie jaar weer pakken; door wat het is, is het. De bloem is

blz. 93

gar nicht so, wie sie ist. Eine Blüte für sich ist ja eine Naturlüge; sie kann nur ein Sein haben auf der ganzen Pflanze. Sie müssen die ganze Pflanze beschreiben, wenn Sie die Berechtigung haben wollen, der Blüte ein Sein beizumessen. Die Blüte für sich genommen ist ein rea­les Abstraktum; der Bergkristall nicht. Aber man hat heute ganz das Gefühl verloren für solche Differenzierungen der Wirklichkeit. Das Kind hat dies noch instinktiv. Wenn Sie an das Kind etwas heranbrin­gen, was nicht ein Ganzes ist, dann ist es unheimlich berührt im In­nern. Das geht dem Menschen dann noch nach bis ins spätere Leben hinein. Sonst hätte der Tagore nicht beschrieben, welch unheimlichen Eindruck ihm das abgeschnittene Bein gemacht hat in seiner Kind­heit. Das ist ja keine Wirklichkeit, ein Menschenbein, das hat ja nichts mehr zu tun mit der Wirklichkeit. Denn das Bein ist nur so lange ein Bein, als es am ganzen Organismus ist; wird es abgeschnit­ten, so hört es auf, ein Bein zu sein. Aber solche Dinge müssen einem gründlichst in Fleisch und Blut übergehen, damit wir alle Wirklichkeit so erfassen, daß wir überall ausgehen von der Totalität und nicht von dem Einzelnen. Das Ein­zelne könnten wir ja ganz falsch behandeln. So müssen wir bei der Botanik für das kindliche Alter von der ganzen Erde ausgehen und die Pflanzen gewissermaßen als die Haare betrachten, die da auf der Erde wachsen.

helemaal niet zoals ze is. Een  bloem op zich is een natuurleugen; ze kan alleen een zijnde zijn op een totale plant. Je moet de hele plant beschrijven, wanneer je terecht wil zeggen dat een bloem een zijnde is. De bloem op zich genomen is pure abstractie; de bergkristal niet. Maar tegenwoordig heeft men totaal het gevoel verloren voor dergelijke differfentiaties van de werkelijkheid. Het kind heeft dat instinctief nog wel. Wanneer je het kind iets geeft, wat niet een toraliteit is, dan heeft het kind daar innerlijk een akelig gevoel bij. Dat blijft de mens in het latere leven dan nog bij. Anders zou Tagore  (blz. 14) niet geschreven hebben, wat voor een akelige indruk een geamputeerd been in zijn kindertijd op hem maakte. Een been van een mens is geen werkelijkheid, dat heeft niets meer met de werkelijkheid te maken. Want het been is zo lang een been als het aan het hele organisme vastzit; wordt het afgezet dat houdt het op een been te zijn. Maar zulke dingen moeten voor iemand heel serieus vlees en bloed worden, zodat we de werkelijkheid zo begrijpen dat we overal uitgaan van de totaliteit en niet van de details. Het detail kunnen we heel verkeerd behandelen. Dus moeten we bij de plantkunde op de leeftijd voor het kind van de totale aarde uitgaan en de planten in zekere zin als de haren zien die op aarde groeien.

Und die Tiere -ja, zu den Tieren gewinnt das Kind überhaupt kein Verhältnis, wenn Sie ihm das Nebeneinander entwickeln. Sie können da dem Kinde schon etwas mehr zumuten, weil das Behandeln des Tierischenja erst eintritt im 10., 1 1. Lebensjahr. Dem Kinde dieTiere so nebeneinander beizubringen – gewiß, wissenschaftlich ist das ganz gut, aber wirklichkeitsgemäß ist es nicht. Wirklichkeitsgemäß ist nämlich, daß das ganze Tierreich ein ausgebreiteter Mensch ist. Neh­men Sie den Löwen: er ist die einseitige Ausbildung besonders der Brustorganisation. Nehmen Sie den Elefanten: die ganze Organisa­tion ist auf die Verlängerung der Oberlippe hin ausgebildet ; die Gi­raffe: die ganze Organisation ist auf die Verlängerung des Halses hin ausgebildet. Wenn Sie jedes Tier so begreifen, daß irgendein Organ-system des Menschen vereinseitigt ist im Tier, und dann die ganze

En de dieren – ja, tot de dieren vindt het kind totaal geen verhouding, als je ze voor hem naast elkaar zet. Je kan wel wat meer van de kinderen vergen, omdat het behandelen van de dieren pas begint in het 10e, 11e jaar. De kinderen de dieren zo naast elkaar geven – zeker, wetenschappelijk is het heel juist, maar het is niet in overeenstemming met de werkelijkheid. Daarmee in overeenstemming is dat het hele dierenrijk een uitgebreide mens is. Neem de leeuw maar eens: dat is de eenzijdige ontwikkeling van met name de borstorganisatie. Neem de olifant: de hele organisatie is gericht op het langer worden van de bovenlip; de giraffe: op de verlenging van de hals. Wanneer je ieder dier zo begrijpt, dat er een of ander orgaan van de mens in het dier eenzijdig geworden is en dan de

blz. 94

Tierreihe überblicken bis zum Insekt, und noch weiter hinunter kann das durchgeführt werden bis zu den geologischen Tieren – Terebra­ten sind im Grunde genommen keine geologischen Tiere -, dann kommen Sie dazu, sich zu sagen: Das ganze Tierreich ist ein fächer­förmig auseinandergefalteter Mensch, und der Mensch ist seiner phy­sischen Organisation nach die Zusammenfaltung des ganzen Tierrei­ches. Da bringen Sie in die richtige Enifernung vom Menschen – und auch wiederum richtig mit dem Menschen zusammen – dasjenige, was das Tierreich ist. Natürlich sage ich hier mit ein paar Worten etwas Abstraktes. Das müssen Sie sich umsetzen in Lebendiges, so daß Sie wirklich jede Tierform schildern können als eine einseitige Ausbildung eines menschlichen Organsystemes. Wenn Sie die nötige Kraft finden, vor den Kindern das lebendig zu schildern, so werden Sie sehen, wie die Kinder das rasch auffassen. Denn das wollen sie ha­ben. Die Pflanzen werden angeknüpft an die Erde, wie wenn sie das Haar der Erde wären. Das Tier wird angeknüpft an den Menschen so, wie wenn der Mensch sich vereinseitigen würde, wie wenn er bald Arme, bald Beine, bald Nase und dergleichen, bald Oberleib wäre, und dies dann Gestalt gewinnen wurde: dann bekommt man die Gestalt der Tiere, des ganzen Tierreiches. So gelangt man wirk­lich dazu, den Unterricht so zu gestalten, daß er verwandt ist demje­nigen, was in dem werdenden Menschen, dem Kinde selber lebt.

hele dierenreeks tot aan het insect toe overziet en dat kan nog verder doorgevoerd worden tot aan de geologische dieren – terebraten zijn dat in wezen niet – dan kun je ertoe komen te zeggen: ‘Het hele dierenrijk is een waaiervormig uiteengelegde mens en de mens is wat zijn lichamelijke organisatie betreft een samenvouwsel van het hele dierenrijk. Dan zet je op de juiste afstand van de mens – en ook weer op een goede manier met de mens samen – datgene wat het dierenrijk is. Natuurlijk zeg ik hier met een paar woorden iets abstracts. Dat moet je omwerken tot iets levendigs, zodat je echt iedere diervorm kan schetsen als een eenzijdige vorm van een menselijk orgaansysteem. Wanneer je de nodige kracht vindt om dat voor de kinderen levendig neer te zetten, dan zal je zien hoe snel de kinderen dat oppakken. Dat willen ze graag horen. De planten worden met de aarde verbonden, alsof het de haren van de aarde zijn. Het dier wordt met de mens verbonden, zo, alsof de mens eenzijdig zou worden, alsof hij nu eens armen, dan weer benen, dan weer een neus of zo, dan weer een bovenlip zou zijn en dat dit dan een gestaltevorm zou aannemen: dan krijg je de vorm van de dieren, van het hele dierenrijk. Zo kom je er daadwerkelijk toe het onderwijs zo vorm te geven dat het verwant is met hetgeen in de wordende mens, in het kind, zelf leeft.

*die je nog steeds als mmm uitspreekt, niet als em!
*ook hier geen vee en ef, maar de klank

[1] GA 306 Die pädagogische Praxis vom Gesichtspunkte geisteswissenschaftlicher Menschenerkenntnis

[2] GA 306 voordracht 4 Duits
.

Rudolf Steiner over schrijven en lezen

Rudolf Steiner over dierkunde

Rudolf Steiner over pedagogie

Rudolf Steineralle artikelen

.

1673

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

VRIJESCHOOL – Realistisch rekenen

.

Wanneer we kinderen sommen laten uitrekenen, kan er over een som als deze: 300 : 20=    geen misverstand bestaan: de uitkomst is 15

Anders wordt het, als je de som in een omschrijving geeft.
Dat gebeurt in rekenboekjes veelvuldig.

Dan kan er bijv. staan: Je hebt stukjes stof nodig van 20 cm. Je hebt een reep stof van 3m. Hoeveel stukjes van 20cm kun je daaruit knippen?

Natuurlijk geeft iedereen als antwoord: 15.

Dan kan een opmerking van Steiner je nader aan het denken zetten:

‘Dus de berekening is absoluut goed uitgevoerd, maar de zaak is niet in overeenstemming met de realiteit. Wij zijn nu eenmaal tegenwoordig in ons intellectualistische tijdperk te zeer uit op het juiste en we hebben de gewoonte losgelaten dat alles wat we in het leven moeten begrijpen, niet alleen maar logisch juist moet zijn, maar ook in overeenstemming met de werkelijkheid.’ [1]

De 15 stukjes zijn niet in overeenstemming met de werkelijkheid. Door het knippen gaat er op de knipsnee stof verloren. Bij 14x knippen is dat zoveel dat het laatste stuk geen 15cm meer kan zijn. Het antwoord in overeenstemming met de werkelijkheid hoort dus 14 te zijn.

Bij de opgave had ook nog kunnen staan: ‘je hoeft geen rekening te houden met de knipsnee’ en dat vervreemdt de opgave nog meer van de werkelijkheid: je kan niet knippen zonder een knipsnee te maken.

Dus, als je het antwoord 15 wil krijgen, moet je de som niet met een verhaaltje omschrijven. Zo gauw je er woorden bij zoekt, gaat het erom de realiteit niet uit het oog te verliezen.

[1] GA 306/20
Vertaald

Nog meer voorbeelden

Rekenen: alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – toespraak bij de kerstspelen (3)

.

