VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Over pedagogie(k) – GA 308 – voordracht 5

.

Hier volgt een eigen vertaling. Bij het vertalen heb ik ernaar gestreefd Steiners woorden zo veel mogelijk in gangbaar Nederlands weer te geven. Met wat moeilijkere passages heb ik geprobeerd de bedoeling over te brengen, soms met behulp van wat er in andere voordrachten werd gezegd. Ik ben geen tolk en heb geen akten Duits. Er kunnen dus fouten zijn gemaakt, waarvoor excuses. De Duitse tekst gaat steeds vooraf aan de vertaling. Verbeteringen of andere vertaalsuggesties e.d. zijn meer dan welkom: pieterhawitvliet voeg toe apenstaartje gmail punt com

GA 308: vertaling
inhoudsopgave; voordracht [1]  [2]  [3]  [4]   Bericht van Rudolf Steiner

RUDOLF STEINER:

DE ONDERWIJSMETHODE EN DE EXISTENTIËLE VOORWAARDEN VOOR HET OPVOEDEN

5 voordrachten gehouden te Stuttgart van 8 april t/m 11 april 1924 en een conferentie op de vrijeschool in Stuttgart. Bericht van Rudolf Steiner. (1)

5e voordracht Stuttgart, 11 april 1924, (2)
De morele opvoeding van de mens.

blz. 75

In diesen fünf Vorträgen mußte ich mir die Aufgabe setzen, die leitenden Gesichtspunkte der Waldorfschul-Pädagogik und -Methodik in einigen Strichen zu charakterisieren. Es kam mir diesmal weniger darauf an, auf Einzelheiten einzugehen, als vielmehr darauf, zu versuchen, den ganzen Geist der Pädagogik, die aus Anthroposophie herausströmen soll, zu kennzeichnen. Denn in der Tat bedürfen die Menschen heute vielleicht noch mehr als der Einzelheiten, deren Notwendigkeit nicht unterschätzt werden soll, einer durchgreifenden Erneuerung, einer durchgreifenden Erkraftung des ganzen geistigen Lebens. Und man kann sagen: In allen geistigen Berufen ist für die nächste Zukunft außer dem geistigen Inhalt, den sie brauchen, vor allen Dingen notwendig eine Erneuerung des Enthusiasmus, der aus einem im Geiste ergriffenen Welterkennen und einer solchen Weltanschauung sich entwickeln kann. Und daß der Bildner, der Seelenkünstler, denn das muß der Pädagoge werden, dieses Enthusiasmus am meisten bedarf, das fängt man heute schon an, in weitesten Kreisen zu empfinden.

In deze vijf voordrachten vond ik het mijn opdracht de basale gezichtspunten van de vrijeschoolpedagogie en vrijeschoolmethodiek in het kort te karakteriseren. Het kwam er voor mij deze keer minder op aan in detail te treden, dan wel veel meer om te proberen, de totale ductus te schetsen van de pedagogie die uit de antroposofie moet volgen. Want inderdaad hebben de mensen van tegenwoordig misschien wel meer dan de details, waarvan je de noodzaak niet moet onderschatten, een ingrijpende vernieuwing, een ingrijpende versterking nodig van het totale geestesleven. En je kan zeggen: in alle geestelijke beroepen is voor de komende tijd, naast de geestelijke inhoud die nodig is, vooral noodzakelijk een vernieuwd enthousiasme dat kan ontstaan uit een vanuit geestelijk perspectief begrepen wereld en zo’n dergelijke wereldbeschouwing. En dat híj die het doen moet, de zielenkunstenaar, want dat moet de pedagoog worden, dit enthousiasme het meest nodig heeft, begint men nu in brede kringen te beseffen.

Man sucht vielleicht nur erst noch auf Wegen, die nicht zum Ziele führen können, weil noch eine allgemeine Mutlosigkeit herrscht gegenüber einem durchgreifenden Suchen gerade auf geistigem Felde. Dasjenige, was unserer Pädagogik zugrunde liegt, ist, eine Methodik des Lehrens zu finden, die Lebensbedingungen der Erziehung durch das Lesen in der Menschennatur zu finden, durch jenes Lesen in der Menschennatur, das die Wesenheit des Menschen allmählich enthüllt, so daß wir dieser Enthüllung folgen können mit dem, was wir vom Lehrplan bis zum Stundenplan in Unterricht und Erziehung hinein- tragen.
Versetzen wir uns einmal in den Geist eines solchen Lesens im Menschen. Haben wir doch gesehen, wie das Kind in naturhafter Art wie religiös hingegeben ist an seine unmittelbare menschliche Umgebung, wie es ein nachahmendes Wesen ist, wie es in sich wahrnehmend willensgemäß ausbildet, was es unbewußt und unterbewußt aus der

Men zoekt misschien eerst nog langs wegen die niet naar het doel kunnen leiden, omdat er nog een algemene moedeloosheid heerst voor het vastberaden zoeken met name op geestelijk gebied. Wat aan onze pedagogiek ten grondslag ligt, is een leermethode te vinden, de existentiële voorwaarden te vinden voor de opvoeding door in de natuur van de mens te lezen, door zo te lezen dat het wezen van de mens zichtbaar wordt, zodat we wat ons getoond wordt, kunnen volgen met wat wij uit het leerplan tot in het lesrooster voor onderwijs en opvoeding kunnen invoeren.
Laten we ons eens die sfeer voorstellen van dat lezen in de mens. We hebben toch al gezien hoe het kind op een natuurlijke manier zich religieus openstelt voor zijn directe omgeving; hoe het een nabootsend wezen is, hoe het in zichzelf waarnemend met zijn wil tot uitdrukking brengt, wat het onbewust en onderbewust aan de

blz. 76

Umgebung erlebt. Nicht dem Inhalte nach, denn die Seele ist nach außen naturhaft erst sich offenbarender Geist, wohl aber der ganzen Konfiguration nach liegt religiöser Charakter, ich möchte sagen, in der Körperlichkeit des Kindes von dem Augenblicke an, da es in die Welt eintritt, bis zum Zahnwechsel. Und da der Mensch nicht ohne Vorbedingungen in die Welt hereintritt, da er nicht bloß kommt mit den physischen Vererbungskräften der Abstammungslinie, sondern mit den Kräften, die er sich aus vorigen Erdenleben mitbringt, so kann diese Hingabe zunächst sein an das Schöne und Häßliche, Gute und Böse, Weise und Törichte, Geschickte und Ungeschickte. Da haben wir die Aufgabe, so zu wirken in der Umgebung des Kindes, daß bis in die Gedanken und Empfindungen hinein das Kind ein nachahmendes Wesen des Guten, des Wahren, des Schönen, des Weisen werden möge.
Denkt man so, so kommt Leben in den Verkehr mit dem Kinde, und in dieses Leben in dem Verkehr mit dem Kinde kommt in ganz selbstverständlicher Weise Erziehung hinein. Erziehung wird dann nicht nur angestrebt im einzelnen Tun, sondern Erziehung wird gelebt. Und nur wenn Erziehung gelebt wird um das Kind herum, so daß sie dem Kinde nicht aufgedrängt wird, dann entwickelt sich das Kind in der rechten Art im Leben zum Menschen.

omgeving beleeft. Niet volgens wat religie inhoudelijk betekent, want de ziel is naar buiten toe van nature eerst geest die zich wil uiten, maar wel wat het geheel betreft, dat is religieus, ik zou willen zeggen, in het lichamelijke van het kind vanaf het ogenblik dat het op aarde komt, tot de tandenwisseling. En omdat de mens niet zo maar op aarde komt, niet zo maar met de fysieke erfelijkkheidskrachten uit de afstammingslijn, maar met de krachten die hij uit vorige incarnaties meebrengt, kan deze overgave allereerst het mooie en lelijke, het goede en het kwade, het wijze en het onverstandige, het bekwame en het onbekwame betreffen. Wij hebben dan de opgave, ons zo in de omgeving van het kind op te stellen, dat tot in zijn gedachten en gevoel het een nabootsend wezen van het goede, het ware, het mooie, het wijze mag worden.
Wanneer je zo denkt, komt er leven in het omgaan met het kind en in dit omgangsleven ontstaat dan vanzelfsprekend opvoeding. Opvoeding wordt dan niet alleen nagestreefd als iets wat je ernaast doet, maar opvoeding wordt dan geleefd. En alleen als opvoeding wordt geleefd rond het kind, zodat het niet aan het kind wordt opgedrongen, dan ontwikkelt een kind zich op de juiste wijze in het leven tot mens.

