Maandelijks archief: januari 2016

VRIJESCHOOL – Kleuters: Ik, Jan Klaassen

 

Poppenkast, bij wie roept dit woord geen goede herinneringen op, wie denkt daarbij niet onmiddellijk aan Jan Klaassen, aan zijn Katrijntje, aan de meestal barse veldwachter, aan de duivel en aan de koning? Is poppenkast zonder Jan Klaassen niet ondenkbaar? Toch worden er hoe langer hoe meer poppenkastvoorstellingen gehouden waar Jan Klaassen niet meer op de speellijst verschijnt of hoogstens alleen maar gastheer is die het spel introduceert. Heeft Jan Klaassen zijn tijd gehad?
“Jan Klaassen en de poppenkast’ is een boekje voor ‘leken’, dat wil zeggen, het richt zich tot de beginnende speler en in de praktijk zal dat meestal een ouder zijn die voor zijn kinderen speelt. Impliciet heeft het de gezinssituatie voor ogen. In het eerste deel maken we kennis met Jan Klaassen en de figuren die bij hem horen. Hoe komt het dat hij zich zo’n eigen plaats veroverd heeft in het Nederlands taalgebied? Wat maakt hem zo herkenbaar en onvergetelijk? Wat vraagt hij van de speler die hem ter hand neemt, want niet ieder spel waar Jan Klaassen zijn neus laat zien, is daarom een echt Janklaassenspel. En wat schenkt hij de speler die hem waardig ter hand neemt? Is Jan Klaassen een opvoeder? Hij heeft er zelf geen weet van, maar de speler kan erachter komen mits hij er niet over spreekt. Want Jan Klaassen doet domme en dappere dingen en kan de kinderen laten lachen. Opvoeden, hij? Hij wordt zelf opgevoed, door Katrijn, door de veldwachter, door alles wat hem overkomt!
In het tweede deel zijn tien heel korte Jan-Klaassenspelletjes opgenomen, voornamelijk bedoeld als inspiratie tot het zelf verzinnen ervan. Het derde deel gaat uitvoerig in op het maken van poppen en poppenkast.
.
Een fantastische opvoeder
Op een avond ga ik naar Kraaybeek in Driebergen om een gesprek te hebben met mevrouw Weissenberg over dit boekje. Kraaybeek is een ‘buiten’, waar appartementen gebouwd zijn voor oudere mensen; de prachtige oude bomen zijn er omheen blijven staan.
Jan Klaassen heeft me in zijn ban en ik ben teveel volwassene om niet te vragen naar de eigenaar van de hand die hem tot leven brengt. Een grootmoeder doet open, ze zou kunnen lijken op Jan Klaassens grootmoeder, zoals ze die beschrijft in het boekje. Nergens een spoor van Jan Klaassen zelf, geen poppenkast, geen poppen. Wel levendige handen; duim, wijs- en middelvinger van de linkerhand voeren herhaaldelijk een onzichtbare Jan Klaassen ten tonele. Ik kijk dan naar die hand en niet naar haar gezicht.

Hoe hebt u Jan Klaassen ontmoet?
‘Dat is heel merkwaardig gegaan. Direct na de tweede wereldoorlog werd ik door het Engelse Rode Kruis verzocht – omdat ik verpleegster geweest ben – om naar Duitsland te gaan en de Duitse jeugd een beetje uiteen te zetten wat zich hier in Nederland eigenlijk afgespeeld heeft in de oorlog. Zodoende kwam ik in een grote jeugdherberg terecht en daar was een opleidingscursus voor poppenkast spelen aan de gang. Daar kon ik gratis aan meedoen, ’s Ochtends, ’s avonds, ’s middags, altijd hadden we poppenkast, en als we ’s avonds bij elkaar zaten, moest ik me van mijn plicht kwijten en over het Hollandse land vertellen.
Er was daar een groep, de Hohenheimers, die zich gespecialiseerd hadden in het Kasparlespel, dat is de Duitse Jan Klaassen.
.
Wie is Jan Klaassen eigenlijk?
‘Jan Klaassen, – nu ja, als je een rij poppetjes neerlegt en een kind, pakweg tussen vier en vijf jaar, vraagt: ‘Nou, wat wil je nu zijn?’ Tien tegen één zegt het kindje dan: ‘Ik ben Jan Klaassen’. En dat is zo. Jan Klaassen is dé mens, van vallen en opstaan. Katrijntje is de huisbakken kant, Jan Klaassen is de hupsakee kant. Samen vertegenwoordigen ze de mens: ‘zwei Seelen wohnen, ach, in meiner Brust, nietwaar?’

Jan Klaassen is ‘het Ik’ in de mens. ‘Wie heeft dat gedaan?’ vraagt de veldwachter, ’lk. Jan Klaassen’. Het is haast vanzelfsprekend dat

ieder volk daar zijn eigen versie van heeft.
De Duitse Kasparlefiguur is meer wat wij zouden noemen een brave Hendrik. Kasparle heeft geen Katrijn aan zijn zijde, hij heeft een kameraad. De Hollandse Jan Klaassen heeft meer iets Jan Steen-achtigs. Maar alle Europese volkeren hebben een Jan Klaassen. dat komt omdat Jan Klaassen de ik-ontwikkeling spiegelt.
Jan Klaassen is de enige pop die benen heeft, duidelijk zichtbaar met witte kuiten en zwarte schoenen. Hij is de mens ten voeten uit. De eigenschappen die we allemaal hebben, en die bij een kind nog zo onverbloemd naar buiten komen, laat hij argeloos zien. En de kinderen vinden het zalig. Ze zien zichzelf en daarom voelen ze zich zo verbonden met hem. Wat Jan Klaassen beleeft, zijn ook hun belevenissen en daarom is het heel belangrijk dat in een Jan Klaassenspel goed goed is en slecht slecht. Geen grijzige schakeringen; jonge kinderen hoeven niet zelf tot een juist oordeel te komen, zij moeten nog de kracht van hun oordeel ontwikkelen.
Jan Klaassen moet ook goed kunnen vechten. Als hij bijvoorbeeld met de draak vecht, dan is het heel belangrijk dat zoiets goed uitgespeeld wordt. Je moet er de tijd voor nemen zo, nu is de kop dood. Pats, en nu de buik. En nu de staart nog, ja, gelukt. Nu is hij helemaal dood. De fout van de televisie is dat het te vlug gaat. Een kind heeft tijd nodig. En herhalingen.
Doordat het kind zich zo met hem kan verbinden en van hem houdt, kan Jan Klaassen ook een fantastisch pedagoog zijn. Allerlei huiselijke problemen kunnen via hem opgelost worden. Als je bijvoorbeeld dat probleem van weglopen neemt, dat ieder kind wel heeft, dan kan dat tamelijk dramatisch gebracht worden, Jan Klaassen is weggelopen en komt terug met een groot verband om zijn hoofd. Hij is onder een auto gekomen. Het mag rustig een beetje bloederig zijn, want dat vinden ze heerlijk; het moet niet gruwelijk zijn, maar ook niet te kleinzerig. En dan wil Jan Klaassen het wéér en moet Katrijntje hem op het zeurderige af waarschuwen. Tenslotte kan aan het publiek gevraagd worden wanneer je dan wél kunt oversteken, en dan geven de kinderen het antwoord. Zo kan je enorm veel problemen oplossen’.
.
Geen gooi- en smijtfilmfiguur

Kinderen tussen vijf en acht jaar vinden het ook heerlijk om sprookjes te horen. Als een van de initiatiefneemsters tot het maken van een getrouwe en volledige vertaling van de sprookjesverzameling van de gebroeders Grimm, heeft mevrouw Weissenberg zeer geijverd voor een herwaardering van de volkssprookjes in de begeleiding van het jonge kind. Op vele vrijescholen en ook door sommige poppenspelgezelschappen worden sprookjes in de poppenkast opgevoerd.

.
Wat is het verschil in uitwerking tussen een sprookje of een Jan Klaassenspel in de poppenkast?
‘Sprookjes horen niet in de poppenkast thuis. Sprookjesbeelden zijn tweedimensionaal. Het zijn imaginatieve beelden van grote schoonheid. Je kunt het in de poppenkast nooit zo mooi maken als het in je voorstelling door het vertellen van het sprookje opgeroepen wordt. De beelden van het sprookje moeten tweedimensionaal blijven, anders boeten ze aan kracht in. Ze hebben een heel andere werking op het kind dan Jan Klaassen. Het Jan Klaassenspel is driedimensionaal. Zie je, als je de pop op je hand hebt, is het driedimensionaal hè?’