In de voordrachtenreeks (GA=Gesamt Ausgabe) zijn de toespraken die Steiner hield naar aanleiding van opvoeringen van de kerstspelen, gebundeld in nr. 274 [1]:

TOESPRAKEN BIJ DE OUDE VOLKSE KERSTSPELEN

 

ANSPRACHEN ZU DEN WEIHNACHTSPIELEN AUS ALTEM VOLKSTUM

blz. 27

Dornach, 7. Januar 1917
anläßlich der Aufführung der Weihnachtspiele: Paradeis-Spiel
und Hirten-Spiel, wozu Gäste eingeladen waren

Darf ich zuerst mir erlauben, mit ein paar Worten unsere verehrten Gäste heute willkommen zu heißen und unsere Befriedigung hier auszudrücken, daß wir Sie in unserer Mitte haben, und dann mit einigen Sätzen zu kennzeichnen, was wir eigentlich mit den Vorführungen, die wir in bescheidener Weise jetzt versuchen werden, beabsichtigen. Ich bitte Sie, die Vorführungen durchaus so zu betrachten, daß sie als ein bescheidener Versuch aufgefaßt werden. Wir können nach keiner Richtung hin selbstverständlich irgend etwas Abgerundetes oder Vollkommenes bieten. Es handelt sich um sogenannte Weihnachtspiele, aber Weihnachtspiele, die doch in einer gewissen Beziehung sich unterscheiden von sonstigen, die jetzt mit jedem Jahre mehr aufgeführt werden. Ich darf 

Dornach, 7 januari 1917
n.a.v. de opvoering van de kerstspelen: paradijsspel en herderspel waarvoor gasten waren uitgenodigd

Mag ik zo vrij zijn om eerst met een paar woorden onze vereerde gasten welkom te heten en onze vreugde uit te drukken dat we ze hier in ons midden hebben en dan met een paar zinnen te schetsen waarom wij hier eigenlijk deze opvoeringen op een bescheiden manier, proberen uit te voeren. Ik verzoek u de opvoeringen vooral zo te zien dat ze als een bescheiden proberen opgevat worden. We kunnen in geen enkel opzicht natuurlijk iets bieden wat afgerond en volmaakt is. Het gaat om zgn. kerstspelen, maar kerstspelen die in een bepaald opzicht toch verschillen van andere die nu, elk jaar meer, opgevoerd worden.
Ik mag

blz. 28

kurz erwähnen, wie ich selbst dazugekommen bin, gerade die Aufmerksamkeit unserer Freunde auf diese hier vorzuführenden Weihnachtspiele zu lenken. Als ich im Jahre 1879 an die Hochschule in Wien kam, lernte ich den Professor Schröer kennen, bei dem ich zuerst hörte, und der mir dann sehr befreundet wurde. Er ist in weiteren Kreisen wenig bekannt geworden; aber er hat namentlich um die deutsche Mundartenforschung in Österreich und später um die Goethe-Forschung, wie ich glaube, noch nicht anerkannte, später anzuerkennende Verdienste. In den fünfziger Jahren widmete er sich nicht nur der Erforschung der deutschen Mundarten, wie sie bei den einzelnen deutschen Völkerstämmen in der österreichischen Monarchie vorhanden sind, sondern auch der Erforschung der Volksgebräuche und der verschiedenen, ich möchte sagen, Volkskulturschätze. Er war längere Zeit Professor am deutschen Lyzeum in Preßburg, das auf der Linie zwischen Wien und Budapest liegt, und dann Professor in Budapest; später an der Evangelischen Schule in Wien und Professor an der Technischen Hochschule in Wien. Da lernte ich ihn eben kennen.

wel kort noemen hoe ik er zelf toe ben gekomen, om juist de aandacht van onze vrienden te vestigen op deze kerstspelen die wij opvoeren. Toen ik in het jaar 1879 op de Hogeschool in Wenen kwam, leerde ik professor Schröer* kennen, bij wie ik eerst college liep en met wie ik zeer bevriend raakte. In grotere kring is hij minder bekend geworden; hij heeft zich namelijk bij het onderzoek naar dialecten in Oostenrijk en later bij het Goethe-onderzoek, volgens mij verdienstelijk gemaakt wat nog niet erkend wordt, maar later wel erkend zou moeten. In de jaren vijftig (19e eeuw) richtte hij zijn aandacht niet alleen op het onderzoeken van de Duitse dialecten zoals die bij de verschillende Duits sprekende groepen die in het Oostenrijkse koninkrijk voorkomen, maar ook op de volkse gebruiken en op de verschillende, zo zou ik willen zeggen, volkse cultuurschatten. Hij was langere tijd professor aan het lyceum in Pressburg dat op de weg ligt tussen Wenen en Boedapest, daarna professor in Boedapest; later aan de Evangelische School in Wenen en professor aan de Technische Hogeschool in Wenen. Daar leerde ik hem dus kennen.

*Karl Julius Schröer, 1825-1890, germanist. Professor aan de Technische Hogeschool in Wenen en uitgever van de ‘Chronik des Wiener Goethe-Vereins’. Van zijn werk over Goethe moet de uitgave van ‘Faust 1 en 2’ ijn Kürshners Deutscher National-Literatur met inleidingen en verklaringen worden genoemd.

Nun, in den fünfziger Jahren, nachdem Weinhold begonnen hatte, verschiedene Weihnachtspiele, namentlich aus Schlesien, zu sammeln, hat Schröer die Entdeckung gemacht, daß in der Nähe von Preßburg, in der sogenannten Oberuferer Gegend, in einem Zipfel, der eine deutsche Enklave ist, alte Weihnachtspiele leben. Diese Weihnachtspiele wurden von den Bauern direkt zur sogenannten Heiligen Zeit in jedem Winter aufgeführt. Wir wissen, daß solche Weihnachtspiele historisch zurückverfolgt werden können; sie gehen wahrscheinlich aber viel weiter zurück bis ins 10., 11. Jahrhundert. Sie nahmen, wie wir wissen, ihren Ausgangspunkt von der Kirche; sie lehnten sich zuerst an die Krippenspiele, an die Passionsspiele an, die in den Kirchen aufgeführt wurden. Dann wurden sie aber von den Kirchen abgesondert und kamen hinein ins Volk. Nun sind seither, später von Hartmann und anderen Germanisten, viele solche Weihnachtspiele gesammelt worden, die jetzt auch, seit die Anregung gegeben worden ist, an den verschiedensten Orten aufgeführt werden, Pfälzische, Oberbayrische Weihnachtspiele und so weiter. Alle diese Weihnachtspiele aber, die Sie sonst sehen können, unterscheiden sich doch in einer gewissen 

Welnu, in de jaren vijftig, nadat Weinhold* was begonnen om verschillende kerstspelen, m.n. die uit Silezië te verzamelen, had Schröer ontdekt dat er in de buurt van Pressburg, in de zogenaamde streek van Oberufer, in het puntige deel dat een Duitse enclave is, oude kerstspelen bestaan. Deze kerstspelen werden door de boeren, vlak voor de zgn. heilige tijd, iedere winter opgevoerd. We weten dat dergelijke spelen in de geschiedenis terug te volgen zijn; ze gaan waarschijnlijk wel veel verder terug, tot in de 10e, 11e eeuw. Ze zijn, zoals we weten, in de kerk begonnen; ze leunden eerst op de kribbespelen, op de passiespelen die in de kerken werden opgevoerd. Maar ze werden door de kerken daarvan toch weggehouden en ze kwamen onder het volk. Nu zijn er sindsdien, later door Hartmann** en andere germanisten, veel van dergelijke kerstspelen verzameld die ook nu, sinds dat gestimuleerd werd, op de meest verschillende plaatsen opgevoerd worden, kerstpelen uit de Palz, Oberbayern, enz. Al die kerstspelen die u elders kan zien, zijn toch op een bepaalde manier anders,

*Karl Weinhold, 1823-1901, Germanist. ‘Kerstpelen en – liederen uit Zuid-Duitsland en Silezië’, met inleidngen en verklaringen.
**Een herderspel uit de Pfalz: dit spel komt uit de verzameling ‘Volkstoneelstukken’, verzameld in Beiern en Oostenrijk-Hongarije door August Hartmann. De samensteller, Dr.phil. was archivares aan de Koninklijke Hof- en Staatsbibliotheek in München; hij leefde van 1846 tot 1917. De verzameling verscheen in 1880 in Leipzig bij uitgeverij Breitkopf en Härtel. Er mag worden aangenomen dat de opgevoerde dialectuitvoering van Rudolf Steiner is, omdat het stuk bij Hartmann geschreven Duits is. Het werd opgevoerd als ‘kerstspel ujit de Oberpfalz’. 

blz. 29

Weise von denjenigen, die Karl Julius Schröer dazumal in der Preßburger Gegend bei den sogenannten Haidbauern – so hießen diese Bauern dort in der Oberuferer Gegend – sammeln konnte. Er hat ein feines Gefühl entwickelt gerade für diese Dinge dadurch, daß er sich der Erforschung der Gebräuche der Einrichtungen bei diesen versprengten deutschen Volksstämmen in der Oberuferer Gegend gewidmet hatte, auch bei den sogenannten Heanzen, einer deutschen Enklave, dann bei den Zipser Deutschen, bei den Siebenbürgern, bei solchen im Gottscheer Ländchen, überall bei den einzelnen Volksstämmen, die aus dem Zusammenhang deutscher Sprachgebiete herausgebracht sind und kolonisiert haben in diesen Gegenden, wo man merkwürdige Dinge erhalten findet. So daß man sagen kann: Die Weihnachtspiele, die in den anderen Gegenden, im geschlossenen deutschen Sprachgebiete, leben, haben sich fortentwickelt, während wir hier in diesen Spielen etwas erhalten haben, das aus dem 16. Jahrhundert, spätestens aus den ersten Anfängen des 17. Jahrhunderts stammt und so erhalten worden ist. 

dan die Karl Julius Schröer destijds in de omgeving van Pressburg bij de zogenaamde Haidboeren – zo heetten deze boeren daar in de omgeving van Oberufer – kon verzamelen. Hij had voor deze dingen een fijnzinnig gevoel ontwikkeled doordat hij zich toelegde op het onderzoek naar de gebruiken van hoe het georganiseerd was bij de verspreide Duitse volksgroepn in de streek van Oberufer, ook bij de zgn. Heanzen, een Duitse enclave, ook bij de Zipser Duitsers, bij de Siebenbürgern, bij die in Gottscheer Ländchen, overal bij de verschillende volksgroepen die van het samenhangende Duitse spraakgebied losraakten en deze streken zijn gaan kolonialiseren, waarbij je dan opmerkelijke zaken vindt die daar bewaard zijn gebleven. Zodat je kan zeggen: de kerstspelen die in andere streken, in geïsoleerd Duits spraakgebied, leven, hebben zich verder ontwikkeld, terwijl er voor ons in deze spelen iets bewaard gebleven is dat uit de 16e, hooguit 17e eeuw stamt en zo bewaard gebleven.

Die Leute sind herübergewandert nach dem Osten, haben die Dinge mitgenommen und haben sie so erhalten, wie sie sie ursprünglich in ihrer früheren deutschen Heimat gehabt haben. Die Dinge, die immer so aufbewahrt worden sind, daß sie von Jahr zu Jahr in bestimmten Familien fortlebten, gingen mit den Generationen durch die Jahrhunderte. Jedes Jahr mußten diejenigen, die von einem älteren, in der Sache erfahrenen Mann dazu ausgesucht wurden, die er unter den Bauernburschen und Bauernmädchen geeignet fand, sie abschreiben. In der Zeit, wenn die Weinlese vorüber war, wurden die Leute ausgesucht, die er für würdig hielt, daß sie die Dinge aufführten; sie wurden dann abgeschrieben, und dadurch sind, weil sie jeder für sich abschreiben mußte, gerade die älteren Handschriften verlorengegangen. Die Handschrift, die dem einen Hirtenspiel, das wir heute sehen werden, zugrunde liegt, ist vielleicht doch aus dem Anfange des 18. Jahrhunderts stammend; das kann man dadurch konstatieren, daß sie die Tinte verwischt enthielt, weil sie eine Überschwemmung im Jahre 1809, welche die dortige Gegend bedroht hat, mitgemacht hat, so daß wir der Abschrift nach eine ziemlich alte Gestalt vor uns haben.

