Maandelijks archief: februari 2015

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (6)

DUIMEN IS MEER DAN ALLEEN MAAR LEKKER

‘Er zijn maar weinig kinderen die zich het plezier van het duimzuigen ontzeg­gen’. Wat gebeurt er als een kind duimt?
Een interessante vraag, aldus Aart van der Stel, want hoe algemener een ver­schijnsel, hoe moeilijker er iets zinnigs over te zeggen is.

Een spinnende poes in een vensterbank met rode geraniums, een spelletje mens-erger-je- niet doen en een peutertje met de duim in de mond: ziehier het toppunt van knusse gezelligheid. Het roept een goed gevoel in je op wanneer je een duimend kind ziet, zeker als het z’n genot nog gecompleteerd heeft met een zich tussen neus en mond bewegend doekje, popje, of iets anders dat lekker zacht aanvoelt en, in de loop der tijd. ‘lekker’ is gaan ruiken.

Eigenlijk zou je als volwassene ook nog wel eens willen voelen hoe het is om te duimen. Natuurlijk kun je je vingers in je mond stop­pen, maar je merkt ogenblikkelijk dat het ge­voel dat je zo oproept in de verste verte niet overeen kan komen met de genietingen van het kleine kind. Je beleeft er niet meer zo­veel aan; het gaat snel vervelen. Een licht
ge­voel van jalouzie bevangt je: het genot dat je het peutertje aan zijn duim ziet ontlenen gaat (letterlijk) aan je neus voorbij. Tenmin­ste, zo verging het mij toen ik wat ‘oefening-en’ deed in deze richting. Maar waarom doe je dan zo dwaas, is dan de terechte vraag! Antwoord: duimen als verschijnsel intrigeert me en de oefeningen dienden als ervarings­materiaal.

Duimen is iets heel universeels. Maar weinig kinderen ontzeggen zich dit plezier. Is het ei­genlijk alleen iets plezierigs of zit er meer achter? Zou het een soort noodzaak zijn om te duimen? Wat voor noodzaak dan? En waar­om duimen andere kinderen niet? Het hele verschijnsel wordt geweldig interessant, zeker als je merkt dat eigenlijk niemand iets zinnigs weet te zeggen over de betekenis ervan. (Het is me zo langzamerhand wel duidelijk gewor­den dat, hoe algemener het verschijnsel is, hoe minder het verklaarbaar is.) Bijvoorbeeld in de antroposofische boeken over het ver­zorgen van kinderen vind je allerlei diep­gaands over kinderziektes, voeding, het ver­pakken van het kind in wol en zijde, enzo­voort, maar vrijwel niets over duimen. Het is zo gewoon dat de auteurs er steeds overheen gekeken hebben. Nu is het niet zo dat in dit artikel al deze feiten goed gemaakt kunnen worden. Het duimen is te gewoon en daarom te moeilijk om in al zijn aspecten in één arti­kel beschreven te worden. Het is veeleer de bedoeling eens wat gedachten los te laten over het duimzuigen en te kijken welke
reacties er te mobiliseren zijn van ouders die hun duimende kinderen veel beter en veel langer bekeken en meegemaakt hebben dan ik de mijne. Zoals gezegd zijn er maar weinig niet-duimende kinderen. En voorzover ze niet duimen hebben ze wel iets anders bedacht wat als een soort stand-in beschouwd kan worden. Zo is mijn oudste dochtertje gewoon met de haar voorgezette stukjes brood over haar gezicht, hals en armen te strelen met de­zelfde dromerige uitdrukking op haar gezicht als een duimend kind vertoont.

