Maandelijks archief: februari 2015

VRIJESCHOOL – 4e klas – vertelstof – Edda

 

HET THRYMSLIED

Of    ‘HOE THOR ZIJN HAMER TERUGHAALDE’

Dit deel uit de Edda leent zich uitstekend tot toneelstuk.
Ik veranderde bestaande versies enigszins.

Kinderen kunnen snel hele stukken hiervan leren, vooral als je het elke dag met ze oefent. Ook tijdens het oefenen van het spelen, wordt steeds meer geleerd en uiteindelijk kent ieder kind alle coupletten.

Ik heb het meerdere keren met veel plezier gespeeld!

Maar ik heb het ook een keer gebruikt om het handschrift te verbeteren. Ik vond het van de meeste kinderen nog niet mooi genoeg en zocht naar een manier, anders dan ik het zelf vroeger moest leren: in een schoonschrijfschrift en dan tientallen keren onder elkaar hetzelfde woord dat als voorbeeld op de eerste regel stond.

Het oefenen van de toneelstuktekst gaf gelegenheid om het toneelstuk als boekwerkje – in een schrift – te presenteren.

Wat op de volgende tekst niet te zien is, zijn de lijnen waarop en waartussen geschreven werd. De kleine letters tussen twee lijnstrepen, de hoofdletters tussen drie. Wie kon laten zien op deze manier mooi te kunnen schrijven, mocht overgaan naar ‘kleiner’: de kleine letter gehalveerd tussen twee balkstrepen; de hoofdletter tussen twee balkstrepen.

Thrymslied 1
Thrymslied  tek.1.jp2

Thrymslied 3

Thrymslied 4

Thrymslied 5

Thrymslied 6Thrymslied 8Thrymslied 9Thrymslied 10Thrymslied 11Thrymslied  tek.2.jp2Thrymslied 12Thrymslied 13Thrymslied 14Thrymslied 15Thrymslied  tek.3Thrymslied 16Thrymslied 17Thrymslied 18Thrymslied 19Thrymslied 20Thrymslied  tek.4

VRIJESCHOOL in beeld: 4e klas vertelstof

4e klas: alle artikelen

731

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

Advertenties

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – J.S.Bach

 

“GODE ALLEEN DE EER”

Een ongehoord muzikaal fiasco scheen in maart van het jaar 1829 in de maak te zijn op de strenge Berlijnse Singakademie. Een wijdlopig werk, zo onhandelbaar dat het twee afzonderlijke orkesten en koren vereiste, werd er ingestudeerd. Een passiemuziek naar het evangelie van Mattheüs, welke bij haar eerste uitvoering, honderd jaar eerder, amper een vleugje belangstelling| had gewekt. De componist ervan was al even onbekend als de muziek: Johann Sebastian Bach had nu reeds 80 jaar in een graf zonder enige aanduiding gelegen. En de dirigent die de uitvoering zou leiden, was de onbekende “ontdekker” van het werk een 20-jarige joodse jongeman, genaamd Felix Mendelssohn, die voor het eerst in zijn leven voor een combinatie van orkest en koor zou staan. Als jongen van 14 jaar had Mendelssohn bij zijn muziekleraar toevallig een partituur van de passiemuziek in handen gekregen en ze had zijn hart veroverd. Een andere aanbeveling de muziek praktisch niet.
Maar de leden van de Singakademie vertelden zoveel goeds van de repetities dat de zaal bij de openbare uitvoering tot de laatste plaats bezet was. En vanaf de eerste tonen werd het publiek meegevoerd door een golf van religieuze bewogenheid, want zo diep ontroerende muziek als de Matthäus Passion werd misschien nooit geschreven. Een gewijde stilte begroette de lyrische solozangen, de treffende, bespiegelende aria’s, de machtige, vervoerende koralen. Niet alleen hoorde en voelde het publiek dit alles zo diep, het zag het ook.Want zo groot was het genie van deze onbekende Bach dat het leek of hij, met niets anders dan noten, een levendige toneelaankleding en een stemmingsvolle belichting te voorschijn kan toveren. Iedere keer als Christus sprak, bijvoorbeeld, had Bach Zijn woorden omgeven met een trillend halo van klanken, gespeeld door de strijkers. Terwijl Christus werd weggeleid, riep de muziek een beeld op van voetstappen die zich vermoeid voortsleepten onder het gewicht van het Kruis.
De uitvoering had zoveel succes dat ze moest worden herhaald niet één keer maar twee keer, voor uitverkochte zalen. Dank zij Mendelssohn was er een plotselinge belangstelling gewekt voor Bachs muziek en grote componisten moedigden dit enthousiasme aan. Chopin gaf alle pianisten de raad om Bachs muziek terdege te studeren. “Het is de hogeschool voor de pianist,” zei hij. “Niemand zal ooit een betere kunnen scheppen.”

Een onderzoek bracht aan het licht dat gelukkig vele onuitgegeven meesterwerken van Bach bewaard waren gebleven     passiemuziek, missen, kerkcantates, oratoria, werken voor orkest, voor strijkers, voor klavier. In heel Europa werden Bach-verenigingen opgericht om deze verwaarloosde werken op te sporen en uit te voeren.

Tegenwoordig is Bach diep geworteld in ons hart en ons leven. Vele christelijke gezangen die men overal ter wereld in de kerken kan horen, zijn door Bach op muziek gezet: “O, Haupt voll Blut und Wunden” en “Jesu bleibet meine Freude” en vele andere. In zijn muziek gloeit een intens godsdienstig vuur. Muziek was voor hem een wijze om God te verheerlijken, alsof de tonen, nadat ze buiten het bereik van het menselijk oor waren gekomen, nog steeds ten hemel opstegen als een lofzang. “Alle muziek moet slechts ten doel hebben,” zo hield hij zijn leerlingen voor, “God te eren en aangename verpozing te verschaffen. ” Op vele van zijn partituren krabbelde hij in de kantlijn de opdracht: Soli Deo Gloria — Gode alleen de eer.

Bachs geestesadel ging schuil in een ruwe bolster. Portretten van hem tonen een gedrongen man met een onverzettelijke mond die naar voren steekt boven een onderkin. Zijn neus is dik en hij loenst een beetje – zijn gelaatsuitdrukking doet vermoeden dat hij zowel de bitterheid als de heerlijkheden van het leven heeft geproefd. Want met dc vroomheid en het van generatie op generatie overgeleverde muzikale vakmanschap, dat in deze meester zijn hoogtepunt had bereikt, was een grote dosis menselijkheid gemengd. De man die God loofde in zijn partituren noteerde er ook zijn huishoudelijke berekeningen op. Er laaide een vuur in hem, maar hij werd ook aanhoudend gekweld door materiële zorg om zijn grote gezin – hij heeft 20 kinderen gehad, van wie er 11 jong gestorven zijn.
Als kerkorganist en -componist produceerde Bach duizenden composities, zo ongeveer als een dominee wekelijks zijn preek af­levert. Zijn composities werden door de parochianen aangehoord als behorend tot de gewone routine. Hij heeft niet de moeite ge­nomen ook maar één van zijn kerkelijke werken te laten uitgeven; men zegt dat enkele ervan, die in een kast van een kerkelijke school waren achtergelaten, door de leerlingen werden gebruikt om hun boterhammen in te pakken. Bach zou verbaasd hebben opgekeken als hem was verteld dat zijn muziek 200 jaar na zijn dood geregeld op de concertprogramma’s zou voorkomen, want hij werd door de twee voornaamste muziekcritici van zijn tijd vierkant afgewe­zen. De enige belangrijke compositie-opdracht die hij ooit kreeg was om een serie stukken voor klavecimbel te maken — de Goldberg-Variationen — ten einde een Russische gezant die aan slape­loosheid leed, wat rustiger te maken.

Johann Sebastian Bach werd geboren in 1685 te Eisenach in Thüringen. Bijna twee eeuwen lang had zijn familie bekwame musici voortgebracht — organisten zowel als instrumentalisten. De familiereputatie was zelfs zo groot dat in die streek een musicus werd aangeduid als “een Bach”.

Wees geworden op tienjarige leeftijd, kwam hij in huis bij een oudere broer, die uit jaloezie op zijn talent niet wilde toestaan dat Sebastian studeerde uit een verzameling moeilijke orgel- en kla­viercomposities. Bijgevolg klauterde de jongen maandenlang bijna iedere nacht naar de bovenste plank van de boekenkast, haalde de stukken eruit, kopieerde ze bij het licht van de maan en legde ze bij het aanbreken van de dag weer terug op hun plank. Toen zijn broer hem op een keer deze verboden werken hoorde spelen, nam hij de met zoveel moeite vervaardigde kopieën in beslag. Al wat de jongen ervan overhield was een steeds achteruitgaand gezichtsvermogen.

Toen Sebastian 15 jaar was, hoorde hij dat er goede plaatsen als koorknaap beschikbaar waren in Lüneburg, ruim 300 kilo­meter van zijn woonplaats Ohrdruff, en hij trok er te voet heen om zijn fortuin te maken. Hij bleef er drie jaar, zong in het koor, speelde viool in een orkest en bracht eindeloze uren door aan het orgel en het klavecimbel. Wanneer hem in later jaren gevraagd werd naar het geheim van zijn briljante techniek, zei hij: “Als u even ijverig studeert als ik gedaan heb, zult u evenveel succes hebben.”

Bach werd zo’n meester in zijn vak dat hem na verloop van tijd de belangrijke post van hoforganist in Weimar werd aangeboden, waar hij negen jaar bleef. Hier schreef hij zijn beroemde orgel­toccata’s (letterlijk “tokkel”-stukken, vanwege de vingervlugheid die hun uitvoering vereist) en uiterst gecompliceerde fuga’s. Zijn roem verbreidde zich meer en meer, zodat eens, toen hij zonder zich bekend te maken een dorpskerk bezocht en aan het wrakke orgel de prachtigste tonen ontlokte, de verbaasde organist uitriep: “Dat kan alleen maar een engel uit de hemel zijn — of Bach in eigen persoon!”

Bach was echter niet gelukkig aan het hof van Weimar, en in zijn volgende betrekking — hofkapelmeester van vorst Leopold van Anhalt te Köthen — had hij geen behoorlijk orgel tot zijn be­schikking. Dus keerde hij op 38-jarige leeftijd het hofleven de rug toe en nam de kort tevoren opengekomen betrekking als cantor en organist van de Thomaskirche te Leipzig aan. Zijn basissalaris bedroeg slechts een kwart van wat hij vroeger verdiende en het werk was vermoeiend en beneden zijn waardigheid. Behalve dat hij een constante stroom composities moest afleveren werd van hem verlangd dat hij klassikaal onderricht gaf in Latijn en muziek, en ook als surveillant optrad van een stel luidruchtige kinderen op de Thomasschool.

Gedurende de 27 jaar van zijn verblijf in Leipzig klaagde Bach over “plagerijen, jaloezie en tegenwerking” bij iedere stap. Maar de kleingeestigheid die hem omringde kon zijn inspiratie niet doen opdrogen. In de eerste twee decennia in Leipzig schreef hij een verzameling religieuze muziek die nooit geëvenaard zou worden: bijna 300 cantates voor alle gewijde dagen van het kerkelijk jaar, twee oratoria, missen en motetten, de Johannes- en de Matthäus-Passion, de monumentale Mis in b kleine terts.