De mensen zijn naar het oosten vertrokken en hebben de dingen meegenomen en hebben ze bewaard zoals ze oorspronkelijk in hun vroegere Duitse vaderland waren. Die zaken die steeds zo bewaard zijn gebleven dat ze van jaar tot jaar in bepaalde families voortleefden, gingen met de generaties door de eeuwen heen. Ieder jaar moesten degenen die door een oudere man, die met die dingen ervaring had, gezocht worden onder de jongens en meisjes uit de boerenfamilies die hij voor geschikt hield om de dingen over te schrijven. In de tijd na de wijnoogst werden de mensen gezocht die hij waardig genoeg vond, om de dingen op te voeren; die werden dan overgeschreven en daardoor zijn, omdat ieder ze voor zich over moest schrijven, juist die oudere handschriften verlorengegaan. Het handschrift dat als basis dient voor het herderspel dat we vandaag gaan zien, stamt wellicht toch wel uit het begin van de 18e eeuw; dat kan je concluderen uit het feit dat de inkt verbleekt is omdat het in het jaar 1809 een overstroming meemaakte die toen daar de streek bedreigde, zodat we wat het afschrift betreft een tamelijk oude vorm voor ons hebben.

blz. 30

Aber diese Dinge leben selbst im Bewußtsein des Volkes in einer ganz wunderbaren Weise fort. Es waren, da die Manuskripte zum Teil korrumpiert waren, zuweilen Dinge ausgelassen; man sah das den Dingen an, die nicht zusammenstimmten in den Enden und Anfängen. Und Schröer hat dann einen alten Bauern, der eine Zeitlang Leiter der Dinge war, vorgenommen und gesagt: Sie, erinnern Sie sich, da muß etwas fehlen! – Und dann hat der Mann wirklich aus seinem Gedächtnis heraus selber ganze Strophen noch frei hergesagt, die eingefügt werden konnten. Also die Dinge lebten im Volke gut weiter: aus dem 16., Beginn des 17. Jahrhunderts unter diesen heutigen Bauern der Oberuferer Gegend. Heute ist zum großen Teil alles materialisiert; die Dinge sind eigentlich ausgestorben. Es ist möglich, daß es sich in einzelnen Gegenden noch in schwachen Nachzüglern findet.
Nun ist es besonders interessant, daß die Bauern, die das aufführten – ja nur Bauern waren und keine Künstler. Wir versuchen durchaus die Darstellung so einzurichten, daß sie ein Bild davon gibt, wie das unter den Bauern war. Ich habe selbst oftmals mit Schröer darüber gesprochen.

Maar deze dingen leven zelf in het bewustzijn van het volk verder op een heel wonderbaarlijke manier. Er ontbraken, omdat de manuscripten beschadigd waren, hier en daar stukken; dat kon je zien omdat tekst aan het begin en op het einde niet in overeenstemming was. En Schröer is toen met een oude boer gaan praten die er een tijdlang over ging en hij zei: ‘Weet u dat nou nog, er moet iets ontbreken!’  En toen heeft die man daadwerkelijk vanuit zijn geheugen hele strofen zonder manuscript opgezegd en die konden toen ingelast worden. Dus die zaken uit de 16e, begin 17e eeuw leefden in het volk onder de huidige boeren uit de streek van Oberufer goed verder. Nu is het grootste deel wel star vast komen te liggen; die dingen zijn eigenlijk uitgestorven. Het is mogelijk dat er in een paar streken bij verre nazaten nog wat gevonden wordt.
Nu is het bijzonder interessant dat de boeren die het opvoerden slechts boeren waren en geen kunstenaars. Wij proberen het met de voorstelling beslist zo te doen dat ze een beeld geven van hoe dat onder de boeren ging. Ik heb daar vaak met Schöer zelf over gesproken.

Wir haben uns beide außerordentlich dafür interessiert, und ich konnte mir ein Bild davon machen, wie die Dinge unter den Bauern im 15. Jahrhundert gelebt haben. Interessant ist es aber, daß man eine gewisse Stimmung mit den Dingen verband, die dadurch charakterisiert ist, daß sich die Leute, die mitspielen durften, nicht nur durch Auswendiglernen, Proben und so weiter vorbereiteten, sondern sich gewissermaßen moralisch darauf vorbereitet hatten. Es bekam jeder einen Zettel, auf dem die Vorschriften standen, die er zu erfüllen hatte. War er für würdig gehalten, mitzuspielen, so mußte er vier Bedingungen erfüllen. Die Aufführung begann dann mit dem ersten Adventsonntag, ging über Weihnachten hin bis in die Dreikönigszeit, und einzelne fanden sogar noch bis in die Faschingszeit hinein statt. Aber wie gesagt, es bekamen die Mitspielenden einen Zettel, auf dem sie ihre moralischen Bedingungen aufgeschrieben hatten. Erstens durften diejenigen, die mitzuspielen hatten, während der ganzen Zeit, was sehr wichtig ist – wenn man unter Bauern gelebt hat, so weiß man, daß diese vier Bedingungen außerordentlich wichtig sind -, sie durften nicht, wie es dastand wörtlich, zu einem Dirndl gehen in der ganzen 

We waren er beiden buitengewoon in geïnteresseerd en ik kon mij er een voorstelling van maken hoe de dingen in de 15e eeuw onder de boeren leefden. Interessant is dat men met deze dingen een bepaalde stemming verbond waarvan je kan zeggen dat de mensen die mochten meespelen, niet alleen door het uit het hoofd leren, repeteren enz. zich voorbereidden, maar ook in zekere zin zich daarop moreel voorbereidden. Ieder kreeg een papier waarop de voorschriften stonden waaraan hij zich moest houden. Wanneer hij waardig genoeg was bevonden om mee te spelen, moest hij aan vier voorwaarden voldoen. De opvoering begon met de 1e adventzondag, liep via Kerstmis tot aan Driekoningen en sommige vonden nog plaats tot in de vastentijd.
Maar zoals gezegd, de spelers kregen een brief waarop ze de morele voorwaarden opschreven. Als eerste mochten ze gedurende de hele tijd, wat zeer belangrijk is – wanneer je onder de boeren geleefd hebt, weet je dat deze voorwaarden heel belangrijk zijn -, mochten ze niet, dat stond daar letterlijk, naar de meisjes gaan, de hele tijd niet;

blz. 31

Zeit; zweitens durften sie nicht Schelmenlieder singen oder ähnliches; drittens durften sie während der ganzen Zeit nicht einen irgendwie anfechtbaren Lebenswandel führen, also sie mußten ganz ‘sittsam eingezogen leben, das heißt, sie mußten sich moralisch vorbereiten, und viertens mußten sie unbedingten Gehorsam leisten demjenigen, der als Ältester ihr Lehrmeister war, der mit ihnen diese Dinge einstudierte.
Daraufhin wurden diese Dinge einstudiert, und sie mußten sie dann aufführen in einem Wirtshaus. Die Einrichtung war so, daß einfach in Hufeisenform die Bänke für die Zuschauer gestellt wurden, und in der Mitte des Saales wurde gespielt, so daß also in demselben Raume diejenigen waren, die zuhörten, und diejenigen, die spielten. Die Leute betrachteten das durchaus als eine festliche Angelegenheit und durchaus nicht als etwas Komödienhaftes. So zum Beispiel wurde beim H&umziehen der Leute im Dorf einmal eine solche Kumpanei, wie man sie nannte – Kumpanei = das ganze Ensemble der Mitspielenden, das nannte man die Kumpanei -, mit einer profanen Musik empfangen. Da erklärten sie, das wollten sie nicht, sie seien keine Komödianten, man möge ihnen so etwas nicht antun.

ten tweede mochten ze geen schunnige liedjes zingen o.i.d.; ten derde mochten ze de hele tijd niet zo leven dat je daar aanmerkingen op zou kunnen hebben, ze moesten ethisch ingetogen leven, dat betekent dat ze zich moreel moesten voorbereiden en ten vierde moesten ze onvoorwaardelijk luisteren naar degene die als oudste hun leermeester was, die met hen deze dingen instudeerde. Vervolgens werden ze ingestudeerd en ze moesten ze in een herberg opvoeren. Het was zo geregeld dat eenvoudig de banken in hoefijzervorm voor de toeschouwers werden neergezet en in het midden van de zaal werd er gespeeld, zodat dus de spelers en de toeschouwers in dezelfde ruimte zowel waren. De spelers beschouwden dit echt als een feestelijke gebeurtenis en zeer zeker niet zoiets als een komedie. Zo werd bijv. eens een ‘kompanij’, zoals men hen noemde – kompanij= de hele spelersgroep – door een groep mensen die door het dorp liepen, ontvangen met wereldse muzaiek. Maar toen legden ze uit dat ze dat niet wilden, ze waren toch zeker geen komedianten, zoiets mocht men hun niet aandoen.

Nun, ich möchte bemerken, daß Derbheiten in den Dingen vorkommen, über die man vielleicht sogar, trotzdem es sich um die höchsten Angelegenheiten der Menschheit in dem Spiel handelt, zuweilen lachen und lächeln kann; das muß man durchaus zuschreiben der ganzen Stimmung, aus der so etwas herausgewachsen ist im Bauerntum.Man muß sich klar sein darüber, daß im Bauerntum die höchsten Angelegenheiten nicht eigentlich sentimental behandelt werden, sondern daß durchaus in die heiligsten Dinge Lustiges, Derbes sich hineinmischen kann. Das entheiligt für den Bauernverstand und für das Bauerngemüt durchaus nicht – in den dortigen Gegenden meine ich – die höchsten Angelegenheiten. Die Leute, die das sich anhörten, wollten nicht etwa bloß mit langen Gesichtern und in sentimentaler Stimmung sich die Dinge anhören, sondern sie wollten zu gleicher Zeit etwas haben, was sie über die Sentimentalität hinausschob. Wenn Sie das Hirtenspiel sehen werden, so werden Sie bemerken, nicht wahr: das Kind ist ins Krippelein gelegt; aber die Hirten wurden angehalten von ihrem Lehrmeister, nicht bloß das Kind anzubeten, sondern das Krippchenso