Dasjenige aber, was so in naturhafter Weise als eine religiös zu nennende Hingabe in priesterlichem Erziehen, so wie ich es gemeint habe, heranerzogen wird, das muß man in Erziehen und Unterricht, die verfließen zwischen Zahnwechsel und Geschlechtsreife, wiederzuerwecken verstehen, zu erwecken auf einer seelisch höheren Stufe in der zweiten Lebensepoche des Kindes zwischen dem Zahnwechsel und der Geschlechtsreife. Wir erziehen das Kind, indem wir alles, was wir an es heranbringen, bildhaft gestalten, indem wir die Erziehung zu einem künstlerischen und trotzdem echt menschlich subjektiv-objektiven Tun machen. Wir erziehen das Kind so, daß es ästhetisch dem Schönen hingegeben, das Bildhafte in sich aufnehmend, dem Erzieher und Unterrichter gegenübersteht. Da handelt es sich darum, daß an die Stelle des Religiösen das naturhaft künstlerische Empfangen der Welt tritt. Nun ist eingeschlossen in diesem naturhaft Künstlerischen – das nicht verwechselt werden darf mit dem luxuriös Künstlerischen, das in Unserer

Maar wat op een zo natuurlijke manier bij het priesterlijk opvoeden, zoals ik het bedoel, een religieuze toewijding genoemd kan worden, dat moet je bij het opvoeden en het lesgeven dat tussen de tandenwisseling en de puberteit verloopt, opnieuw weten te wekken op een hoger plan wat de ziel betreft, in die tweede leeftijdsfase tussen tandenwisseling en puberteit. We voeden het kind op wanneer we alles wat we het geven, beeldend vormgeven; wanneer we de opvoeding tot een kunstzinnig en toch een echt menselijk subjectief-objectief handelen maken. We voeden het kind zo op dat het esthetisch van het mooie houdt, de beelden in zich opneemt en in die verhouding tot de leerkracht staat. Het gaat erom dat in plaats van het religieuze het van nature kunstzinnige openstaan voor de wereld komt. Bij dit natuurlijk kunstzinnige hoort – je mag het niet verwisselen met het mondaine kunstzinnige dat in onze cultuur vaak zo’n rol speelt –

blz. 77

Kultur so vielfach spielt – in diesem rein menschlich Künstlerischen im Kinde ist dasjenige eingeschlossen, was nun auftritt als das moralische Verhalten zur Welt.
Verstehen wir das recht, dann lernen wir wissen, daß wir dem Kinde zwischen dem Zahnwechsel und der Geschlechtsreife noch nicht beikommen, wenn wir ihm Gebote geben. Wir kommen moralisch dem Kinde vor dem Zahnwechsel nicht bei, wenn wir irgendwie moralisieren. Das hat im ersten Lebensalter noch keinen Zugang zu der Seele des Kindes. Da hat nur Zugang, was wir an Moral tun, was das Kind schauen kann in dem, was sich als Moral auslebt in den Handlungen, Gebärden, Gedanken, Gefühlen der menschlichen Umgebung. Und in der zweiten Lebensepoche, zwischen dem Zahnwechsel und der Geschlechtsreife, kommen Wir dem Kinde auch noch nicht bei, wenn wir ihm Moralgebote geben. Es hat noch keine innerliche Beziehung zu dem, was in Moralgeboten liegt. Moralgebote sind für es ein leerer Schall. Beikommen können wir dem Kinde in diesem Lebensalter nur, wenn wir ihm gegenüberstehen als eine selbstverständliche Autorität, wenn das Kind, ohne daß es abstrakt weiß, was Schönheit, Wahrheit, Güte und so weiter ist, in seinem Gefühl entwickeln kann den Impuls: In dem Lehrenden und Erziehenden steht vor mir verkörperte Güte, verkörperte Wahrheit, verkörperte Schönheit. – Versteht man das Kind recht, so weiß man:

wat besloten ligt in het pure menselijk kunstzinnige in het kind en wat zichtbaar wordt als een morele houding tot de wereld.
Wanneer we dat goed begrijpen, komen we te weten dat we het kind tussen de tandenwisseling en de puberteit nog niet bereiken, wanneer we het iets gebieden. We bereiken het kind voor de tandenwisseling wat zijn moraliteit betreft, niet wanneer we op de een of andere manier gaan moraliseren. Dat neemt de ziel van het kind in die eerste fase nog niet op. Het staat alleen open voor wat wij aan moraliteit doen, wat het kind in wat we doen, kan waarnemen wat in onze gebaren, gedachten, gevoelens in de menselijke omgeving zichtbaar wordt. En in de tweede leeftijdsfase, tussen de tandenwisseling en de puberteit bereiken we het kind ook nog niet, wanneer we het morele bevelen geven. Het heeft nog geen innerlijke verhouding tot wat morele geboden betekenen. Die zijn voor hem nog een lege schaal. We bereiken het kind op deze leeftijd alleen, wanneer we voor hem staan als vanzelfsprekende autoriteit, wanneer het kind zonder abstract te weten wat schoonheid, waarheid en goedheid enz. is, in zijn gevoel de impuls kan ontwikkelen: wie hier als leraar en opvoeder voor me staat is belichaamde goedheid, belichaamde waarheid, belichaamde schoonheid.
Begrijp je het kind goed, dan weet je:

Ein abstrakt erkennendes, intellektuelles Verständnis gibt es noch nicht beim Kinde für die Offenbarung von Weisheit, Schönheit, Güte, aber die Offenbarung gibt es, die das Kind schaut in dem Blick, der Handbewegung des Lehrers und Erziehers, in der Art und Weise, wie die Worte des Lehrers und Erziehers gesprochen werden. Der Lehrende, der Erziehende selbst ist das, was das Kind, ohne daß es viele Worte ausspricht, Wahrheit, Schönheit, Güte nennt, nennt mit den Offenbarungen des Herzens. Und so muß es sein. Und wenn dann der Lehrer und Erzieher dem entspricht, was das Kind in diesem Lebensalter bedarf, dann erwächst in dem Kinde allmählich zweierlei. Erstens der Sinn, der innere ästhetische Sinn des Wohlgefallens und des Mißfallens auch für das Moralische. Das Gute gefällt dem Kinde, wenn wir es in der richtigen Weise durch unsere ganze Persönlichkeit im Beispiel an das Kind heranbringen. Und wir müssen

Een abstract kennend, intellectueel begrip is er bij het kleine kind nog niet voor wat wijsheid, schoonheid, goedheid in wezen is, maar wat het ís, ziet het kind in de blik, in de handbewegingen van de leraar en de opvoeder, in de manier waarop de woorden van de leraar en de opvoeder gesproken worden. De leraar, de opvoeder is het zelf die door het kind zonder veel woorden te spreken, waarheid, schoonheid, goedheid noemt, noemt met hartekracht. En zo moet het ook. En wanneer dan de leraar en de opvoeder waar maakt, wat het kind op deze leeftijd nodig heeft, ontwikkelen zich in het kind twee dingen. Eerst het gevoel, het innerlijk esthetische gevoel van wat fijn is en wat niet, ook wat het morele betreft. Het kind vindt het goede fijn, wanneer wij het op de juiste manier door heel onze persoonlijkheid aan het kind geven. En wij moeten

blz. 78

die Erziehung so einrichten, daß das natürliche Bedürfnis nach dem Gefallen am Guten sich entwickeln kann, ebenso das Mißfallen an dem Bösen. Wie fragt sich das Kind? Nicht in ausgesprochenen intellektuellen Worten, sondern innerlich herzhaft fragt es: Soll ich etwas tun? Ich darf es tun, denn der Lehrer tut es. Soll ich etwas unterlassen? Ich muß es unterlassen, denn der Lehrer bedeutet mir, daß es nicht geschehen darf. – So erlebt das Kind am Erzieher die Welt, die Welt in ihrer Güte, die Welt in ihrem Bösen, die Welt in ihrer Schönheit, die Welt in ihrer Häßlichkeit, in ihrer Wahrheit, in ihrer Lüge. Und dieses Gegenüberstehen dem Lehrer und Erzieher, dieses Arbeiten in den verborgenen Kräften zwischen Kindesherz und Erzieherherz, das ist der wichtigste Teil der Methodik des Lehrens, und darin liegen die Lebensbedingungen des Erziehens.
So ist gerade das Lebensalter zwischen dem Zahnwechsel und der Geschlechtsreife dasjenige, in welchem Gefallen und Mißfallen gegenüber dem Moralischen und Unmoralischen heranwachsen. Dann aber zeigt sich in alledem, was da als moralischer Gefühlsinhalt in dem Kinde heranwächst, etwas im Hintergrunde: Dasjenige, was zuerst in naturhafter Art beim Kinde vorhanden war in der ersten Lebensepoche, diese Hingabe, die religiös zu nennen ist, an die Umgebung, die tritt, ich möchte sagen, als etwas Wiedererstehendes in anderer Form in all diesem moralischen Bilden auf. 

de opvoeding zo gestalte geven dat de natuurlijke behoefte om het goede fijn te vinden tot ontwikkeling kan komen, net zo als het niet fijn vinden van het verkeerde. Hoe vraagt het kind dat? Niet met uitgesproken intellectuele woorden, maar innerlijk met zijn hart vraagt het: moet ik wat doen? Ik mag het doen, want de leraar doet het. Moet ik iets níet doen? Ik moet het niet doen, want de leraar maakt me duidelijk dat het niet mag gebeuren. – Zo ervaart het kind door de leerkracht de wereld, de wereld in het goede, de wereld in het slechte, de wereld in het mooie, de wereld in het lelijke, de wereld in de waarheid, de wereld in de leugen. In die verhouding met de leerkracht en de opvoeder, in wat er werkzaam is in de verborgen krachten tussen kinderhart en opvoederhart zit het belangrijkste deel van de onderwijsmethode en bevinden zich de existentiële voorwaarden voor de opvoeding.
Juist de leeftijd tussen de tandenwisseling en de puberteit is er een waarin sympathie en antipathie voor het morele en het immorele zich ontwikkelen. Dan wordt in alles wat er aan moreel gevoel in het kind rijpt – wat op de achtergrond – duidelijk: wat het kind in de eerste levenstijd eerst op een natuurlijke manier bezat, die overgave aan de omgeving die je religieus kunt noemen, die ontstaat weer opnieuw in een andere vorm wanneer al het morele zich vormt.