Maar de jaren van noten schrijven, studeren en avonden lang spelen wat hij overdag gecomponeerd had verwoestten zijn toch al zwakke ogen. Hij vestigde zijn hoop op het bezoek aan Leipzig van een beroemde Engelse oogarts, die twee operaties verrichtte. Beide mislukten. Blind en met een ontredderde gezondheid bleef Bach achter. Gedurende de periode dat hij blind was schreef hij echter Die Kunst der Fuge, een werk zo ingewikkeld en knap ge­componeerd dat men er ademloos naar luistert.

Ons moderne mensen klinkt veel muziek van Bach aanvankelijk wat vreemd in de oren. De muziek waarmee wij vertrouwd zijn — populaire wijsjes, volksmuziek, zelfs veel klassieke werken uit de laatste honderd jaar — is opgebouwd als een boog, met akkoorden in de bas die als pilaren een enkelvoudige melodie ondersteunen. Bachs muziek is contrapuntisch, dat wil zeggen dat een melodie of beter: een thema — in verschillende liggingen tegen elkaar wordt gezet; langzamerhand klinken dan alle stemmen tegelijker­tijd, elkaar kruisend en hun klankkleuren dooreenmengend tot ze een waar tapijt van tonen vormen. En zo volmaakt was Bachs vakmanschap dat, toen onlangs bij een experiment een muziek­rol van een pianola met een van zijn composities werd omgekeerd – zodat de hoge noten de baspartij werden en de lage noten de bovenstem — de muziek precies even melodieus klonk als tevoren.

Draai een grammofoonplaat van een koorwerk van Bach, of van een van zijn bekende orgelcomposities, en let de eerste keer alleen op de melodie in de hoogste ligging, de sopraanpartij. Luister dan nog een keer, maar zonder nu uit het weefsel van stem­men de baspartij af. Concentreer u vervolgens uitsluitend op de middenstemmen. Weldra zal veel muziek van het genre dat u zo vertrouwd was — die akkoorden als pilaren — u bijna alledaags voorkomen. Het geniale van Bach is dat u honderden keren naar hem kunt luisteren en toch steeds weer nieuwe schoonheden kunt ontdekken die u nog niet waren opgevallen.

In juli 1750 kon Bach als door een wonder plotseling weer zien. Bijna onmiddellijk daarna kreeg hij echter een beroerte. Tien dagen later stierf hij, maar niet voordat hij een van zijn ontroe­rendste werken had voltooid, een bewerking voor orgel van het koraal der wanhoop: Wem wir in höchsten Nöthen sein. Er klinkt geen spoor van lijden door in deze laatste compositie, en vlak voor zijn einde veranderde Bach de titel van het koraal in: Vor Deinem Tron tret’ ich hiermit. Hij stierf zoals hij had geleefd, God verheerlijkend in zijn muziek. Het was de allerlaatste persoon­lijke offerande van een mens die de akkoorden van een hemelse harmonie had beluisterd.

.

Getallensymboliek in de muziek van Bach

Alle biografieën

730

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – 2e klas – vertelstof – legenden (3-4)

 

DE HEILIGE KENTIGERNUS EN HET ROODBORSTJE.

Er was een tijd, dat Sint Servatius een school had in Schotland in de nabijheid van Glasgow, waar vele  jongens, grote en kleine kwa­men om te leren.
Onder die  jongens was er één,  die alle anderen overtrof en als leerling uitmuntte. Kentigernus was een van de klein­ste jongens van de school,  en toch was hij de eerste van de hoogste klas. Kentigernus was het, die altijd het antwoord vond op de meest ingewikkelde vraagstukken, en die de moeilijkste Latijnse passages verstond, wanneer niemand anders de zin ervan begreep. Kentigernus was het, die het eerst van allen zijn lessen leerde en ze het best opzegde. Kentigernus was het, die het mooiste zong, nooit te hoog of te laag, altijd zuiver, vandaar dat de goede Servatius van hem het meest hield.

Om al deze redenen en om nog vele andere waren de  jongens jaloers op Kentigernus en verzonnen van alles om hem te plagen en verdriet te doen. Zo trachtten zij hem in de war te maken, wanneer hij zijn lessen moest opzeggen, door onderwijl hard te praten en te lachen. Maar dit was alles vergeefse moeite; zijn antwoorden waren altijd helder en duidelijk, zodat zij dit wel moesten opgeven. En zij be­dachten nieuwe plagerijen en gaven hem spotnamen, om te proberen hem uit zijn humeur te brengen, zodat hij gestraft zou worden. Maar hij was te goedhartig, om boos op hen te worden, en zo moesten zij ook hiermee ophouden. Toen probeerden zij hem door vleierijen op een dwaalspoor te brengen en hem iets te laten doen, waarmee hij de toorn van Sint Servatius zou opwekken. Maar Kentigernus had zijn meester te lief dan dat hij ooit iets doen zou, om hem te mishagen. En zo moesten ten laatste de  jongens ook hiervan afzien. Maar er moest toch een middel gevonden worden, om Kentigernus in ongenade te doen vallen, er moest toch een valstrik wezen om hem te vangen. En weken lang putten zij hun brein uit om iets te bedenken, totdat zij ten laatste meenden wat goeds gevonden te hebben.
Het aanhouden van het vuur bood daarvoor een geschikte gelegenheid. In die dagen bestonden er nog geen lucifers, waarmee men dadelijk licht kon maken, want het was in het jaar 600. De enige manier om vuur te krijgen bestond toen in het zolang tegen elkaar wrijven van twee droge stukken hout,  tot deze warm werden en er vonken uit het hout sprongen, waardoor het in brand raakte. Dit was een zeer lastig en vermoeiend werk, vooral in de winter, wanneer er maar zeer weinig droge houtjes te vinden waren. Vandaar, dat het vuur in de groten haard van de Sint-Servatiusschool dag en nacht met de grootste zorg werd aangehouden, en het een werkelijk ernstig geval was, wanneer men het liet uitgaan. Want hoe zou­den het ontbijt moeten klaar gemaakt, de kamers verwarmd en de was­kaarsen ontstoken moeten worden voor de ochtenddienst in de kapel, wanneer er geen vuur was in de grote haard?

En zo had iedere  jongen op zijn beurt de week van het aanhouden van het vuur en hij, wiens beurt het was, moest te middernacht op­staan en zoveel hout op de haard leggen als nodig was om het vuur tot de morgen aan te kunnen houden. En Sint-Servatius zou heel boos geweest  zijn op de jongen, die de haard gedurende de nacht zou hebben laten uitgaan.

Zo had dan Kentigernus de week om het vuur aan te houden, en hij deed dit reeds verscheidene dagen met de uiterste zorg. Maar de
jon­gens wachtten op een gelegenheid om hem hun poets te bakken. De vierde nacht stond Kentigernus weer op, juist toen de klok van de kapel “twaalf”  sloeg, en ging naar beneden om het nodige hout op de haard te leggen. Maar nauwelijks kwam hij in de grooe voorhal, of hij merkte,  dat er iets niet in orde was. Brr! – het was er kil en koud, en hij zag geen enkel gloeiend vonkje in de haard. Huive­rend liep Kentigernus naar de haard, en pookte uit alle macht de zwarte, verkoolde houtblokken op. Maar er lag niets dan een hoopje witte as en half uitgebrand hout!

Toen voelde Kentigernus zich de moed ontzinken, want hij wist dat hij voor zijn nalatigheid berispt zou worden, al vermoedde hij wel, dat iemand water op het vuur moest hebben gegooid om het zodoende uit te doven. Hij begreep zeer goed, dat de andere  jongens dit ge­daan hadden om hem in ongelegenheid te brengen.
Het eerste ogenblik wist hij niet, wat hij doen zou, tot hij opeens moed vatte, een blok hout uit de hoek haalde en dit op de ashoop legde. En neer­hurkend blies hij het zacht aan. En o, wonder! nauwelijks had hij met zijn adem de as doen opstuiven en het mos, waarmee het grote houtblok begroeid was, doen trillen, of de hele haard was vol dansende vlammen, het hout begon te knetteren en het vuur laaide hoog op. Met een glimlach van geluk op het gelaat kroop Kentigernus weer in bed,  zonder een van de slapende jongens, die getracht hadden hem zo’n part te spelen, wakker te maken.
Toen nu de jongens ’s morgens wakker werden, gaven zij elkaar
veelbetekenend knipoogjes en stootten elkaar geheimzinnig aan, elk ogenblik verwachtend Sint Servatius te zien binnenkomen, met gefronste wenkbrauwen, om de nalatigen Kentigernus een berisping toe te dienen. En iedere jongen nam zich reeds in stilte voor, plechtig te verklaren, dat het vuur vrolijk brandde, toen hij naar bed ging, en dat dus Kentigernus  vergeten moest hebben in de nacht naar bene­den te gaan, om er nieuw hout op te doen. Doch zij waren niet in de gelegenheid deze leugens aan de man te brengen.Want op de gewo­ne tijd werd de bel voor het ontbijt geluid, en toen zij beneden kwamen, vonden zij een goed onderhouden vuur in de haard, en Kentigernus bezig met de waskaarsen in de kapel te ontsteken. En zij hebben niet geweten, hoe dit alles zo heeft kunnen gebeuren tot lang, zeer lang daarna, toen Kentigernus reeds vele andere wonderen verricht had, en hij wijd en zijd bekend was als een Heilige. Maar intussen haatten de  jongens hem meer dan ooit, omdat zij za­gen, dat Sint-Servatius hem steeds meer liefkreeg.
En opnieuw tracht­ten zij een plan te beramen, om hem in ongenade te doen vallen. Ditmaal echter verzonnen zij iets, dat nog veel wreder was. Want als dit plan lukte, zou dit niet alleen Kentigernus een bestraffing bezorgd en Sint-Servatius ongelukkig gemaakt hebben, maar zou het ’t leven gekost hebben aan een onschuldig wezentje, dat nooit iemand kwaad gedaan had.

Sint-Servatius was een goedhartige, vriendelijke oude man, en hij bezat een roodborstje, waarvan hij bijzonder veel hield, – een klein beestje, met ronde, zwarte oogjes, dat zijn ontbijt uit de hand van Sint-Servatius at. En wanneer zijn meester zijn psalmen zong, ging de kleine koorzanger op de schouder van Servatius zitten en sloeg met de vleugeltjes, en tjilpte alsof hij wilde trachten de lofliederen mee te zingen

Op zekeren morgen nu doodden de jongens het roodborstje en sneden het het kopje af. En de grootste van de jongens nam het dode vogeltje in de hand, en gevolgd door de anderen, liep hij huilend naar Sint- Servatius, alsof hij een groot verdriet had. “O Vader,” riep de jongen, “kijk eens wat die boze Kentigernus ge­daan heeft! Kijk eens naar uw roodborstje, dat Kentigernus gedood heeft!”

Toen begonnen zij allen als uit één mond op Kentigernus te schelden, terwijl enkelen van hen beweerden, hem zijn boze daad te hebben zien verrichten.