Nu zou ik nog willen opmerken dat er lompe taal in voorkomt, waardoor je, ondanks dat het in het spel toch om de hoogste gebeurtenissen in de mensheid  gaat, soms lachen of glimlachen moet; dat moet je toch helemaal toeschrijven aan de hele stemming in het boerse leven waaruit zoiets gegroeid is. Je moet wel weten dat men in het boerenleven met de belangrijkste gebeurtenissen in het leven eigenlijk niet sentimenteel omging, maar dat zeker wel in de meest heilige dingen ook iets vrolijks, iets lomps kan komen te zitten. Dat is voor het boerenverstand en het boerengevoel geen heiligschennis van de hoogste gebeurtenissen, zeker niet – in die streken daar, bedoel ik. De mensen die ernaar luisterden, wilden die dingen niet alleen met lange gezichten en in een sentimentele stemming aanhoren, maar ze wilden tegelijkertijd iets hebben wat boven die sentimentaliteit uitging. Wanneer u het herderspel ziet, zal u merken niet waar: het Kind is in het kribje gelegd; maar de herders werd door de leermeester voorgehouden om niet alleen het Kind te aanbidden, maar ook het kribje, als een wiegje gemaakt 

blz. 32

wie eine Wiege eingerichtet – wirklich mit den Füßen etwas zu wiegen. So daß also tatsächlich die heitere Stimmung sich hineinmischte in die ganz ernste und getragene Stimmung.
Ich bemerke, daß wir in diesen Spielen etwas haben, was zu gleicher Zeit ausgleichend, harmonisierend gewirkt hat auf die Bevölkerung. Die Bevölkerung war dazumal in den fünfziger, sechziger, siebziger Jahren, als diese Spiele noch aufgeführt wurden, man kann sagen zur Hälfte protestantisch, zur Hälfte katholisch. Während sie sonst selbstverständlich streng getrennt waren die Leute in ihren Gottesdiensten, in ihrem religiösen Kultus, fanden sie sich in diesen Spielen durchaus zusammen. Es ist sehr merkwürdig, wie man, wenn man auf dasjenige näher eingeht, das sich aus der Kultur der Mundart herausentwickelt, Zusammenhänge findet, die auf Uraltes in der Menschheit Veranlagtes hinweisen. So wie ein Dichter in niederösterreichisch-deutscher Mundart ein Gedicht verfaßt hat, das wie von selbst gleich den Homerischen Gesängen in niederösterreichischer Mundart in Hexametern ist, so sehen wir auftauchen etwas, was man hier nennt: das Singen der Kumpanei, etwas, was trotz der Verschiedenheit an die alten Chöre der griechischen Tragödie erinnert.

daadwerkelijk met de voeten wat te wiegen. Zodat dus inderdaad de vrolijke stemming zich mengde met de heel ernstige en gedragen stemming.
Ik merkte op dat we in deze spelen iets hebben wat op de bevolking evenwichtig en harmonieus werkte. De bevolking was, toen deze in de jaren vijftig, zestig, zeventig, toen de spelen nog opgevoerd werden, laten we zeggen voor de helft protestant en voor de helft katholiek. Terwijl ze anders streng van elkaar gescheiden waren in hun godsdienst, in hun religieuze cultus, voelden ze zich bij zulke spelen toch één. Heel merkwaardig is, hoe men, als je nader ingaat op wat zich vanuit de dialectcultuur ontwikkelde, samenhangen vindt die wijzen op iets oerouds dat in de mensheid als aanleg aanwezig is. Zoals een dichter in het Nederoostenrijks-Duitse dialect een gedicht geschreven heeft, dat als vanzelf net als bij de Homerus-gezangen in het Nederoostenrijks dialect in hexameters staat, zien we iets opduiken, wat men hier noemt: ‘het zingen van de kompanij’, iets wat ondanks het verschil aan de oude koren van de Griekse tragedie doet denken.

Nun, selbstverständlich, Einzelheiten, die sich ergaben im Zusammenhange mit der Bauernkultur, können wir hier nicht vorführen. Sie werden nachher sehen, daß in dem einen Spiele der Teufel eine gewisse Rolle spielt. Der Teufel wurde nicht bloß als Mitspieler verwendet. Die Leute zogen ja von Dorf zu Dorf, das waren das eigentliche Oberuferer Dorf S. Martin, Salendorf, Nikolas und so weiter, da zogen die Leute herum und führten in den Wirtshäusern, die dazu bestimmt waren, diese Dinge auf. Der Teufel aber zog sich schon früher an und lief durch das Dorf mit einem Kuhhorn und tutete zu allen Fenstern hinein
und rief so die Leute zusammen. Das können wir natürlich hier nicht nachmachen, nicht wahr. Wenn er einen Wagen kommen sah, so sprang er hinauf und erklärte den Leuten, sie müßten mit ihm kommen, sie würden etwas Schönes sehen. Es waren Aufführungen, die, ich möchte sagen, zu dieser Zeit die ganze Kultur zusammenhielten.
Nun, wir werden zwei von diesen Spielen aufführen. Bei den Bauernaufführungen war immer noch ein drittes Spiel, dazu haben wir 

Nu, vanzelfsprekend kunnen we hier niet in detail opvoeren wat met de boerencultuur samenhangt. U zal achteraf zien dat in het ene spel de duivel een bepaalde rol speelt. De duivel deed niet alleen mee als medespeler. De spelers trokken van dorp tot dorp, te weten naar Oberufer Dorf S.Martin, Salendorf, Nikolas enz. daar trokken ze naar toe en voerden in de geschikte herbergen hun spel op. De duivel daarentegen kleedde zich al eerder om en liep door het dorp met een koeienhoorn en toeterde door alle ramen naarbinnen en riep zo het volk bij elkaar. Dat kunnen wij hier niet doen, niet waar. Zag hij een boerenwagen komen, dan sprong hij erop en zei dat de mensen met hem mee moesten komen, dan zouden ze iets moois zien. Het waren opvoeringen die, laat ik zeggen, rond deze tijd het hele culturele leven verbond.
We zullen dus twee van deze spelen opvoeren. Bij de opvoeringen van de boeren was er altijd nog een derde spel, een vastenavondspel,

blz. 33

keine Ausgabe, ein Fastnacht-Spiel. Gewöhnlich wurde die Reihenfolge dann gemacht, daß zuerst das Hirten-Spiel, dann das Paradeis-Spiel – wir werden es hier umgekehrt aufführen – gespielt wurcte und zuletzt wie eine Art von satyrischem Spiel, was wiederum erinnert an uralte Einrichtungen, ein Fastnacht-Spiel aufgeführt wurde. Also es war eine wirkliche Trilogie. Wir werden hier nur das Fastnacht-Spiel nicht haben.
Also jetzt bitte ich Sie, die Sachen sich in der Mundart, die der bayrisch-österreichischen Mundart sehr ähnlich, aber doch wieder in einigem verschieden ist, anzuhören. Es soll durchaus nur ein bescheidener Versuch sein, der mit unserer anthroposophischen Sache nur indirekt zusammenhängt, ein Versuch,` geistiges Leben eines bestimmten Zeitalters herauszuholen und es historisch fortzuführen. Ich möchte sagen: es soll ein historischer Versuch sein, ein Stückchen Kultur, das man sonst nicht sehen kann, in bescheidener Weise vorzuführen.
Die Musik ist von unserem Freunde Herrn van der Pals, mit Ausnahme der Choräle, die alt sind, ganz für diese Weihnachtspiele gemacht. 

waar we geen uitgave van hebben. Meestal was de volgorde dan zo, dat eerst het herderspel, dan het paradijsspel – wij zullen het hier net andersom doen – gespeeld werd en als laatste dan een soort saterspel, dat weer doet denken aan oeroude opvoeringen, een vastenavondspel. Het was dus echt een drieluik. We zullen hier het vastenavondspel niet opvoeren.
Dus vraag ik u de dingen aan te horen in het dialect dat zeer lijkt op het Beierse-Oostenrijkse dialect, maar hier en daar toch afwijkend. Het is zeker een bescheiden poging die met onze antroposofische zaak slechts indirect samenhangt, een poging het geestelijk leven van een bepaalde tijd eruit te lichten en het historisch voort te zetten. Ik zou willen zeggen: het is een historische poging een stukje cultuur dat je anders niet kan zien, op een bescheiden manier ten tonele te brengen.
De muziek is van onze vriend de heer van der Pals,* met uitzondering van de choralen, die oud zijn, en geheel voor deze kerstspelen gecomponeerd.

*Leopold van der Pals: 1884-1966, componist aan het Goetheanum in dornach. Talrijke muziek voor de euritmie.
.

[1] GA 274

.

Rudolf Steinertoespraken bij de kerstspelen

Kerstspelen: alle artikelen

Kerstmisalle artikelen

.

1672

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

.

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (15-2)

.

Als Klaas Vaak niet komen wil

Terecht maken ouders zich zorgen als hun kind niet goed slaapt. Vaak is er met eenvoudige middelen iets aan te doen.

De slaap van een kind is heilig.
In de slaap groeit hij, verteert hij wat hij overdag aan belevenissen opnam en wordt hij wijzer. Na ingrijpende gebeurtenissen, die het kind zwaar op de maag liggen, raakt de slaap meestal als eerste verstoord. Ook angst, onrust of een ingeslepen, verkeerde gewoonte kunnen leiden tot een ongewenst slaappatroon. Zoals bij Eva, een wilskrachtige dame van 16 maanden. Zij werd plotseling iedere nacht een paar keer wakker. Omdat zij altijd fors van zich laat horen als niet direct gebeurt wat ze wil, nam haar moeder haar, voor ze de hele boel bij elkaar kon krijsen, uit bed. Ze vermoedde dat Eva last had van doorkomende kiezen en als troost mocht ze bij haar ouders in bed. Daar viel ze rustig in slaap. Na een week – de kiezen waren intussen doorgekomen – werd Eva ’s nachts nog steeds wakker. Haar ouders pakten haar op om haar te kalmeren en legden haar daarna weer in haar eigen bedje. Maar dan kon niets Eva meer tot bedaren brengen. Ten einde raad nam haar moeder haar toch maar weer bij zich in bed; wie weet had ze wel buikpijn of last van een boze droom.

‘Als je wilt kun je altijd wel een excuus vinden voor het gedrag van je kind,’ zegt Eva’s moeder nu. Bij toeval kwam ze er achter dat ze het anders moest aanpakken. Aanvankelijk wachtte ze altijd eerst even tot Eva echt begon te huilen voor ze naar haar toeging. Maar toen ze haar een keer direct bij het eerste geluidje uit bed haalde, merkte ze dat het kind nog duf en slaapdronken in haar armen hing. Zonder dat ze echt wakker werd, kon ze haar weer in haar bedje leggen. Na een paar nachten sliep Eva weer de hele nacht ongestoord door. De vicieuze cirkel was doorbroken en er was een nieuwe gewoonte voor in de plaats gekomen.

Ritueel

Gewoontevorming gaat bij de hele kleintjes pijlsnel. Als je je onrustige baby meeneemt voor een ritje in de auto omdat hij alleen van autorijden inslaapt, zal hij snel nergens anders meer willen slapen. Verandering van zo’n patroon veroorzaakt heftige reacties. Wanneer je toch besluit je aanpak te veranderen en dat, tegen alle protesten in, wilt volhouden, zijn standvastigheid en de innerlijke overtuiging dat je de goede beslissing hebt genomen bepalend voor het succes. Rituelen helpen om het ‘gewoontelichaam’ op te voeden. Het vertrouwen in steeds hetzelfde verloop, maakt voor een kind de overgang van de ene fase naar de andere gemakkelijker. Een ritueel voor de overgang van de dag naar de nacht kan bestaan uit een vaste volgorde in uitkleden, tanden poetsen, schone kleren klaarleggen, een plaat bekijken of een verhaal vertellen, een liedje zingen, een aai over de bol, een kus en dan welterusten. Een spreuk tot slot waarin een engel of een mens voorkomt die de wacht houdt over het kind als het slaapt, kan het gevoel van geborgenheid nog versterken.