Und wir können leicht, wenn wir dazu die geschickte Seelenkraft als Lehrer und Erzieher haben, dasjenige, was als Gefallen am Guten und Mißfallen am Bösen entsteht, jetzt hinleiten zu demjenigen, was die Naturäußerungen seelisch durch- strömt. Erst ist das Kind wie naturhaft an die Natur selbst hingegeben, denn was in der Umgebung als Moralisches auffällt, das wird vom Kind an der Natur geschaut, es wird vom Kind die moralische Handbewegung empfunden, nachgeahmt, sich einverleibt. Aber was da na- turhaft ist, dieses Religiöse, es verwandelt sich, metamorphosiert sich, indem wir das Gefallen am Guten entwickeln, ins Seelenhafte hinein.
Und bedenken Sie, was das bedeutet, daß wir im Zauber des voll Unbewußten bis zum Zahnwechsel hin im Kinde das Religiöse auf naturhafte Art, in reiner Nachahmung sich entwickeln lassen. Wir stellen dadurch das Religiöse zunächst in jenes Lebensalter des Menschen

En we kunnen nu gemakkelijk, wanneer we als leraar en opvoeder daarvoor de goede krachten in onze ziel meedragen, sympathie voor het goede en antipathie voor het verkeerde in aanraking laten komen met wat aan natuurverschijnselen door de ziel gaat. Eerst is het kind nog van nature aan de natuur zelf overgeleverd, want wat het in zijn omgeving van moralitiet merkt, ziet het kind aan de natuur; het kind ervaart de moraliteit in het bewegen van de hand, dat wordt nagebootst en dat verandert, het metamorfoseert in de ontwikkeling van sympathie voor het goede als iets van de ziel.
En bedenk wel wat het betekent dat wij wat volledig onbewust als in een soort magie zich tot de tandenwisseling in het kind voltrekt, dit religieuze op een natuurlijke manier, door pure nabootsing, laten ontwikkelen. We geven daardoor het religieuze allereerst in deze levensfase van de mens de plaats

blz. 79

hinein, wo wir noch nicht antasten können die Kraft seiner in- neren freien Individualität. Wir erziehen an der Natur und tasten das Seelisch-Geistige nicht an. Und wenn wir zwischen dem Zahnwechsel und der Geschlechtsreife an das Seelische herandringen, wenn wir uns nähern müssen dem Seelischen, dann pfropfen wir nicht mehr in das Kind hinein das religiöse Fühlen, dann erwecken wir es schon, dann appellieren wir schon an das Selbst im Menschen. Da sind wir als Erzieher und Unterrichter schon praktische Freiheitsphilosophen, denn wir sagen nicht: Du mußt an das oder jenes glauben im Geist -, sondern wir erwecken das, was dem Menschen angeboren ist zu glauben. Wir werden immerfort Erwecker der kindlichen Seele, nicht Ausstopfer dieser Seele. Das ist die richtige Ehrfurcht, die wir vor jedem von dem Göttlichen in die Welt hereingesetzten Geschöpf, insbesondere vor dem Menschen, haben müssen. Und so sehen Sie das Selbst im Menschen aufkeimen, sehen, wie sittliches Gefallen und Mißfallen den religiösen Charakter empfängt.
Wenn wir nun beachten lernen, wie das Religiöse, das erst naturhaft war, sich seelisch metamorphosieren will, da legt der Lehrer und Erzieher in das Wort hinein dasjenige, was zum gefallenden Bild des Guten, Schönen, Wahren wird.

waar we de kracht van zijn vrije individualiteit nog niet kunnen aanspreken. We voeden op door de natuur en spreken geest en ziel niet aan. En wanneer we tussen de tandenwisseling en de puberteit het gevoelsgebied benaderen, wanneer we dit gebied moeten benaderen, gaan we in het kind geen religieus gevoel stoppen, dan maken we dat een beetje wakker, dan doen we al een beroep op het zelf in de mens. Dan zijn we als opvoeder en leerkracht al filosofen van de vrijheid in de praktijk, want we zeggen niet: je moet aan dit of aan dit in je geest geloven -, maar we wekken verder op wat bij de mens aangeboren is om te geloven. We gaan voortaan de kinderziel tot leven wekken, die ziel niet volproppen. Dat is de eerbied die wij voor ieder schepsels dat door het goddelijke in de wereld is gekomen, moeten hebben, in het bijzonder voor de mens. En dan zie je het zelf van de mens groeien, zie je hoe de ethische sympathie en antipathie een religieus karakter krijgt. Wanneer we nu leren waarnemen, hoe het religieuze dat aanvankelijk iets natuurlijks was, zich tot iets van het gevoel wil metamorfoseren, dan legt de leraar en opvoeder in zijn woorden wat tot een sympathievol beeld wordt van het goede, het mooie en het ware.

Dann liegt in seinem Worte das, woran das Kind hängt. Da handelt aber noch der Lehrer und Erzieher. Seine Handlungsweise wird jetzt nicht mehr nachgeahmt, sie weist zu dem, was dahintersteht. Sie regt nicht mehr das äußerlich Körperliche an, sie regt das Seelische an. Eine religiöse Atmosphäre durchzieht das moralische Gefallen und Mißfallen.
Wenn das Kind durch die Geschlechtsreife durchgegangen ist, dann beginnt erst eigentlich das Intellektuelle sich in seiner Art zu regen. Daher habe ich schon aufmerksam gemacht, daß es darauf ankommt> den Menschen wirklich dahin zu bringen, daß er das, was er verstehen soll, dann in sich selber finden kann, daß er heraufholen kann aus seinem Inn,eren, was ihm gegeben worden ist erst für die naturhafte Nachahmung, dann für die künstlerische Verbildlichung; so daß wir auch für das spätere Lebensalter an den Menschen nicht das heranbringen sollen, wo wir ihn zwingen, daß er in sich, ob er nun will oder nicht, logische Überwältigung empfindet.

Dan ligt in zijn woorden, waar het kind naar verlangt. Maar daarbij is de leraar of opvoeder nog actief. Zijn manier van doen wordt niet meer nagebootst, maar wijst op iets wat erachter ligt. Dat stimuleert niet meer het uiterlijk lichamelijke, dit stimuleert het gevoel. Een religieuze sfeer doortrekt de morele sympathie en antipathie.
Wanneer het kind door de puberteit is gegaan, begint eigenlijk pas het intellectuele zich op zijn manier te manifesteren. Daarom heb ik er al op gewezen dat het erop aankomt, de mens daadwerkelijk zo ver te brengen dat hij hetgeen hij moet begrijpen, in zichzelf kan vinden, dat hij vanuit zijn binnenste kan putten wat aan hem is gegeven, eerst om van nature  na te bootsen, dan het kunstzinnige verbeelden; zodat we ook voor de latere levensfase de mens niet iets moeten meegeven waarbij wij hem dwingen of hij nu wil of niet, iets in zichzelf te ervaren van een overweldigende logica.

blz. 80

Es war schon ein großer Augenblick in der Entwickelung des deutschen Geisteslebens, als gerade mit Bezug auf das moralische Erleben Schiller sich entgegengesetzt hat der Kantische`n Moralauffassung. Denn als Kant die Worte ausgesprochen hatte: Pflicht! du erhabener, großer Name, der du nichts Beliebtes, was Einschmeichelung bei sich führt, in dir fassest, sondern Unterwerfung verlangst – da widersetzte sich dem Schiller. Einem solchen Pflichtbegriff widersetzte er sich, der das Moralische nicht aus dem Urquell des guten Willens hervorgehen läßt, sondern aus der Unterwerfung unter das Sittengebot. Schiller setzte ja seine denkwürdigen Worte, die ein wirkliches Moralmotiv enthalten, dem Kantischen Pflichtbegriff gegenüber: «Gerne dien ich den Freunden», so sagt Schiller, «doch tu ich es leider mit Neigung, und so wurmt es mir oft, daß ich nicht tugendhaft bin.» Erst wenn die Pflicht anfängt, innerste menschliche Neigung zu sein, wenn sie das wird, was Goethe mit dem Worte ausgesprochen hat: «Pflicht, wo man liebt, was man sich selbst befiehlt», da wird die ganze Moral zu demjenigen, was aus dem reinen Menschentum hervorquillt. Das war ein großer Augenblick, als dazumal die «Verkantung» des Moralischen wiederum menschlich gerundet wurde durch Schiller und Goethe.