Natuurlijk was Sint Servatius zeer bedroefd en boos. Zacht en teer nam hij het levenloze lichaampje in de hand en ging Kentigernus zoeken, terwijl de jongens hem op de tenen naslopen om te zien hoe deze ontmoeting wel zou aflopen. En achtereenvolgens kwamen zij aan het venster, waarin Kentigernus op de vensterbank zat. En Sint Servatius, naar hem toegaande, legde zwaar de hand op zijn schouder. “Zie eens hier, knaap,” riep hij met droeve stem, “aanschouw deze wrede daad,  en zeg zelf, op welke manier de moordenaar  gestraft moet worden. Had ik het roodborstje niet even lief als ik u liefheb, on­dankbare  jongen?”
Kentigernus werd bleek van schrik en verdriet, en grote tranen kwamen, hem in de ogen. “Och, dat arme vogeltje,”  zei hij.”Hield ook ik niet even goed van hem? Wie heeft het gedood, Vader?”
“Jij, jij hebt het gedaan, we hebben het zelf gezien!” riepen de jongens allen in koor uit.
Kentigernus, zich omkerend, zag hen met de grootste verwondering aan. Hij zei geen enkel woord terug, maar zijn wangen werden
vuur­rood en zijn ogen flikkerden. Dit was meer dan zijn geduld
verdra­gen kon.
“Wat hebt je hier tegenin te brengen?” vroeg Sint-Servatius stren. Toen, vol droefheid zich tot hem kerend, sprak Kentigernus: “O,Vader, hoe kunt u geloven,  at ik tot zo iets wreeds in staat zou zijn, dat ik het vogeltje zou kunnen doden en u ver­driet aandoen? Ik heb het niet gedaan.” “Kun je dat bewijzen?” vroeg Sint-Servatius op steeds strenge toon, want hij meende, dat de jongen een leugen had bedacht om zijn schuld te verbergen.
“Geef mij het roodborstje, Vader”, zei Kentigernus, de hand
uitstrekkend. “Ik zal het bewijzen, dat het niet deze hand was, die zich lafhartig vergreep aan zo’n teer wezen als dit kleine vogeltje.” En het dode, slappe lijfje in de ene hand, en het kopje in de an­dere hand nemend, stond hij daar vóór hen allen, opziend naar den hemel, terwijl hij een kort gebed sprak.
“O Vader in de hemel,” bad hij, “geef mijn beminde vader op de aarde het bewijs, dat ik deze wrede daad niet beging. Wanneer ik onschuldig ben, geef mij dan de macht het kwaad ongedaan te maken en het leven weer te geven aan de kleinen zanger, die met zijn liefelijk lied zo graag uw lof verkondigde.
Toen zette hij zacht het kopje op de plaats waar het behoorde, en terwijl zijn tranen vielen op de hals van het roodborstje, scheen het alsof het weer aan zijn lichaampje vastgroeide. De veertjes be­wogen zich en de zwakke vleugeltjes trilden zwak. De zwarte oogjes openden zich, en uit het keeltje kwam een zacht getjilp. Toen wip­te het roodborstje uit Kentigernus’ hand, huppelde over de grond tot voor  de voeten van Sin-Servatius en vloog op zijn meesters schouder. En daar zittend zong het een jubellied,- dat klonk door de gehele voorhal. Maar de schuldige, boze jongens staken allen hun vingers in de oren en verbleekten, alsof zij verstonden wat hij zei, en alsof het hun jaloezie, hun wreedheid en hun valsheid aan het licht bracht.

Zo kwam Sint-Servatius te weten dat Kentigernus onschuldig was, en hoe alles zich had toegedragen. En meer dan vroeger was Kentigernus zijn meester dierbaar, die hem op allerlei manieren hielp een grote, goede Heilige te worden. Ook het roodborstje werd zijn trouwe,  liefhebbende vriend, want nooit scheen het vogeltje te vergeten, dat Kentigernus het door zijn gebed het leven weergegeven had. Daarom zong het zijn mooiste lied voor de knaap. Zijn schoolmakkers hadden van die tijd af de grootste eerbied voor Kentigernus, die onder bijzondere hoede van God scheen te staan.

Uit: ‘Een boek van heiligen en hun dieren

 

2e klas vertelstof: alle artikelen 

729

VRIJESCHOOL – Rekenen (7-1)

 

IETS OVER GETALLEN EN GROOTTE

(Ge)tal komt van tellen en betekent het resultaat van het tellen. Deze zin verklaart eigenlijk veel over rekenvraagstukken.

Tellen is het bezig zijn met dingen, waarbij je je niet bezighoudt met de aard van die dingen. Wat ik tel, beschouw ik als gelijk aan elkaar; en omdat ik dat doe, kan ik tellen. Appels en peren die voor mij liggen, kan ik niet in één getal samennemen, zo lang ik ze als verschillend aanmerk. Wanneer ik daarvan afzie, kan ik ze wel als vruchten tellen. Dan kan ik ook de meest verschillende dingen tellen, omdat ik ze op de een of andere manier rangschik onder een begrip dat boven de afzonderlijke begrippen uitgaat. Wanneer ik niet meer kijk naar de afzonderlijke voorwerpen en gewoon tel wat er ligt, ben ik bezig te abstraheren – ik verlaat het specifieke. Dan kom je tot het aan-tal: het genoemde getal.

Abstraheren gaat bij het tellen nog verder. We kunnen afzien van het laatste restje concreetheid dat wij bij het vaststellen van het aantal binnen een bepaalde groep van dingen nog voor ogen hadden en dat loslaten. Bv. wanneer we de 7 kleuren van de regenboog tellen, maar ook de 7 dagen van de week en dan gewoon tot ‘7’ komen. Het getal is het tweede niveau van abstractie, het aantal het eerste.

De abstractie is dus het reine getal, het middel van ons rekenen en de rekenkunde.

Je kan ook een andere gedachteweg volgen om bij het getal te komen. Deze leidt – wanneer u mij toestaat deze manier van uitdrukken te gebruiken – juist in tegenovergestelde richting tot het gelijke doel, maar laat daarom ook een andere kant van het doel – het getal – zien.

Je kunt ook zo redeneren: tellen kun je alleen wanneer en omdat je al een begrip van het getal hebt. Wanneer ik van een groep mensen zeg : ‘Dat zijn er drie’, dan beschik ik over het begrip  ‘drie’ en voeg dit vanuit mijn denken vrij bij mijn beleving  ‘een groepje mensen’.

Ik zou met de woorden ‘drie mensen’ nooit enige zin kunnen verbinden, wanneer ik niet in mijn denkvermogen het begrip ‘drie’ zou hebben.

Dr.Rudolf Steiner heeft in de voordrachten die hij afgelopen zomer [1] in Engeland heeft gehouden bij het oprichten van een vrijeschool, op voorbeeldige manier laten zien, hoe je aan kinderen die je als leerkracht het rekenen bij wil brengen, een elementair begrijpen van het wezen van de eerste getallen kan overbrengen.

Bij kinderen kun je nog niet appelleren aan een ontwikkeld begripsvermogen, maar je kunt wel zeggen: ‘Kijk eens naar dit stuk hout, dat kun je versnijden, dan heb je twee kleinere stukken hout, maar wanneer je naar de mens kijkt, dan kun je die niet versnijden, want anders was het geen mens meer. Kijk, dat is een eenheid (ein Eins). Jij bent ook een mens, jij bent een eenheid. Wanneer je nu in de kamer binnengaat aan de ene kant en van de andere kant komt vader binnen en jullie komen elkaar midden in de kamer tegen, dan ben je met z’n tweeën – dat zijn er 2. Voor een ontmoeting zijn er altijd twee nodig. En wanneer nu juist op dat ogenblik waar jij van de ene kant in de kamer komt en van de andere kant vader, ook moeder erbij komt, dan is dat wel een bijzondere ontmoeting, want dan ben je met zijn drieën.’

Dit werd mij mondeling meegedeeld uit de genoemde voordracht van Steiner en ik weet niet wat daar letterlijk is gezegd.(Dat weten dus nu wel)
Het is wel een manier om kinderen de eerste drie getallen te laten ervaren, zodat het daarbij iets beleeft wat hem dan later wanneer het verstand ontwaakt en de vorming van begrippen begint, de mogelijkheid geeft de getallen als oorspronkelijk, als niet uit andere begrippen af te leiden, op te vatten.

Twee wegen dus die bewandeld kunnen worden, ze leiden beide tot het getal; de weg van de abstractie die in zekere zin van het levendige beleven van concrete dingen door verdergaande abstractie tot het telresultaat leidt en de andere weg die van een levendig beleven van concrete dingen als het ware teruggaat naar het intuïtieve begrip van het oorspronkelijke getal. De wegen zijn verschillend, lopen in zekere zin in tegengestelde richting, de ene door abstractie voorwaarts, de andere door een terugblik op het denkproces, maar ze leiden hier tot hetzelfde doel, het begrip van het getal, waarvan ze echter twee verschillende kanten tonen.

Door deze beschouwing kun je begrip krijgen voor wat een getal is. Allereerst kun je zien dat het geen zin heeft om iets anders dan de
‘hele, positieve getallen’ als getal op te vatten.

Het inzicht van dit feit leidt tot de meest belangrijke conclusies voor het rekenen met getallen en het rekenen met letters, zelfs voor een onweerlegbaar bewijs van de rekenkunde.
Dat zou ik aan de hand van een paar voorbeelden  willen laten zien. Daarbij zie ik af van allerlei verwijzingen van het onderwerp in de vakliteratuur.

Ik begin met de vermenigvuldiging. De vermenigvuldiger is altijd een rein getal. Je hebt steeds het ‘hoeveel keer’. Het vermenigvuldigtal is daarentegen heel willekeurig. Dit kan van alles zijn wat meerdere keren gedacht kan worden. Je vindt hier weer terug wat over het tellen van dingen is gezegd: de enige beperking waaraan het vermenigvuldigtal onderworpen is, is dat dit niet slechts als 1 x voorkomend of maar 1 x te denken is. Deze beperking geldt natuurlijk eveneens voor de voorwerpen die geteld worden.

Daarom onderscheidt het vermenigvuldigen zich pas van het gewone tellen wanneer je geen concrete dingen, maar resultaten van het tellen, aantallen en reine getallen ‘telt’. Juist daarbij ontstaat het product. Het product is dus een veelvoud van een gelijk aantal of een gelijk getal. En dat betekent dat in elk product een rein getal als vermenigvuldiger en een aantal (benoemd getal) of rein getal als vermenigvuldigtal voorkomt.

Dit moet je vasthouden wanneer je je in de rekenkunde buiten dit oorspronkelijk werkgebied begeeft. De ‘negatieve getallen’ of ‘negatieve grootten’ beter gezegd, kun je zo lang  volgens bovengenoemd principe vermenigvuldigen als je dat doet met een positieve vermenigvuldiger.

Getal zoals hierboven gedefinieerd is slechts het  ‘positieve’ en ‘hele’ getal. Het ‘negatieve’ getal of het ‘gebroken’ getal kunnen nooit het resultaat van het tellen zijn, ze zijn door het abstraherende denken niet te vinden waar je de reine getallen in de hier bedoelde zin vindt.