Ik zie het. Jan Klaassen staat, zoals de mens, driedimensionaal met zijn voeten op de aarde. De drie vingers die hem vasthouden kunnen in drie richtingen kleine bewegingen maken. Als je dan naar de uitwerking daarvan kinderen vraagt, dan moet je denken aan de heileuritmie (mevrouw Weissenberg is ook heileuritmiste geweest):
‘Als je bij verlamde mensen aan bed bent, dan maak je soms hele kleine euritmiebewegingen met je vingers, en dat heeft een enorme uitwerking op de wilskracht van de patiënt. De kleine bewegingen die Jan Klaassen kan maken – want je hebt nu eenmaal geen grotere vingers – dat zijn eigenlijk euritmiebewegingen. Een kind dat in de zaal zit en dat ziet, maakt deze zaak in het groot mee. Het verlengt om zo te zeggen de beweging iedere keer en dat activeert enorm. Waardoor je natuurlijk ook dat enorme tumult krijgt dat in zo’n zaal kan ontstaan. Dat is de activering van het wilsleven van het kind en deze wilsactiviteit moet een uitlaatklep vinden en dat is het vragen en antwoorden dat zo helemaal bij het Jan Klaassenspel hoort. Als je iets anders in de poppenkast brengt, dan wordt het kind wel geactiveerd, maar het krijgt geen gelegenheid om zich te uiten,het kind kan soms ook angstig worden als de spanning van het verhaal te groot is, zonder dat het zich handelend, vanuit de wil, teweer kan stellen. Je bent bang voor die dingen waar je niets aan dóen kan. Maar Jan Klaassen mag je helpen: ‘Pas op, achter je!’
Je kunt zelf meehelpen de dreiging af te wenden. Als het tumult al te groot wordt, ja, dan zwijgt Jan Klaassen eenvoudig tot de kinderen stil zijn. Eén hand op de lippen en misschien ook half afgewend, met zijn oor naar het publiek om het direct te kunnen horen als ze stil zijn.
.
Jan Klaassen speelt zijn spel, de kinderen spiegelen zich al lachend aan hem, maar wat wordt er van de speler gevraagd?
‘Enorm veel, een enorme tegenwoordigheid van geest en vooral ook humor. En wat is eigenlijk tegenwoordigheid van geest en humor? Dat zijn de kwaliteiten van het ik. Bij het kind wordt het ‘ik’ opgeroepen, maar degene die speelt moet ook honderd procent aanwezig zijn, anders is er niets aan, aan zo’n spel. Maar nu komt natuurlijk de inhoud, die staat om zo te zeggen daar tussen in. Ik heb niets tegen zomaar wat, maar het moet toch ook een beetje zinvol zijn, niet alleen maar kletsboem’.
Het spelterrein moet enigszins afgepaald worden, daarbinnen kan nog heel wat onverwachts gebeuren.
Al is in elke speelgoedwinkel wel een set Jan-Klaassenpoppen te koop en is ook de poppenkast een favoriet cadeau, toch wordt in weinig gezinnen het poppenkastspelen beschouwd als iets wat er net zo bij hoort als voorlezen. Een dergelijk pedagogisch hulpmiddel zou – trouwens ook als bron van plezier – wel degelijk zo’n plaats verdienen.
.
Mevrouw Weissenberg, hoopt u met uw boekje het Jan Klaassenspel in de gezinskul-tuur te introduceren?
‘Ja, ik heb jarenlang mijn tijd aan de sprookjes gegeven, maar daarnaast ook veel aan Jan Klaassen gedaan. Natuurlijk niet zo uitvoerig, omdat ik niet met een poppenkast rond kan trekken. Want al zijn de sprookjes in hun tweedimensionale schoonheid ongelooflijk en onovertroffen, de figuur van Jan Klaassen, driedimensionaal als hij is, spreekt hele andere zieleregionen van het kind aan, die in deze tijd veel te kort komen. Deze kwaliteiten moeten weer opgeroepen worden, maar dan wel op een manier dat het niet een gooi- en smijtfilmfiguur wordt. Het kind moet kunnen beleven: ik ben Jan Klaassen. Daarom heb ik mij op die spelletjes geconcentreerd (het tweede deel van het boekje, L.C.) en er af en toe ook wel in kleine kring over gesproken.
Hoe een Jan-Klaassenspel in de huiselijke sfeer tot stand kan komen, dat heb ik in het boekje beschreven. Je kunt haast om zo te zeggen over je arm heenspelen.’
En Jan Klaasen kijkt inderdaad over haar rechterarm heen. Niets lijkt gemakkelijker. Toch weet ik uit ervaring dat de drempelvrees groot is.
Mevrouw Weissenberg: ‘Je maakt het jezelf veel te moeilijk; het moet werkelijk zo eenvoudig mogelijk. Van de Hohenheimers heb ik geleerd dat je hoofdzakelijk met kleuren kunt werken. Als iets in de nacht speelt, neem je een donkerblauwe doek. Is het de hel? Zwart. Is het een koningsslot, nou dan kan je misschien een goudbrokaat ophangen. Meer is niet nodig. Het kind ziet alles. Die vrijheid moet je het kind ook laten. De activiteit van het aanvullen mag je het kind niet ontnemen, met zoveel tierelantijntjes en coulissen en zo. En als je echt iets erbij nodig hebt, een sleutel bijvoorbeeld, dan moet die levensgroot zijn, veel groter dan gewoon. Werkelijk een knoert van een sleutel.’
Behalve een drempel bestaat er ook een reëel onvermogen. Er is geen gewone ouder die een tweeweekse cursus poppenspelen gedaan heeft. Het is moeilijk langzaam en duidelijk te spreken – geen woord teveel en geen woord te weinig. Ze vertelt hoe ze in een
Jan Klaassenwerkgroepje de deelnemers de opdracht gaf zelf een spel te bedenken en hoe de meesten niet verder kwamen dan steeds maar weer een verse verjaardagstaart. Kan je het leren? En hoe dan?

‘Ja, ik kan alleen maar zeggen: dóen. Doe het. Het publiek waarvoor je begint is meestal tamelijk klein en als je je nu een paar van die dingen inprent: duidelijk, langzaam en gezellig – zelf moet je er ook plezier in hebben – dan leer je aan je eigen fouten. Een poppenkast heb je niet nodig. In de posten van een deur twee kleine spijkertjes, een stok, met aan de uiteinden een lusje er aangebonden, in de deuropening hangen, een doek erover en klaar is Kees. Van de Hohenheimers heb ik geleerd staande te spelen. Dan kan je met je poppen lopen en dansen. Fantasie moet je ook oefenen’.

Ze demonstreert me een gesprekje tussen haar linkerhand – Jan Klaassen – en een leeg theekopje dat op tafel staat.
Juist omdat van de speler de volle aanwezigheid gevraagd wordt – hoewel je in het duister achter de pop blijft – moet je je gezicht laten zien, dat is in het begin ‘eng’. In bestaande gespreksgroepen voor ouders zou best een half uur ingeruimd kunnen worden om zoiets samen te oefenen, als kunstzinnige activiteit en ook als sociale oefening.
Tot slot praten we over iets dat me, terwijl ik het boekje las, steeds sterker ging bezighouden.
Naast zich heeft Jan Klaassen zijn trouwe, zorgzame, al te zorgzame en soms zelfs kijverige Katrijntje. Er is de laatste jaren wel onderzoek gedaan naar het beeld van de vrouw en moeder, zoals zij in kinderboeken naar voren komt. Wat daarbij, in het licht van de emancipatie van de vrouw, aan de kaak werd gesteld, wordt voor een groot deel vertegenwoordigd door de pannenkoekbakkende Katrijn. Ik citeer het boekje, bladzijde 31: ‘Katrijn is het beeld voor de dagelijkse omgeving: altijd gedoe en gezeur, maar ja, je moet ermee leren leven; teleurstellingen en tegenslagen zijn er om sterker te worden, en niet om moedeloos het hoofd in de schoot te leggen’.
Het is geen geweldig beeld van het vrouwelijk wezen dat hier naar voren komt, al zou je kunnen verdedigen dat ze niet van emancipatoire trekken ontbloot is: als haar iets niet naar de zin is, zal ze het er niet bij laten zitten.
Mevrouw Weissenberg is een beetje verontwaardigd: ‘Kinderen zijn toch geen feministen. Kinderen zijn goddank nog normaal. Jan Klaassen en Katrijntje zijn samen de mens. Ze vertegenwoordigen twee facetten van de mens. Het is de ziel van de mens, die aan de ene kant enorm de daden kan verrichten en opschepperig kan zijn en Katrijntje is de andere kant in de mens die meer de huisbakken kant is, dat wil zeggen alles wat ons meer of minder aan het dagelijkse bindt. Wie heeft die vuile poten op mijn mooi gepoetste zeil gezet? We hebben allemaal beide kanten in ons, maar in zo’n spel moet je die zaak een beetje uit elkaar leggen. Dat is ook het amusante van het spel. Jan Klaassen moppert trouwens ook: ‘God, wat is ze vervelend’. Jan Klaassen is de actieve kant, Katrijntje meer de passieve kant. Dat hoeft niet direct een waardering in te houden. Jan Klaassens activiteit brengt hem ook iedere keer in twijfelachtige situaties, terwijl Katrijntje iedere keer de trouw opbrengt om het dagelijkse te onderhouden. Ieder mens heeft beide kanten in zich en al wordt het in het spel uit elkaar gelegd, het kind beleeft beide figuren als een zieleneenheid. Het is de volwassene die de polariteit niet meer als eenheid ervaart. Jan Klaassen en Katrijntje samen zijn de mens, één mens. Het kind beleeft zichzelf daarin.
Alles bij elkaar maakt, dat je met een zekere lach en een klein beetje schaamtegevoel naar het spel kijkt. Die innerlijke, iets verlegen lach, dat is zo ongelooflijk gezond.’
.
Lili Chavannes, Jonas 5 sept.1980

.
Jan Klaassen en de poppenkast’, geschreven door mevrouw A. Weissenberg-Seebohm, C. Taudin-Chabot en Christja Mees-Henny.
Uitgeverij Christofoor

.

Ook:
.
.
941

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – carnaval (20)

 

 Carnaval 1

.

Agge mar leut et

Carnaval, zo leert de grote Van Dale ons, is ’de drie dagen die aan de Vasten, dus aan Aswoensdag voorafgaan, inzonderheid de laatste dag daarvoor (Vastenavond) waarop velerlei feestelijkheden, meestal met vermommingen gepaard, in de R.-K. streken plaats hebben; ook die feestviering zelf.’
Het kan bijna niet droger, deze definitie van een van onze uitbundigste folkloristische feesten: een feest van dolle pretmakerij, verkleedpartijen, bals, allerlei evenementen en veel eten en minstens zoveel drinken.
De carnavalsviering bereikt ieder jaar in februari in Noord-Brabant en Limburg haar hoogtepunt, al weet men ook boven de grote rivieren wat carnaval is; maar het blijft daar meer een besloten en wat gezapige aangelegenheid in vergelijking met de ongeremde feestvreugde in het zuiden van ons land. In voorbije tijden was het wel anders maar de reformatie gooide roet in het eten.
‘Ja, vele mans trecken dan niet alleen vrouwecleederen, ende vrouwen manscleederen aen, maer mismaecken hun verder met momaensichten ende hebben harpen, psalten, tamborijnen, luyten, cyters, vedelen, duytsche fluyten, pijpen, ende wijn in haeren welleven, ende sien niet op dat werc des Heeren ende hebben gheen acht op het geschapen sijner handen’
mopperde Caspar Coolhaes in de in 1606 verschenen Comptoir Almanach.
Twee jaar daarvoor verwonderde Walich Sieuwertsz zich erover dat mensen aan deze uitbundigheid meededen ‘die, welcke haer ghereformeert noemen ende daer voor aenghesien willen sijn.’

Toch wilde de overheid juist voor carnaval ook wel wat door de vingers zien. Een oude keur uit Alkmaar vermeldt in ieder geval: ‘Voort en moet men gheen spel spelen met taerlinge om geldt, uitgeseyt drie dagen op den Vastelavondt.’

Langzaam maar zeker werd de carnavalsviering teruggedrongen, maar het feest bleef bestaan en keerde terug en dan nog veel grootser, nog veel uitbundiger. En waarom ook niet? ‘Een jaar lang’ zo verdedigde de godsdiensthistoricus prof. dr. Th. P. van Baaren in 1969 carnaval in een artikel in de N.R.C., ‘hebben wij in het gareel gelopen: wij hebben belasting betaald en onze munten aan de parkeermeters geofferd, wij hebben geen mini-meisjes gemolesteerd en geen van onze collega’s een bloedneus geslagen, maar een mens is ook slechts een wezen van vlees en bloed, en het bloed, zoals een Oudhollands spreekwoord zegt, kruipt waar het niet gaan kan. Dus gaan we carnaval vieren. Maar zouden wij het hele jaar carnaval willen hebben? Alstublieft niet! In wezen hebben wij geen hoger ideaal dan te leven in een geordende wereld, een wereld die, althans in geest en hoofdzaak, berekenbaar en voorspelbaar is.