Het was zeker een groots ogenblik in de ontwikkeling van het Duitse geestesleven toen juist wat het morele leven betreft Schiller zich keerde tegen de opvatting van Kant over de moraal. Want toen Kant de woorden gesproken had: ‘plicht, jij verheven grote naam, jij die niets aangenaams bevat waarmee je bij mensen in het gevlij komt, maar onderwerping eist* – verzette Schiller zich daartegen. Tegen zo’n begrip van plicht verzette hij zich omdat dit begrip het morele niet vanuit de oergrond van de goede wil laat komen, maar uit de onderwerping aan een zedelijk gebod. Schiller plaatste zijn gedenkwaardige woorden die een echt moraalbegrip bevatten tegenover het begrip van plicht bij Kant. ‘Graag dien  ik vrienden’**, zei Schiller, maar helaas ik ben ertoe genegen – en zo knaagt aan mij vaak het zelfverwijt, dat ik niet deugdzaam ben’.*
Pas als de plicht begint meest innerlijke menselijke genegenheid te zijn, wanneer ze wordt wat Goethe*** met de woorden uitgesproken heeft: ‘Plicht, wanneer je houdt van wat je je zelf oplegt,’ wordt moraal wat uit het zuivere menszijn opwelt. Dat was een groot ogenblik toen het [Duits heeft hier ‘Verkantung’ – een woordspeling naar Kant, een vorm van ‘omkantelen’ dus weer gedraaid naar het menselijke] morele weer door Schiller en Goethe iets menselijks werd,

*Immanuel kant, ‘Kritiek van de praktsiche oordeelsvorming’ (1788), 1e deel, 3e hfd.
**Friedrich von Schiller in de Xenie ‘Gewissenskrupel’.
***Goethe: ‘Spreuken in prosa’, 6e deel, ethisch

Aber dasjenige, was dazumal gequollen ist aus deutschem Geistesleben, es ist untergetaucht in die materialistische Gesinnung des neunzehnten Jahrhunderts. Wir finden es noch heute so. Wir müssen den Menschen wiederum herausheben, herausheben aus demjenigen, was in der Zivilisation entstanden ist durch das Vergessen dieser auch auf dem moralischen Gebiete so großen Tat. Zuerst obliegt dieses Wiederherausheben des Menschen, jetzt im Kleid des wahrhaft Menschlichen, auch Moralischen, denjenigen, die zu erziehen, zu unterrichten haben. Und in diesem Bewußtsein wird der Impuls eines lebendigen Erziehens und Unterrichtens entstehen können. Man möchte sagen: Gerade jene Sonne des deutschen Geisteslebens, die da in Schiller und Goethe auch auf moralischem Gebiete leuchtet, die sollte insbesondere herunterscheinen auf all dasjenige, was Tat werden kann durch den Erziehenden und Lehrenden von heute, der die Aufgabe seiner Zeit versteht, der entwickeln will durch das Erziehen und Unterrichten ein

maar wat toentertijd ontsproot uit het Duitse geestesleven, is ondergegaan in de materialistische opvattingen van de negentiende eeuw. We treffen het nog zo aan. We moeten de mensen daar weer uit halen, uit halen uit wat in de beschaving ontstaan is door het vergeten van die grote daad op het gebied van de moraal. Allereerst is dit er weer uit halen van de mens een taak, nu in het gewaad van het waarachtig menselijke, en het morele, voor degene die moeten opvoeden en onderwijzen. In dit bewustzijn zal de impuls van een levend opvoeden en onderwijzen kunnen ontstaan. Je zou willen zeggen: juist die zon van het Duitse geestesleven, die in Schiller en Goethe ook op moreel gebied schijnt, moet in het bijzonder omlaag stralen op alles wat daad kan worden door de opvoeder en onderwijzer van nu, die de opdracht van zijn tijd begrijpt, die door het opvoeden en onderwijzen een

blz. 81

menschliches Verhältnis des Menschen zu sich selbst und zu den wahrhaften Bedürfnissen der Zeitkultur. Zu sprechen von der Stellung der Erziehung im Persönlichen des Menschen und in der Zeitkultur war ja die Aufgabe dieser Erziehungstagung. Wir werden an diese Aufgabe nur herankommen, wenn wir auch dasjenige dankbar ins Auge fassen, was durch die großen erleuchteten Geister, wie die genannten, an Impulsen schon hereingekommen ist in die Entwickelung Mitteleuropas. Nicht nur den kritischen Sinn wollen wir entwickeln, wenn wir unsere Stellung in der Welt ergreifen wollen, sondern vor allen Dingen die Dankbarkeit gegenüber dem, was Menschen, die uns vorangegangen sind, schon geleistet haben.
Und so könnte man sagen: Man redet eigentlich nur von Selbsterziehung, wenn man meint die Art, wie der Mensch sich selber erzieht; aber alle Erziehung ist nicht nur in diesem subjektiven Sinne, sondern auch im objektiven Sinne Selbsterziehung, nämlich Erziehung des Selbstes des andern. Und im Deutschen hängt erziehen zusammen mit ziehen. Was man heranzieht, läßt man aber in seiner Wesenheit ungeschoren. 

menselijke verhouding van de mens met zichzelf en tot de echte noden van de tijd wil ontwikkelen. Om over de plaats van de opvoeding in het persoonlijke leven van de mens en in de cultuurtijd van nu te spreken, was de eigenlijke opgave van deze opvoedingsconferentie. We kunnen deze opgave alleen vervullen wanneer we met dankbaarheid het oog richten op wat door de grote verheven geesten, die ik genoemd heb, al aan impulsen in de ontwikkeling van Midden-Europa gekomen is. We willen niet alleen maar een kritische zin ontwikkelen, wanneer we onze plaats in de wereld innemen, maar vooral dankbaarheid voor wat de mensen die ons zijn voorgegaan, al hebben bewerkstelligd.
En dus zou je kunnen zeggen: je hebt het eigenlijk alleen maar over zelfopvoeding, wanneer je de manier bedoelt waarop de mens zich zelf opvoedt; maar al het opvoeden is niet slechts in deze subjectieve zin, maar ook in objectieve zin zelfopvoeding, namelijk opvoeding van het zelf van de ander. En in het Duits hangt opvoeden (erziehen) met (ziehen) -trekken, samen. Wat je aantrekt, laat je echter in zijn wezen ongemoeid.

Will man einen Stein aus dem Wasser ziehen, so zerschlägt man ihn nicht. Erziehung fordert nicht, daß man das Menschenwesen, das in die Welt hereintritt, in irgendeiner Weise zerschlägt oder vergewaltigt, sondern es heranzieht zu dem Erleben der Kulturstufe, auf der die Menschheit in dem Zeitpunkte steht, in dem dieses Menschenwesen heruntergestiegen ist aus göttlich-geistigen Welten in die sinnliche Welt.Alle diese empfundenen und gefühlten Ideen, sie gehören zur Methodik des Lehrens. Derjenige, der sie nicht drinnen hat in der Methodik, kann am wenigsten die Stellung der Erziehung in der Gegenwart verstehen.
Und während wir moralisch wachsen lassen das Gefallen am Guten, das Mißfallen am Bösen, während wir seelisch erwachen lassen das Religiöse, das erst naturhaft beim Kinde da war, bildet sich wiederum im Untergrunde, im Keimhaften zwischen dem Zahnwechsel und der Geschlechtsreife die Anlage aus beim Menschen, der durch die Geschlechtsreife hindurchgegangen ist, für das In-Freiheit-Begreifen desjenigen, was man schon in sich selber hat. Wir bereiten das freie Erfassen der Welt auch für das Religiöse und Sittliche vor. Es

Als je een steen uit het water wil halen, moet je zorgen dat die niet oplost. Opvoeding verlangt niet dat het mensenwezen dat op aarde komt door jou op een of andere manier kapot gaat of geweld wordt aangedaan, maar wel dat je ervoor zorgt het in contact te brengen met de fase van de cultuur waarin de mensheid zich nu bevindt en waarin het kind is geïncarneerd vanuit de goddelijk-geestelijke wereld in de zintuiglijke wereld. Al deze ideeën die worden beleefd en gevoeld, behoren bij de methodiek van het onderwijzen. Degene die ze niet in zijn onderwijsmethodiek heeft zitten, kan het minst de plaats van de opvoeding in de tegenwoordige tijd begrijpen.
En terwijl wij in de moraliteit laten groeien de sympathie voor het goede, de antipathie voor het kwade, terwijl we in de ziel het religieuze gevoel laten groeien dat eerst van nature in het kind zit, ontstaat opnieuw in diepere lagen, als kiem tussen de tandenwisseling en de puberteit de aanleg bij de mens die door de puberteit is gegaan, voor het in vrijheid begrijpen van wat al in hem aanwezig was. We bereiden de vrije opvatting over de wereld, ook wat betreft het religeuze als ook het morele, voor.

blz. 82

ist ein Großes, wenn der Mensch es erleben kann, wie er Gefallen und Mißfallen, Durchdringung seines ganzen Gefühlslebens mit dem moralisch Guten und Bösen durch sein zweites Lebensalter erfahren hat. Dann quillt in ihm der Impuls auf: Das, was dir gefallen hat als gut, das mußt du tun, was dir mißfallen hat, mußt du unterlassen. – Dann quillt das Moralprinzip heraus aus demjenigen, was nun schon im Selbst des Menschen ist; dann ersteht die religiöse Hingabe im Geiste an die Welt, nachdem sie zuerst naturhaft in der ersten Epoche, seelenhaft in der zweiten Epoche da war. Da wird das religiöse Gefühl und auch der religiöse Willensimpuls dasjenige, was den Menschen so handeln läßt, als ob der Gott in ihm handelte. Das wird zum Ausdruck des menschlichen Selbstes, wird nicht etwas äußerlich Aufgepfropftes. Alles erscheint aus der menschlichen Natur erstanden und geboren nach der Geschlechtsreife, wenn man das Kind in entsprechender Weise heran- gebildet hat, so wie es dem Verständnis des Menschenwesens eben entspricht.

