VRIJESCHOOL – Biografieën – Chagall (3)

.

Het geluk is niet met Chagall. Er is oorlog uitgebroken. De Russische revolutie is in volle gang. Er heerst een ijzige kou in het vervallen huis van de familie Chagall. Toch is Chagall ondanks de vele ontstellende tegenslagen, actiever dan ooit. Hij werkt onder andere aan de Academie voor beeldende kunst in Vitebsk en maakt decors en kostuums voor het nieuwe joodse theater in Moskou. De toestand in Rusland wordt langzamerhand ondraaglijk voor hem.

1917: honger, angst, koude, dood …
Chagall was gemobiliseerd en werkte reeds twee jaar achter een bureau in een Sint-Petersburgse kazerne waar hij, onder toezicht van een pietluttige kapitein, staatjes invulde.
Onder zijn raam hoorde hij het gevloek en geschreeuw van de muitende soldaten van het terugtrekkende leger. Hij ging naar buiten om te kijken wat er aan de hand was en was zo ontsteld van wat hij zag, dat hij nimmer meer een voet in de zojuist verlaten kazerne zette.

Omdat Chagall nu niets meer te doen had, bezocht hij vele bijeenkomsten van kunstenaars en op een dergelijke vergadering, in het theater Michailowsky, werd zijn naam genoemd. Een van de leden van de nieuwe regering stelde voor hem te benoemen als volkscommissaris van Beeldende Kunsten. Deze eer deed Chagall de angst om het hart slaan; en hij wilde dan ook alleen maar benoemd worden als directeur van de academie in zijn geboorteplaats. Daar zou hij tenminste te midden van familie en kennissen zijn en misschien kon hij zich in Vitebsk nuttig maken.

Zo begon een van de vreemdste experimenten van de Russische revolutie. Terwijl in het land verwoed werd gevochten, begon Chagall heel rustig zijn klein provinciestadje in een nieuw Florence te veranderen.

Bij zijn thuiskomst had hij alle leraren, alle artiesten, en zelfs de huisschilders bijeengeroepen en hun gevraagd hem te helpen bij het oprichten van een museum en een Academie van Beeldende Kunsten.

Iedereen zette zich vol enthousiasme aan het werk. Ook belangrijke artiesten, afkomstig uit Moskou en Sint-Petersburg, kwamen bij hem werken. Onder hen bevonden zich Malevitch, die als eerste een theorie ontwikkelde over abstracte kunst, Pewsner en zijn broer Gabo, die op het ogenblik beschouwd worden als de belangrijkste abstracte beeldhouwers, en Tatlin, Rodzenko, Lissintzky en Pougny. Chagall moest in zijn veranderde positie als sovjetfunctionaris — in militaire blouse en met aktetas — deelnemen aan de Comités van de Revolutie om het geld te bemachtigen, waarvan hij zijn academie kon opbouwen. Men beschouwde hem als een ongevaarlijke gek, maar de bescherming van Lunatcharski, volkscommissaris van Openbaar onderwijs, nam alle hindernissen uit de weg. Chagall had deze zware man met het sikje en het wonderlijke faungezicht in Parijs leren kennen, waar hij in ballingschap samen met Lenin en Trotski de revolutie voorbereidde. Lunatcharski werkte voor revolutionaire bladen en was Chagall komen opzoeken in de „Ruche” om een artikel te schrijven over zijn werk. De ontmoeting was heel hartelijk geweest, maar de twee mannen hadden elkaar niet begrepen. Chagall zei hem: „Vraag me vooral niet waarom je een kalf in de buik van een koe kunt zien en zo…” Geamuseerd glimlachend had Lunatcharski zijn aantekeningen gemaakt.

Toen hij deel ging uitmaken van de regering herinnerde hij zich de hem sympathieke schilder. De revolutie had zich in die tijd onder andere ten doel gesteld de avant-gardeschilders naar voren te brengen en Lunatcharski, die dit als een van zijn functies zag, had zich daarom voorgenomen om van Vitebsk een groot artiestencentrum te maken. Door deze geweldige steun — Lunatcharski behoorde tot het presidium van de Opperste Sovjet en was zeer goed bevriend met Lenin en Trotski — kon Chagall het hoofd bieden aan zijn collega’s van de Plaatselijke Sovjet, en hen zelfs als kinderen behandelen. „Het amuseerde mij geweldig om een politieke commissaris, een puber van 19 jaar, of iemand van publieke werken, flink op z’n schouder of z’n achterste te slaan. Hoewel het forse jongens waren, vooral de eerste, gaven ze zich snel gewonnen.”