Dit kunnen wij leren uit de godsdienstwetenschap en de cultuurpsychologie.’ Hij vervolgt dan: ‘Er kan een moment komen waarop de mensen het gevoel hebben, dat zij deze orde moeten verbreken, het koste wat het kost (Wie zal dat betalen, zoete lieve Gerritje?), willen zij er niet in verstikken. Wanneer nu iedereen individueel en op elk willekeurig moment aan zulke impulsen gehoor gaf, dan zou een geordende maatschappij weldra onmogelijk worden. Daarom hebben de meeste culturen een ventiel geschapen, een uitlaatklep, waardoor de mensen in de gelegenheid gesteld worden op periodieke tijden stoom af te blazen. Een dergelijke uitlaatklep is in het zuiden van ons land het carnaval. Wanneer men een masker opzet en joelend en zingend door de straten host, dan is men geen ambtenaar of winkeljuffrouw meer, zelfs geen huisvader of huisvrouw, maar men is- een ander mens geworden, een ander die, zolang het feest duurt, zich vrij kan voelen van al die dingen die hem gedurende de rest van het jaar belemmeren en binden.’

Ook anderen kunnen het mooi zeggen. Tilburgs burgemeester mr C. J. G. Becht beschreef het als carnavalsprins Nillis I in 1955 als volgt: ‘Ja, carnaval is meer dan een gemaskerd bal, meer dan een hos- en ’dweilavond’, anders dan een bacchanaal. Carnaval is het volksfeest bij uitnemendheid. Het feest waarin de volksgeest zich in zijn zuiverste of veelzijdigste vorm kan uiten. Het feest, waarin we onszelf ontdekken of terugvinden, om daarna ons alleen-zijn te verliezen in het allen-een-zijn. Tracht uw beste zelf te vinden? Laat u niet leven! Leef!! Hoe? Geef. Wat? Iets van uzelf. Aan wie? Aan mensen om u heen, die minder met levensvreugde bedeeld zijn dan gij. Maar grijp dieper dan uw portefeuille. Grijp in uw hart. Geef van uzelf. Geef uw vreugde, uw lachen, uw hartelijkheid. Wees vrij, wees mens, en maak gelukkig. Dan zijt ge op de goede weg. Dan viert ge op uw manier het feest van

de dankbaarheid om het leven zelf. Agge mar leut et.’
Een belangrijke figuur bij carnaval is prins Carnaval die bijgestaan door zijn raad van elf ervoor zorgt dat overal de feestvreugde op gang komt. Die prinsen dragen uitzonderlijke namen, zijn fraai uitgedost, spelen drie dagen lang de baas. Iedere stad die zich een beetje respecteert, zorgt voor zijn eigen prins Carnaval.
Tussen de bonte avonden en de optochten heeft Steyl in de gemeente Tegelen om de twee jaar een bijzonder evenement. Daar wordt een ‘kaetelgerich‘ gehouden, een volksgericht onder aanvoering van de duivelse vorst Lucifer, waarin de humor de boventoon voert, ook al schroomt men het niet maatschappelijke en persoonlijke kritiek te geven. Het is een zeldzame carnavalstraditie die plaats vindt op carnavalsdinsdag.
Bij feest hoort lawaai en muziek, leder jaar heeft men zijn carnavalschlager. Liedjesdichters, componisten, platenmaatschappijen vechten om het hardst om voor de hit van het jaar te zorgen. Het gaat allemaal om de leut. Dat hebben zeker de kinderen op hun geweten die in deze vastenavondtijd met foekepot of rommelpot rondtrekken. Zo’n rommelpot is een blikje of potje, waarop een varkensblaas is gespannen. Een riet wordt met een knoop aan het einde tegen de blaas gestoken, wanneer die nog nat is. De varkensblaas wordt dan met een touw stevig om de knoop van het rietje gebonden en bij de kachel gespannen en gedroogd. Door het rietje, zo vertelt de deskundige beschrijving, op en neer te bewegen en door er met een wat vochtig gemaakte hand steeds langs te blijven strijken, krijgt men muziek ter begeleiding van de liedjes die gezongen worden, waarmee om lekkernijen of centen wordt gebedeld. Een heel oude gewoonte.
Bredero vertelde er in 1617 al over in zijn Moortje.
.
‘Ja wel, het is te mal, de geck is seecker sot,
Hier schort niet dan een blaas, of so een rommel-pot,
Om voor de luyer deur te rasen en te singhen,
De neske-deurtjes met de kinderlycke dinghen.
Als: gheeft my een Panckkoeck uyt de pan, Ho, man ho!
De Vastelavondt die komt an, So, mijn Heer, also!’
.
Die pannenkoeken horen er op Vastenavond echt wel bij, een uitgezochte lekkernij voor deze tijd. Ook meer moderne liedjes vertellen erover.
.
’Vrouwke, ’t is vastenavond
We komen niet thuis voor ’tavond
’tAvond in de maneschijn
Als vader en moeder naar bed toe zijn
Dan gaan we naar de Fransen
Daar laten we ons potje dansen
Hier ’ne stoel en daar ‘ne stoel
Op elke stoel ’n kussen.
Vrouwke, houdt Uw kinnebak toe
Of ik gooi er ’n pannenkoek tussen.
Tussen uw neus en tussen uw kin
kan nog hendig ’n pannenkoek in.’
.
Naast de pannenkoek is in vele plaatsen het worstenbrood nog een symbool van de Vastenavond. Er zijn nog steeds bakkers die op de hoorn blazen als het worstenbrood gebakken is. Het is per slot van rekening carnaval en dan moet, met de vasten voor de deur, het vlees vaarwel gezegd worden. Het worstenbrood smaakt dus extra best. Over worsten weet men in Boxmeer in het bijzonder mee te praten. Daar organiseert men op maandag voor Aswoensdag het metworstrennen. Een traditie van eeuwen geleden, toen een freule hier met koets en al te water raakte en gered werd door Boxmeerse jongens. De freule stelde een fraaie prijs in, namelijk een wedren om een metworst, die de jaarlijkse beloning moet zijn voor de edelmoedige daad van de Boxmeerse jongelingen aan bovengenoemde dame bewezen. De wedstrijd wordt te paard gehouden en wie als eerste de eindstreep passeert is de koning van de dag, de metworstkoning. Alleen ongehuwde jongelui, geboren en getogen in Boxmeer mogen aan dit koningsrennen deelnemen. De prijs is nog altijd een vele ellen lange metworst met een ton bier, brood en een halve varkenskop.
.
Shell Journaal van Nederlandse folklore 1972
carnaval: alle artikelen
.
940

.

Carnaval 2

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (11) worden/zijn

.

Worden / zijn

Evenwichtig gebruik maken van tegengestelde processen

De grote zaal van De Doelen in Rotterdam is nog niet half gevuld als het koor haar jaarlijkse uitvoering van de Johannes Passion van J.S. Bach geeft. Dat is jammer, en niet alleen omdat het een goede uitvoering is. Hoewel ik zelf vaak in de Johannes Passion heb meegezongen, valt het me iedere keer als ik ernaar luister op, dat je er steeds andere dingen aan kunt beleven. Ook merk je dat het beleven van de Passionsmuziek heel stimulerend op je gedachteleven inwerkt. Heel merkwaardig, maar misschien niet onbegrijpelijk, is dat de ‘Johannes’ het wat de belangstelling van het publiek betreft altijd moet afleggen tegen de ‘Mattheüs’, die steeds volle zalen blijft trekken.
Wanneer je beide versies van het passieverhaal naast elkaar beluistert, valt het op dat de Mattheüspassion ten opzichte van de Johannespassion iets extraverts heeft. Zij spreekt sterk het gevoel voor dramatiek aan, is meer breedsprakig in soli en koren en beschrijvend, beeldvormend van karakter. In de Johannes Passion is de beschrijving minder af. De nadruk ligt veel meer op het oproepen van een innerlijke beleving van het gebeuren voor en rond Golgotha. De toehoorder wordt ertoe aangezet om iets te doen met datgene wat door de lijdensgeschiedenis bereikt is, niet alleen nu, maar ook in de toekomst. Het verschil tussen de Johannes en de Mattheüs drukt zich misschien het beste uit in het verschil tussen ‘worden’ en ‘zijn’ (of ‘geworden’). In de Johannes wordt een mens in beweging gebracht, aangezet tot het beleven van een gebeurtenis die in de Mattheüs als een duidelijk uitgekristalliseerd beeld aanwezig is. Hiermee wil beslist geen waarde-oordeel uitgesproken zijn, het gaat veel meer om het karakteriseren van de stemming die beide Passionen beheerst.
.
Tegengestelde tendensen

Niet alleen in Bachs passiemuziek kun je de tegenstelling beleven tussen ‘worden’ en ‘zijn’. Al het leven wordt door die tegenstelling beheerst. In het functioneren van het levende lichaam, de fysiologie, herken je steeds de twee tegengestelde krachten: de een die in beweging brengt, oplost, vernieuwd (wordend) en de andere die vormt, tot stilstand brengt, kristalliseert (de gewordene). Elk lichaamsproces is een samenspel van oplossende, in beweging brengende, toekomstige krachten die ruimte maken voor iets nieuws, en de stollende, vastleggende en gestaltevormende krachten die het resultaat bevestigen. Het menselijk lichaam is voortdurend ‘worden’ in de stofwisseling, in de groei en in het bewegen. De gestalte, de holten, het uitgevormde zenuwstelsel en de hersenen geven uitdrukking aan het ‘zijnde’ in de mens. Zij zijn een tot stilstand gekomen groeiproces.

Het beschrijven van deze tegenstelling zou de suggestie kunnen wekken dat het lichaam een soort slagveld is tussen deze krachten. Dat is niet zo. Je beleeft jezelf niet als een strijdtoneel, maar als een harmonisch functionerend wezen. In de mens is kennelijk iets aanwezig, dat die tegengestelde krachten harmonisch laat samenwerken. De uit de buitenwereld opnemende, inademende beweging van de zintuigen – uitdrukking van het geworden lichaam – en de in de buitenwereld creatief ingrijpende, uitademende beweging van de stofwisselingsorganen – dragers van het wordende in het lichaam – die uit het vernietigde voedsel van buiten het lichaam nieuwe eigen lichaamssubstantie opbouwen en het door middel van de bloedsomloop aan het hele lichaam ten goede laten komen, worden samengevat in een harmonisch geheel, een ritme.
Ritme ontstaat altijd wanneer twee tegengestelde polen afwisselend met elkaar in evenwicht aan bod komen. In het lichaam drukt dat vermogen tot evenwicht, harmonie, ritme zich uit in het hart en de longen, ritmische organen bij uitstek. Hart en longen maken voortdurend in- en uitademende bewegingen, lucht en bloed opnemend en afgevend. Je blijft als mens gezond zolang je in staat bent tot harmonisering van die tegengestelde tendensen en niet beheerst wordt door een van beide krachten. Het steeds weer bereiken van evenwicht stelt je in staat als vrij mens te handelen, te ‘spelen’ met de polaire tendensen en er zo het midden tussen te vinden.