Het is een groot goed, wanneer de mens kan beleven hoe hij sympathie en antipathie, het doordríngen met het moreel goede en slechte door zijn tweede levensfase heen, ervaren heeft. Dan ontvlamt in hem de impuls: wat je fijn vond omdat het goed is, dat moet je doen; waar je een hekel aan had, dat moet je nalaten. – Dan stijgt het principe van de moraal omhoog uit wat nu aanwezig is in het zelf van de mens; dan ontstaat de religieuze devotie in de geest voor de wereld, nadat die eerst van nature in de eerste levensfase, in het gevoelsleven in de tweede fase, aanwezig was. Dan wordt het religieuze gevoel en ook de religieuze wilsimpuls tot iets wat de mens zo doet handelen alsof God in hem werkzaam is. Daarmee drukt het zelf zich dan uit, wordt niet iets dat er van buitenaf ingepropt is. Alles komt te voorschijn uit de mensennatuur, ontstaan en geboren na de puberteit, als je het kind op een adequate manier gevormd hebt, in overeenstemming met wat je van het mensenwezen begrijpt.

Da aber muß man, wie ich es bereits andeutete, vor sich haben das ganze Menschenwesen, wie es lebt in seinem Erdenwandel von der Geburt bis zum Tode. Wie leicht nimmt man es in der Pädagogik mit dem Ausgehen davon, daß man das Kind beobachten will. Man beobachtet es heute äußerlich experimentell; dann will man aus dem, was man nun am Kinde wahrnimmt, die Methodik des Lehrens schauen. Das kann man nicht. Denn derjenige, der zum Beispiel aus einem cholerischen Temperament, dem er die Zügel schießen läßt, als Lehrer und Erzieher jähzornige Handlungen entwickelt, der bereitet den Keim für Gicht, Rheumatismus, für Ungesundung des ganzen Organismus im höheren Menschenalter. Und in vieler anderer Beziehung ist das so der Fall. Wir haben stets den ganzen Menschen in seiner Erden- zeit vor uns, wenn wir etwas zu tun haben mit einem Geschehen, das in einem einzelnen Lebensalter vor sich geht. Dessen müssen wir eingedenk sein. Wer da hängt an jenen Trivialitäten, die man häufig als Anschauungsunterricht heute hat, wo man sich verschanzt hinter dem auf der einen Seite selbstverständlichen, auf der anderen Seite törichten Wort: An das Kind soll Anschaulichkeit nur herangebracht werden, wofür es eben das Begriffsvermögen hat -, nun, der kommt eben zu

Dan moet je wel, zoals ik al eerder zei het totale mensenwezen voor je zien, het leven in de loop van het aardse leven vanaf de geboorte tot de dood. Hoe gemakkelijk gaat men er in de pedagogie niet vanuit dat men het kind wil waarnemen. Maar tegenwoordig observeert men het uiterlijk in experimenten; dan wil men uit wat men aan het kind waarneemt, de leermethode aflezen. Dat kan men niet. Want degene die bijv. vanuit een cholerisch temperament dat hij de vrije teugel laat, als leraar en opvoeder opvliegend handelt, legt de kiem voor jicht, reumatiek, voor het ongezond maken van heel het organisme op een latere leeftijd. En op veel meer gebieden is dit zo. We hebben steeds de hele mens tijdens zijn aardeleven voor ogen wanneer we te maken krijgen met wat in een individueel leven gebeurt. Daarop moeten we bedacht zijn. Wie van die trivialiteiten houdt, die je tegenwoordig als aanschouwelijkheidsonderwijs hebt, waarbij men zich verstopt achter enerzijds vanzelfsprekende, anderzijds dwaze woorden:  je moet het kind alleen die aanschouwelijkheid geven die het begrijpen kan – wel, diegene komt dan tot

blz. 83

all den Trivialitäten, denen gegenüber man die Wand hinaufkriechen möchte. Dem muß entgegengesetzt werden jenes tiefere Menschheitsgesetz, das uns zum Bewußtsein bringt, was es für die Vitalität des Menschen bedeutet, wenn er als Vierzigjähriger plötzlich darauf- kommt: Du verstehst jetzt erst das, was dir die verehrte Autorität vorgedacht und vorgelebt hat. Damals nahmst du es auf, weil dir die Autorität die Verkörperung von Wahrheit, Güte, Schönheit war. Jetzt hast du Gelegenheit, das Gehörte ins volle Bewußtsein heraufzuholen.
Solch ein Heraufgeholtes wirkt ungeheuer verjüngend, vitalisierend im späteren Lebensalter. Und all das muß man im späteren Alter entbehren, wenn beim Erziehen und Unterrichten nicht darauf gesehen worden ist, daß nun wirklich in den Untergründen etwas von dem ist, was eben erst später verstanden werden kann. Leer und öde wird die Welt, wenn nicht immer von neuem aus dem Inneren der Menschennatur aufquellen kann, was die äußere Anschauung durchsetzt mit Geist und Seele. So geben wir dem Menschen in voller Freiheit Vitalität für sein ganzes Leben, wenn wir in dieser Weise erziehen.

al die trivialiteit waar je van steigert. Daartegenover moet een diepere wetmatigheid komen te staan die werkzaam is in de mensheid, die ons bewust laat zijn wat het voor de vitaliteit van de mens betekent, wanneer hij er als veertigjarige plotseling op komt: nu begrijp ik pas echt wat de vereerde autoriteit voorgedacht en voorgeleefd heeft. Toen nam ik het aan, omdat de autoriteit de belichaming was van waarheid, goedheid, schoonheid. Nu heb ik gelegenheid, wat ik toen hoorde, vol bewust te begrijpen.
Wat daar naar bovenkomt, werkt buitengewoon verjongend, vitaliserend in het latere leven. En dat moet je op latere leeftijd missen, wanneer er bij het onderwijs en de opvoeding niet op gelet is dat er echt in het onderbewuste iets zit wat pas later wordt begrepen. Leeg en kaal zou het in de wereld worden, wanneer er niet steeds opnieuw vanuit het menselijk innerlijk opborrelen kan, wat de uiterlijke waarneming vult met geest en ziel. Zo geven we de mens in volle vrijheid vitaliteit voor zijn hele leven, wanneer we op deze manier opvoeden.

Und ich darf erwähnen, was ich oft gesagt habe: Ein wirklicher Unterrichter und Erzieher muß stets das ganze menschliche Leben vor sich haben, muß zum Beispiel hinscha~en auf jene wunderbare Äußerung manches Menschen im Greisenalter: Es braucht einer nur zu kommen und gar nicht viel zu sagen, was er erregt, trägt einen segnenden Stempel. In jeder Handbewegung, die er macht, liegt etwas Segnendes, Das ist manchem an der Schwelle des Todes stehenden Menschen eigen. Woher hat er das? Er hat das, weil er in der Kindheit auf na- türliche Art hat aufschauen, hat sich hingeben gelernt. Das verehrende Aufschauen und Hingeben im Kindesalter wird zur Macht des Segnens im späteren Lebensalter. Man darf sagen: Keiner kann am Ende des Erdenlebens die Hand zum Segnen ausbreiten, der sie nicht als Kind auf natürliche Weise hat falten gelernt zum Gebet. Aus der Faltung der Hände zum Gebet, aus jener frommen Hingabe im Kindheitsalter entsteht die Kraft des Begnadens im höchsten Lebensalter an der Schwelle des Todes. Denn alles das, Was keimhaft in dem Kinde angedeutet ist, alles das bildet sich aus als gute oder böse Frucht für das