Fantasie
Wat weten we nog meer over het duimen? Het is een verschijnsel waarbij de duim en/of de middel- en ringvinger in de mond gebracht worden, waarna er, soms uren, op gezogen wordt. Sommige kinderen doen het zodra ze geboren zijn. Men heeft met allerlei onder­zoek (echoscopie, amnioscopie, dat wil zeg­gen verschillende technieken waarmee het ongeboren kind ‘bekeken’ kan worden) kun­nen aantonen dat ook vóór de geboorte ste­vig geduimd wordt! Duimen begint dus heel vroeg en houdt ook pas laat weer op. Het is niet ongebruikelijk tien- of twaalfjarigen nog te zien duimen, stiekem in het halfdonker, zeker als ze moe zijn, vlak voor het inslapen. Dat is een algemeen kenmerk van duimen: het gebeurt vooral als het kind goed gegeten heeft, zich een beetje slaperig gaat voelen of moe is en zijn wakkere, alerte blik inruilt voor de dromerige stand-op-oneindig. Al dui­mend is het kind er niet meer helemaal bij; het heeft zich een beetje van zijn buitenwe­reld afgesloten. In plaats van naar buiten is de aandacht naar binnen gekeerd. Het is heel ontspannend. Vooral voor angsti­ge en daardoor verkrampte kinderen is het een probaat inslaapmiddel. Door het duimen kan de verkrampte greep op de waargenomen, beangstigende buitenwereld losser worden. Zeker met zo’n heerlijk knuffeldoekje, dat best eens een herinnering zou kunnen zijn aan de moederborst. Kinderen die lang borstvoe­ding kregen duimen overigens iets minder dan ‘flessenkinderen’. Samenvattend is dui­men een handeling die je wat losmaakt van je omgeving, je naar binnen keert in je eigen wereldje, je daardoor een gevoel van veilig­heid geeft en ontspant. Binnenin jezelf vind je de wereld van de fantasie. Los van de werke­lijkheid kun je je daar alles voorstellen wat je wilt. Beelden uit de buitenwereld kun je net zo vervormen en veranderen als je maar wilt. Door de fantasie wordt mogelijk wat onmo­gelijk leek in de werkelijkheid. En pas op, dat je met die fantasiebeelden niet al te
op­vallend naar buiten treedt, want dan zegt men: ‘Dat zuig je uit je duim!’ In het taalge­bruik is het verband tussen de duim en de fantasie een vaststaand feit. ‘Duimzuigen’ krijgt dan overigens de negatieve betekenis van ‘verzinnen’, en zelfs ‘liegen’. Waarom gebruikt het kind trouwens zijn duim of zijn derde en vierde vinger? Wanneer je enig inzicht wilt krijgen in de betekenis van de afzonderlijke vingers dan kun je het beste terecht in het voortreffelijke boek van Norbert Glas, ‘Die Hande offenbaren den Menschen’, waarin hij een poging doet fenomenologische beschrijvingen te geven van de betekenis van de hand en de afzonderlijke vingers. Hij maakt in zijn boek aannemelijk dat de arm bij uitstek uitdrukking geeft aan dat, wat je het gevoel zou kunnen noemen. Het gebied dat zich beweegt tussen waarnemend denken en creatief, willend doen. De hand is de exponent van dat denkend-doend-voelende in enerzijds de uiterst fijne tast van vooral de vingertoppen, met name de tweede tot en met de vijfde vinger, en anderzijds de motoriek die, met als belangrijk instrument de duim, allerlei handelingen mogelijk maakt. In de hand spiegelt zich de hele mens. De duim is de meest gespierde, sterkste vinger, het meeste ‘wilsvinger’; de wijsvinger (‘Het Vingertje’) het meest ‘denkvinger’. De wijs­vinger is het beste te sturen en heeft het meeste tastorgaantjes in de vingertop. Je richt de aandacht op een voorwerp door met de wijsvinger ernaar te wijzen. Tegenover de zeer ‘bewuste’wijsvinger staat de wilskrachti­ge duim, die niet waarneemt – wat zich ook uitdrukt in het geringere aantal tastorgaantjes in de duim ten opzichte van de wijsvinger -maar doet. Allerlei uitdrukkingen in de taal duiden daarop: ‘Iemand onder de duim houden’, ‘voor iemand duimen’ en in Zuid-Nederland bijvoorbeeld ‘alles op zijn duim doen draaien’, dat wil zeggen alles naar zijn hand zetten.

De overige vingers nemen een middenpositie in tussen wijsvinger en duim, waarbij de pink wat meer de kant van de duim opgaat in zijn hele verschijningsvorm en de middelvinger weer dichter bij de wijsvinger staat. Met tal van voorbeelden uit de gewone ‘gebarenwereld’ en de kunst laat Glas zien hoezeer elke vinger zijn eigen gebied heeft, waar hij echt bij hoort. De duim is uitdrukking van het doe-gedeelte van de mens, het creatieve, wilsmatige gebied, waartoe ook de fantasie
be­hoort. Zoals we zagen, ontstaan door de fan­tasie ook steeds nieuwe dingen. Tegenover de registrerende, vastleggende wijsvinger staat de vernieuwende, als het ware toekomstge­richte, duim. Prachtig komt dat tot uitdruk­king in het internationale gebaar dat bij het liften gebruikt wordt: ‘Neem me mee, ik zie later wel waarheen!’ In afgezwakte vorm heb­ben middel- en ringvinger dat ook. Deze vin­gers hebben nog enige distantie tot het crea­tieve; het doen wordt nog enigszins in ba­nen geleid door het waarnemen. Middel- en ringvinger zijn de ‘echte’ gevoelsvingers, het evenwicht zoekend tussen uitersten. Niet voor niets is de vierde vinger dan ook de plaats voor de trouwring, symbool van het verbond dat twee mensen aangaan en uiting van de belofte dat binnen het verbindende elk zijn eigenheid mag bewaren.