Om dit aanschouwelijk te maken, moet je proberen je voor te stellen wat er zou gebeuren als je alleen maar zou inademen. Het lichaam zou zo rond worden als een ballon en uiteindelijk uit elkaar barsten. Een zeer veel voorkomend ziektebeeld dat deze situatie benadert, is de zogenaamde hyperventilatie. Hierbij geeft de mens zich te veel over aan de indrukken van de buitenwereld en kan die emotioneel niet verwerken. Deze toestand uit zich bij de patiënt onder andere in het voortdurend willen inademen. Hij heeft het gevoel te zullen stikken en haalt daarom nog dieper adem, waardoor hij zich zelf (door een steeds ongunstiger verhouding tussen de koolzuur- en zuurstofconcentratie in het bloed) nog benauwder maakt. Daar naast ontstaat ook een krampend, tintelend gevoel in de handen, zodat een vuist ontstaat die in zijn samengebalde, ronde vorm aan de schedel – zetel van zintuigen en hersenen -doet denken. Een psychisch overgeleverd zijn aan de buitenwereld spiegelt zich in een lichamelijk uit balans zijn. De hyperventilatiepatiënt is psychisch en lichamelijk aan de uitademing overgeleverd. Dat verhindert hem om vrijuit – in- en uitademend – te leven, in harmonie met zichzelf.
.

Tussen ‘worden’ en ‘zijn’
Bij het ademhalen gaat het niet alleen om het in- en uitademen, maar juist om dat ene momentje ertussen! Daar ben je vrij mens, niet meegesleept door een van de tegengestelde krachtstromen. Dat ondeelbaar moment tussen ‘worden’ en ‘zijn’ geeft je gelegenheid tot eigen oordeelsvorming, bezinning, zelfbewustzijn. Om te functioneren in het leven heb je het vermogen tot in- en uitademen nodig, maar het is even noodzakelijk ervoor te zorgen dat je niet de slaaf wordt van een van beide krachten. Hoe evenwichtiger je gebruik maakt van de tegengestelde processen in lichamelijk en psychisch functioneren, des te minder loop je het gevaar in je handelen en denken eenzijdig gericht te zijn.

Ziekte is zo niet het toevoegen van iets ongunstigs (bacterie, virus of gifstof) aan het lichaam, maar het ontbreken van het meest essentiële in het leven, namelijk het vermogen tot het vinden van een midden, een evenwicht. In de vaatverkalking word je beheerst door een verstarringstendens; in de koorts ben je uitgeleverd aan oplossende stofwisselingskrachten. Als je ziek bent, ben je uit het lood geslagen. Een nieuw herwonnen evenwicht maakt je weer vrij mens. Gezondheid, evenwicht en vrijheid zijn in deze zin synoniem.

Niet alleen in het lichaam wordt de vrijheid van het creatieve midden voortdurend belaagd en op de proef gesteld. Ook maatschappelijk gezien wordt een strijd om de vrijheid steeds meer zichtbaar. Dat klinkt vaag, maar het wordt al heel wat minder vaag als je je bijvoorbeeld verdiept in de Wet op het Basisonderwijs.

De kern van het probleem is, kort samengevat, dat de wet een miskenning inhoudt van het feit dat de mens een zich ontwikkelend wezen is, dat in zijn leven verschillende fasen doormaakt. Al die fasen brengen hun eigen opdracht, kenmerk en karakter met zich mee. Elke fase is ook de basis waarop de mens de volgende kan doormaken. In de kleutertijd is het kind bezig zijn lichaam te vormen en zich zo voor te bereiden op het aardebestaan. Pas als de lichaamsvorming een bepaald eindpunt heeft bereikt, krijgt het kind ‘energie’ tot zijn beschikking om aan zijn intellectuele ontwikkeling te werken en te leren denken.

De nieuwe wet gaat er vanuit dat hoe eerder je leert denken, des te gemakkelijker je dat later afgaat. Hoe sneller je tot leren in staat bent, hoe meer je ook kunt leren en hoe nuttiger je voor de samenleving bent. Er is geen benul van het eigene van de ontwikkeling van het kleine kind. De mens wordt als kleine volwassene geboren en het is de taak van de school daar zo snel mogelijk een grote volwassene van te maken.

Zo’n wet komt overigens niet uit de lucht vallen. Allerlei geledingen van de maatschappij zijn doortrokken van een tendens om de menselijke verrichtingen op lichamelijk, psychisch en geestelijk gebied verregaand beheersbaar te maken.
Denk bijvoorbeeld (op medisch gebied) eens aan het toenemend aantal ziektes waartegen je kunt (moet) worden ingeënt, aan het ontmoedigen van aanstaande moeders om thuis te bevallen en aan het groeiende aantal bevolkingsonderzoeken. Het menselijk leven is iets engs geworden; er kan van alles misgaan. Door al deze zorgen word je echter steeds met je neus op het feit gedrukt dat je een lichaam hebt, sterker nog, dat je een lichaam bent. Datgene wat het meest ‘geworden’ is aan een mens – zijn lichaam – is mede door de wetenschappelijk-materialistische benadering van dat wat we menselijk leven noemen, zo allesoverheersend aanwezig in ons denken, dat gaandeweg alle uitingen van het menselijk bestaan – ook de emotioneel-psychische – vanuit het ‘geworden’ lichamelijke worden bekeken.

Wat betreft de substanties waaruit ons lichaam is opgebouwd, hebben wij ook niets unieks. Alle botten van mensen zijn uit dezelfde kalk opgebouwd. Dat geldt echter niet voor datgene wat je met die botten doet, waarvoor je ze gebruikt, namelijk je bestaan op aarde mogelijk maken op een heel persoonlijke manier. Er is echter voor dat persoonlijk omgaan met het lichaam, de emoties, ervaringen en belevenissen – dat geheel waar je ‘ik’ of ‘van mij’ tegen zegt – vanuit de wetenschap geen formule beschikbaar die dat persoonlijke kan veralgemeniseren. Het ik iets dat niet bestudeerd kan worden als de kalk uit je botten. Daardoor valt het individuele weg uit het beeld dat de wetenschap geeft van de mens. Voor het individuele is het gedrag in de plaats gekomen, dat wat je aan de buitenkant, aan het zich gedragende lijf kunt zien. Voor datgene wat steeds vernieuwend is – belevenissen, ervaringen, emoties – daar waar een mens steeds wordt, is nog maar een bijrol gereserveerd. Het psychisch-geestelijke, zich uitdrukkend in de biografie, wordt zo langzamerhand als een gevolg van het lichamelijk functioneren beschouwd.
.
Anti-autoritair*
Je kunt je zorgen maken over zulke ontwikkelingen, en terecht. Maar daar kom je niet veel verder mee. Dat ons denken op boven beschreven wijze functioneert, is een constatering en de zorgen die je je maakt kunnen een uitgangspunt iets tegenover deze eenzijdigheid van onze tijd te stellen. Wat kun je bijvoorbeeld als ouders voor je kleine kind doen, zodat het later echt in staat is te functioneren in een steeds
gecompliceerdere maatschappij, als een echt vrij mens?

In eerste instantie ben je geneigd om tegenover het allesregelende streven in het onderwijs het anti-autoritaire onderwijs te plaatsen, waarin het kind alles mag en aan geen enkele regel of leerplan gebonden is. De ervaring leert dat het kind, ondanks alle vrijheid, tot niets komt. Het blijft toch een zekere leiding nodig hebben en zoeken! Het zijn ongelukkige kinderen aan wie systematisch leiding onthouden wordt. Zo’n anti-autoritaire houding van de opvoeders leidt niet zelden  tot alle mogelijke ziekteverschijnselen bij kinderen. Je kunt bij kinderen die te weinig structuur in de opvoeding aangeboden krijgen. zien dat ook het lichaam die structuur gaat missen. Allerlei lichaamsprocessen gaan onafhankelijk van elkaar functioneren. Zo kunnen de amandelen geweldig gaan opzwellen en ontsteken met enorme vochtafscheiding, waardoor de kinderen eeuwig snotteren en met hun oren tobben. Die amandelen kennen hun plaats niet, weten niet hoe ze in het geheel van het lichaam doelmatig moeten functioneren. Het kind weet als het ware geen leiding te geven aan zijn amandelen.