Maar je kunt ze ook niet vinden door het intuïtieve denken, als een soort basis van een gelijksoortige activiteit als de activiteit van het tellen. Je kunt ze alleen vinden met behulp van de unieke, de hele en positieve als tweede component. Dat wordt hieronder getoond.

Zolang je met een positieve vermenigvuldiger rekent, hoef je je om de andere factor helemaal niet druk meer te maken; hij wordt geteld en blijft daarbij gewoon wat hij is. Het product is steeds van gelijke kwaliteit als het vermenigvuldigtal. Wanneer dit een ‘negatief’ getal is, dan zal ook het product ‘negatief’ zijn.

Zo ontstaat concreet de formule:

. (-b) = – ab

Voordat het wezen van het negatieve niet verklaard is, kun je van hieruit niet verder komen.

Het negatieve wordt alleen dan goed begrepen, wanneer je dit in zijn oorspronkelijke optreden in het rekenende bewustzijn bekijkt. Het doet zich voor bij aftrekken, wanneer het niet mogelijk is om de gevraagde aftrekking uit te voeren, wanneer je dus 5 moet aftrekken, terwijl je maar 3 hebt.  Hier voegt zich iets in het rekenen wat je bij tellen en vermenigvuldigen niet hebt: de eis iets af te trekken van iets, maar er meer vanaf te trekken dan er is; dan kan alleen waar mensen met elkaar in contact komen, waarbij er sprake is van ‘geven en nemen’.  Tellen en vermenigvuldigen kan iemand op zich alleen, maar aftrekken en dan juist  ‘niet kunnen aftrekken wat je eigenlijk zou moeten’, daartoe moet er een ander aanwezig zijn.

Het negatieve dat tenslotte niet afgetrokken kan worden, wat dus zo bekeken niet reëel is, moet eerst gemaakt worden; het kan natuurlijk ook met getallen uitgedrukt worden, geteld worden. Je ziet echter dat het min-teken eigenlijk niet bij het getal – 3 hoort, maar de plaats inneemt van ‘wat benoemd wordt’. Het negatieve getal is eigenlijk een benoemd getal.

Min 3 betekent eigenlijk: er ontbreken drie dingen van wat dan ook. Ik heb er alleen vanaf afgezien wat dat voor dingen zijn en bekijk alleen maar dat drievoudige ontbreken.

Zolang je aan het oorspronkelijke getal vasthoudt, kan het minteken, wanneer het geen bewerkingsteken is, dus slechts de opdracht tot aftrekken geeft, niets anders zijn dan een bijzondere vorm van benoemen: ‘ -3  ‘  betekent ‘er ontbreken er 3’.

Op grond van deze conclusie kun je wat hier boven beschreven is, ook zo schrijven:

Wanneer  b   a-keer ontbreekt, dan ontbreekt a .  b.

Dat is de echte zin van de formule: a . (-b) = – ab.

Echter, ook nu vind je geen gangbare weg om twee ‘negatieve getallen’ met elkaar te vermenigvuldigen. Die vind je pas, wanneer je van het getal naar de ‘grootte’ overstapt en een ‘grootte’ is heel wat anders.

De grootte is ook een abstractie en je vindt deze wanneer je van dingen die je als gelijkwaardige opvat, een maat wil hebben. Dus eerst heb je een ding dat ik als een hoeveelheid van een homogene stof beschouw. Daar zit al een abstractie in. Maar ik zie af van wat er aan zo’n ding nog allemaal voor interessants is op te merken en beschouw het als volkomen hetzelfde en vraag naar ‘de hoeveelheid’ (die Menge). Bij tellen bekijk je iets ‘dis-continuerends’, bij meten om iets ‘continuerends’: de grootte.

Om een hoeveelheid te meten heb je een willekeurige meeteenheid nodig en kom je tot een ‘meetgetal’, wanneer je tellend bepaalt hoeveel keer die willekeurige meeteenheid die steeds van dezelfde aard moet zijn als wat je wilt meten, daar in zit.

Op eenzelfde hoeveelheid kun je op verschillende manieren het (af)tellen toepassen. Een pak meel kan opgevat worden als 1 (kilo) of als 10 (ons).

Hier kun je wel tegenwerpen dat er toch dingen zijn die je kan opvatten als de door mij bedoelde substantie, maar die in een heel bepaalde relatie staan tot hun meeteenheden, namelijk bij hoeken. Hun grootte wordt bepaald door de verhouding van hun boog tot de straal van die boog. Dat is juist, maar bij een hoek is het begrip hoeveelheid niet echt op zijn plaats.

Iedere hoeveelheid kan ik willekeurig in verschillende grootten denken; een hoek alleen tot hij de hele cirkel omvat; dan kom ik tot de natuurlijke eenheid van een cirkel en die kan niet vérder gedacht worden. Dat is de reden dat je de hoek niet zo kan behandelen als een echte hoeveelheid.

Getal en hoeveelheid staan aanvankelijk vreemd tegenover elkaar en vinden elkaar pas in de maat  die ons de grootte van de hoeveelheid aangeeft: bv. 7 ons.

Maar dan kan ook de breuk gevormd worden, bv. ½ meter. Die ontstaat simpelweg door de deling van een als eenheid genomen hoeveelheid. Je hebt dus als basis een willekeurig genomen hoeveelheid en die noem je 1. Dat is de eenheid, als onderscheid tot het getal 1.

De eenheid kun je meerdere keren hebben, maar kan ook onderverdeeld worden en iedere breuk moet als een deel van die eenheid, niet als deel van 1 opgevat worden.

En de veelvouden van de eenheid en de delen zijn ook grootten, geen getallen.

De grootte ontstaat dus als een resultaat van het meten en wordt ook zo benoemd. Abstraheer je van die benoeming, dan krijg je de grootte zondermeer, de reine grootte en deze kan heel of gebroken zijn.

Hier moet je de oorsprong van de breuk zoeken. En daaruit valt te concluderen dat een breuk nooit als getallen zoals bovenbedoeld opgevat kunnen worden, maar altijd als grootten beschouwd moeten worden. Eén als getal, dat betekent als resultaat van het tellen, is niet deelbaar, wel echter is de eenheid als grootte deelbaar en ½ betekent simpelweg de helft van de als maat toegepaste hoeveelheid, wanneer je afgezien hebt van hoe groot en waarvan de eenheidsmaat is, 2/3 betekent 2 hoeveelheden waarvan er 1 uit de eenheidshoeveelheid door driedeling ontstaat, enz.

Bij het rekenen met grootten komt er natuurlijk veel aan op welke grootte je gebruikt. Want de rekenwetten zijn anders al naar gelang de aard van de grootte waarmee je rekent: onze rekenkunde heeft haar karakter gekregen door het kiezen van een typische grootte: de lengte en wel de naar de ene kant gaande en dienovereenkomstig naar de tegenovergestelde kant. Dat zou weleens in de menselijke natuur kunnen liggen;  de rekenkunde zou er beslist anders uitzien als niet stilzwijgend deze vergelijking werd aangenomen:

Rekenkundige grootte = geometrische lengte.

Met deze vaststelling krijg je de mogelijkheid voor het ‘negatieve getal’ een symbool te vinden zo dat het zeer abstracte  ‘ontbreken van wat je af moet trekken’ wordt vervangen door iets concreets. Het ‘negatieve’ getal is nu eenvoudigweg de lijn in de negatieve richting. Je vormt een ‘getallenlijn’ en je zet vanaf een ‘nulpunt’ uit naar beide kanten een lijn waarvan de eindpunten de positieve de negatieve getallen vormen.

getallen en grootte 1

Deze manier van verbeelden van het getal op een rechte lijn werkt ongelooflijk overtuigend en vormt nu het uitgangspunt voor een grootse ontwikkeling, want het is nu nog maar een kleine stap van de ‘getallenlijn naar de theorie van Gauss

Maar je moet wel goed weten dat je bij dit alles niet meer met getallen, maar met grootten en juist grootten van een speciale soort te maken hebt.

Getallen zijn van elkaar losstaande dingen die niet doorlopend in elkaar overgebrachrt kunnen worden; op de getallenlijn worden dingen neergezet die weliswaar door getallen gesymboliseerd worden maar die zich wel van getallen onderscheiden doordat zij wel voortdurend in elkaar overgaan: het zijn grootten.

Op deze grootten van de getallenlijn kun je de regels van het vermenigvuldigen goed toepassen, wanneer je aan de regel ten grondslag legt:

Het product ontstaat uit de ene factor, zoals de andere uit de eenheid. Daarbij treedt het onderscheid van de beide factoren in de vermenigvuldiger en het vermenigvuldigtal helemaal niet meer op,  je kunt ze verwisselen.

Hoe deze regel bedoeld wordt, zal met een paar voorbeelden verklaard worden: 2 . 3 = 6

Hier ontstaat 6 uit 3 net zoals 2 uit de eenheid. 2 ontstaat namelijk uit de eenheid door verdubbeling in dezelfde richting. Net zo moet je nu de 3 in dezelfde richting die de 3 al heeft, verdubbelen en dan komt 6.

zoals 2 uit 1

getallen en grootte 2

zo 6 uit 3

Een 2e voorbeeld laat het vermenigvuldigen van negatieve grootten zien.     2 . (-3) = – 6

zoals 2 uit 1

getallen en grootte 3

zo – 6 uit – 2

Ook hier ontstaat – 6  uit – 3 door verdubbeling in dezelfde richting, net zoals 2 uit 1 door verdubbeling in dezelfde richting.

Het volgende voorbeeld laat zien dat deze regel ook geschikt is om het vermenigvuldigen van 2 negatieve factoren te laten zien.

(-2) . (-3) = + 6

zoals – 2 uit 1

getallen en grootte 4

 

zo + 6 uit – 3

Hier ontstaat -2 uit + 1 door verdubbeling in de omgekeerde richting en net zo ontstaat + 6 uit – 3 door verdubbeling in de omgekeerde richting.

 

Hier werden slechts een paar voorbeelden gegeven van een werkelijkheidsgetrouwe en begripsmatig streng omschreven behandeling van rekenen.
Het kan hier niet uitgewerkt worden tot een rekenleer. Het allerbelangrijkste bij het opnieuw formuleren van mathematische wetenschap hebben wij te danken aan Herman von Baravalle’s boek: ‘Zur Pädagogik der Physik und Mathematik, dat niet genoeg aanbevolen kan worden. Door levendige begripsvorming in de wiskundige wetenschappen zou het niet vermoede kwaliteiten kunnen hebben om een werkelijke, d.w.z. vanuit de geest geformuleerde wereldbeschouwing te ontwikkelen.

*de zomer van 1924. Steiner was toen in Engeland, in Torquay.
GA 311/78

Hermann von Baravalle

rekenen met negatieve getallen

rekenen: alle artikelen

(E.A. Karl Stockmeyer, Mitteilungen 6 1924)

 

728

 

 

VRIJESCHOOL – 2e klas – vertelstof – legenden (3-3)

 

DE KOE VAN DE HEILIGE LAUNOMARUS

Sint Launomarus was eenmaal herdersjongen geweest in de weiden van het zonnige Frankrijk en had meegeleefd met de vriendelijke bewoners van de schaapskooien en stallen. Daarom kende hij hen zelf en hun doen en laten zo goed, en voelden zij op hun beurt, een vriend in hem. Alleen door met hen mee te voelen komt je achter het geheim van hun wezen, omdat de dieren zelf niet kunnen spreken.