En ik mag wel noemen, wat ik al vaak heb gezegd: een echte onderwijzer en opvoeder moet steeds het hele mensenleven voor zich zien, moet bijv. kijken naar het bijzondere wat je bij sommige mensen wanneer ze oud zijn, ziet: iemand hoeft maar te komen en helemaal niet veel te zeggen, maar wat hij oproept draagt het stempel van zegenen. In iedere handbeweging die hij maakt, ligt iets zegenends. Dat is sommige mensen die voor de poort van de dood staan, eigen. Waar komt dat vandaan? Dat komt, omdat hij in zijn kindertijd op een natuurlijke manier heeft leren waarnemen, toewijding heeft geleerd. Het met verering waarnemen en vertrouwen schenken in de kinderjaren, wordt tot kracht om te kunnen zegenen op latere leeftijd. Je kan wel zeggen: niemand kan aan het einde van zijn aardse leven zijn handen tot zegen strekken wanneer hij ze als kind niet op een natuurlijke manier heeft leren vouwen om te bidden. Door het vouwen van de handen bij een gebed, uit die vrome overgave in de kinderjaren, ontstaat de kracht te kunnen zegenen op hogere leeftijd bij de overgang naar de dood. Want alles wat het kind als kiem gegeven werd, rijpt als goede of slechte vrucht voor

blz. 84

eigene Erleben des Menschen im weiteren Erdenleben. Auch das muß man stets vor sich haben, wenn man eine Methodi,k des Lehrens auf Grund der Lebensbedingungen des Erziehens ausbilden will.
Nun, damit ist wenigstens mit einigen Strichen angedeutet, was zugrunde liegt dem Versuch, Anthroposophie fruchtbar zu machen im Erziehungs- und Unterrichtswesen durch die Waldorfschule. Diese Erziehungstagung sollte das, was da versucht worden ist, was nun doch schon seit Jahren in der Praxis wirkt, in einer gewissen Weise beleuchten. Es ist von verschiedenen Seiten beleuchtet worden; es ist auch gezeigt worden, was Leistungen der Schüler sind, und es wird weiter nach dieser Richtung manches zu zeigen und zu besprechen sein.
Es sind nun von zwei Seiten her im Beginne dieser heutigen Stunde liebevolle Worte an mich gerichtet worden. Ich darf sagen: Mit herzlichem Dank empfange ich diese liebevollen Worte, denn was könnte man mit den schönsten Impulsen tun, wenn sich nicht Menschen fänden, die zur Verwirklichung dieser Impulse all ihre Hingabe und Opferwilligkeit aufbringen! – Daher richtet sich meine Dankbarkeit gegen die Waldorflehrer, die versuchen, dasjenige, was zugrunde liegen soll einer Erziehungserneuerung, auszuführen. 

de eigenbeleving van de mens in het verdere leven. Ook dat moet je steeds voor ogen houden, wanneer je een onderwijsmethodiek op basis van existentiële voorwaarden voor de opvoeding wil ontwikkelen.
Welnu, daarmee is in kort bestek aangeduid wat ten grondslag ligt aan het proberen de antroposofie vruchtbaar te maken voor opvoeding en onderwijs op de vrijeschool. Deze pedagogigische conferentie moest, wat we geprobeerd hebben, wat al sinds jaren in de praktijk werkt, belichten. Het is van verschillende kanten belicht; ook is er getoond wat de leerlingen presteren en er zal verder in diese richting veel te tonen en te bespreken zijn.
Van twee kanten werden er bij het begin van dit uur vriendelijke woorden tot me gesproken. Ik mag zeggen: met hartelijke dank neem ik deze vriendelijke woorden tot me, want wat zou je met de mooiste impulsen moeten doen, wanneer er geen mensen zouden zijn die ze om ze te verwezenlijken al hun toewijding en inzet aanwenden! – Daarom gaat mijn dankbaarheid uit naar de vrijeschoolleerkrachten die proberen uit te voeren wat aan de vernieuwing van de opvoeding ten grondslag moet liggen.

Es wendet sich mein Dank auch gegen diejenigen, die, ich möchte sagen, als die spätere Jugend, als die jungen Menschen von heute gerade aus ihren Erfahrungen während ihrer Erziehung ein Herzensverständnis entwickeln für das, was mit der Waldorfschulpädagogik eigentlich gemeint ist.Man würde sich glücklich fühlen müssen, wenn in recht großem Umfang das, was hier ausgesprochen worden ist als die herzhafte Empfindung der Jugend gegenüber der Waldorfschulpädagogik, zu dem tragenden Wagen würde, der unsere Waldorfschulpädagogik durch die Zeitenkultur, durch die Zeitenzivilisation dahinfährt. Und ich glaube auch, daß ich aus den Empfindungen Ihrer aller handle, wenn ich allseits denjenigen, die so liebevolle Worte, so schöne Worte gesprochen haben, dankbarlichst diese Worte erwidere; denn mehr noch als irgend etwas an- deres braucht Erziehung und Unterricht Menschen, welche die Intentionen verwirklichen. Der Maler, der Bildhauer, er mag sogar in aller Einsamkeit sein Werk hinstellen und sich sagen: Wenn Menschen es nicht schauen, die Götter schauen es ja doch. Der Lehrende, der Erziehende,

Mijn dank gaat ook uit naar degene die, zou ik willen zeggen, als de oudere jeugd, als de jonge mensen van tegenwoordig, juist vanuit hun ervaringen gedurende hun opvoeding een begrip met het hart ontwikkelen voor hetgeen eigenlijk bedoeld is met de vrijeschoolpedagogie. Men zou zich gelukkig moeten voelen wanneer op grote schaal wat hier uitgesproken werd als het grootse gevoel van de jeugd voor de vrijeschoolpedagogie, tot drijvende kracht zou worden die onze vrijeschoolpedagogie door de tijdscultuur, de beschaving van deze tijd, voert. En ik geloof ook dat ik uit het gevoel van u allen handel, wanneer ik van alle kanten degene die zulke vriendelijke woorden, zulke mooie woorden gesproken hebben, heel erg dankbaar deze woorden beantwoordt; want nog meer dan iets anders heeft opvoeding en onderwijs mensen nodig die de intenties verwezenlijken. De schilder, de beeldhouwer, hij mag dan in alle eenzaamheid zijn werk maken en zeggen: wanneer mensen er niet naar kijken, de goden zien het in ieder geval. De leraar, de opvoeder

blz. 85

er leistet dasjenige, was geistige Leistung ist, für das Erden- dasein; er kann dasjenige> was sein Geleistetes sein soll, nur im Verein mit denjenigen erleben, die es in der physisch-sinnlichen Welt verwirklichen helfen.
Das brauchen wir als Lehrende und Erziehende wieder als Einschlag in unser Bewußtsein, besonders in dieser unserer Gegenwart. Und darauf lassen Sie mich am Schlusse dieser Vorträge noch hinweisen, denn ich muß meine Vorträge damit abschließen, weil ich, an- derwärts in Anspruch genommen, nicht weiter bleiben kann; damit lassen Sie mich abschließen: Eine Erziehung, wie diese auf Anthroposophie begründete – nicht Anthroposophie als Weltanschauung den Menschen aufdrängende, sondern auf Anthroposophie begründete, weil Anthroposophie echte Menschenerkenntnis nach Leib, Seele und Geist liefert -, sie will sich auch wirklich ganz sachgemäß, ganz real hineinstellen in dasjenige, was die tiefsten Notwendigkeiten und Bedingungen unserer gegenwärtigen Zivilisation sind, notwendig deshalb, weil der Menschheit in Mitteleuropa eine Zukunft nur dadurch noch winken kann, daß sie ihr Tun und Denken aus solchen Impulsen herausholt.

levert voor het aardse bestaan een geestelijke prestatie; hij kan wat hij moet verwezenlijken alleen samen ervaren met wie het in de fysiek-zintuiglijke wereld helpt, het tot realiteit te maken.
Dat moet ons als leraar en opvoeder opnieuw bewust raken, met name in onze tegenwoordige tijd.
En mag ik dan aan het slot van deze voordrachten er nog op wijzen, want daarmee moet ik mijn voordrachten afsluiten, omdat ik ergens anders moet zijn en niet kan blijven; laat u mij hiermee afsluiten: dat een opvoeding zoals deze die gebaseerd is op antroposofie – geen antroposofie als wereldbeschouwing die de mens opgedrongen wordt, maar op basis van antroposofie, omdat antroposofie echte menskunde naar lichaam, ziel en geest aanreikt -, zich ook daadwerkelijk, volkomen zakelijk, heel nuchter wil posteren waar het in de toestand van onze huidige beschaving hoogst noodzakelijk is, noodzakelijk ook, omdat de mensheid van Midden-Europa alleen nog een toekomst kan verwachten door daden en denken uit zulke impulsen te halen.