De leiding die het kind in zijn opvoeding ervaart, spiegelt zich aan de leiding die aan de lichaamsprocessen wordt gegeven door datgene wat van het lichaam gebruik maakt, het individueel-persoonlijke. Anti-autoritair onderwijs is vormloos, chaotiserend, is alleen maar ‘worden’, zoals de voedselstroom in onze darmen chaotisch gemaakt wordt door het verteringsproces. Daar wordt echter nieuwe lichaamssubstantie uit opgebouwd! Dat vormende opbouwproces, dat structurerende, mist het anti-autoritaire onderwijs. In die zin is deze onderwijsrichting net zo eenzijdig als het door en door bedachte en gereglementeerde onderwijs van de basisschool. Het onderwijs dat door de antroposofie geïnspireerd wordt en zowel structuur (‘zijn’) als individuele ontwikkelingskansen (‘worden’) wil bieden, wordt dan ook gegeven in de vrijescholen, die door buitenstaanders zo graag over één kam geschoren worden met het anti-autoritaire onderwijs.
Niet alleen in de opvoeding van het lagere schoolkind is, als reactie op het al te gereglementeerde, het anti-autoritaire en daarmee het op misplaatste wijze vrijlaten van het kind waarneembaar. Al in de manier waarop veel moderne ouders met hun baby’s omgaan, uit zich het miskennen van het belang van het aanbrengen van structuur in de opvoeding en verzorging. Dat is natuurlijk geen boze opzet maar een gevolg van het denken over kinderen vanuit het standpunt van de volwassene. Je vindt het zelf, als ‘geworden’ volwassene, prettig om vrij te zijn, om niet altijd aan banden gelegd te worden, je eigen weg te gaan. Dus zal dat voor de baby ook wel gelden. Een baby is eigenlijk een kleine volwassene. Maar niets is minder waar.
.
Alleseter
Wanneer je naar het lichaam van een baby kijkt, zie je dat de ontwikkeling daarvan nog volop in beweging is. De groei barst er aan alle kanten uit. De organen hebben in hun groei en uitrijping beslist nog geen eindtoestand bereikt. Een baby is lichamelijk geen ‘zijnd’ maar een ‘wordend’ wezen. Daarbij is het geheel op de buitenwereld gericht. Het neemt alle mogelijke indrukken op (plaats van geboorte, het soort ouders dat je hebt, kleding, voeding, warmte etcetera en laat die ten goede komen aan zijn groeiende lichaam.
De baby is een ‘alleseter’, het zwelgt als het ware in datgene wat van buitenaf wordt aangedragen. Het kan ook nog niet goed bepalen wat goed en wat niet goed voor het lichaam is. In het omgaan met al die indrukken zit nog weinig vorm. Aanbrengen van vorm in het waarnemen (selecteren) en van daaruit in het opbouwen van het lichaam is iets wat het kind moet leren en wat hem dus voorgedaan moet worden. Zoals de volwassene als tegenwicht voor het al te gewordene (intellectuele belasting, stress, het moeten handhaven van maatschappelijke positie) iets losmakends nodig heeft en daarom in de vrije natuur gaat wandelen of gaat zeilen, zo heeft de baby het nodig dat zijn drang tot groei en uitdijen van buitenaf begeleid en een vormend houvast geboden wordt.
Je kunt die ‘wordende’ groeitendens enerzijds en de noodzaak van structuur anderzijds, bij baby’s al heel vroeg waarnemen. Het is bijvoorbeeld gebleken dat veel baby’s erg onrustig gaan slapen als ze te vaak – dat wil zeggen elke dag – in bad gedaan worden. Zeker in de eerste maanden moet je daar mee uitkijken. Water werkt zeer ontspannend en losmakend, oplossend bijna. Je geeft je helemaal over aan het warme water als je in bad ligt. Net zo geef je je aan de slaap over; je moet er ook altijd op bedacht zijn niet in bad in slaap te vallen. Na een bad of een goede nachtrust voel je je herboren, je lichaam voelt weer als nieuw. Het wegvallen van het dagbewustzijn heeft de
opbouwkrachten de kans gegeven herstelwerkzaamheden te verrichten. Je lichaam, dat teveel neigde naar het gewordene, verharde, heeft weer ‘wordingskracht’ gekregen, is weer een beetje in oplossing gebracht.
Maar dat heeft een baby niet nodig! Een baby is nog één en al wordingskrachten. Zijn lichaamssubstantie bevindt zich nog in zo’n opgeloste toestand dat er niets anders dan nieuwe dingen in dat lichaam gebeuren. Het kleine kind heeft dat kleine beetje houvast gevende bewustzijn van die paar wakkere uurtjes tussen al dat slapen door hard nodig om het wordende een beetje ‘zijnd’ te laten worden. Bij kinderen die van zichzelf al een sterke hang naar het ‘wordende’ hebben, snel koortsend, erg beweeglijk, vaak verkouden, snel luiereczeem enzovoort) en eigenlijk te ‘waterig’ zijn, kan het veelvuldig baden het broze evenwicht tussen vorm en substantie, tussen zijn en worden, verstoren en het kind nog wateriger maken. Het is zijn houvast kwijt in het structureren van het lichaam. En als je in het leven je houvast kwijt bent dan wordt je daar onrustig van. Wanneer een probleem je zó bezig houdt dat je het niet meer loslaat, dan komt er een moment dat het probleem jou niet meer laat schieten. Dat kan er toe leiden dat je je ook niet meer aan de slaap kunt overgeven; eerst moet je de heerschappij over jezelf terugkrijgen en afstand tot het probleem nemen voordat je in de nacht met de ‘herstelwerkzaamheden’ kunt beginnen. Zo is de te waterig geworden baby ook in zijn slaap bezig wat meer vorm en bewustzijn in zijn lichamelijke ontwikkeling aan te brengen. In die slaap strijden zo ‘zijn’ (bewustzijn) en ‘worden’ met elkaar om een nieuw evenwicht te vinden. Die strijd uit zich naar buiten toe als de genoemde onrust.

Zoals het warme bad ontgrenzend, ‘wordend’ werkt, zo zie je een daarop gelijkend proces zich voltrekken bij het te vroeg stoppen met het inwikkelen van een baby in een wikkel- of omslagluier, wanneer die überhaupt wordt toegepast. Zoals al in diverse toonaarden verkondigd, is het voor een baby heel belangrijk om zijn eigen grenzen te ervaren, in dit geval zijn eigen huid. Bij de gratie van het hebben van een huid kun je je een individueel persoon (gaan) voelen. Je scheidt je af van de buitenwereld. Door heel veel vallen, knieën stoten, stompen van klasgenoten en ga zo maar door, wordt een kind zich daar door middel van zijn huid bewust van. Je zou van een ‘huidbewustzijn’ kunnen spreken. Door je huid wordt je je bewust van jezelf. Dat huidbewustzijn is nog heel ver weg in de eerste maanden. Een baby huilt in de regel wanneer hij wordt uitgekleed. Dat zal wel meerdere redenen hebben (omgevingstemperatuur, honger of fel licht), maar één van de redenen zal toch zeker zijn dat het kind het als heel onaangenaam ervaart dat zijn huidbewustzijn weggevallen is. De wikkelluier, lekker stevig om het hele lijfje heen, fungeert immers als stand-in, als voorlopige huid. Natuurlijk is het helemaal niet slecht om een kind zo af en toe eens te laten spartelen met zijn armpjes en beentjes, ook het bewegen hoort bij het leven. Maar de mogelijkheden daartoe moeten uitgebreid worden in een tempo waarin het kind het bij kan houden. Zo voorkom je dat het kind zijn houvast verliest aan zijn lichaam, zijn huidbewustzijn. Het is daarbij verstandig langzaam te wennen van wikkelluier via trappelzak naar het helemaal vrijlaten van de ledematen.

Er is, kort samengevat, niets op tegen dat een klein kind eens met zijn beentjes spartelt of dat het in bad gaat, maar het moet een beetje begeleid worden en afgestemd op de fase van ontwikkeling. En het is je taak als dan niet beginnend ouder daar een sturend element in te zijn. Dat kan heel lastig zijn. Bij veel van dat wat je je kind onthoudt omdat je denkt dat je zo het beste inhoud aan je opvoeding kunt geven, blijf je in eerste instantie het gevoel houden: ‘Maar ik vind het zelf ook leuk, kan ik het daarom wel verbieden?’ Je gaat met jezelf in discussie. En eigenlijk gaat het daarbij dan niet alleen om het badje of iets dergelijks, maar om je eigen rol en betekenis als opvoeder. De centrale vraag daarbij is elke keer: ‘Ben ik niet te dwingend (te ‘zijnd’) of juist te loslatend (te ‘wordend’), ben ik in staat om mijn kind op een evenwichtige manier op te voeder. Wanneer je zo een aantal opvoedingssituaties doorgeworsteld en geprobeerd hebt daarbij zo bewust mogelijk met je kind bezig te zijn, dan ga je voelen dat dàt nu juist opvoeden is: autoriteit zijn, niet in de zin van allesweter of wetgever, maar als degene die zich een overzicht van de situatie verschaft heeft en van daaruit vormende met het kind meeleeft Je hebt daarbij dan ook niet zoveel aan al die boekjes over kinderopvoeding waarmee de boekhandels vol liggen. Wat je je niet zelf eigen gemaakt hebt, kun je nooit zinvol op je kind overbrengen. Hooguit kom je door het lezen van zulke boeken (en stukjes als het voorliggende!) een stukje verder in je denkproces. Zo groei je zelf ook met je kind mee. Het is heel afgezaagd maar daarom niet minder waar:
opvoeding is zelfopvoeding!
Alleen om dat te demonstreren werden bovenstaande illustraties gegeven.
.
Aart van der Stel, huisarts, Jonas 01-04-1983
.

*In de jaren 70 van de vorige eeuw ontstond er een beweging van ‘anti-autoritair’ opvoeden. Inmiddels is daarvan nauwelijks sprake meer.

.

Opvoedingsvragen: alle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

939

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Driekoningen (23)

.

driekoningen 1

.
Zingen en springen met de Koningen. Op 6 januari wordt het feest van Driekoningen gevierd, al neemt men het met die datum op het
ogenblik niet zo heel nauw, want als het beter uitkomt wordt het ook wel eens een paar dagen eerder gevierd. Een populair volksfeest, vooral voor de kinderen. Zo populair dat het in 1961 als motief voor een van de kinderpostzegels werd gekozen.
Hil Bottema knipte met vaardige hand voor de zes-cents-postzegel een aardig driekoningenplaatje. Een heel oud feest, dit driekoningenfeest dat de afsluiting van de kerstviering aangeeft.
Het verhaal uit de bijbel is overbekend: de wijzen uit het Oosten die het pas geboren Christuskind in Bethlehem hun goede gaven komen aanbieden: goud, wierook en mirre. Die wijzen werden in het volksgeloof tot koningen en men wist zelfs hun namen: Balthasar, Caspar en de zwarte Melchior. In het tiende vers van Mattheüs 2 lezen wij over deze koningen:
’Als zij nu de ster zagen, verheugden zij zich met zeer grote vreugde’. Die vreugde is gebleven bij het vieren van Driekoningen; ook de ster speelt hier nog een opvallende rol, want op deze dag worden door kinderen, verkleed als koningen, allerhande sterren in prachtige versieringen rondgedragen. Een héél oud gebruik. Lang geleden al gingen de kinderen de straat op om liederen te zingen. Voor velen tevens een mooie aanleiding om wat te bedelen. Verschillende van die liederen zijn bekend gebleven, zoals dit sterrelied:
.
Hier treden wij, Heere, met onze Steere,
Wij zoeken Heer Jezus, wij hadden hem geere.
Wij klopten al aan Herodes zijn deur,
Herodes, de Koning, kwam zelvers veur.
Hij sprak er al met een valscher hart:
Hoe ziet er de jongste van drieën zoo zwart?
Al is hij zoo zwart, hij is wel bekend,
Het is er de Koning van Oriënt.
Wij kwamen die hooge bergen opgaan,
Daar zag men de sterre stille staan.
O Sterre, gij moet er zoo stille niet staan!
Gij moet er met ons naar Bethlehem gaan.
Te Bethlehem in die schoone stad,
Daar Maria met haar kindeken zat.
Zoo kleiner kind en zoo grooter God,
Een zalig nieuwjaar verleene ons God.
.
Uit Tilburg komt het volgende oude liedje met een mondje Frans erin.
.
Wij komen van oosten, wij komen van ver,
A la berline postiljon,
Wij zijn er drie koningen met een ster,
A la berline postiljon,
Van cher ami, tot in de knie.
Wij zijn drie koningskinderen,
Sa pater trok na Vendalo, van cher ami.
.
Populair is nog steeds het volgende versje, waarover verteld wordt dat het zou herinneren aan het feit dat lagere ambtenaren op driekoningendag in verschillende gemeenten op het stadhuis een nieuwe hoed kregen.
.
Driekoningen, driekoningen,
geef mij ’n nieuwen hoed,
m’n oude is versleten,
m’n vader mag ’t niet weten,
m’n moeder heeft ’t geld
al op de toonbank neergeteld.
.
Hoewel de reformatie in ons land zich tegen vele kerkelijke feesten heeft verzet, bleek Driekoningen een taai leven te hebben.
De geschiedenis wil dat Willem Barentsz met zijn mannen tijdens hun barre overwintering op Nova Zembla het driekoningenfeest vierde. Begrijpelijk, want zij hadden wel iets bijzonders nodig om de tijd te doden.
En dit is een waar verhaal uit 1662 over de toen twaalfjarige prins Willem lll:

‘Men verhaalt dat de jonge prince van Oranje in den Hage zijnde, op drie koningen dach, in presentie van sijne grootmoeder, de princesse douairière van Orangiën, prins Willem, stadholder van Vrieslant, en meer andere illustre personagien, in het trecken den hooggemelden prince het lot van coning te sijn is toeghekomen, waerop oock een heerlijeke donatie sou sijn gevolgt.’