Buikpijn

Voor peuters en kleuters die alles zien en horen en hypergevoelig zijn voor indrukken, kan het moeilijk zijn om het wakkere bewustzijn los te laten en zich over te geven aan de slaap. Ze hebben snel last van darmkramp of buikpijn omdat ze de (te) diep binnenkomende indrukken niet goed kunnen verteren. Je helpt ze door hun buik te omwikkelen met warme doeken die zijn gedoopt in kamillethee. Dit ontspant de buik en stimuleert de stofwisseling, waardoor ook het psychische verwerkingsproces beter verloopt. Iets warms drinken tijdens het voorlezen werkt ook ontspannend. Als je de tijd neemt voor deze dingen, kunnen (wat oudere) kinderen de gelegenheid aangrijpen om te vertellen over gebeurtenissen van de dag. Dat werkt als een soort voorvertering.

Voor kinderen die ’s ochtends niet goed wakker worden, kan een koele zoutafwassing helpen. Want om ’s avonds weer te kunnen loslaten, moet je overdag goed in je vel zitten. Wanneer deze eenvoudige middelen niet helpen, is het aan te raden samen met de arts naar de oorzaak van het slaapprobleem te zoeken.

Kamillewikkel

Leg een katoenen doek ter breedte van de buik in een schaal. Leg daarop een zeef met twee eetlepels kamillebloemen en overgiet die met kokend water. Niet laten trekken. Haal de doek uit de hete thee en leg hem op een handdoek. Rol die op en wring hem goed uit, zodat de kamilledoek erin zo droog mogelijk wordt, maar nog wel vochtig en warm blijft. Vouw de doek open en wapper tot de lap de temperatuur heeft die je kind kan verdragen. Leg hem vlug op de buik zonder dat hij verder af koelt en leg er een dikke handdoek of wollen doek zonder kieren overheen. Laat je kind zo een half uurtje rusten of ermee inslapen. Geef de kamillewikkel ’s middags of ’s avonds. Houdt dat een.aantal weken vol, las dan een pauze in en wikkel dan weer een periode. Tip: oefen eerst ‘droog’, zodat je handigheid krijgt in het snel en zeker aanbrengen van de wikkel.

Zoutafwassing

Een theelepel zout in een kwart liter koel water oplossen en daarmee (met een washand) stevig gezicht en schouders wassen. Niet afspoelen of af drogen. Doe dit zes weken, vervolgens drie weken niet en dan weer zes weken. Kijk goed naar het effect op je kind. Als de huid te intens rood wordt van de afwassing, dan halveer je de dosis. Geef een zoutafwassing alleen ’s ochtends.

.

Noor Prent, arts, in Puur kind, Weleda herfst 2000 nr. 6
(met toestemming van de auteur)
.

voor consultatiebureauswww.kinderspreekuur.nl

Michaela Glockler en Tomas GoebelKinderspreekuur

Ontwikkelingsfasenalle artikelen

Opvoedingsvragenalle artikelen

.

1671

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – toespraak bij de kerstspelen (1)

.

In de voordrachtenreeks (GA=Gesamt Ausgabe) zijn de toespraken die Steiner hield naar aanleiding van opvoeringen van de kerstspelen, gebundeld in nr. 274 [1]:

TOESPRAKEN BIJ DE OUDE VOLKSE KERSTSPELEN

 

ANSPRACHEN ZU DEN WEIHNACHTSPIELEN AUS ALTEM VOLKSTUM

blz. 14

Dornach, 26. Dezember 1915
nach einer Aufführung zweier Weihnachtspiele, eines pfälzischen
Hirtenspieles und eines Dreikönigspieles aus Oberufer bei Preßburg

Wir haben in dieser Woche zwei Weihnachtspiele an unserer Seele vorüberziehen lassen. Wir dürfen vielleicht den Gedanken aufwerfen: Ist das eine Weihnachtspiel und das andere Weihnachtspiel in demselben Sinne der großen Menschheitsangelegenheit gewidmet, die uns in diesen Tagen so lebendig vor der Seele steht? – Grundverschieden, ganz verschieden sind die beiden Spiele voneinander. Man kann sich kaum etwas Verschiedeneres denken, das dem gleichen Gegenstande gewidmet ist, als die beiden Spiele.
Wenn wir das erste Spiel betrachten: es atmet in allen seinen Teilen wunderbarste Einfachheit, kindliche Einfachheit. Seelentiefe ist darinnen, aber überall durchatmet, durchlebt von kindlichster Einfachheit. 

Dornach, 26 december 1915
na een opvoering van twee kerstspelen, een herderspel uit de Pfalz* en een driekoningenspel uit Oberufer bij Pressburg

We hebben deze week twee kerstspelen aan ons gevoel voorbij laten komen. We mogen misschien de gedachte opwerpen: is het ene kerstspel en het andere op dezelfde manier gewijd aan de grote gebeurtenis in de mensheid die ons deze dagen zo levend voor de geest staat?  Deze beide spelen zijn totaal verschillend. Je kan nauwelijks iets bedenken wat meer van elkaar verschilt en aan hetzelfde gewijd is dan deze twee spelen.

Wanneer we naar het eerste spel kijken: het ademt in alle delen de sfeer van de wonderbaarlijkste eenvoud, kinderlijke eenvoud. Er zit gevoelsdiepte in, maar overal doorademd, doorleefd van kinderlijke eenvoud.

Das zweite Spiel bewegt sich auf den Höhen des äußeren physischen Daseins. Gleich wird daran gedacht, daß der Christus Jesus als ein König in die Welt eintritt. Gegenübergestellt wird er dem anderen König, dem Herodes. Dann wird gezeigt, daß zwei Welten sich vor uns auftun: diejenige, die im guten Sinne die Menschheit weiterentwickelt, die Welt, welcher der Christus Jesus dient, und die andere Welt, welcher Ahriman und Luzifer dienen, und die repräsentiert ist durch das teuflische Element. Ein kosmisches, ein kosmisch-geistiges Bild im höchsten Sinne des Wortes. Der Zusammenhang der Menschheitsentwickelung mit der Sternenschrift tritt uns gleich vor die Augen. Nicht das einfache, primitive Hirtenhellsehen, das einen Himmelsschein findet, das man in den einfachsten Verhältnissen finden kann, sondern jene Entzifferung der Sternenschrift, zu der alle Weisheit der vergangenen Jahrhunderte notwendig ist, und aus der man enträtselt, was da kommen soll. Hereinleuchtet in unsere Welt dasjenige, was aus anderen Welten kommt. In den Traum- und Schlafzuständen wird dasjenige, was geschehen soll, gelenkt und geleitet.

Het tweede spel beweegt zich op het niveau van het uiterlijke fysieke bestaan. Van begin af aan wordt gememoreerd dat Christus Jezus de wereld als koning  zijn intrede in de wereld doet. Hij wordt tegenover de andere koning, Herodes, gesteld. Dan wordt getoond dat er voor ons twee werelden zijn: een die in goede gezindheid de mensheid verder tot ontwikkeling brengt, de wereld aan wie Christus Jezus dienstbaar is en de andere wereld aan wie Ahriman en Lucifer dienstbaar zijn en die vertegenwoordigd is door het duivelse element. Een kosmischc, een kosmisch-geestelijk beeld in de diepste zin van het woord. De samenhang van de mensheidsontwikkeling met het sterrenschrift wordt ons meteen getoond. Niet de eenvoudige, primitieve helderziendheid van de herders die het hemelschijnsel vinden, dat je in de meest eenvoudige toestanden kan vinden, maar het ontsluieren van het sterrenschrift waarvoor alle wijsheid uit de vorige eeuwen nodig is en vanwaaruit men de raadsels oplost van wat komen moet. In onze wereld valt het licht dat uit andere werelden komt. In droom- en slaaptoestanden wordt wat moet gebeuren gestuurd en geleid.

*Een herderspel uit de Pfalz: dit spel komt uit de verzameling ‘Volkstoneelstukken’, verzameld in Beiern en Oostenrijk-Hongarije door August Hartmann. De samensteller, Dr.phil. was archivares aan de Koninklijke Hof- en Staatsbibliotheek in München; hij leefde van 1846 tot 1917. De verzameling verscheen in 1880 in Leipzig bij uitgeverij Breitkopf en Härtel. Er mag worden aangenomen dat de opgevoerde dialectuitvoering van Rudolf Steiner is, omdat het stuk bij Hartmann geschreven Duits is. Het werd opgevoerd als ‘kerstspel ujit de Oberpfalz’. 

blz. 15

Kurz, überall Okkultisrnus und Magie das ganze Spiel durch- dringend.
Grundverschieden sind die beiden Spiele. Das erste tritt uns entgegen, man darf wirklich sagen in kindlicher Einfachheit und Einfalt. Doch wie unendlich mahnend ist es, wie unendlich fühlsam. Aber fassen wir zunächst einmal bloß den Hauptgedanken ins Auge. Diejenige menschliche Wesenheit, die das Gefäß vorbereiten soll für den Christus, tritt in die Welt herein. Ihr Eintritt in die Welt soll vorgeführt werden, vorgeführt werden dasjenige, was der Jesus ist für die Menschen, in deren Daseinskreis er eintritt. Ja, so ohne weiteres hat diese Idee, diese Vorstellung keineswegs diejenigen Kreise erobert, innerhalb welcher dann mit Inbrunst, mit Hingebung solche Spiele angehört worden sind wie dieses. Derjenige, von dem ich öfter gesprochen habe, Karl Julius Schröer> gehörte im 19. Jahrhundert zu den ersten Sammlern von Weihnachtspielen. Er hat die Weihnachtspiele in Westungarn gesammelt, die Oberuferer Spiele, von Preßburg nach ostwärts gelegen, und er hat die Art und Weise studieren können, wie diese Spiele im Volke dort lebten und webten.

Kortom, overal verborgen wijsheid en magie, het hele spel doordringend.

De spelen zijn totaal verschillend. Het eerste vertoont zich, je mag echt zeggen, in kinderlijke eenvoud en reinheid. Maar wat neemt het je mee, hoe oneindig invoelbaar. Maar laten we eens naar het hoofdmotief kijken. Het menselijk wezen dat het omhulsel voorbereiden moet voor het christuswezen, komt ter wereld. Getoond moet worden, opgevoerd moet worden het verschijnen in de wereld, wat Jezus is voor de mensen in wier bestaan hij intreedt. Ja, zo zonder meer zou deze gedachte, deze voorstelling niet opgenomen zijn in die groepen die dan met innig gevoel, met overgave dergelijke spelen aangehoord hebben zoals deze.
Degene over wie ik vaker heb gesproken, Karl Julius Schröer, behoorde in de 19e eeuw tot de verzamelaars van kerstspelen. Hij verzamelde de kerstspelen uit het westen van Hongarije, de spelen uit Oberufer, oostelijk bij Pressburg gelegen en hij kon de gewoonten bestuderen van hoe deze spelen daar in het volk leefden.