Sint Launomarus nu had een koe, die hij zeer bijzonder liefhad, een mooie, glanzend zwart-en-witte koe, die graasde in de groene weiden van Chartres in de nabijheid van het klooster, en die ieder­e avond thuis kwam om gemolken te worden en met haar zachte neus streek ze dan langs de hand van haar meester om hem te vertellen hoeveel ze toch van hem hield.
Mignon was een zeer wijze koe, men kon dat af­meten naar de krommingen aan haar horens en naar de rimpels in haar voorhoofd tussen de ogen; en ook nog, en wel voornamelijk, naar de wijze waarop zij met haar staart sloeg. En bovendien, een koe opgevoed door een heel klooster met geleerde mannen en die Launo­marus, de wijste man uit het gehele land, tot meester en vriend had, moest wel wijs wezen.

Het was een donkere nacht na melktijd. Launomarus had Mignon naar haar stal gebracht met haar avondeten, uit hooi bestaande, en had haar goedenacht gewenst en aangenaam herkauwen. Hierna had hij de zware schuurdeur gesloten en was naar zijn cel gegaan om te sla­pen, tot de morgen opnieuw zou aanbreken.

Maar nauwelijks was hij met zijn lantaarn door de poort van het klooster verdwenen , of er kwamen uit het bos vijf zwarte figuren te voorschijn, kruipend en sluipend langs de wal en over de bin­nenhof naar de zware eiken poortdeur. Zij waren allen gehuld in lange, zwarte kapmantels, waarvan zij de kappen dicht over hun gelaat getrokken hadden, alsof zij bang waren herkend te zullen worden. Zij zagen er boos uit die mannen, en zij hadden grote messen zodanig tussen hun gordels gestoken, dat zij die er gemakkelijk uit konden trekken. Het was een bende rovers, naar de stal geko­men om de koe van Launomarus te stelen,  die bekend stond als de mooi­ste uit de hele streek.
Zeer behoedzaam openden zij de grote deur, en zeer behoedzaam
kro­pen zij over de grond naar Mignons stal en bonden een stevig touw om haar nek om haar weg te voeren. Maar vooraf waren zij zo
voor­zichtig een prop in Mignons bek te stoppen waardoor zij niet loei­en kon om het gehele klooster zodoende te waarschuwen,  in wat voor
ge­vaar zij verkeerde. Mignon was daar zeer boos over, want juist had zij dit willen doen, toen zij merkte, dat de mannen geen vrienden, maar boze mensen waren, die met niet veel goeds in hun zin bij haar of in het klooster gekomen waren.

Maar nu bleef haar niets anders over dan stom en zwijgend met hen mee te gaan, hoewel zij voortdurend schopte en trachtte zich te
ver­zetten, en zoveel leven probeerde te maken als zij maar kon. De monniken wa­ren evenwel vast in slaap en lagen ronkend op hun harde britsen, zonder maar enigszins te vermoeden, wat er zo dicht bij hen ge­beurde. Alleen Launomarus draaide zich in zijn slaap om en prevel­de : “Ho, Mignon, sta stil!”, toen hij het doffe geluid van schoppen hoorde. Maar toch werd zelfs Launomarus niet wakker, om zijn dier­bare Mignon te redden uit de handen van de boosdoeners,  die haar gestolen hadden.

De rovers gingen haastig met haar door de laan, over de welbekende weide naar het dichte, donkere bos, waar zij haar gemakkelijk kon­den verbergen voor de ogen van een ieder, die voorbij mocht komen.
Nu was het die nacht wel bijzonder donker, zodat zij slechts zeer flauw konden zien, waar zij zich bevonden, en de paden kruisten en overkruisten elkaar in zoveel richtingen, dat de rovers weldra met elkaar begonnen te twisten over het pad, dat zij eigenlijk ne­men moesten. En zij kenden dit gedeelte van de streek niet zo heel goed, want zij waren afkomstig uit een andere provincie, alleen naar het land van Launomarus gekomen, omdat zij gehoord hadden van zijn
be­roemde koe, en omdat zij begerig waren, die te bezitten.
Het duurde niet lang, of de rovers waren verdwaald tussen het gewirwar van doornen en struiken en wisten helemaal niet meer, waar zij waren, of in welke richting zij verder moesten gaan. De een zei: “Laten wij deze weg nemen,” wijzend naar het Noorden, en de ander zei: ” Neen, neen! wij moeten deze weg uit,”  en hij wees recht naar het Zuiden heen. En de derde pruttelde tegen en zei: “Ho, jongens! niet daarheen, maar deze kant,”  en hij wees naar het Oosten, terwijl de vierde Mignon naar het Westen toe keerde en uitriep: “Jullie hebben het allemaal mis, kameraden. Daar moeten we heen.” De vijfde rover evenwel bekende, dat hij het werkelijk niet wist. “Laten wij de koe volgen,” riep hij, “zij is de enige, die in het donker zien kan. Ik heb altijd gehoord, dat de dieren ons goed lei­den, wanneer wij de zaak geheel aan hen overlaten.”
Daar nu de andere rovers niet het minste begrip hadden, welke richting zij moesten volgen, leek hun dit plan even goed aannemelijk als de andere plannen.

En zij stroopten het touw over Migons kop en zeiden: “Ziezo! vooruit koe, wijs jij ons den weg!”

Mignon zag hen door de duisternis heen met haar grote bruine ogen aan,  in zichzelf lachend. Het scheen te mooi te wezen om waar te zijn! De rovers hadden haar dus vrij gelaten, en vroegen haar, hun de weg uit het bos te wij­zen, terug naar hun eigen streek. Mignon lachte nog eens een keer in zichzelf, maar nu zo hard, dat de rovers dachten, dat zij stikte, en namen de prop uit haar mond. Dit was juist, wat zij wilde, want zij verlangde om weer te gaan herkauwen. En zij schudde de kop en zei vriendelijk: “Boe!” alsof zij zeggen wilde: “Kom maar mee, lieve mensen, ik zal je de weg wel wijzen.”
Maar in werkelijkheid dacht ze zij zichzelf: “Aha! mijn brave jongens, nu zal ik je eens een aardig tochtje la­ten maken.”
Mignon was een zeer wijze koe; zij had niet met gesloten ogen ge­graasd in de weiden buiten Chartres, maar had ze integendeel wijd open gehouden, zodat zij alle paden door het bos en de venen kende, van het Noorden naar het Zuiden, zowel als van het Oosten naar het Westen. Zelfs in donker wist zij de weg  door het dichtste kreupelbos goed te vinden. Maar zij dacht: “Ik moet de weg niet te gemakkelijk maken voor die boze mannen.” En zij voerde hen in een kring rond, dwars door de modder en de braamstruiken en door moerassen heen, over beekjes en door grote modderige vijvers, al maar in een kring rond, de helen nacht door. En zij hadden graag eens willen rusten, maar ze liep zo hard door, dat zij haar niet konden inhalen, om haar eens even te doen stilstaan. En zo moesten zij ook wel doorlopen, want in de duisternis wilden zij haar witte gedaante niet gaarne uit het oog verliezen. Gebeurde dat,  dan zou­den zij reddeloos verloren zijn, daar zij nooit uit deze wildernis zouden weten te komen.
En zo liet Mignon hen de hele nacht hij­gend en blazend, door het nat wadend achter zich aanlopen, zodat zij op het laatst helemaal uitgeput waren; koud en huiverig van het nat, met schrammen bedekt van de doornen en stijf als tien bonenstaken. En toen Mignon hen ten laatste, ongeveer een uur na zonsopgang, op een open plek bracht,  straalde hun gelaat van blijdschap.
“Ik geloof, dat ik mij deze plek herinner”, zei de eerste rover.”Ja, het ziet er hier zo bekend uit. We moeten zeker  dicht bij huis wezen,”  zei de tweede.”We moeten zo ongeveer vijfentwintig mijlen af zijn van de monniken van Chartres”, zei de derde, “en ik wilde,  dat we wat te eten hadden.” “Over een uur zullen wij de koe veilig in ons eigen hol hebben”, zei de vierde, “en dan zullen we wat brood en melk krijgen.” Maar de vijfde viel hem in de rede en zei: “Kijk eens! Wie is die man daar in het grijs?”
En terwijl ze in de aangewezen richting keken,  begonnen de rovers
op­eens hevig te beven. Maar Mignon riep met luide stem, blij ver­rast: “Boe!”  en rende naar de man toe,  die achter het kreupelhout te voorschijn was gekomen. Het was Sint Launomarus in eigen persoon. Overal had hij gezocht naar zijn kostbare koe, want toen hij naar de schuur gegaan was om Mignon te melken, had hij deze leeg gevon­den,  en haar sporen met die van de vijf rovers in de vochtige aarde hadden hem de gehele geschiedenis verteld en hem tevens gewezen, welke weg het gezelschap genomen had. Maar het was niet het plan van de heiligen Launomarus om de rovers te bestraffen of angst aan te  jagen. En hij ging naar hen toe, want zij waren zo geschrokken toen zij hem zagen, dat zij nog altijd bevend aan dezelfde plek vastgenageld stonden, en helemaal vergeten hard weg te lopen. “Goedemorgen, vrienden,”  zei Launomarus vriendelijk. “Ik zie, dat jullie mijn koe teruggebracht hebben,  die vannacht voor het eerst in haar leven haar stal verlaten heeft en ver weg is gelopen. Ik dank u, goede vrienden, dat jullie mijn Mignon teruggebracht hebben, want niet alleen is zij een schat op zichzelf, maar zij is mijn beste vriendin, en ik zou heel ongelukkig geweest zijn, wanneer ik haar kwijt geraakt was.”

De rovers staarden Launomarus  sprakeloos van verbazing  aan en
kon­den hun oren en ogen nauwelijks geloven. Waar kwam die man van­daan? Wat bedoelde hij eigenlijk? Maar toen zij tot het besef
kwa­men, hoe vriendelijk zijn stem was, en merkten, dat hij hen niet beschuldigde, noch hen wilde straffen, waren zij zéér beschaamd. Vol schuldgevoel bogen zij het hoofd, en als door een en hetzelfde gevoel gedreven, vielen zij tegelijk neer aan zijn voeten, terwijl een van hen bekende, hoe alles zich had toegedragen en hem vergif­fenis vroeg.
“Wij hebben de koe gestolen, Meester,”  zei de eerste. “En haar zoveel mijlen ver weggebracht,”  zei de tweede. “Wij zijn boze rovers en verdienen gestraft te worden,”  zei de derde. “Maar wij smeken U ons te vergeven,” riep de vierde uit. “Laat ons heen mogen gaan, goede Vader,  smeken wij U,” verzocht de vijfde. “En wees zo goed ons op de rechten levensweg terug te brengen, want wij zijn daar helemaal van  afgedwaald”.