In Amsterdam was het omstreeks 1900 nog de gewoonte op straat te venten met de zogenoemde trekbrief met de kroon. Op de brief stonden zestien figuren, voorstellende koning, koningin, raadsheer, rentmeester, secretaris, kamerling, hofmeester, voorsnijder, proever, schenker, zanger, speelman, portier, kok, zot, zottin. Bij iedere figuur stond een vierregelig versje. De brief werd in repen gesneden en deze werden op staafjes gerold, waarna ieder op zijn beurt kon trekken welke rol hem werd toebedeeld.
.
driekoningen 2
.
Driekoningen werd ook in huis gevierd met als hoogtepunt een bonenfeest. in het driekoningenbrood was een boon gebakken en wie ’dat heilige boontje’ tijdens de maaltijd te pakken kreeg, was de koning van de dag met alle daaraan verbonden voordelen. Na de maaltijd mochten de kinderen in de keuken het kaarsjesspringen beoefenen, met natuurlijk het bijbehorende gezang.
.
Kaarsies, kaarsies, drie aan een,
Springen wij er over heen.
Al wie daar niet over en kan,
Die en weet er nou niemendal van.
.
Dolle pret; maar omdat de minimode nog niet bekend was, wel een gevaarlijk spelletje waarbij de nodige ongelukken gebeurden en heel wat brandjes moesten worden geblust. Ook daarom afgeschaft.
Nu nog trekken op of rond driekoningendag door steden en dorpen – vooral in Brabant en Limburg – honderden kinderen langs de wegen. Zij dragen hun sterren, zij zingen de liederen, zij maken muziek en zij zijn heel prachtig uitgedost. Als koningen. Er wordt snoepgoed en geld gevraagd. In Den Bosch trekken zij naar de grote kerststal in de Sint- Janskathedraal.
In Tilburg besteedt een deskundige jury aandacht aan de verkleedkostuums en geeft beoordelingen en prijzen. Tot diep in het duister trekken de kinderen met hun sterren, met hun lichtjes, in hun wonderlijke kledij door de straten.
.
driekoningen 3

.

Driekoningen: alle artikelen
Shell Journaal van Nederlands folklore 1972

.

938

VRIJESCHOOL – Periode-onderwijs (2)

 

Periode-onderwijs

Voordat een boer kan oogsten moet hij eerst zeer intensief het land bewerken: ploegen, eggen en met zorg inzaaien. Dan kan hij niet veel meer doen, maar moet hij het zaad aan de donkere aarde en de elementen overlaten.
Wat de oogst zal zijn?
De tijd zal het leren.
Onderwijs moet ook zijn vruchten dragen. Er wordt verwacht, dat de kinderen wat kunnen: lezen, rekenen… De vrucht van intensieve arbeid.
Maar er is meer; er moet meer zijn voor de kinderen. Hun ziel moet kunnen meetintelen als zij op school zijn, het moet spannend zijn, droevig, opwindend.
Met hun ‘hele’ wezen moeten ze door de leerstof heen in beweging kunnen komen.
De kinderen willen betrokken zijn, meeleven met wat hen gebracht wordt. Zo kan het gevoelsleven zich ontplooien in de directe betrokkenheid van de kinderen met datgene wat in de lessen aan de orde komt. Een rijk gekleurd en ontwikkeld gevoelsleven zal voor het hele latere leven zijn vruchten afwerpen. Alle leerstof zal daarom omgevormd moeten worden, juist voor het kind in de
basisschoolperiode, dat- in deze fase geheel en al gevoelsmens is, tot gevoels-ontwikkelingsstof.
Het periodesysteem biedt de mogelijkheid aan de kinderen zich intensief met de leerstof te verbinden. De hoofdvakken, zoals rekenen, taal, aardrijkskunde, biologie, meetkunde, scheikunde, etc., worden gegeven in aaneengesloten perioden, variërend van drie tot zes weken, iedere dag twee lesuren aan het begin van de dag.
Voor het onderwijs en m.n. het periode-onderwijs is de zaterdagschool* van wezenlijk belang. Ondanks het feit, dat de zaterdagsschool vanuit andere gezichtspunten omstreden kan zijn, is het hier duidelijk dat met deze ‘extra’ dag- en dus tevens ‘extra’ periode-ochtend – er wezenlijk pedagogisch belang gediend is.
Want waar het ritme overal in de school duidelijk zichtbaar is in de jaarfeesten, is het ritme dat een schoolweek heeft ‘misschien minder zichtbaar, maar zeker zo belangrijk: iedere dag heeft zijn eigen kwaliteit, zelfs een periode-ochtend heeft zijn eigen ritme in spanning en ontspanning, beweging en rust.
De toegevoegde waarde van de zaterdagschool is voor het periode-onderwijs groot. De bijzondere kwaliteit van de dag is voor de leerkrachten duidelijk te ervaren: de zaterdag maakt een periodeweek tot een geheel. Bovendien – kan de boog – die nooit te lang gespannen moet blijven – naar de maandag toe getrokken worden, waardoor de samenhang tussen de afzonderlijke periodeweken groter wordt.
Doordat een bepaald onderwerp gedurende langere tijd aan de orde is, ontstaat de mogelijkheid het onderwerp uit te diepen, te doorploegen. Het biedt ook de mogelijkheid een vak op kunstzinnige wijze aan te pakken, van verschillende zijden te benaderen. Er kan toneelgespeeld worden in een taalperiode, geschilderd en getekend. Tijdens een rekenperiode gonst het in een klas: tafels worden geklapt en gestampt, er is tijd voor beweging. Het enthousiasme van de kinderen voor het vak dat aan de orde is, is groot, ze kunnen zich er helemaal mee verbinden.
Soms brengt een bepaalde periode de hele school in beweging.

Wanneer een vijfde klas aan het meten slaat tijdens een rekenperiode waarin maten en gewichten centraal staan, zal de hele school dat weten, want alles en iedereen wordt gemeten.

De scheikundeperiode is voor alle klassen een belevenis, omdat de vaak onaangename geuren zich door de hele school verspreiden. Een brand op het schoolplein (benzine-verbrandingsproef) veroorzaakt danig veel deining.
Tijdens de periode ontstaat het periodeschrift, waarin een neerslag komt van hetgeen er tijdens de periode aan de orde is geweest.
Ieder kind maakt zijn eigen boek.
Voor de kinderen ontstaat tijdens de periode een overzichtelijk geheel van een leerstofgebied. Aandacht en concentratie worden niet versnipperd door steeds wisselende vakken.
Juist in deze tijd, waarin concentratieproblemen door een veelheid van wisselende indrukken een groot probleem vormen, is het
periodesysteem een zegen.
Een periode zou een kunstwerk op zich moeten zijn, moet een climax hebben, moet uitblinken en duidelijk afgesloten worden.
Aan het eind van de periode kun je met je klas terugkijken: wat hebben we geleerd? De leerkracht kijkt terug en vraagt zich af hoe hij/zij het anders had kunnen doen. Ondanks een intensieve voorbereiding op de periode ontdek je als leraar altijd weer wat je anders aan had kunnen pakken.
Tot slot mag iedereen het geleerde vergeten in de tijd dat een vak niet aan de orde is.
Er is geploegd en gezaaid en wat er van opkomt als vrucht zal de tijd leren.
Daarin zit het geheim van het periodesysteem.
Iedereen heeft wel de ervaring iets moeilijk te vinden, iets niet te kunnen. Wanneer je het dan laat rusten en het later nog eens oppakt, blijkt het plotseling wel te gaan. Problemen kunnen na een nachtje slapen soms wel opgelost worden. Blijkbaar werkt in het vergeten een kracht, die in later tijd een licht kan doen opgaan.
Wanneer een 4e klas bijv. na de eerste kennismaking met de breuken het rekenen hiermee een poos laat rusten, bloeit in een volgende periode ‘het vergetene’ op wonderbaarlijke wijze weer op. Moeilijkheden kunnen zo soms onverwacht overwonnen worden; waar een kind zich eerst  blind op staarde wordt plotseling doorzien.
Zo werpt het periodesysteem zijn vruchten af.
En toch zijn dat vruchten, die zichtbaar worden op de korte termijn.
De werkelijke vruchten zullen/kunnen in het latere leven plotseling zichtbaar worden, vaak wanneer men de basisschooltijd al helemaal ‘vergeten’ is.
.
Jo (nadere gegevens ontbreken)
.
*Sinds de invoering van de vijfdaagse werkweek schaften veel scholen de zaterdag af. Ook vrijescholen. Sommige probeerden de zaterdag ‘als zegen voor een ritmisch verloop’ wel te handhaven.
Maatschappelijke veranderingen: meer sport op zaterdag; uitstapjes met het gezin; bezoekregeling gescheiden ouders enz. maakten langzamerhand overal een eind aan de zaterdagschool.
.
.
937

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Alexander de Grote

Alexander de Grote

Alexander de Grote  356-323 v. Chr.

Alexander de Grote stierf al op zijn 33e jaar tijdens een koortsaanval. Hij liet meer dan 70 nieuwe steden na. Ze lagen overal verspreid, van het huidige Egypte, Perzië, Centraal-Azië, Afghanistan tot in India toe. Deze steden, die allemaal Alexandrië heetten, markeerden de route die deze opmerkelijke jonge
Romeinse kopie van een beeld
van Lysioous
Macedonische koning aflegde. Hij drong diep in Azië door en veroverde alles op zijn weg. Het is nog belangrijker, dat de door hem gebouwde steden centrums voor de Griekse cultuur werden en op die manier alle delen van de bekende wereld beïnvloedden. Het werden vrije en openbare steden waar iedereen elkaar kon ontmoeten en waar men handel kon drijven.
Alexander de Grote verkreeg zijn positie in Griekenland zowel door zijn afkomst als door zijn opvoeding. Hij was de zoon van koning Philippus II van Macedonië en zijn Griekse koningin Olympias. Zijn leraar was de Griekse filosoof Aristoteles. Deze onderwees hem in wijsbegeerte, wetenschap en geschiedenis. Alexander las over de Griekse helden en fantaseerde, dat hij hun opvolger was. Ook leerde hij hoe de Perzen 150 jaar daarvoor Griekenland hadden aangevallen. Samen met zijn vader smeedde hij het plan voor een Macedonische wraakoefening.