Es ist sehr, sehr bezeichnend, wenn man so sieht, wie von Generation zu Generation diese Spiele sich handschriftlich vererbten, und wie sich nicht etwa, wenn Weihnachten nahe war, sondern wenn Weihnachten von fern in der Zeit heranrückte, diejenigen, die im Dorf hierfür geeignet gefunden wurden, vorbereiteten, um diese Spiele darzustellen. Wenn man das sieht, so sieht man, wie innig verbunden mit dem Inhalt dieser Spiele das ganze Jahreskreislaufleben derjenigen Leute war, in deren Dorfkreisen solche Spiele aufgeführt wurden. Die Zeit, in der zum Beispiel Schröer in der Mitte des 19. Jahrhunderts diese Spiele dort gesammelt hat, war schon die Zeit, in der sie anfingen in der Art auszusterben, wie sie bis dahin gepflogen worden sind. Ja, schon viele Wochen, bevor Weihnachten heranrückte, mußten im Dorfe diejenigen Buben und Mädchen zusammengesucht werden, welche geeignet waren, solche Spiele darzustellen. Und sie mußten sich vorbereiten. Die Vorbereitung bestand aber nicht etwa bloß im Auswendiglernen und im Einüben desjenigen, was das Spiel enthält, um es darzustellen, sondern die Vorbereitung bestand zum Beispiel darinnen, 

Het is heel veelbetekenend , wanneer je zo ziet hoe deze handgeschreven spelen van generatie op generatie overgingen en hoe ze niet alleen tegen Kerst, maar al ver vóór Kerstmis door de degenen in het dorp die daarvoor in aanmerking kwamen, werden voorbereid om ze te kunnen opvoeren. Wanneer je dat ziet, zie je hoe diep verbonden de mensen die in hun dorp die spelen mochten opvoeren het hele jaar met de inhoud ervan waren verbonden. De tijd waarin bijv. Schröer in het midden van de 19e eeuw de spelen daar verzamelde, was al de tijd waarin ze begonnen te verdwijnen, zoals ze waren, zoals ze tot dan toe bewaard werden.

Ja, al weken voor het Kerst werd, moest er gezocht worden naar jongens en meisjes die ervoor in aanmerking kwamen dergelijke spelen op te voeren. En zij moesten zich voorbereiden. Dat bestond er niet alleen maar uit dat je ze uit het hoofd moest leren en instuderen wat bij het spel hoort om het te kunnen opvoeren, maar het voorbereiden betekende ook bijv. 

blz. 16

daß diese Buben und Mädel die ganze Lebensweise, die äußere Lebensweise änderten.
Von der Zeit an, wo sie sich vorbereiteten, durften sie nicht mehr Wein trinken, nicht mehr Alkohol zu sich nehmen; sie durften nicht mehr, wie es ja sonst auf dem Dorfe üblich ist, am Sonntag raufen. Sie mußten sich ganz sittsam betragen; sie mußten sanft und mild werden, durften sich nicht mehr blutig schlagen, und durften mancherlei anderes nicht, was sonst in Dörfern besonders in jenen Zeiten ganz gang und gäbe war. Da bereiteten sie sich auch moralisch durch die innere Stimmung der Seele vor. Und dann war es wirklich, wie wenn sie etwas Heiliges herumtrügen im Dorfe, wenn sie ihre Spiele aufführten.
Aber nur langsam und allmählich kam das so. Gewiß, in vielen Dörfern Mitteleuropas im 19. Jahrhundert war solche Stimmung, war die Stimmung, daß man etwas Heiliges zu Weihnachten mit diesen Spielen entgegennahm. Aber man kann nur noch vielleicht ins 18. Jahrhundert zurückgehen und noch ein bißchen weiter, und diese Stimmung wird immer unheiliger und unheiliger. Diese Stimmung war nicht etwa von Anfang an da, als diese Spiele in das Dorf kamen, durchaus nicht von Anfang an, sondern sie stellte sich erst im Laufe der Zeit heraus und ein. 

dat deze jongens en meisjes hun leven van alle dag gingen veranderen.
Vanaf die voorbereidingstijd mochten ze geen wijn meer drinken, geen alcohol gebruiken; ze mochten niet meer, wat anders in het dorp gewoonte was, ’s zondags uitgaan. Ze moesten zich heel netjes gedragen; rustig en aardig zijn; geen knokpartijen en ze mochten nog veel meer niet wat anders in de dorpen in de tijd volkomen normaal was. Ze bereidden zich ook in moreel opzicht voor door een innerlijke zielenstemming. En dan was het echt zo dat ze in het dorp met iets heiligs rondliepen als ze de spelen opvoerden.
Maar dat kwam pas langzamerhand. Zeker, in vele dorpen van Midden-Europa in de 19e eeuw heerste er zo’n stemming, de stemming dat je met iets heiligs kwam tegen de Kerst. Maar je kan maar, misschien tot in de 18e eeuw teruggaan, nog een beetje eerder en deze stemming wordt steeds minder gewijd. Die stemming was er niet meteen aan het begin toen de spelen in het dorp kwamen, zeker niet vanaf het begin, maar die ontstond in de loop van de tijd.

Es gab schon Zeiten, und man braucht nicht einmal gar so weit zurückzugehen, da konnte man noch anderes finden. Da konnte man finden, wie sich da oder dort in Mitteleuropa das ganze Dorf versammelte, und wie eine Wiege hereingebracht wurde, in der das Kind lag, und dazu allerdings das schönste Mädchen des Dorfes – schön mußte Maria sein! -, aber ein häßlicher Joseph, ein urhäßlich aussehen- der Joseph. Dann wurde eine ähnliche Szene aufgeführt, wie Sie sie heute auch haben sehen können. Aber vor allen Dingen: da verkündet wurde, daß der Christus kommt, kam die ganze Gemeinde vor, und ein jeder trat auf die Wiege. Vor allen Dingen wollte ein jeder auf die Wiege etwas getreten und das Christkind auch geschaukelt haben. Darum handelte es sich allen. Und sie machten einen ungeheuren Krakeel, der ausdrücken sollte, daß der Christ in die Welt gekommen ist. In manche ältere von solchen Spielen ist eine fürchterliche Verspottung des Joseph eingestreut, der immer als ein tättelicher Greis in diesen Zeiten dargestellt worden ist, den man auslachte.

Er waren tijden en daarvoor hoef je niet eens zo lang terug te gaan, waarin je nog andere dingen kan vinden. In Midden- Europa verzamelde zich hier en daar een heel dorp en dan werd er een wieg meegebracht waarin het kind lag en dat was natuurlijk het mooiste meisje van het dorp – Maria moest ook mooi zijn – maar een lelijke Jozef, een Jozef die er oerlelijk uitzag. Dan werd er net zoiets opgevoerd zoals u vandaag ook heb kunnen zien. Maar vooral: omdat er aangekondigd werd dat Christus komt, kwam de hele gemeente, iedereen ging naar de wieg. Iedereen wilde naar de wieg en het christuskindje gewiegd hebben. Daar ging het iedereen om. En ze maakten een verschrikkelijke herrie om te laten weten dat Christus ter wereld was gekomen. In sommige oudere spelen vind je ook vreselijk gespot met Jozef die steeds in deze tijd als een [tättelich] seniele? grijsaard neergezet werd die men uitlachte.

blz. 17

Wie sind denn Spiele solcher Art eigentlich in das Volk gekommen? Nun, wir müssen natürlich uns erinnern, daß die erste Form der größten, gewaltigen Erdenidee, des Erscheinens des Christus Jesus auf der Erde, die war des durch den Tod gegangenen Heilands, desjenigen, der durch den Tod das für die Erde gewonnen hat, was wir den Sinn der Erde nennen. Das Leiden des Christus war es zunächst, das im ersten Christentum in die Welt gekommen ist. Und dem leidenden Christus wurden in verschiedenen Handlungen die Opfer dargebracht, die im Kreislauf des Jahres sich vollzogen. Aber nur ganz langsam und all- mählich eroberte sich das Kind die Welt. Der sterbende Heiland eroberte sich zuerst die Welt; langsam und allmählich erst das Kind. Wir dürfen nicht vergessen, daß die Liturgie lateinisch war, daß die Leute nichts verstanden. Vom Messeopfer, das Weihnachten festgesetzt war, fing man allmählich an, den Leuten außer dem Meßopfer, das zu Weihnachten dreimal gehalten wird, noch etwas anderes zu zeigen. Vielleicht doch nicht so ganz mit Unrecht – wenn auch nicht auf ihn selbst, so auf Anhänger von ihm – wird die Idee, in der Weihnachtsnacht das Jesus-Geheimnis den Gläubigen zu zeigen, auf Franz von Assisi zurückgeführt, der aus einer gewissen Opposition heraus gegen die alten Kirchenformen und den alten Kirchengeist überhaupt seine ganze Lehre und sein ganzes Wesen gehalten hat.

Hoe zijn dergelijke spelen nu in het volk gekomen? Nu, we moeten er natuurlijk wel aan denken dat de eerste vorm van de grootste, geweldige gedachte op aarde, die van het verschijnen van Christus Jezus op aarde, van de Heiland die door de dood was gegaan, degene die door de dood voor de aarde bracht, wat wij de zin van de aarde noemen. Het lijden van Christus kwam aanvankelijk in het eerste christendom in de wereld. En aan de lijdende Christus werden in verschillende diensten offers gebracht die plaatsvonden in de kringloop van het jaar. Maar slechts langzaam en geleidelijk veroverde het Kind de wereld. De stervende Heiland veroverde de wereld eerst; geleidelijk pas het Kind. We mogen niet vergeten dat de liturgie in het Latijn gegeven werd, dat de mensen er niets van verstonden. De heilige mis die met Kerstmis vastgelegd was, begon langzamerhand aan de mensen naast de heilige mis die met Kerst driemaal gehouden werd, nog iets anders te vertonen. En helemaal onterecht was niet – al was het dan ook niet op hem, maar toch wel op zijn aanhangers – het idee, in de kerstnacht het geheim van Jezus aan de gelovigen te tonen, dat tot op Franciscus van Assisi* terugging die  vanuit een bepaalde weerstand tegen de oude kerkinstellingen en de oude geest van de kerk zich met zijn hele leer en heel zijn wezen verzette.

*Franciscus van Assisi, 1182-1226. Zie o.a. Rudolf Steiner ‘GA 109/111; GA 130; GA 155

Da sehen wir allmählich, langsam, wie der gläubigen Gemeinde zu Weihnachten etwas geboten werden sollte, was mit dem großen Mysterium der Menschheit, mit dem Herabkommen de`s Christus Jesus auf die Erde zusammen- hing.
Zuerst stellte man eine Krippe auf und machte bloß Figuren. Nicht durch Menschen stellte man es dar, sondern man machte Figuren: das Kindlein und Joseph und Maria, aber plastisch. Allmählich ersetzte man das durch Priester, die sich verkleideten, und die in der einfachsten Weise das darstellten. Und erst vom 13., 14. Jahrhundert ab be
gann innerhalb der Gemeinden äußerlich diejenige Stimmung, die man etwa dadurch bezeichnen könnte, daß die Leute sich sagten: Wir wollen auch etwas verstehen von dem, was wir da sehen, wir wollen eindringen in die Sache. – Und da fingen die Leute an, zunächst einzelne Teile mitspielen zu dürfen in dem, was zuerst nur von der Geistlichkeit

Nu zien wij geleidelijk, langzaam hoe de gelovige gemeente met Kerstmis iets geschonken moest worden, wat met het grote mysterie van de mensheid, met de komst van Christus op aarde, samenhing.
Eerst zette men een kribbe neer en maakte alleen figuren. Niet door mensen beeldde men het uit, maar men maakte figuren: het kindje en Jozef en Maria, maar als beelden. Langzamerhand kwamen er priesters voor in de plaats, die zich verkleedden en die het op de meest eenvoudige manier uitbeeldden. En pas vanaf de 13e, 14e  eeuw ontstond er binnen de gemeente die stemming die je ongeveer zo kan benoemen dat de mensen tegen elkaar zeiden: we willen ook iets begrijpen van wat we daar zien, we willen hier ook meer van weten. En toen mochten de mensen dan beginnen met een paar stukken mee te spelen die eerst door de geestelijkheid gespeeld waren.