Zijn invloed werd zo groot dat niemand durfde te protesteren, tot… de dag waarop de feesten ter gelegenheid van de Oktoberrevolutie werden gehouden. In plaats van, zoals dat gebruikelijk was, grote portretten van Marx te laten maken, liet hij zijn leerlingen reproducties vervaardigen van enkele van zijn eigen werken. De officiële afvaardiging uit Moskou was buitengewoon verrast toen zij zagen dat de delegaties die ter ontvangst klaarstonden, spandoeken droegen waarop groene koeien, ezels en gevleugelde paarden stonden afgebeeld. „Wat heeft dit met Marx en Lenin te maken?” vroeg men Chagall.

„Niets,” antwoordde deze opgewekt.

Vitebsk had een levend kunstcentrum in Rusland kunnen worden als de kunstenaars van de academie niet door hun eerzucht en hun jaloezie, het hadden doen mislukken.

Van de afwezigheid van Chagall, die regelmatig naar Moskou moest om materiaal te halen, maakte een groepje van hen gebruik om de leerlingen een motie te laten ondertekenen, waarin werd geëist dat de directeur binnen vierentwintig uur de academie zou verlaten.

Hongersnood in Moskou

Geschokt door dit verschrikkelijke verraad, verliet Chagall met zijn vrouw Bella en zijn enkele dagen oude dochtertje Ida, Vitebsk. Later hoorde hij dat de leraren niet in staat waren om tot overeenstemming te komen en hadden besloten uiteen te gaan na de schilderijen uit het nieuwe museum en het meubilair van de academie onderling te hebben verdeeld.

In Moskou, waar zij de overblijfselen van een huis hadden betrokken, bestonden de dagen voor Chagall en zijn vrouw uit kou en honger en zelfs, ondanks de bescherming van kameraad Lunatcharski, uit angst.
Als hij ’s ochtends wakker werd, boog de schilder zich over de wieg van zijn dochtertje om de sneeuw die zich er ’s nachts in had opgehoopt te verwijderen. Het werd een afmattende strijd om het bestaan Chagall verloor hele dagen om een paar blokjes vochtig hout, een klein stukje paardevlees te bemachtigen. Hij schrijft in zijn autobiografie: „Het geldvraagstuk bestond niet. Men had het eenvoudig niet nodig, want er was niets om te kopen.” De verdeling van levensmiddelen was van een tragische waanzin. Eens wees men hem een halve koe en een zak meel toe… een buitenkansje dat nimmermeer werd herhaald en waarna hij opnieuw gedwongen was zijn hopeloze speurtocht naar een klein beetje melk en boter voor de kleine Ida, voort te zetten. Als er geen melk was, gaf men het kind wat gezoet water, en wanneer er geen suiker meer was: water.

Bella werd aangehouden op een markt waar zij probeerde een ring te ruilen voor wat boter. Haar dienstmeisje slaagde erin stukjes brood weg te pakken en ze onder haar rokken mee naar huis te smokkelen. Ze werd gesnapt toen ze probeerde om in de trein een zaak meel mee te nemen.

Ondanks alle moeilijkheden werkte Chagall als een bezetene. Men had hem opdracht gegeven schilderingen te maken voor het nieuwe Joodse Theater, en hij had zich vol enthousiasme op dit enorme werkstuk geworpen, ondanks de schaarste aan verf en penselen. Bovendien ontwierp hij decors en kostuums voor verschillende toneelstukken.

Het Joodse Theater is thans al geruime tijd gesloten en zijn werk is, in het beste geval, ergens opgeslagen.

Schilderen met oorlogsweesjes

De schrijnendste herinnering aan deze tijd van bloed en tranen is voor Chagall zijn kortstondige functie als hoofd van twee groepen verlaten kinderen. Elk zo’n groep bestond uit een twintigtal kinderen wier ouders slachtoffer waren van de burgeroorlog. „Deze weeskinderen waren de meest ongelukkige schepsels, die ik ooit heb gezien. Eenzaam door de straten zwervend hadden zij in hun ogen nog de doodsangst voor de moordenaars van hun ouders. Verdoofd door het fluiten van kogels en het lawaai van brekende ruiten, hoorden zij in hun oren nog steeds de laatste gebeden van hun vader en moeder klinken. Sommige van de kinderen hadden gezien hoe de baard van hun vader werd uitgetrokken, hoe hun zusters werden gemarteld, nadat zij in de gauwigheid waren verkracht.”
Deze ongelukkige wezentjes waren in de steden opgepakt, waar zij in groepen ronddoolden, half dood van honger en kou. Men had ze ondergebracht in verlaten landhuizen in de omgeving van Moskou.

De komst van een nieuwe directeur-tekenleraar bracht de kinderen weer tot enthousiasme. „Zij wierpen zich op de verf als beesten op een stuk vlees,” zegt Chagall. Hij bereikte met hen verrassende resultaten. „Een van de jongens gedroeg zich alsof hij voortdurend in een staat van creatieve dronkenschap verkeerde. Hij schilderde, componeerde muziek en schreef gedichten. Een ander werkte als ingenieur: rustig construeerde hij zijn kunstwerken. Sommigen gaven de voorkeur aan abstracte kunst die een gelijkenis vertoonde met de primitieven en kunstvormen zoals die werden toegepast bij de vervaardiging van kerkramen. Lange tijd ben ik verrukt geweest van hun tekeningen en de onhandige manier waarop ze hun inspiratie tot uitdrukking brachten. Helaas moest ik ze weer verlaten.”