“Neen, neen,” antwoordde Sint Launomarus vriendelijk, “de koe heeft u een lange weg laten maken, is het niet zo? en jullie zullen zeker wel erg moe en hongerig zijn. Jullie kunnen nu niet verder reizen.”
En inderdaad waren zij te deerniswaardig om aan te zien,  zodat het hart van de Heilige met medelijden vervuld was. “Volgt mij,” zei hij. En zij waren te zwak en te vermoeid, om ook maar aan
on­gehoorzaamheid te denken.
En zo vormden zij in alle ootmoed met hun zevenen een processie, Launomarus en de koe vrolijk vooruit lopend. Want deze beiden waren zeer verheugd weer bij elkaar te zijn, en liefdevol had Launomarus onder het gaan zijn arm om Mig­nons glanzende nek geslagen.

Maar hoe groot was de verbazing van de vijf rovers, toen zij na verloop van een paar minuten een hoek omsloegen en opeens het kloos­ter vlak voor zich zagen, met dezelfde schuur, waaruit zij Mignon in de afgelopen nacht gestolen hadden!
Al die tijd dus had de verstandige koe hen in een grote kring rondom haar eigen huis ge­leid. En na al dat waden door de modder en dat kruipen door het struikgewas in donker, waren zij in de morgen nog niet verder ge­komen op hun tocht dan zij in het begin geweest waren. Wat een wijze koe was dat geweest! En wat een heerlijk ontbijt van pap en hooi en zoete koolraap gaf Launomarus haar, omdat zij ‘s nachts zo hard gewerkt had.

De vijf rovers kregen ook een goed ontbijt, maar waarschijnlijk genoten zij er niet zo van als Mignon, want hun geweten was be­zwaard. Daarbij zaten zij aan tafel in het klooster en stonden alle monniken er op een rij zwijgend en met vrome gezichten bij, wat niet geschikt was om hen op hun gemak te stellen.
En toen de rovers hun brij aten, zei Launomarus zacht: “Deze is van Mignons melk gemaakt, vrienden. Het is de beste melk uit geheel Frankrijk, die u heden voor uw ontbijt van harte gegund is, daar wij alle reden hebben om dankbaar te zijn, dat jullie die niet voor altijd buiten ons bereik hebt gebracht. O, mijn vrienden, wij zouden zo’n kostbare koe, zo’n goede vriendin,  zulk een trouwe leidsvrouw moeilijk kunnen missen. Ik vertrouw dus, dat jullie haar diensten niet meer nodig zullen hebben. Bij daglicht zullen jullie zeker wel alleen je weg naar huis kunnen vinden, wanneer ik u die wijs. De straatweg is ruim en recht voor eerlijke lieden. Ik raad u, die rechte weg te gaan.”

En toen zij verfrist en uitgerust waren, deed Launomarus hen
uit­geleide en wees hun de weg, die zij te gaan hadden zoals hij beloofd had. Hij en Mignon stonden op de top van een kleine heu­vel en keken hen na, of zij wel het goede pad hielden. En toen zij uit het gezicht verdwenen waren, keerden zij zich om en keken el­kaar aan,  de wijze Heilige en de wijze koe. En beiden lachten zij in zichzelf.

Uit: ‘Een boek van heiligen en hun dieren

2e klas: alle vertelstof

727

 

VRIJESCHOOL – 2e klas – vertelstof – legenden (3-2)

DE HEILIGE BRIGITTA EN DE WOLF VAN DE KONING

Iedereen heeft wel eens gehoord van Brigitta, het kleine heilige meisje van Ierland. Haar naam is dan ook even goed bekend als die van de heiligen Patricius,  die de slangen van het eiland verdreef.
De heilige Brigitta had lange,  gouden haren en was heel mooi. Vele wonderlijke dingen zijn met haar gebeurd, die opgeschreven staan in de heilige boeken. Maar ik vermoed toch,  dat je nog nooit gehoord hebt over wat zij deed met de wolf van de koning. Het is een heel wonderlijke geschiedenis,  die aldus gebeurde.

De koning van Ierland bezat een tamme wolf,  die een paar jagers voor hem gevangen hadden,  toen hij nog een teer, klein,  pas geboren wolfje was. En deze wolf liep,  als hij eer zin in had, helemaal vrij rond in het park bij het paleis,  en had een heerlijk leven.

Maar op zekere morgen sprong hij over de hogen muur,  die het park omgaf,  en dwaalde een heel eind van huis af,  wat heel dwaas en onvoorzichtig van de wolf was. Want in die dagen waren de wilde wolven zeer gehaat en gevreesd bij de mensen, van wie zij dikwijls het voedsel  sta­len,  en wanneer iemand  zo’n boze wolf wist te doden, voelde hij zich een heel gewichtig man. Bovendien had de koning zelf een prijs uitgeloofd aan iedereen die hem een dode wolf bracht. Want bij wilde dat zijn koninkrijk een gelukkig en vredig rijk zou zijn, waar de kinderen de gehele dag in de bossen konden spelen,  zonder dat zij gevaar liepen door wilde dieren te worden opgegeten.

Het is niet moeilijk te raden, wat er gebeurde met de wolf van de koning.

Een grote, domme boerenjongen was met zijn boog en pijlen uitgetrokken naar het bos, toen hij opeens een groot,  bruin beest over een heg zag springen en over de wei zag weglopen. Het was de wolf van de koning,  die van huis wegliep en zich erg vrolijk en dartel voelde,  omdat dit de eerste keer was,  dat hij zoiets deed. Maar de boerenjongen wist van dit alles niets.
“A ha”,  zei hij in zichzelf, “ik zal  je wel gauw krijgen, mijn beste wolf,  en dan zal de koning me een geldstuk geven, waarvan ik een hoed en een nieuw pak kleren kan kopen voor de feestdagen.
En zonder er verder over na te denken of de wolf,  die het koninklijk merk op zijn oor had,  eerst nog eens van dichtbij te bekijken,  schoot de  jongen zijn pijl recht op hem af. De wolf van de koning maakte een hoge sprong in de lucht en toen viel dood op het gras neer, het arme dier.De boer was erg in zijn schik,  en sleepte het dode dier regelrecht naar het paleis van de koning en klopte aan de poort.

“Doe ópen!” riep hij. “Open de poort voor de moedige jager,  die een wolf heeft geschoten voor de koning. Doe open, zodat ik mijn beloning kan ontvangen.”

En hij werd eerbiedig verzocht binnen te komen en de opper­kamerheer geleidde hem naar de koning, die op een rood fluwelen troon in de grote zaal gezeten was. En de man trad de zaal binnen, terwijl hij het levenloze lichaam van de wolf van de koning bij de staart achter zich aansleepte.

“Wat is dat hier?” vroeg de koning op ontevreden toon, toen de opper­kamerheer onder een diepe buiging hem met zijn staf op de vreemde­ling wees. De koning had een slecht humeur, en hield er niet van in de morgen bezoeken te ontvangen. Maar de domme boer was te trots op zijn daad,  en te  zeer vervuld daarvan, dan dat hij de misnoegde trek op het gelaat van de koning opmerkte.

“Hier hebt U een wolf, Sire,” zei hij trots. “Ik heb een wolf voor U geschoten, en nu kom ik om de beloning vragen die U hebt uitgeloofd.”
Doch op hetzelfde ongelukkige  ogenblik sprong de koning met een kreet van toorn op.  Hij had het merk op het rechteroor van de wolf gezien.

“Hier! Grijpt de booswicht!”riep hij tot zijn soldaten, “Hij heeft mijn tamme wolf vermoord, hij heeft mijn lieveling doodgeschoten! Weg met hem naar de gevangenis; morgen moet hij sterven!”
Het hielp de arme man niets, of hij al gilde en schreeuwde en trachtte uit te leggen,  dat alles een ongelukkige vergissing was. De koning was woedend. Zijn wolf was gedood,  en de moordenaar moest sterven.
In die dagen was dit de wijze, waarop koningen degenen straften, die hen in enig opzicht mishaagd hadden. Uitstel bestond niet,  alle dingen geschiedden onmiddellijk. En zo werd de arme man, naar een donker, duf gevangenishol gesleurd, waar hij schreiend, zich in wanhoop de haren uittrekkend, werd achtergelaten, wensend, dat de wolven maar nooit door Noach in zijn ark uit de zondvloed gered waren.

Niet ver van deze plaats leefde de kleine, heilige Brigitta.

Toen zij zich die mooie plek tot woning koos, was er nog geen enkel huis in de nabijheid;  alleen stond er een grote eik5 waaronder zij haar hutje bouwde. Dit bestond slechts uit één vertrek,  en het dak was bedekt met gras en stro. En het was zó klein, dat het op een poppenhuis leek,  en Brigitta zelf was als een grote pop met gouden haren – de mooiste pop die ooit bestaan had.

Zij was zó mooi en zó goed, dat de mensen wensten dicht bij haar te wonen, om haar zacht,  lief gelaat dikwijls te kunnen zien en haar stem te horen. En toen zij ontdekt hadden, waar zij haar hut gebouwd had, kwamen de lieden van alle kanten uit de omtrek met hun vrouwen en kinderen en hun huisraad, hun koeien en var­kens en kippen aanzetten, en vestigden  zich op het groene gras, on­der de grote eik,  en ze zeiden: “Wij willen wonen waar de heilige Brigitta woont.

En zo werd het ene huis na het andere gebouwd,  en ontstond er een heel dorp rondom haar kleine hut,  en het dorp werd Kildare genoemd, wat in het Iers betekent: ‘hut van de eik’.
En weldra was Kildare zo gezocht,  dat zelfs de koning er een paleis en een park wenste te hebben. En in dit park nu was de wolf van de ko­ning gedood.

Brigitta nu kende de man,  die de wolf had doodgeschoten,  en toen zij hoorde,  in welke diep ongelukkige toestand hij zich bevond, was zij zeer bedroefd, want zij was een zeer goedhartig, klein meis­je. En zij vond het wel heel dom van hem,  dat hij de tamme wolf had gedood, maar het was toch een ongeluk geweest van hem,  en zij vond,  dat hij daarvoor niet zo streng moest gestraft worden. En zij wilde dat zij iets kon doen om hem te helpen,  te redden zo dit mogelijk was. Maar dit was zeer moeilijk, want zij wist, wat voor een slecht humeur de koning had,  en zij wist ook, hoe trots hij geweest was op die wolf,  die de enige tamme wolf was in het hele land.

Brigitta liet haar wagen met haar witte paarden inspannen en reed daarmee naar het paleis van de koning,  zelf nog niet wetend wat zij doen moest om de koning tot bedaren te brengen en hem te be­wegen,  de man vrij te laten,  die, meende ze, niets kwaads gedaan had.