Philippus werd in 336 v. Chr. vermoord. Al op 20-jarige leeftijd werd Alexander koning van Macedonië. Griekenland was een deel van zijn rijk. Hij maakte al snel duidelijk dat het zijn bedoeling was dat zo te houden. Terwijl hij in het noorden en oosten oorlog voerde om die delen van zijn rijk onder controle te houden, ontving hij het bericht dat de Griekse stad-staat Thebe in opstand was gekomen. Hij ging met zijn leger naar Griekenland terug, Thebe werd in korte tijd met de grond gelijk gemaakt. Duizenden inwoners sneuvelden en de rest werd als slaaf verkocht. De Grieken kwamen daarna niet meer tegen de heerschappij van Alexander in opstand. Ze gaven hem zelfs het opperbevel over een Grieks-Macedonisch leger, dat volgens de plannen van zijn vader de strijd met het Perzische Rijk zou gaan aanbinden.

In minder dan vier jaar nadat hij in 334 v. Chr. de Dardanellen was overgestoken en Azië was binnengetrokken, had hij heel Klein-Azië veroverd en de Griekse steden aldaar bevrijd. Hij had een bres geslagen in de als onneembaar bekend staande verdedigingswallen van de eiland-staat Tyrus. Toen hij Egypte binnentrok, werd hij daar als farao vereerd. Hij stichtte aan de monding van de Nijl, het eerste Alexandrië. Bij Gaugamela versloeg hij het Perzische leger. Hij nam de macht over in Babylonië, Elam, Medië en Perzië. Toen Perzië in 331 v. Chr. aan zijn voeten lag, had Alexander bereikt waar hij oorspronkelijk

voor op weg was gegaan.
Maar hij ging verder, om een meer persoonlijke oorlog te voeren. Hij marcheerde verder naar het oosten waar hij Bactrië (nu Afghanistan) veroverde en daarna Sogdiana (in Centraal-Azië), waar hij een soort guerrilla-oorlog voerde. Hier trouwde hij met Roxane, de dochter van een plaatselijk stamhoofd.
In 327 v. Chr. trok hij op tegen India. Hij versloeg de koningen Taxala en Poros en bereidde zich voor op de volgende veldslag tegen de Nanda-koning van Magadha. Maar zijn troepen weigerden verder te gaan. Alexander legde zich bij hun besluit neer. Hij trok naar het zuiden en volgde de loop van de rivier de Indus tot aan de monding. Daar splitste hij zijn strijdmacht in tweeën. De helft ervan werd overzee teruggestuurd en met de andere helft trok hij over land door Beluchistan. De overlevenden van deze twee gevaarlijke reizen ontmoetten elkaar in zuidelijk Perzië, waarna ze gezamenlijk naar Susa marcheerden. Het duurde nog tot 324 v. Chr. voordat ze daar aankwamen.
6e  klas Alexander de Grote
Voor Alexander betekenden zijn veldtochten en reizen meer dan alleen een uitdaging voor zijn militaire vaardigheden. Hij beschouwde zijn reizen als ontdekkingen en niet als veroveringen. Alexander had vooral veel waardering voor de Perzen. Na verloop van tijd begon hij hen meer als bondgenoten dan als onderdanen te beschouwen. Hij plaatste Perzen op hoge posten binnen de regering en nam hen op in alle takken van zijn leger, waaronder het elitekorps van de koninklijke lijfwacht-cavalerie. Alexander moedigde zijn landgenoten aan om Perzische vrouwen te huwen. Zo’n 80 van zijn officieren en 10.000 van zijn manschappen deden dit. Hij begon zich naar Perzisch gebruik te kleden en verlangde zelfs van zijn eigen onderdanen dat ze zich voor hem ter aarde zouden werpen, zoals de Perzen dat voor hun heersers hadden gedaan. Zijn pogingen om de Macedoniërs en de Perzen tot één volk te versmelten, zetten kwaad bloed bij de Macedonische troepen. Dit leidde uiteindelijk tot een openlijke opstand. Alexander drukte deze rebellie de kop in door al zijn Macedonische troepen te ontslaan en hen door Perzen te vervangen. Er kwam een verzoening, maar Alexanders neiging om zich steeds eigenzinniger te gaan gedragen, ondervond steeds meer weerstand bij zijn officieren. Degenen die hij niet vertrouwde, werden vermoord. Toen Alexander later begon te geloven dat hij een god was, waren de meesten dat uit angst met hem eens. Ambassadeurs begonnen uit alle windrichtingen, zelfs helemaal uit Libië en Italië, te arriveren. Ze waren allemaal voor die gelegenheid in bloemenkransen gekleed, als gepaste hulde aan de nieuwe goddelijkheid van Alexander. Tussen de plechtigheden door hield hij zich nog bezig met een groot aantal andere zaken. Hij had plannen om de Kaspische Zee te onderzoeken, zich op de kusten van de Perzische Golf te vestigen en te zorgen voor een open verbinding over zee met India.
Maar Alexander werd na een groot drinkgelag ernstig ziek. Hij stierf aan malaria, tien dagen daarna, op 13 juni 323 v. Chr. Zijn lichaam werd naar Alexandrië in Egypte vervoerd.
Alexander was al tijdens zijn leven legendarisch geworden. Verhalen over zijn wapenfeiten verspreidden zich van het ene deel van zijn rijk naar het andere. De legendes bleven tot in onze tijd bestaan. Maar de geschiedkundigen kennen hem op een andere manier. Door de Griekse taal en cultuur te verbreiden, schiep hij een basis waarop Rome later het Romeinse Rijk kon bouwen en in stand kon houden.
.
vertelstof: alle biografieën
.
vertelstof: alle artikelen
936

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Nieuwjaar

 

Feestdagen krijgen hoofdletters. De feestdag 1 januari wordt dus geschreven als Nieuwjaar. In samenstellingen vervalt die hoofdletter weer. Zo is het ‘Met Nieuwjaar kijken we altijd naar het nieuwjaarsconcert – een nieuwjaarsduik is ons te koud.’

.

Veel heil en zegen.

nieuwjaar 1

‘Wat soort van Vis men brengt en welke Schepen varen,
Het rijtuyg dat bevragt de Passagiers en Waaren,
Soo meede ’t geen voor nieuws ook aangecomen is,
’t Verloorne en de Vond, wy roepen uyt gewis;
En met dees Nieuwen-Jaar u allen zeegen wenschen,
Leefd altoos vergenoegd, in vree met d’Eeven menschen:
Opdat het u welgaa in dees vernieuwde tyd,
En gy dan reeden hebt, met recht te zyn verblyd.’
Dat was het lied dat ’U Ed. Dienaers De Roepers der Stad Nijmegen‘ op 1 januari 1774 voor hun medeburgers van de Keizer Karelstad in petto hadden. Een heel oud gebruik; de gezongen, geschreven, gedrukte nieuwjaarswens waarmee het nieuwe jaar werd ingeluid.
Daar is niet veel van overgebleven. Naast de traditionele nieuwjaarskaarten, steeds meer in combinatie met ‘gelukkig kerstfeest’, genieten alleen de simpele kaartjes van de krantenbezorgers nog enige bekendheid. Als het kaartje persoonlijk wordt afgegeven, verwacht de brenger zijn obligate beloning.
Eens is het anders geweest.
Folklore-kenner J. ter Gouw laat zijn licht fraai schijnen over de Germanen. ‘Elk was nieuwsgierig te weten, of ’t nieuwe jaar hem goed of kwaad zou brengen. De een zat op het dak van zijn huis met zijn zwaard in de hand, waarop tooverrunen gekrabbeld waren, en meende dan in de toekomst te kunnen zien. Vooral lette hij op het ruischen van den wind; – kwam die uit het westen, dan zouden er in dat jaar veel vorsten en helden sneuvelen; woei ’t uit het zuiden dan zou er veel volks omkomen; of uit het oosten, dan zou ’t vee sterven; maar kwam de wind in den nieuwjaarsnacht uit het heilig noorden, dan zou ’t zeker een gelukkig en voordeelig jaar zijn. Anderen zaten aan een kruisweg op een stierenhuid, om zich van de Elfen, die in dien nacht bij menigte rondtrokken, omdat het hun verhuisnacht was, goed geluk te laten voorspellen. Men begrijpt, dat ze, na veel heil gedronken te hebben, op hun stierenhuid spoedig in slaap vielen, en wat ze dan droomden, gold voor profecie der Elfen.’

Alles ging toen en later met veel herrie en lawaai gepaard met daarbij de befaamde baldadigheid. Zelfs de huizen van de deftige poorters binnendringen om de nieuwjaarskost, die daar netjes klaar stond, aan te spreken. Stedelijke overheden hebben alle mogelijke moeite gedaan om de nieuwjaarsviering in ordelijke banen te leiden en om het plechtige karakter van de eerste dag van het jaar niet te verstoren. Met veel vreugde hoorden de gegoede burgers dat het minder bedeelde volk ook nette en passende liedjes kon zingen, waarin de vroomheid niet ontbrak.