Ondanks het feit dat hij zijn werk bij de kinderen met veel toewijding en liefde vervulde, realiseerde Chagall zich in 1922 dat hij zich in de Sovjetunie niet langer meer op zijn plaats voelde. De conventionele schilders, die gedurende enkele jaren niet veel van zich hadden laten horen, hadden inmiddels het proletarisch realisme uitgevonden en maakten een spectaculaire come-back. Zij schakelden de vernieuwers van de schilderkunst, artiesten die baanbrekend werk hadden verricht, uit, onder het mom dat hun werk onbegrijpelijk was voor het gewone volk.

Paspoort voor Parijs

Chagall voelde zich verlaten en een vreemdeling in dit nieuwe Rusland.

Op een dag, toen hij langs het Kremlin liep, kwam hij plotseling op het idee om naar binnen te gaan en aan zijn vriend Lunatcharski te vragen hem een paspoort te bezorgen. In die tijd was Stalins ijzeren gordijn nog niet neergelaten en was het nog mogelijk dat een kunstenaar naar het Westen trok. Chagall kreeg de benodigde papieren. Hij nam huilend afscheid van zijn leerlingen en verliet, zijn vrouw Bella en de kleine Ida zouden hem achterna reizen, zijn geliefde Rusland om er nooit meer terug te keren.

„Verwacht niet dat je ooit een cent zult krijgen …”

Na afloop van de oorlog had hij weer contact kunnen opnemen met de rest van Europa. Zijn vriend, de dichter Rubiner, had hem uit Berlijn een brief geschreven. „Weet je dat je hier inmiddels beroemd geworden bent? Je doeken brengen een heleboel geld op. Verwacht overigens niet dat je ooit een cent zult krijgen van Walden. Hij denkt dat de roem jou meer dan voldoende is.” Dit alles was woord voor woord waar. Toen Chagall in Berlijn aankwam, volslagen berooid, gekleed in dikke katoenen kleren die hem door het Amerikaanse Rode Kruis waren verstrekt, ontdekte hij, dat alle doeken die hij in 1914 bij Walden had achtergelaten, verkocht waren en dat de handelaar zelf, tot overmaat van ramp, was gestorven. Ondanks de haast die hij had om naar Parijs te vertrekken waar Cendrars op hem wachtte, bleef hij in Berlijn om te trachten zijn schilderijen te achterhalen. Na negen maanden was hij de strijd moe en vertrok met in zijn bagage slechts drie van de achtergelaten werken naar Parijs.

In plaats van de 40 grote schilderijen en de 160 kleinere werken die eens in Berlijn waren, stond er een miljoen waardeloze rijksmarken voor hem op de bank.

Heel naïef, geloofde hij dat het hem geen enkele moeite zou kosten Frankrijk binnen te komen, maar op het moment dat hij in de trein wilde stappen, ontdekte hij dat hij geen visum had. Op het consulaat weigerde men hem er een te geven, omdat Frankrijk nog geen burgers uit de Sovjet-Unie toeliet. Tenslotte werd alles toch geregeld, want, ordelijk als altijd, had Chagall sinds 1914 in zijn portefeuille een bewijs van de Franse politie bewaard, waarin stond dat hij slechts voor drie maanden het land zou verlaten. „O, als u nog steeds in Parijs gehuisvest bent, kunt u natuurlijk vertrekken,” zei men hem.

Zo kon hij dus eindelijk weer op weg naar huis gaan, waar hem een zeer onaangename verassing te wachten stond…

Direct na zijn aankomst, ging hij naar „la Ruche”. Voor zijn vertrek naar Berlijn had hij vol vertouwen het slot van zijn deur met een ijzerdraadje vergrendeld, en hij verwachtte niet anders dan alles terug te zullen vinden in de staat waarin hij het had achtergelaten. Tot zijn diepe teleurstelling zag hij dat het ijzerdraadje was verwijderd en het slot vervangen was door een nieuw. Het atelier werd bewoond door een ander en alle schilderijen die hij had achtergelaten waren verdwenen, verkocht door weinig fijnzinnige collega’s. Altijd zal hij zich nog zijn grote ontgoocheling herinneren en hij is nog steeds verbitterd tegenover degenen die hem dat aandeden.

„Ik moest tien frank geven om m’n schildersezel terug te krijgen!” Chagall is zonder huis, zonder geld, zonder roem. Ja, in 1922 was de artiestenwereld van Montparnasse niet zo fijngevoelig…

.

Alle biografieën

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.