Maar ziet! terwijl de paarden langs de lersche venen renden,  zag de heilige Brigitta opeens een grote, witte gedaante op haar af­stormen. Eerst dacht zij,  dat het een hond was. Maar neen,  een hond kon zo groot niet zijn en weldra zag zij,  dat het een wolf was, met grote ogen en een rode tong, die uit zijn bek hing. En toen hij de verschrikte paarden had bereikt, kwam hij met een groten sprong opeens in de wagen, waarin Brigitta zat, en legde zich aan haar voeten neer, even kalm en rustig als een hond dit gedaan zou hebben. Hij was geen tamme wolf, maar een wilde, die nooit te voren de aanraking van een mensenhand gevoeld had. En hij liet zich door Brigitta strelen en liefkozen en allerlei lieve dingen in zijn oor fluisteren. En hij bleef volkomen stil aan haar voeten liggen tot de wagen voor de poort van het paleis reed. Toen strekte Brigitta de hand uit en riep hem,  en het grote witte dier volgde haar rustig door de poort en de trappen op en door de lange zaal, totdat zij voor de roodfluwelen troon stonden waar­op de koning met gefronst, bars en streng gelaat gezeten was. Het moet een eigenaardig gezicht zijn geweest, die twee, het klei­ne meisje in haar groen gewaad met haar gouden haren, als een slui­er neervallend tot op haar knieën, en staande naast haar sterke, witte wolf, even groot als zij, met zijn gele, schitterende ogen scherp voor zich uitstarend,  de rode tong uit zijn bek.

Bri­gitte  legde zacht haar hand op zijn kop, die dicht aan haar schou­der kwam,  en boog voor de koning.
Doch de koning zat onbewegelijk op zijn troon,  zozeer had deze aanblik hem verrast.
Brigitta be­schouwde zijn stilzwijgen evenwel als toestemming hem te mogen toe­spreken.
“U hebt uw tamme wolf verloren,  o Koning,”  zei ze. “Maar ik heb een betere voor U meegebracht. Nu Uw eigen wolf dood. is,  is er geen andere tamme in het gehele land. Maar zie deze aan! Geen enkele witte wolf is er ergens te vinden in Uw rijk, en deze is èn tam en wit. Ik heb hem getemd, mijn Koning. Ik, een klein meisje, heb hem tam gemaakt,  zodat hij vriendelijk is en zacht,  zoalsU ziet.  Kijk,  ik kan hem aan zijn grote oren trekken en hij gromt niet. Kijk,  ik kan mijn kleine hand in zijn groten, rode muil leg­gen,  en hij bijt niet.  Sire,  ik geef hem U. Spaar om mijnentwil dan het leven van die armen,  dwaze man, die onwetend Uw dier doodde. Geef mij zijn arm leven in ruil voor deze goede, vriendelijke wolf,”  en zij glimlachte zacht, terwijl zij zo pleitte.

Zwijgend keek de koning eerst naar het grote, witte dier, waarin hij groot behagen schiep, toen naar het schone meisje, dat hem met haar blauwe ogen zo ernstig aankeek. En in die blik beviel hem wel.

Toen verzocht hij haar, hem de gehele geschiedenis te vertellen, hoe zij aan dit dier kwam, en waar en hoe zij hem gekregen had. En toen zij haar verhaal gedaan had en de koning eerst zijn grote verbazing er over had laten blijken, begon hij te lachen. Dat was een goed teken, want ook in het verhaal van Brigitta schiep hij groot welbehagen. En het was zo iets vreemds voor de koning om in de morgen reeds te lachen, dat de kamerheer bijna flauw viel van verrassing,  en Brigitta wist nu zeker, dat haar bede verhoord zou worden. Nog nooit had men de koning zo goedgehumeurd gezien. Want hij was een ijdel mens, en het denkbeeld, dat hij dit mooie, grote dier, wiens gelijke in het gehele land niet te vinden en wiens geschiedenis zo wonderbaarlijk was,  zou bezitten,  streelde hem uitermate.                                                                                       En toen Brigitta hem zo smekend aankeek, kon hij geen weerstand bieden aan de vragende blik van haar zachte, blauwe ogen, uit vrees, dat zij zich met tranen zouden vullen.

En zo schonk hij, op verzoek van Brigitta, de boer vergiffenis, stelde zijn leven in haar handen, en beval de soldaten hem vrij te laten uit de ge­vangenis.
Toen zij de koning zeer vriendelijk bedankt had, verzocht zij de wolf  naast de roodfluwelen troon te gaan liggen, en voor­taan trouw en goed te zijn voor zijn nieuwe meester. En nadat zij nog eenmaal voor het laatst zijn ruige kop gestreeld, had., ver­liet zij de wolf en haastte zich, de onnozele boer in haar wa­gen mee te nemen, voordat de koning nog tijd had zich misschien te bedenken.

De man was zeer gelukkig en dankbaar. Maar zij gaf hem een ernstige vermaning op weg naar huis, en raadde hem aan voortaan  niet meer zo on­bedacht te zijn.
“Heer Domheid,” zei zij, toen zij hem bij de deur van de hut af­zette, “veel beter is het,  in het geheel  niet te doden dan het le­ven te nemen van arme, tamme creaturen.  Ditmaal heb ik u het leven gered, maar een volgende keer zou je het weleens kunnen verliezen. Bedenk, dat het beter is, dat twee boze wolven ontvluchten, dan dat een vrien­delijk dier gedood wordt. Wij kunnen onze goede dieren niet missen, Heer Domheid. Beter nog kunnen wij zo’n domme jongen als jij missen.”

En ze verdween in haar hut onder de eik,  de onnozele jongen
ach­terlatend, om na te denken over wat zij hem gezegd had, en zich te schamen over zijn daad.

De nieuwe wolf van de koning leefde verder gelukkig in Het park van het paleis, en Brigitta kwam hem dikwijls opzoeken,  zodat hij geen tijd had heimwee te krijgen of zich eenzaam te voelen.

Uit: ‘Een boek van heiligen en hun dieren

2e klas: alle vertelstof

 

727

VRIJESCHOOL – Vertelstof- biografieën – Peary

PEARY VAN DE POOL

PearyOp 5 september 1909 stoomde een vuilzwart dikwandig scheepje met de naam Roosevelt, komende uit het noorden fier de haven van Indian Harbor op Labrador binnen. Aan boord bevond zich Robert E. Peary, die reeds zevenmaal daarvoor tevergeefs gepoogd had de Noordpool te bereiken. Vanuit het radiostation van het kleine stadje zond hij nu deze onthullende boodschap aan zijn vrouw: eindelijk geslaagd. Aan de pers seinde hij vervolgens vijf simpele woorden waarvan hij voelde dat zij de wereld zouden elektriseren: pool bereikt, Roosevelt intact, Peary.

Na de reis langs de kust van Labrador te hebben vervolgd ankerde de Roosevelt in Battle Harbor, waar een gecharterd schip langszij kwam welks dekken bijna water maakten van wege de talrijke dagbladverslaggevers. Onmiddellijk schreeuwden zij naar Peary om commentaar op “de grote ruzie”.

“Ruzie? Welke ruzie?” vroeg Peary. Nou, tussen hem en Cook natuurlijk. Wist hij dan niet dat dr. Frederick A. Cook een jaar daarvoor, in 1908, als eerste de pool had bereikt; dat dr. Cook er eerst onlangs in geslaagd was naar de buitenwereld terug te keren en dat hij zijn prestatie amper vijf dagen voor Peary uit Indian Harbor zijn telegram verzond, wereldkundig had gemaakt? Twee mannen die beiden een doel hadden bereikt dat men drie eeuwen lang had gezocht en die dat vrijwel gelijktijdig bekend maakten – het was het beste verhaal van de laatste tien jaar!

Peary scheen niet onder de indruk. Zeker, hij had enkele dagen daarvoor in Indian Harbor radioberichten over Cook en diens beweringen ontvangen, maar hij had deze als ondenkbaar
verworpen. Tenslotte bevond de pool zich in het hart van een met ijs volgepropte Poolzee, op 400 mijl van het dichtstbijzijnde land en Eskimo’s die dr. Cook op diens arctische “jachtpartij” hadden vergezeld (tijdens welke tocht Cook naar hij thans beweerde zijn reis naar de pool zou hebben gemaakt) hadden Peary later verzekerd dat zij het vasteland geen moment uit het oog hadden verloren.

Die middag hield Peary een persconferentie waarop hij met verve zijn eigen verhaal vertelde. Zijn bemanning en hij hadden New York verlaten op een snikhete julidag in 1908. In Cape York op Groenland begon hij de Eskimo’s op te pikken die hem tijdens zijn jarenlange verblijf in het Noorden hadden geholpen en die hij goed had leren kennen. “U bent net als de zon,” zeiden zij, komt altijd weer terug.” Zij waren verheugd hem opnieuw te kunnen helpen en zij klommen bepakt en bezakt, met vrouwen en kinderen en met hun van huiden gemaakte tenten, hun sleden en hun honden aan boord.

Peary was toen 52 jaar oud. Twintig jaren had hij gewijd aan het zoeken van de pool — sedert die zonnige namiddag in Washington toen hij bij toeval een boek over de exploratie van de Noordpool in handen had gekregen en hij door de betovering van het Noorden gegrepen werd. Sindsdien had hij ongetelde ontberingen en herhaalde nederlagen geleden. Hij had aan zijn speurtocht een veelbelovende carrière bij de Marinestoomvaartdienst der Verenigde Staten opgeofferd. Maar zelfs zijn hartverscheurende expeditie van 1906, waarvan zijn mannen en hij slechts met de grootste moeite waren teruggekeerd nadat zij de pool tot 174 mijlen waren genaderd, had hem evenmin van zijn doel kunnen afbrengen als de plotselinge dood van zijn financier en het volslagen fiasco van zijn laatste boek. Ditmaal was hij vastbesloten zijn doel te bereiken of niet levend terug te keren. Het was zijn laatste kans.

Voetje voor voetje baande de Roosevelt zich een weg door de smalle waterwegen tussen Groenland en Ellesmere eiland, van Baffin Baai tot vlak bij de Poolzee. Terwijl de Roosevelt in het ijs gevangen lag brachten zij daar de winter door. Intussen bouwden de Eskimo’s sleden en jaagden op extra voedsel — muskusossen, kariboe’s, ijsberen en zeehonden. Matt Henson, de potige neger die al vele jaren aan Peary’s expedities had deelgenomen, bouwde sleden van een type dat Peary had geperfectioneerd. De Eskimovrouwen naaiden bontkleding, die Peary warmer en duurzamer had bevonden dan welk kledingstuk uit de beschaafde wereld ook. Bij temperaturen van 60 graden onder nul hardden de ontdekkingsreizigers zich voor de dingen die komen gingen.
Daar men aannam dat de pool in het hart van de met ijs volgepropte Poolzee lag, bestond het probleem daarin dat men met een zo gering mogelijk gewicht zo snel mogelijk van Cape Columbia naar de pool en terug moest zien te komen — een reis van omstreeks 1600 kilometer “uit en thuis”. Alle benodigde uitrusting voor mannen en honden moest met sleden worden vervoerd en als men elk overtollig onsje vermeed kon men juist genoeg meenemen opdat een paar man de pool konden bereiken. Het plan was het spits af te bijten door een aantal voorposten in te richten, welker bezctting voedseldepots moest aanleggen en iglo’s bouwen om te kunnen schuilen. Daarna zou een uitgelezen groepje in zo hoog mogelijk tempo en bevrijd van zware lasten het aldus geëffende pad volgen en de pool tot op 150 mijl zien te naderen. Daar zou de laatste bevoorradingsploeg terugkeren, terwijl een nieuwe, uitgelezen groep bliksemsnel naar de pool zou trachten door te stoten daar zij terug zou moeten zijn eer de ijsmassa door het eerstvolgende springtij werd opengebroken. Het was een wedstrijd met de tijd, het weer, het water en de dood.