Nu singhet en clinghet mit groot gheluut
Al in den Nyeuwen jaeren,
Den Ickers jaeghet al uut ende uut,
Her Jhesus moet ons bewaren.
Wie met zo iets op de proppen kwam, kon zeker op een beloning of een versnapering rekenen. Geleidelijk aan nam het zingen bij de huizen af. Het maakte plaats voor geschreven en gedrukte nieuwjaarswensen, waarmee verschillende lagere beroepsgroepen zich tot hun cliënten richtten. Allerlei rijmers vonden werk om voor de beoefenaren van nu al veelal helemaal vergeten beroepen zoals porders, straatvegers, puinhaalders, klokkeluiders, gasopstekers, nachtwakers, boden, jagers, maar dan van veerschuiten, de meest passende nieuwjaarswensen te schrijven; verzen, die vaak voorzien van illustraties, werden aangeboden, nadat zij gezongen of gedeclameerd waren.
Op de nieuwjaarsprent van de Amsterdamse nachtwachten van 1 januari 1839 deed de maker zijn best: met fielten, stadgenoten en reine maagden.
Eerwaarde tempelheeren en acht’bre burgerstand
Wanneer de klok heeft tien geslagen,
Dan vangen wij het ronden aan,
Totdat de morgen op komt dagen
En elk van ons naar huis kan gaan.
Wanneer er onraad wordt bevonden,
Aan ’t eigendom der stadgenoot,
Of reine maagden zijn geschonden
Geheel van tegenweer ontbloot
De fielten worden zeer onzacht
Gegrepen door de ratelwacht
In ’t holst der nacht, in ’t holst der nacht!
De ’asch- en vuilnislieden’ van Den Haag kwamen in 1812 met een ‘zegen- en heilgroet’ èn in het Nederlands èn in het Frans. Vanwege de Napoleontische bezetting.
Aldus wat er wenschlyk is,
tot uw heil en tot uw zegen,
Voor elk burger in ’t gemeen en tot elk Heilryks-Zon
Wordt u door ons gewenscht, volzalig zyn uw wegen,
En tot uw waar geluk diene Vorst Napoleon.
Napoleon verdween van het toneel en maakte plaats voor een andere vorst, die evenals zijn opvolgers er zeker van kon zijn in de wensen te worden betrokken. In 1857 richtte de ’vuilnis-karreman’ zich aldus tot ‘Amstels ingezetenen’.
Moog, zeer geachte Burgerschaar!
Voor U dit ingetreden jaar,
Een rijke bron van welvaart wezen!
Ja, Landbouw, Scheepvaart, Handelstand,
Zijn, tot het verst verwijderd strand,
Oud-Hollands glorie als voor dezen!
Door eendragt en tevredenheid
Zij Neêrland steeds der rust gewijd!
En heersche ook voorspoed in elks woning!
Zoo rijze uit aller hart en mond:
‘Wij leven op deez’ dierbren grond,
Vereend voor Vaderland en Koning!’
Was getekend: UEd. Dienaar J. Domhoff, Vuilnis-Karreman, Wijk 15.
Engagement was de schrijvers van deze verzen niet vreemd. Porster Jansje Rijke kwam in 1850 – voor het goede verstaan een jaar na de dood van koning Willem II – met de volgende regels op straat.
Heeft ook alom weêr de bloedvlag gezwierd,
Hier bleef het rustig bij ’t woên der orkanen,
Balie vlocht lauw’ren om Nederlands vanen,
’t Feest onzer zege werd juichend gevierd,
’t Jaar wond een rouwfloers om schepter en kroon,
’t Doodde den vader en kroonde den zoon.
Het was niet alleen goedhartigheid die al deze verzen deed ontstaan. Er werd ook een tegenprestatie verwacht.
Veel van deze nieuwjaarsliederen zijn regelrechte bedelverzen, zoals de Nieuwjaarswensch aan mijne geachte begunstigers, en dat waren dan de Haarlemmers, van A. Krook.
Neen, ’t is geen schand’ om arm te zijn,
Te zitten in den nood,
Vol ongemak, vol angst en pijn
En zonder daag’lijks brood!
Het wintert wel, de nacht is lang,
En ’t ongeluk is mijn deel,
En geen verdiensten hoegenaamd,
O God, wat lijd ik veel!
En ’k ben voor het werken onbekwaam,
’k Lijd daarom bitter veel;
Maar ach! hoe treurig dat het zij,
De rampspoed is mijn deel.
‘k Ga ginder, naar die schoone buurt,
Daar alles weelde biedt;
’k Bel aan dat groote, rijke huis
Misschien wel niet voor niet.
Mijn hart is goed, ja – kon ik maar,
Ik werkte zeker trouw,
Weest dus mijn hulp, want ’k weet geen raad,
Als men niet koopen zou! , ,,
Maar neen – het muschje valt niet neêr
Van armoê en ellend’,
Want als het beestje niet meer vindt,
Is ’t God die eten zendt.
Ziet dus op ons, uw evenmensch
In diepen ootmoed neêr,
Dan leent gij – weest daar zeker van,
Aan onzen lieven Heer. –
Dan zij voor U dit nieuwe jaar
Een schoone, nieuwe tijd,
Want dan hebt gij een traan gedroogd,
Die God, den Heer verblijdt.
Ook in de huiselijke kring bleef het vaak niet bij de handdruk, de omhelzing, de korte gelukwens. Van de kinderen werd meer verwacht. Tegen het einde van het jaar werd gezwoegd om op grote vellen papier in fraaie letters wensen uit te schrijven voor vader en moeder, grootmoeder en grootvader, ooms en tantes. In 1827 schreef een ‘lief hebbende Kleinzoon’ – de grootvader van een der schrijvers – aan ‘Mijne Waarde Grootmoeder’ enkele gevoelige regels. Moge het een aansporing zijn om zelf in oude paperassen op zoek te gaan naar zulke versjes. Ze vormen een heerlijke wandversiering. In een lijstje.
De nooit begonne eeuwigheid,
Bevat een God wiens wys beleid,
En aanzijn nooit zal enden;
Hiervan getuigt dit nieuwe Jaar,
En eischt dat wij nu met elkaar
Een loflied tot hem wenden.
Een rijke oogst van voorspoed daal,
Op uw en d’uwen neder,
Opdat Gods gunst u steeds bestraal
Dit wenscht mijn hart U teder.
nieuwjaar 2
nieuwjaar 3
Het spreekt vanzelf dat de rederijkers zich bij het vervaardigen van nieuwjaarswensen ook niet onbetuigd hebben gelaten. Een mooie gelegenheid om weer eens iets op papier te zetten met als gevolg een grote stroom jaardichten, liedekens en refereinen. In de schouwburgen werden liederen voorgedragen en samenspraken op de planken gebracht, waarvan die van Thomasvaer en Pieternel voor een langdurig en eindeloos gevarieerde en nog niet geheel verdwenen traditie hebben gezorgd.
De Amsterdammers die zich op 1 januari 1814, vers bevrijd van het Franse juk, naar de schouwburg spoedden, konden de volgende wens – geschreven door Marten Westerman – horen.
’k Wensch vrede aan alle huisgezinnen:
’k Wensch ieder kans om veel te winnen.
En daar toch ieder burgerman,
Nu weer zijn pijpje rooken kan
Wensch ik dat van zijn leven dagen,
Ook geen régie ons meer zal plagen.
De Hemel schenke ons nu ook ’t zoet
Na ’t zure weêr in overvloed.
Kaneel en Koffij, Thee en Suiker
En Rijst met Krenten . . .
Toen er in 1919 weer een oorlog voorbij was, brachten Louis Gimberg en Betty Holtrop-Van Gelder in de karakters van Thomasvaer en Pieternel met tekst van Jean Louis Pisuisse in de schouwburg brandende kwesties uit die dagen: de eerste vrouw in het parlement.
Pieternel:
Och Thomasvaer, bedaert,
‘k Heb Suze Groeneweg
Gesproken in de stad . . .
Thomasvaer:
Suus Groeneweg, wat hamer,
Die naam is mij bekend:
Zit die niet in de Kamer?
Pieternel:
Ja zeker, d’eerste vrouw
Die in ons parlement
De eer, wat zeg ik d’eer?
Nee, ’t recht is toegekend,
Bij ’t stellen van de wet
’n Woordje mee te spreken,
En nu ons kiesrecht nog .. .
Niet alle tradities houden stand. Jarenlang heeft Amsterdam als nieuwjaarspremière voor een uitgelezen gezelschap een steeds maar weer nieuw geënsceneerde opvoering van Vondels Gijsbrecht van Aemstel gehad met het ovationeel klappen bij de zin ’Vaerwel, mijn Aemsterlant; verwacht een’andren heer.’ Het is sinds kort voorbij en een remplagant stuk dat zo klassiek zou kunnen worden, is nog niet gevonden.
De nieuwjaarsdagfolklore verdwijnt meer en meer. Het wordt uitslapen, de laatste koud geworden oliebollen nog verorberen, telefonisch wensen aan vrienden en bekenden overbrengen, een extra bezoekje aan opa en oma of aan pa en ma.
Alleen hier en daar nog een speciaal gebruik zoals in Roermond waar het ’nuujaorswinse’ een hele ceremonie is gebleven, waaraan de burgerij zo mogelijk getooid met hoge hoed in groten getale deelneemt. De visites gelden bisschop, deken, burgemeester. Er vormen zich op nieuwjaarsdag hele groepen mensen die van de ene ontmoeting naar de andere trekken.

In Ootmarsum, waar men hart voor folklore heeft, wordt de nachtwacht uit de ijskast gehaald die dan aan het hoofd van een stoet een nieuwjaarsomgang maakt, waarbij veel gezongen wordt. Als de torenklok de befaamde twaalf slagen heeft afgeleverd, trekken de mensen naar het marktplein en vandaar gaat de hele groep zingend verder door de straten.

In Drenthe koesterde men jarenlang een mooi bijgeloof rond nieuwjaarsdag. Er werd gezegd dat men aan de binnenlopende nieuwjaarwensers zou kunnen aflezen hoe het kalverjaar zou zijn. Als de eerste die de boer veel heil en zegen kwam wensen een vrouw was, dan zou het merendeel van de te verwachten kalveren ’vêrskalver’ zijn; was het echter een man dan werden het ’bólkalver’ oftewel stiertjes die heel wat minder waard zijn. Boze tongen beweren dat menige boer er een flinke fooi voor over had om vrouwen om te kopen toch vooral als eerste bij hem aan te komen.
Voor een staartje van de nieuwjaarsviering zorgde koppermaandag, maandag na Driekoningen. Zetters en boekdrukkers boden op deze dag vanouds een proeve van hun werk als nieuwjaarsgeschenk aan. Na de tweede wereldoorlog is deze traditie weer nieuw leven ingeblazen. De opzet is geslaagd. Koppermaandag is weer in. Een ’Eerekroon voor Laurens Koster en alle voorstanders der boekdrukkunst’ werd, zoals de aanhef dat aangaf, ‘gegeeven op Kopper-maandag MDCCCIII’.
Mooi stuk met zes coupletten. Hier is er één van.
Waar vind men op aarde,
Een kunst zoo bemind,
Zoo duurbaar voor ’t leven
Van Grijsaard tot Kind?
Wat kunst men mag roemen,
In fraaiheid en schoon,
De drukkunst wint immer,
Van allen de Kroon.
Verdwenen sinds kort is de nieuwejaersdunderdag op Walcheren; de eerste donderdag na nieuwjaar, een heel bijzondere dag voor de neringdoenden. De moeite waard om nog in herinnering te brengen. Vroeger kende men -toen over renteverlies en investering nog niet zoveel problemen bestonden – het systeem van de jaarrekeningen. Eens per jaar werden de rekeningen uitgeschreven en betaald. Op nieuwejaersdunderdag stuurde men zijn kinderen of personeel rond bij de leveranciers om de rekening op te halen die vader of de baas dan zelf zou komen betalen. Dat was een mooi dagje uit en er viel nog wel wat af om de genoten klandizie over een heel jaar te honoreren. Menig vader vermaande dan ook aan het begin van de dag
‘en dienkt er om: nie jen eige onbekwaem drienke oor. Dae nie vö spot en smaed van ’n ander loopt. Dat ei je g’oore é?’
Het jonge volk maakte van de vrije dag en de vele glaasjes meteen gebruik om wat beter kennis met elkaar te maken en dan vooral met leden van het andere geslacht om het nieuwe jaar vol goede hoop en verwachting te kunnen beginnen. Er moeten op Walcheren heel wat echtparen rondlopen waarvoor het op nieuwejaersdunderdag begonnen is.
nieuwjaar 4
.
Shell Journaal van Nederlands folklore 1972

.

jaarfeesten: alle artikelen

 

 

935