blz. 18

gespielt war. Nun muß man natürlich das Leben in der Mitte des Mittelalters kennen, um zu begreifen, wie dasjenige, was mit dem Heiligsten zusammenhing, zugleich in einer solchen Weise genommen wird, wie ich es angedeutet habe. Das war damals durchaus möglich aus einem Entgegenkommen der Stimmung, daß die Gemeinde des Dorfes, die ganze Gemeinde sagen konnte: Ich habe auch mit dem Fuß an der Wiege, wo der Christus geboren worden ist, ein wenig geschaukelt. – Es ließe sich in diesem und in vielem anderen ausdrücken, zum Beispiel in dem Singen dabei, das sich zum Teil bis zum Jodeln steigerte, in alldem, das sich begeben hatte. Aber dasjenige, was in der Seele lebte, das hatte in sich selber die Stärke, man möchte fast sagen, aus einem Profanen, aus einem Profanieren des Weihnachtsged~ankens zum Heiligsten selber sich umzubilden. Und die Idee des in der Welt erscheinenden Kindes eroberte sich das Allerheiligste in den Herzen der einfachsten Menschen.
Das ist das Wunderbare gerade` bei diesen Spielen, von deren Art das erste eines war, daß sie nicht einfach so da waren, wie sie jetzt uns erscheinen, sondern so geworden sind: Frommheit in der Stimmung erst entfaltend aus Unfrommheit heraus, durch die Gewalt desjenigen, was sie darstellen! – 

Je moet natuurlijk wel wat van het leven in de middeleeuwen weten om te begrijpen hoe hetgeen wat met het allerheiligste samenhing, tegelijkertijd zo opgevat werd, zoals ik het aangeduid heb. Dat was toen wel degelijk mogelijk vanuit de stemmige houding waaruit de dorpsgemeenschap, heel de gemeenschap, kon zeggen: ik heb ook een beetje met mijn voet de wieg laten schommelen waarin Christus is geboren. Het kwam hierin – en in nog veel meer  – tot uiting, bijv. in het zingen dat voor een deel zelfs in jodelen overging, in alles wat er gebeurd is. Maar alles wat in het gemoed leefde was van zichzelf sterk, je zou bijna willen zeggen, om vanuit iets werelds, uit een wereldser worden van de kerstgedachte, die zelf in het meest heilige te veranderen. En de idee van het Kind dat op aarde geboren wordt, werd als het allerheiligste in de harten van de eenvoudigste mensen opgenomen.
Het wonderbaarlijke bij juist deze spelen is, dat ze niet waren 
zoals we ze nu zien, maar zo zijn ze geworden: de ernst van de stemming is ontstaan van een niet-ernstige, door de kracht van degenen die ze opvoeren! – Eerst moest het Kind de harten veroveren, het moest in de harten worden toegelaten. En door wat in het Kind zelf heilig was, heiligde Het de harten die hem aanvankelijk ontmoetten in een sfeer van grofheid en wildheid. Dat is het wonderbaarlijke in de ontwikkelingsgeschiedenis van deze spelen, dat in ieder spel het christusgeheim de harten en de zielen nog moest veroveren. En iets van dat ieder spel dat nog moest veroveren, zullen we dan morgen gaan beleven. Vandaag wil ik nog zeggen: niet voor niets merkte ik hoe nadrukkelijk ook het meest simpele in het eerste spel aanwezig is.

Zoals gezegd: langzaamaan kwam wat met het christusgeheim op de wereld verscheen, in de harten en de zielen van de mens. En het is eigenlijk zo dat hoe verder je teruggaat in de overlevering van de verschillende christusgeheimen, je des te meer ziet dat de uitdrukkingsvorm verheven is, geestelijk verheven: je komt in een kosmisch uitspreken,

blz. 19

kommt man hinein, je weiter man zurückkommt. – Wir haben davon schon einiges in unsere Betrachtungen einfließen lassen, und auch im vorigen Weihnachtsvortrage habe ich gezeigt, wie die gnostischen Ideen verwendet worden sind, um das tiefe Christus-Geheimnis zu verstehen. Aber selbst wenn wir noch in den späteren Zeiten des Mittelalters dieses oder jenes verfolgen, finden wir, wie da noch – in der Mitte des Mittelalters -, ich möchte sagen, gerade in den damaligen Weihnachtsdichtungen etwas von dem vorhanden war, was später weg- geblieben ist: eine Betonung des urchristlichen Gedankens, daß der Christus aus Weltenweiten hinuntersteigt, aus Geisteshöhen. Wir finden es im 11., 12. Jahrhunderte, wenn wir zum Beispiel ein solches Weihnachtslied vor unsere Seele führen:

hoe verder je teruggaat. We hebben hiervan al een paar dingen in onze beschouwingen opgenomen en ook in de vorige kerstvoordracht heb ik laten zien hoe de gnostische ideeën gebruikt zijn het diepe Christusgeheim te doorgronden. Zelfs als we een en ander in de latere middeleeuwen volgen, vinden we , hoe daarin – in het midden van de Middeleeuwen – in de kerstgedichten* nog iets aanwezig was van wat later verdwenen is: een accent op de oerchristelijke gedachte dat de Christus uit hemelverten uit geesteshoogten afdaalt.
We vinden het in de 11e, 12e eeuw, wanneer we bijv. dit kerstlied met ons gevoel benaderen:

*in de kerstgedichten: ‘Jezus in het oordeel van de eeuwen. De belangrijkste opvattingen over Jezus in theologie, filosofie, literatuur en kunst tot heden’, door Gustav Pfannmüller, Leipzig en Berlijn, B.G.Teubner-Verlag

Des menschgewordnen Gottessohnes Ehre
Verkünden fröhlich jauchzend Himmelsheere,
Und laut erschallet aus des Hirten Munde
Die frohe Kunde.

«Preis in der Höhe! und den Menschen Friede!»
So tönet es in feierlichem Liede;
Mit Staunen wird von Menschen heut` gesehen,
Was nie geschehen.

Der Himmel hell erglänzt im neuen Sterne;
Von ihm geleitet, kommen aus der Ferne
Die Weisen, und begrüßen mit Entzücken,
Den sie erblicken.

Mit ihm ist neu die Wahrheit nun geboren;
Ersetzt ist, was durch Sünde war verloren;
Es blühen herrlicher im Gnadenlichte
Des Segens Früchte.

Der Vorzeit Ahndung hat sich nun erschlossen,
Seitdem der Erde diese Frucht entsprossen,
Die Leben und Erquickung uns gewähret,
Und ewig iiähret.

blz. 20

Gekommen ist, in unser Fleisch gekleidet,
Der gute Hirt, der alle Völker weidet;
Gewohnt hat er, wie wir, in Pilgerhütten,
Für uns gelitten.

Heil nun der Erde, die sein Licht erblicket!
Durch ihn für Zeit und Ewigkeit beglücket,
Weih` jeder ihm, dem Retter, Dank und Liebe
Mit reinem Triebe.

Hilf, Christus, selbst uns dein Gesetz vollbringen,
Laß gute Taten uns durch dich gelingen,
Daß einst bei dir des ewg’en Lebens Krone
Auch uns belohne!

So war der Ton, der herunterklang von denjenigen, die noch etwas verstanden hatten von der ganzen kosmischen Bedeutung des ChristGeheimnisses.
Oder ein anderes Weihnachtsgedicht auf das Weihnachtsfest gab
es aus der Mitte des Mittelalters, etwas später als die Karolingerzeit:

Zo was de toon die tot ons klonk door hen die nog iets begrepen hadden van de grote kosmische betekenis van het christusgeheim.
Of een ander kerstgedicht op Kerstmis uit het midden van de Middeleeuwen, iets later dan de Karolingische tijd:

Der Gottessohn, von Ewigkeit erzeugt, der unsichtbar und ohne Ende;
Durch den des Himmels und der Erde Bau, und alles, was da wohnt, erschaffen,
Durch den der Tage und der Stunden Lauf vorübergeht und wiederkehrt;
Den stets die Engel in der Himmelsburg in vollharmonischem Gesange preisen,
Hat sich, von aller Erbschuld frei, mit schwachem Leib bekleidet,
Den aus Maria Er, der Jungfrau, nahm, die Schuld des ersten Vaters Adam,
Sowie die Lüsternheit der Mutter Eva zu vernichten.
Der heutige glorreiche Tag erhab`nen Glanzes zeugt, daß nun der Sohn,

blz. 21

Die wahre Sonne, durch des Lichtes Strahl die alte Finsternis der Welt zerstreute.
Nun wird die Nacht erhellt vom Lichte jenes neuen Sternes,
Der einst den himmelskund`gen Blick der Magier in Staunen setzte,
Und sieh` den Hirten leuchtet jener Schein, die da geblendet wurden
Vom hehren Glanz der himmlischen Bewohner.
O Gottesmutter, freue dich, die du bei der Geburt von einer Engelschar,
Die Gottes Lob besingt, bedienet wirst.
O Christus, du des Vaters einz`ger Sohn, der unsertwegen die Natur
Der Menschen angenommen, so erquicke du die Deinen, die hier flehen.
O    Jesus, höre mild die Bitten jener, deren du Dich anzunehmen dich gewürdigt hast, Um sie, o Gottessohn, teilhaft zu machen deiner Gottheit.]

Das ist der Ton, der, ich möchte sagen, von den Höhen der mehr theologisch gefärbten Gelehrsamkeit hinuntertönte ins Volk.
Nun hören wir auch ein wenig den Ton, der zur Weihnacht aus dem Volk selbst erklang, wenn eine Seele sich fand, die des Volkes Empfinden wiedergab:

Dat is de toon die vanaf het niveau van de meer theologisch getinte geleerdheid tot het volk klinkt.
Nu horen we ook de toon die met Kerstmis vanuit het volk zelf kwam, wanneer er een ziel was die de stemming van het volk weer kon geven:

Er ist gewaltic unde starc,
der ze winnaht geborn wart:
Daz ist der heilige Krist. jä lobt in allez daz dir ist
Niewan der tiefel eine:
dur sinen grözen ubermuot
s6 wart ime diu helle ze teile.
In der helle ist michel unrät: s
wer dä heimuote hät, 

blz. 22

DiuA sUnne schAinet nie so
lieht, der mane hilfet in niht,
Noh der liechte sterne,
jaA müet in allez daz er siht,
jaA waer er daA ze himel als6 gerne.

In himelflAch ein hüs sta»t,
ein gUl~Ain wec dar iAn gät,
Die siule die sint mermel?n, d
ie zieret unser trehtiAn
Mit edelem gesteine:
daA enkumt nieman ?n,
er ensAi vor allen sünden als6 reine.

Swer gerne zuo der kilchen gaAt
und aAne nAit daA staAt,
Der mac wol vr6liAchen leben,
den wirt ze jungest gegeben
Der Engel gemeine.
wol im daz er ie wart:
ze himel ist daz Leben alsö reine.

Ich haAn gedienet lange
leider einem manne,
Der in der helle umbe gät,
der brüevet m?ne missetat,
S?n l6n der ist boese.
Hilf mich heiliger geist,
daz ich mich von sAiner vancnisse loese.