Woran kranken wir am allermeisten? Ich habe, indem ich sozusagen ganz zentral unsere Pädagogik und Didaktik charakterisieren wollte, immer wieder darauf hinweisen müssen, wie wir, in scheuer Ehrfurcht vor dem, was die göttlichen Mächte als Selbst des Menschen in die Welt gesetzt haben, diesem Selbst als Erzieher zu seiner Entwickelung verhelfen. Und dieses Selbst, es wird nicht in Wahrheit erfaßt, wenn es nicht im Geist erfaßt wird; es wird in Wahrheit verleugnet, wenn es nur am Stoff erfaßt wird. Vor allen Dingen hat im materialistischen Leben der neueren Zeit das Ich gelitten durch die Mißerkennung, die Mißanschauung des menschlichen Selbstes, denn indem man überall losgegangen ist auf das Anschauen im Stoffe, auf das Handeln im Stoffe, zersplitterte vor dem Menschen der Geist, damit aber sein Selbst. Setzt man mit den naturhaften Methoden der Naturerkenntnis Grenzen, sagt man, man könne nicht in die Welt des Geistigen eindringen, so behauptet man nichts Geringeres als: man kann nicht in die Welt des Menschen eindringen. Der Erkenntnis Grenzen

Waaraan lijden wij het allermeest? Ik heb, toen ik zogezegd onze pedagogie en didactiek als kern wilde karakteriseren, er steeds weer op moeten wijzen, hoe wij in stille eerbied voor wat de goddelijke machten als ‘zelf’ van de mens op aarde hebben gebracht, dit ‘zelf’ als opvoeder van zijn ontwikkeling hebben gegeven. En dit ‘zelf’ wordt niet in zijn waarheid begrepen, wanneer het niet geestelijk begrepen wordt; in wezen wordt het ontkend, wanneer het alleen maar als stoffelijk wordt beschouwd. Boven  alles heeft in het materialistische leven van de nieuwe tijd het Ik geleden onder de miskenning, misvatting van het menselijk zelf, want toen men overal zich stortte op de waarneming van de materie, op het werken met de materie, spleet de menselijke geest, maar daarmee ook zijn ‘zelf’.
Stel je met de methoden, eigen aan de natuurwetenschap, grenzen, zegt men, dan kun je niet doordringen in de wereld van de geest, dan beweert men niets minder dan: je kunt niet doordringen tot de wereld van de mens. Grenzen aan

blz. 86

setzen heißt, für das Erkennen in der Welt den Menschen auslöschen. Wie will man eine Seele erziehen, wenn man sie erst durch materialistische Gesinnung auslöscht? Aber dieses Auslöschen ist dasjenige gewesen, was ganz eigen war dem vergangenen, aber heute noch vielfach herrschenden Materialismus in allem menschlichen Tun. Und so kann man schon sagen: Das, was geschehen ist in der neueren Zeit, in der, wie ich gesagt habe, von anderer Seite ja gerechtfertigten materialistischen Gesinnung – gerechtfertigt, weil sie kommen mußte innerhalb der Entwickelung der Menschheit, aber sie muß auch wieder verlassen werden -, man kann es mit den Worten ausdrücken: Die Menschen haben sich ihr Selbst verschrieben an den Stoff. Damit aber ist wirkliche lebendige Methodik des Lehrens, sind die wirklichen Lebensbedingungen der Erziehung mit eingefroren, denn nur äußerlich Technisches kann leben in einer Zivilisation, die sich selbst, die das Selbst dem Stoff verschreibt. Aber der Stoff bedrängt den Menschen. Jeder Mensch wird mehr oder weniger dadurch, daß der Stoff ihn in der Körperlichkeit abschließt, auch eine verschlossene Seele. Man wird eine verschlossene Seele, wenn man den anderen Menschen nicht im Geiste findet, denn im Körper kann man ihn nicht in Wahrheit finden!

aan de kennis van de mens stellen, betekent: voor het kennen op aarde de mens wegcijferen. Hoe kun je een ziel opvoeden, wanneer je die vooraf door een materialistische opvatting weggecijferd hebt? Maar dit laten verdwijnen was iets wat heel eigen was aan het materialisme in het verleden, maar ook tegenwoordig nog steeds eigen is aan het heersende materialisme, bij alle menselijke activiteit. En dan kun je wel zeggen: wat gebeurd is in onze nieuwere tijd waarin, zoals ik zei, van een andere kant de gerechtvaardige materialistische opvattingen – gerechtvaardigd, omdat deze in de ontwikkeling van de mensheid moest komen – deze ook weer losgelaten moeten worden – dat kun je met deze woorden tot uitdrukking brengen: de mensen hebben hun ‘zelf’ uitgeleverd aan de materie. Hierdoor echter is een echte levendige methodiek van het leren, zijn de echte existentiële voorwaarden voor de opvoeding mede versteend, want alleen het uiterlijk technische kan leven in een beschaving die zichzelf, die het ‘zelf’ uitlevert aan de materie. Maar de materie geeft de mens zwaarte. Ieder mens wordt min of meer een afgesloten ziel, omdat de stoffelijkheid hem in zijn lichamelijkheid opsluit. Je wordt een afgesloten ziel, wanneer je de andere mens niet geestelijke kan ontmoeten, want in het lichaam kan je hem niet in waarheid vinden.

So hat die materialistische Zivilisationsgesinnung ein Zeitalter heraufgebracht, wo die Menschen aneinander vorbeigehen, weil alle Empfindung an Körperlichkeit verschrieben ist. Sie schreien nach dem sozialen Leben mit dem Verstand, entwickeln aber aus der Empfindung heraus das unsoziale Nebeneinander-Vorbeigehen, das Sich-nicht- Verstehen. Die Seelen, die in die einzelnen Körper eingeschlossen werden, sie gehen aneinander vorbei; die Seelen, die den Geist in sich erwecken, die den Geist selber finden, die finden sich als Menschen mit den anderen Menschen zusammen. Ein soziales Leben wird aus dem Chaos nur aufkeimen, wenn die Menschen den Geist finden werden und dadurch, durch den Geist, der eine Mensch den anderen im Nebeneinanderleben findet.
Und das ist auch die große Sehnsucht der Jugend von heute: den Menschen zu finden. Die Jugendbewegung ging aus von dem Schrei nach dem Menschen. Jetzt hat sich – das hat sich vor einigen Tagen gezeigt, als die jungen Menschen, die hier sind, sich vereinigt haben –

Zo is er door de materialistische maatschappij-opvatting een tijdperk ontstaan waarin de mensen aan elkaar voorbijgaan, omdat alle gevoel uitgeleverd is aan het lichaam. Ze roepen om sociaal leven met hun verstand, maar vanuit hun gevoel ontwikkelen ze het a-sociale aan elkaar voorbijgaan, het niet begrijpen van elkaar. De zielen die in de individuele lichamen opgesloten worden, lopen aan elkaar voorbij; de zielen die in zichzelf de geest opnemen, die de geest zelf vinden, voelen zich met andere mensen één. Sociaal leven zal alleen maar uit de chaos opbloeien, wanneer de mensen de geest zullen vinden en door de geest de ene mens de andere vindt in samenleven .
En dat is ook het grote verlangen van de jeugd van tegenwoordig: de mens vinden. De jeugdbeweging ontstond door een roep om de mens.

blz. 87

dieses Rufen nach dem Menschen verwandelt in ein Rufen nach dem Geist, weil man ahnt: Der Mensch kann nur gefunden werden im Finden des Geistes. Der andere Mensch muß verloren werden, wenn man den Geist verliert.
Wie man Weltenerkenntnis finden kann und aus der Weltenerkenntnis heraus den wahrhaft lebendigen Menschen auf der Erde nach Leib, Seele und Geist, das versuchte ich gestern abend zu zeigen, wie Weltanschauung hinauswachsen kann in das Erleben des Kosmischen, wie Sonne und Mond gesehen werden können in all dem, was auf der Erde wächst und gedeiht. Erziehen wir mit einem solchen Hintergrund, dann werden wir auch in der richtigen Weise das Erleben des Unsterblichen, des Göttlichen, des Ewig-Religiösen in dem heranwachsenden Kinde entwickeln. Dann werden wir den Menschen während ihrer Kindheit dasjenige einpflanzen, was sie, damit es weiter gedeihen kann, im Geist durch die Pforte des Todes tragen müssen als ihr unsterbliches Teil. Doch diese Seite des Erziehens im besonderen zu besprechen, soll ja hier nicht die Aufgabe sein. Die Beziehung der Erziehung zum menschlichen Selbst und Kulturleben, das ist es, was zunächst gezeigt werden sollte.

Nu is – dat bleek een paar dagen geleden, toen de jonge mensen samenkwamen – deze roep om de mens veranderd in een roep om geest, omdat men voorvoelt: de mens kan alleen worden gevonden, wanneer de geest wordt gevonden. De andere mens raakt je kwijt, wanneer je de geest kwijtraakt.
Hoe je wereldkennis kan vinden en uit deze wereldkennis de echt levende mens naar lichaam, ziel en geest, heb ik gisteravond geprobeerd te laten zien; hoe het beschouwen van de wereld uitgroeien kan naar een beleven van de kosmos, hoe naar zon en maan gekeken kan worden bij alles wat op aarde groeit en gedijt. Wanneer we met zo’n achtergrond opvoeden, zullen we ook op een goede manier het beleven van het onsterfelijke, het eeuwig-religieuze in het kind kunnen laten ontstaan. Dan kunnen wij de mens tijdens zijn kindertijd meegeven wat hij, opdat het verder groeien kan in de geest, door de poort van de dood mee moet dragen als zijn onsterfelijk deel. Maar om in het bijzonder deze kant van de opvoeding te bespreken, moet hier niet de opgave zijn. De samenhang van de opvoeding met het menselijke ‘zelf’ en het cultuurleven, dát moest nu getoond worden.