Nog voor de winternacht ten einde was begon de race — op de 22e februari (de geboortedag van George Washington) van het jaar 1909. Zes dagen lang werden de mannen opgehouden door open water of door ijsgeulen, ontstaan door het afdrijven van het pakijs. Zodra het ijs zich weer had gesloten haastten zij zich verder – om opnieuw op open water te stuiten. ’s Nachts werd hun kamp bijna vernield door een geul die zich midden tussen de iglo’s opende. De mannen repten zich in veiligheid. Had Peary er niet op gestaan dat zij Eskimokleding droegen waarin zij zowel goed konden werken als slapen, en hadden de mannen zich in de onhandige slaapzakken bevonden die de meeste ontdekkingsreizigers gebruikten, dan waren zij stellig verdronken. Maar het ijs sloot zich weer en zij snelden verder noordwaarts.

Op 1 april, op precies 133 mijlen van de pool, keerde kapitein Bob Bartlett met de laatste proviandslede terug, ten einde de terugweg open te houden. Peary trok verder met Henson — een magnifiek sledevoerder — en vier uitgelezen Eskimo’s. Er was precies genoeg voedsel om de tocht heen en terug te kunnen maken. In deze ijzige wildernis was het van het grootste belang om er spoed achter te zetten en hun dagmarsen varieerden van 25 tot 30 mijlen.
Om 10 uur in de ochtend van de 6de april 1909 arriveerde het gezelschap aan de Noordpool. Peary schudde elk van zijn mannen de hand. Er werden foto’s genomen; als bewijs van de geleverde prestatie liet hij een aandenken achter en nam namens de Verenigde Staten bezit van het gebied. Er werden vijf vlaggen geplant; één daarvan was het gehavende zijden embleem waarvan Peary op elk van de noordelijkste punten die hij bij zijn voorafgaande pogingen had bereikt een stukje had achtergelaten. In de dertig uren dat hij aan de pool verbleef verrichtte Peary 39 waarnemingen van punten die verscheidene mijlen uiteen lagen De terugkeer leverde echter een probleem op. Zij moesten nu zelfs nog sneller reizen dan op hun weg noordwaarts. Weldra zou het ijs door springtijen breken. Elke dag van de terugweg legde Peary nu grotere afstanden af. Reservekleding werd weggeworpen, de rantsoenen werden ingekrompen. Op gezette tijden sliepen zij enkele uren in de iglo’s die op de heenreis waren neergezet, en repten zich vervolgens weer voort. Zij bereikten een der gevreesde geulen en staken deze op ijsschotsen over, terwijl hij voortdurend breder werd.

Eindelijk: Kaap Columbia! Hier aten en sliepen zij twee dagen achtereen alvorens zich naar een hartelijk welkom op de Roosevelt te begeven. Tijdens hun geforceerde marsen hadden de aanvoerder en zijn mannen stuk voor stuk zo’n tien kilo aan gewicht verloren. Maar voor het eerst sinds jaren kon Peary ’s nachts de slaap weer vatten. Eindelijk had hij zichzelf gerechtvaardigd! Hij had namens de Verenigde Staten aanspraak gemaakt op de Noordpool en hij verheugde zich erop bij zijn terugkeer de dank van het vaderland te oogsten om zich vervolgens in vrede te kunnen terugtrekken.

En nu vond Peary hier in Battle Harbor in plaats van vrede een vernederende controverse. Hij had dr. Cook goed gekend; deze had immers als chirurg deel uitgemaakt van een zijner eerste expedities. Maar Peary was er zeker van dat dr. Cook niet in staat kon zijn geweest de talrijke gevaren van de verovering van de pool te overwinnen. Aan de hand van wetenschappelijke bijzonderheden legde hij aan de verslaggevers uit waarom. Tot zijn ontzetting bleek een aantal van de reporters niet geïnteresseerd in wetenschappelijke bewijzen; zij wilden “een verhaal”. Had Peary met ijsberen gevochten? Was hij door wolven of muskusossen aangevallen? Nee, dat was hij niet. Nou, dr. Cook anders wél. Geleidelijk drong de waarheid tot Peary door. Nadat hij een heel mensenleven aan een grote ambitie had opgeofferd, werd hem nu betwist dat hij als eerste de pool had bereikt en werd zijn persoonlijke  integriteit in twijfel getrokken! Goed dan, zoals hij een mensenleven lang voor de pool had gevochten, zou hij nu strijden voor de erkenning die hem toekwam.

Op het moment waarop Peary zijn aankondiging deed bevond dr. Cook zich in Kopenhagen, waar hij op zijn terugweg van de pool was aangegaan. Toen men hem om commentaar op het nieuws van Peary vroeg, zei dr. Cook sluw: “Als Peary zegt dat hij de pool heeft bereikt, dan geloof ik hem.” Toen Peary plompverloren verklaarde dat Cook het land knollen voor citroenen had verkocht, antwoordde Cook: “De eer is groot genoeg dat anderen erin kunnen delen.” Waarmede hij Peary in de hoek drong van de slechte verliezer.

Dr. Cook had een voorsprong. Bij aankomst in de haven van New York werd hij welkom geheten door een schip met 1000 be­wonderaars aan boord. Er werden erepoorten opgericht en span­doeken in de straten gehangen. Hij begon aan een snelle lezingen­tournee, waarvoor hij tot 10 000 dollar per avond kreeg. Zijn krantenartikel bracht hem 24 000 dollar op en in totaal incasseerde hij voor al zijn activiteiten 400 000 dollar. Peary ontving slechts 4000 dollar voor zijn krantneartikel en
40 000 dollar plus een bescheiden jaargeld voor zijn boek- en tijdschriftmateriaal.
Uitgedaagd om wetenschappelijke bewijzen van zijn helden­daad over te leggen, zoals uitgebreide zonnewaarnemingen, zei dr. Cook dat hij deze waardevolle gegevens aan een vriend zonder vaste verblijfplaats had meegegeven. En toen critici fouten ont­dekten in zijn krantenrelaas, beweerde hij dat hij niet in staat was geweest de proeven te corrigeren en dat zijn boek alles zou bewijzen.

Tegen de tijd dat Peary in New York arriveerde was de viering van het Hudson-Fulton eeuwfeest in volle gang. Toen de Roosevelt de Hudson opvoer jouwden en floten de Cook-sympathisanten en riepen zij beledigingen. Peary antwoordde niet. Aanvankelijk weigerde hij alle eerbetoon tot de beide pretendenten hun bewijsmateriaal aan een onpartijdig tribunaal hadden kunnen overleggen en er een oordeel over was uitgesproken. Maar het werd duidelijk dat dit nooit zou gebeuren. Hij legde zijn bewijsmateriaal voor aan een commissie van de National Geographic Society; het werd zorgvuldig onderzocht en geaccepteerd. Hij hield lezingen voor diverse wetenschappelijke genootschappen, maar weigerde er ooit geld voor aan te nemen.

Een Pittsburghs dagblad stelde een enquête in naar de sympa­thieën van de lezers. Het resultaat was 10 tegen 1 ten gunste van Cook. Invloedrijke dagbladen steunden hem krachtig. Eerst toen Cook al twee maanden winstgevende lezingen had gehouden legde hij zijn gegevens voor aan de universiteit van Kopenhagen  (die hij als onbevooroordeeld beschouwde) om daarmede het bewijs te leveren dat hij aan de pool was geweest. Zijn bewijs werd botweg afgewezen.

Geleidelijk keerde het tij. Steeds meer mensen schaarden zich aan de kant van Peary wegens diens waardige houding en zijn bereidheid om met zijn bewijzen voor den dag te komen. De vuurproef voor de grote controverse kwam tijdens de openbare behandeling in het Congres van het wetsontwerp om Peary in de rang van schout-bij-nacht te pensioneren. Aanvankelijk werd Peary, in plaats van de dank van de natie te oogsten, door de aanhangers van Cook in het Congres aan de kaak gesteld. Hetgeen hem niet belette zelfs de meest beledigende en niet ter zake doende opmerkingen zorgvuldig te beantwoorden. Wekenlang sleepten de verhoren zich voort, tot zijn lastige ondervragers het eindelijk opgaven. Peary was aan de winnende hand.

Een andere aanval kwam van bepaalde hem vijandig gezinde officieren van de Marine. Peary’s promotie zou volgens hen in strijd zijn met de anciënniteit. Ook werd erop gewezen dat hij als gevolg van zijn langdurige perioden van afwezigheid (de mars naar de pool) niet had deelgenomen aan de officiële loopproeven van de Marine. En dus strekte Peary die tijdens een vroegere expeditie door het bevriezen van zijn voeten al zijn tenen (op zijn kleine teen na) had verloren, opnieuw de benen en legde 40 kilo meter in zes uur af. De volgende dag deed hij over dezelfde afstand zeven en een half uur. Zijn critici waren tot zwijgen gebracht.

Twee jaar na zijn moedige prestaties aan de Noordpool werd hij eindelijk in de rang van schout-bij-nacht gepensioneerd, met terugwerkende kracht tot 6 april 1909, de dag waarop hij de pool had bereikt. Zijn prestatie werd nu officieel erkend door het Congres en door de president der Verenigde Staten, zoals reeds eerder door de meeste wetenschappelijke genootschappen was gebeurd. Eindelijk had Peary de strijd gewonnen!

Dr. Cook beleefde nieuwe avonturen. Op het hoogtepunt van de controverse zwoeren twee inwoners van New York, waaronder een zeekapitein, dat zij door dr. Cook waren betaald om
zonnewaarnemingen te verschaffen die zouden moeten bewijzen dat hij aan de pool was geweest. Edward Barrill, de gids die dr. Cook had vergezeld bij diens beweerde succesvolle beklimming van de berg McKinley in 1906 en anderen die aan deze expeditie hadden deelgenomen, verklaarden dat dr. Cook nimmer de top had bereikt. Dr. Cook zette zijn serie lezingen voort, verdween verscheidene maanden naar Zuid-Amerika, keerde daarna naar de Verenigde Staten terug en verdween geleidelijk uit de openbare belangstelling. In 1923 werd hij tot 14 jaar gevangenisstraf ver­oordeeld wegens het misbruiken van de Posterijen voor een oliezwendel. Na vijf jaren van zijn straf te hebben uitgezeten werd hij op erewoord vrijgelaten en in mei 1940 kreeg hij onvoorwaardelijke gratie van president Franklin D. Roosevelt.
Dr. Cook stierf nog geen drie maanden nadien.

Toen de controverse was bedaard kon Peary eindelijk genieten van het rustige huiselijke leven waar hij zo naar verlangd had. Terwijl hij tijdens de Eerste Wereldoorlog een serie lezingen hield begon hij in de zomer van 1917 aan bloedarmoede te lijden. Moedig beweerde hij dat hij ook deze slag te boven zou komen, maar ditmaal zou hij de verliezer blijken. Op de 19de februari 1920 zakte hij weg in een coma en de volgende morgen vroeg doofde na een laatste opflikkering het licht in zijn moedige geest.

alle biografieën

726