Das ist das Gebet, das der einfache Mensch sagte und verstand. Wir haben den Herabklang gelesen, haben jetzt den Hinaufklang.
Ich will versuchen, dieses Weihnachtslied aus dem 12. Jahrhundert etwas wiederzugeben, damit wir sehen, wie auch der einfache Mensch die ganze Größe des Christus faßte und in Zusammenhang brachte mit dem ganzen kosmischen Leben.
Er ist gewaltig und stark, der zu Weihnacht geboren ward. Das ist der Heilige Christ. Es lobt ihn alles, was da ist, nur nicht ganz allei

Dat is het gebed dat de eenvoudige mens zei en begreep. We weten nu hoe het klinkt.
Ik wil proberen dit kerstlied uit de 12e eeuw zo weer te geven dat we kunnen zien hoe ook de eenvoudige mens de grootheid van Christus begreep en in samenhang bracht met het hele kosmische leven.
Hij die met Kerstmis geboren is, is machtig en sterk. Dat is de heilige Christus. Alles wat is, looft hem, maar de

blz. 23

der Teufel, der durch seinen großen Übermut so war, daß ihm die Hölle zuteil ward. In der Höhe ist mikel Unrat (mikel – das ist das alte Wort für groß, mächtig). In der Hölle ist großer Unrat. Wer da seine Heimat hat, wer also in der Hölle zu Hause ist, muß wahrnehmen: die Sonne scheint da niemals nicht, der Mond hilft, hellet niemanden, noch die lichten Sterne. Da muß jeder, der etwas sieht, sich sagen, wie schön es wäre, wenn er in den Himmel gehen könne. Er wäre ganz gern in dem Himmel. Im Himmelreich steht ein Haus. Ein goldner Weg dazu geht. Die Säulen sind Mermel, (also von Marmor), geziert mit Edelgestein. Da aber kommt niemand hinein, als der von Sünden ganz rein ist. Wer zu der Kirche geht und da ohne Neid steht, der mag wohl höheres Leben haben, denn es wird immer junges gegeben, das heißt, wenn er zuletzt sein Leben geendet hat – erinnern Sie sich, ich habe hier einmal das Wort «jüngern» vom Ätherleib eingeführt; hier haben Sie das in der Volkssprache sogar! – also wenn er «jung» ist gegeben der Engelsgemeinde, wohl ihm, daß er darauf warten kann, denn im Himmel ist das Leben rein. – Und nun sagt der, der also dieses Weihnachtslied betet: Ich habe gefangen gedient leider einem Mann, der in der Hölle umgeht, der entwickelt hat meine Missetat. Hilf mir, heiliger Christ, daß ich von seinem Gefangse, (Gefängnisse), gelöst werde, das heißt: aus dem Gefängnis des Bösen gelöst werde.

de duivel niet helemaal, die door zijn grote overmoedigheid zo was dat de hel zijn deel werd. In de hel is ‘mikel’ – dat is het oude woord voor groot, machtig – uitschot.  Er zit veel uitschot in de hel. Wie daar zijn thuis heeft, wie daar thuis is, moet merken: daar schijnt de zon echt nooit, de maan helpt, verlicht niemand, ook niet de heldere sterren. Daar moet iedereen die iets ziet, zeggen hoe mooi het zou zijn als hij naar de hemel zou kunnen gaan. Hij zou graag in de hemel willen zijn. In het hemelrijk staat een huis. Er leidt een gouden weg heen. De zuilen zijn ‘Mermel’, (dus van marmer), gesierd met edelsteen. Maar daar komt niemand binnen, wanneer hij niet gereinigd is van de zonde. Wie naar de kerk gaat en daar zonder afgunst staat, die mag wel een hoger leven hebben, want altijd zal er iets zijn wat jong is, d.w.z. wanneer uiteindelijk zijn leven is geëindigd – weet u het nog, ik heb hier eens het woord ‘jüngern’ – jonger worden – van het etherlijf gebruikt; hier komt het zowaar in de volkstaal voor! dus wanneer hij ‘jong’ aan de gemeenschap van de engelen is overgegeven, gelukkig hij die daarop kan wachten, want in de hemel is het leven rein.
En nu zegt degene die dit lied bidt: ik heb als gevangene helaas een man gediend die in de hel rondwaart, die heeft mijn zonden groot gemaakt. Help mij, heilige Christus, dat ik verlost wordt uit zijn gevangenis (Gefangse), verlost wordt, dat betekent: vrij kom uit de gevangenis van het kwaad.

Also das ist in der Sprache des Volkes:

Dat klinkt dus in de taal van volk zo:

Er ist gewaltig und stark,
Der zur Winacht geboren ward.

[1] GA 274

Aan de voorstellingen in Dornach ging een voordracht in Berlijn vooraf op 19 december 1915 met de titel: ‘Der Weihnachtsgedanke und das Geheimnis des Ich. Der Baum des Kreuzes und die Goldene Legende. Entstehung der Krippen- und Hirtenspiele’. De voordracht werd gepubliceerd in GA 165 ‘Die geistige Vereinigung der Menschheit durch den Christus-Impuls’.
In dezelfde uitgave is  ook de hier bovenstaande inleiding opgenomen, waarbij nog 2 voordrachten aansluiten die op 27 en 28 december 1915 in Dornach werden gehouden. Op 28 december 1915 houdt Rudolf Steiner ook nog een toespraak in Basel en knoopt daarbij aan de drie voordrachten in Dornach aan. Ook deze zijn in de genoemde band opgenomen.

.

Rudolf Steinertoespraken bij de kerstspelen

Kerstspelen: alle artikelen

Kerstmisalle artikelen

.

1670

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – Kinderboekbespreking (11)

.

Er zijn heel veel kinderboeken.
Ze zijn en worden door allerlei recensenten besproken. Die hebben allemaal een opvatting of een boek mooi, goed, enz. is.

Er staan vaak illustraties in. Ook die worden mooi, dan wel minder mooi of zelfs lelijk gevonden. Maar hoe geldig zijn deze criteria. Smaken verschillen en als ze opvoedkundig beoordeeld worden, spelen allerlei mensbeelden, bewust of onbewust, ook hun rol.

De kinderen zelf vormen de grootste maatstaf. Als een boek telkens voorgelezen en of bekeken moet worden; als het ‘met rode oortjes’ wordt gelezen, verslonden, zelfs, dan weet je dat de schrijver of illustrator een snaar heeft weten te raken die nog lang naklinkt. Ook de kinderen hebben een smaak en het ene zal dit, het andere dat boek fijner vinden.

In de artikelenreeks ‘Kinderboekbespreking’ op deze blog zal er een aantal de revue passeren.

bakersprookjes

Vanaf een jaar of drie kun je kinderen de eerste sprookjes vertellen. Vooral de sprookjes met een zwaan-kleef-aan thematiek sluiten aan bij de leefwereld van het jonge kind. Een aantal daarvan zijn door Liane Keiler bijeengebracht in een bundel Bakersprookjes. Meestal spelen dieren een hoofdrol in deze eenvoudige sprookjes. Peuters en kleuters verkneukelen zich bij voorbaat over het telkens terugkerende vraag- en antwoordspel. Over Eendje Gak bijvoorbeeld dat de wijde wereld in wil en Kikker Kwak tegenkomt. ‘Mag ik mee,’ vroeg Kikker Kwak. ‘Ga maar op mijn staartje zitten,’ zei Eendje Gak.

Kikker Kwak gaat op het staartje zitten en samen gaan ze de wijde wereld in. Natuurlijk komen ze steeds andere dieren tegen en ze mogen allemaal op het staartje zitten en mee gaan. Alles kan in deze verhalen. Voor volwassenen zijn sommige van deze sprookjes een beetje gek of zelfs onbegrijpelijk, maar kinderen voelen de humor moeiteloos aan.

v.a. 3jr

boek

 

Amalia Baracs, Weleda Puur Kind, herfst 2000, nr.6

.

Kinderboekbesprekingalle titels

Kinderboekbesprekingalle auteurs

.

1669

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Kinderboekbespreking (10)

.

Er zijn heel veel kinderboeken.
Ze zijn en worden door allerlei recensenten besproken. Die hebben allemaal een opvatting of een boek mooi, goed, enz. is.

Er staan vaak illustraties in. Ook die worden mooi, dan wel minder mooi of zelfs lelijk gevonden. Maar hoe geldig zijn deze criteria. Smaken verschillen en als ze opvoedkundig beoordeeld worden, spelen allerlei mensbeelden, bewust of onbewust, ook hun rol.

De kinderen zelf vormen de grootste maatstaf. Als een boek telkens voorgelezen en of bekeken moet worden; als het ‘met rode oortjes’ wordt gelezen, verslonden, zelfs, dan weet je dat de schrijver of illustrator een snaar heeft weten te raken die nog lang naklinkt. Ook de kinderen hebben een smaak en het ene zal dit, het andere dat boek fijner vinden.

In de artikelenreeks ‘Kinderboekbespreking’ op deze blog zal er een aantal de revue passeren.

Dwergenwoorden en kinderhumor

Zeker voor de peuter en de kleuter geldt dat herkennen een feest is. Het eindeloos herhalen van liedjes en verhaaltjes is als het ritme van het telkens terugkerende tij voor hem: het geeft vastheid en zekerheid.

Dag en nacht, ontbijt, middag- en avondeten, de seizoenen met de feesten die daarbij horen of het verhaaltje voor het slapen gaan, dat alles bouwt aan het vertrouwen dat een kind heeft in de wereld die hem omringt. En dat vertrouwen heeft hij de eerste járen hard nodig om – op zijn eigen manier en in zijn eigen tempo – te kunnen groeien.

De behoefte aan ritme zie je terug in de innige tevredenheid die kleine kinderen uitstralen als in een verhaaltje een bepaalde zin, een woord of een grappige klank voortdurend wordt herhaald. Hetzelfde liedje of spreuk kan maandenlang onderdeel zijn van het bedritueel zonder dat het een peuter ook maar een moment verveelt.

Tomte Tummetot

Wanneer je zelf een verhaaltje verzint om bij het naar bed gaan aan je kind te vertellen, kun je die ritmische herhaling naar hartenlust inbouwen. Maar er zijn ook voorlees- en prentenboeken die veel met herhaling werken, zoals Astrid Lindgrens prentenboek Tomte Tummetot. Tomte is Zweeds voor kabouter en Tomte Tummetot is huiskabouter op een boerenhoeve in het hoge noorden van Zweden.

‘Het is bitterkoud en in een nacht als deze letten de mensen er goed op dat het vuur in de haard niet uit gaat,’ zo begint het verhaal.
Tomte Tummetot waakt over zijn boerderij en over iedereen die er woont, ’s Nachts maakt hij zijn ronde langs de slapende mensen en de dieren in de stallen. En iedere keer weer fluistert hij hen iets toe – dwergenwoorden, en iedere keer dezelfde: ‘Veel winters en veel zomers heb ik zien komen en gaan. Heb nog geduld! Het wordt weer lente!’

Op de prenten van Harald Wiberg is de ijskoude nacht te zien. De sterren fonkelen en op iedere bladzijde zie je de rode kaboutermuts en de waakzame oogjes van Tummetot oplichten. Dit boek kun je in de winter wekenlang ’s avonds voorlezen of, met de allerkleinsten, samen bekijken.

v.a. 2jr.

boek

Amalia Baracs, Weleda Puur Kind, herfst 2000, nr.6

.

Kinderboekbesprekingalle titels

Kinderboekbesprekingalle auteurs

.

1668

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.