Aber überzeugt kann man sein: Wenn der Mensch richtig erzogen wird auf der Erde, dann wird auch der Himmelsmensch richtig erzogen, denn im Erdenmenschen lebt der Himmelsmensch. Erziehen wir den irdischen Menschen in der richtigen Weise, so bringen wir durch das Stückchen, das er vorwärtsgebracht werden muß zwischen Geburt und Tod, auch den himmlischen Menschen in der richtigen Weise weiter.
Damit aber ist einer Anschauung Rechnung getragen, welche in der richtigen Weise nach Weltenerkenntnis geht, nach jener Weltenerkenntnis, die da weiß: Der Mensch muß mitbauen an dem großen geistigen Weltenbau, der dann auch im Sinnlichen sich offenbart. Als ein an der Menschheit Mitbauender muß der Mensch erkannt werden in einem richtigen Erziehen. Das habe ich gestern gemeint mit der Charakteristik jener Weltauffassung und Lebensanschauung, von der ich sagte, sie solle im Hintergrunde des Lehrens und Erziehens stehen. Daraus geht aber hervor, daß wir nicht in dem einseitigen Inhalt des Kopfes die Welt erfassen können. Falsch ist es, wenn jemand sagt, die Welt

Maar je kunt ervan overtuigd zijn: wanneer de mens goed wordt opgevoed op aarde, dan wordt ook de hemelse mens goed opgevoed, want in de aardse mens woont de hemelse mens. Voeden we de aardse mens op een goede manier op, dan brengen we door het stukje dat hij verder gebracht moet worden tussen geboorte en dood, ook de hemelse mens op een goede manier verder.
Hier is echter rekening gehouden met een zienswijze die op een goede manier naar wereldkennis gaat; naar die wereldkennis die zegt: de mens moet meebouwen aan het grote geestelijke wereldgebouw, die dan ook in het zintuigelijke zichtbaar wordt. Als iemand die meehelpt aan het bouwen van de mensheid, zo moet de mens gekend worden in een goede opvoeding. Dat bedoelde ik gisteren met het karakteriseren van die wereldopvatting en levensbeschouwing waarover ik zei dat die op de achtergrond aanwezitg moeten zijn bij het onderwijzen en opvoeden. Daaruit volgt echter wel dat we niet eenzijdig de wereld in ons hoofd kunnen begrijpen. Het is onjuist wanneer iemand zegt, dat de

blz. 88

könnte erfaßt werden in Ideen, Begriffen, Vorstellungen. Falsch ist es selbst noch, wenn man sagt, die Welt solle erfaßt werden mit dem Gefühl. Sie soll erfaßt werden mit Ideen und Gefüh~, aber auch mit dem Willen! Denn nur, wenn das Göttlich-Geistige in den Willen hinunter- geht, dann ist die Welt vom Menschen erfaßt; dann ist aber auch der Mensch erfaßt, angeschaut nicht von einem Teil des Menschen, sondern vom ganzen Menschen. Wir brauchen Weltanschauung nicht für Verstand und Intellekt allein, wir brauchen Weltanschauung für den ganzen Menschen, für den denkenden, fühlenden und wollenden Menschen, eine Weltanschauung, welche im ganzen Menschen nach Leib, Seele und Geist die Welt im Menschen wiederentdeckt. Nur der, welcher so die Welt im Menschen wiederentdeckt, der im Menschen die Welt schaut, nur der kann eine wirkliche Weltanschauung haben. Denn so wie sich im Auge die sichtbare Welt spiegelt, so ist der ganze Mensch ein geistig-seelisch-leibliches Auge, in dem sich die ganze Welt spiegelt. Dieses Spiegelbild kann man nicht von außen anschauen, das muß man von innen erleben. Dann wird es aber auch nicht Schein bleiben wie ein äußeres Spiegelbild, dann wird es innerliche Realität. Dann wird in der Erziehung die Welt Mensch, und der Mensch entdeckt in sich die Welt 

wereld begrepen kan worden in ideeën en begrippen, voorstellingen. Zelfs onjuist is nog wanneer iemand zegt, dat de wereld begrepen moet worden met het gevoel. Ze moet begrepen worden met ideeën en gevoel, maar ook met wil! Want alleen wanneer het goddelijk-geestelijke in de wil stroomt, begrijpt de mens de wereld; dan wordt ook de mens begrepen, niet alleen door een deel van de mensen gezien, maar door alle mensen. We hebben geen wereldbeschouwing nodig alleen voor het verstand en het intellect, we hebben een wereldbeschowuing nodig voor de hele mens, voor de denkende, voelende en willende mens; een wereldbeschouwing die in de hele mens naar lichaam, ziel en geest de wereld in de mens weer ontdekt. Alleen hij die de wereld in de mens weer ontdekt, die in de mens de wereld ziet, kan een echte wereldbeschouwing hebben. Want net zo als in het oog de zichtbare wereld gespiegeld wordt, is de hele mens een geestelijk-psychisch-lichamelijk oog waarin de hele wereld zich spiegelt. Dit spiegelbeeld kan je niet van buiten bekijken, dat moet je van binnenuit beleven. Dan zal het geen schijn blijken zoals een uiterlijk spiegelbeeld, dan wordt het een innerlijke werkelijkheid. Dan wordt in de opvoeding de wereld mens en de mens ontdekt zichzelf in de wereld.

Arbeitet man so erzieherisch, dann empfindet man recht, wie die Menschheit zersplittert wird, wenn alles menschliche Erleben dem Stoffe verschrieben wird, weil die Seelen aneinander sich nicht gewinnen, sondern sich verlieren, wenn sie sich selber verneinen. Geht man über zum Geiste, dann findet man durch dasjenige, was im Geiste gefunden werden kann, den anderen Menschen. Soziales Leben im echten Sinne des Wortes, es muß vom Geiste aus begründet werden. Es muß die menschliche Wesenheit im Geist sich finden, dann wird sich Mensch mit Mensch verbinden können, und es muß die Welt im Menschen geschaut werden, wenn Welten erbaut werden aus Menschentaten. Daher lassen Sie mich aussprechen am Schlusse dieser Betrachtung, was ich eigentlich immer im Hintergrunde hatte, während ich zu Ihnen sprach. Betitelt ist das, was gesprochen werden sollte, als eine Betrachtung der Erziehung im persönlichen Leben und im Kulturleben der Gegenwart. Jetzt am Schluß erlauben Sie mir, daß ich den Titel metamorphosiere, daß ich ihn dahin verwandle, daß er in sich

Wanneer je opvoedkundig zo werkt, ervaar je pas goed hoe de mensheid kapot gaat, wanneer alles wat de mens beleeft aan de materie opgehangen wordt, omdat de zielen elkaar niet bereiken, maar elkaar verliezen, wanneer ze elkaar ontkennen. Richt je je op de geest, dan vind je door wat je in de geest kunt vinden, de andere mens. Sociaal leven in de ware zin van het woord: dat moet vanuit de geest zijn basis krijgen. Het mensenwezen moet zich in de geest terugvinden, dan kan de ene mens zich met de ander verbinden en de wereld moet waargenomen worden in de mens, wil je door de daden van de mens werelden bouwen.
Laat u mij dat uitspreken wat ik aan het slot van deze beschouwing eigenlijk steeds op de achtergrond erbij had, terwijl ik tot u sprak.
Wat besproken moest worden als een beschouwing over opvoeding in het persoonlijke leven en in het culturele leven van nu, heeft een naam gekregen. Sta mij tot slot toe dat ik deze naam metamorfoseer, dat ik deze verander zodat hij omvat wat ik daadwerkelijk heb willen uitspreken.

blz. 89

So daß zusammenschlagen soll dasjenige, was ich eigentlich gemeint habe, in die Worte:

Dem Stoff sich verschreiben,

Heißt Seelen zerreiben.

Im Geiste sich finden,

Heißt Menschen verbinden.

Im Menschen sich schauen,

Heißt Welten erbauen.

Zodat wat ik feitelijk bedoeld heb, samenkomt in de woorden:

In de ban van de stof raken
is: -zielen stukmaken.
In de geest zichzelf vinden
is: -mensen verbinden.
In de mens zichzelf schouwen
is: -werelden bouwen.

‘Wahrspruchworte’ GA 40/156
Onder de titel ‘Finsternis, Licht, Liebe’

Vertaald
Onder de titel ‘Duisternis, licht, liefde’

(1) GA 308: Die Methodik des Lehrens und die Lebensbedingungen des Erziehens

(2) 5e voordracht (Duits)

*o.a. hier in vertaling te vinden

 

Steiner: alle pedagogische voordrachten

Steiner: alle artikelen op deze blog

 

1182

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

Advertenties

2 Reacties op “VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Over pedagogie(k) – GA 308 – voordracht 5

  1. Pingback: VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) GA 308 – bericht | VRIJESCHOOL

  2. Pingback: VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) – vindplaatsen | VRIJESCHOOL

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s