Gesloten cirkel
Wat doet een kind nu wanneer het zijn duim in de mond steekt? Het eet die duim een klein beetje op! In de mond maak je als mens ken­nis met je voedsel, je probeert er een zekere relatie mee aan te gaan: wat beleef ik aan dit stuk materie en wil ik me er eigenlijk wel mee verbinden? Bij het duimzuigen neem je als mens-in-wording je duim waar, in al zijn wilsmatigheid. Je benadrukt het wilsmatige, crea­tieve in je, door de duim in contact te breng­en met het begin van de stofwisseling (in de mond), per definitie het gebied waar steeds allerlei opbouwends en vernieuwends gebeurt. Je zou kunnen zeggen dat de cirkel gesloten wordt: niet iets van buiten wordt waargeno­men, maar de eigen wilssfeer. Je neemt je­zelf waar als wilsmatig, creatief wezen. Daar­bij kun je alle beperkende feiten over jezelf, die je in de werkelijkheid kunt waarnemen, vergeten. Je kunt je jezelf heel ideaal voorstel­len. Wat of wie zou je nu eigenlijk willen zijn, wat denk je dat nu eigenlijk het doel van je bestaan is? Waarom ben je mens geworden? Dit soort vragen stelt het kleine kind zich natuurlijk niet. het is niet op psychologisch niveau met zichzelf bezig, maar op lichamelijk niveau. Alles wat het kleine kind doet is ge­richt op het toerusten van zijn lijf voor het verdere leven. Alles wat het kleine kind mee­maakt heeft zijn neerslag in de lichamelijke ontwikkeling. Ook op allerlei psychische
ge­waarwordingen (beangstigende gebeurtenis­sen, verdriet, vermoeidheid enzovoort) rea­geert het op een lijfelijke manier, bijvoor­beeld door ziek te worden, of over pijn in de buik te gaan klagen.

Mijn hypothese is nu dat alle bovengenoemde vragen, die een zoeken naar het oerbeeld van je eigen persoon, de kern van je bestaan, het doel van je leven, of hoe je het ook maar noemen wilt, behelzen, door het kind op een heel ijle wijze beleefd worden. Hij kan ze niet onder woorden brengen, maar ze houden hem wel bezig. Vooral als het kind de greep op de werkelijkheid om hem heen wat kwijt raakt worden die vragen minder ijl. De feiten van buitenaf zijn tot dan toe in staat geweest de innerlijke vragen te verdringen. (Je kunt je eigen spanningen en zorgen ook heel goed onder controle houden door hard te werken, naar de film te gaan of op andere wijze je zin­tuigen constant bezig te houden.) Vlak voor het slapen lukt dat verdringen niet meer. Het zoeken naar het oerbeeld wordt sterker be­leefd, nog niet
vol-bewust, maar in een soort droomtoestand. Lichamelijk uit zich dat in het feit dat ook het lichaam een soort droom­toestand inneemt: het duimen.

duimen 2
In het prachtige boek over het vroeg Ierse christendom ‘Zon en kruis’, beschrijft Streit een groot aantal zonnekruisen en stèles (graf­stenen). Op één daarvan, de Stèle van Drum­hallagh in het graafschap Donegal, is een hur­kende man met zijn duim in de mond afge­beeld. Ter hoogte van zijn borst ziet men een ingewikkelde spiraal. Streit beschrijft dat zo­wel de spiraal als deze mens met zijn duim in zijn mond zeer oude symbolen zijn voor de ‘vita contemplativa’, dat wil zeggen de inner­lijke ontwikkelingsweg, de meditatieve le­venshouding. De duimende mens is het beeld van de mens die zich weer wil verbinden met de godenwereld, waar hij vandaan komt. Een en ander roept associaties op met het navelstaren. Streit memoreert ook de mysticus Finn MacCool, van wie de legende zegt dat hij op zijn duim zoog en zodoende dingen zag die in de toekomst verborgen lagen. Hij was daardoor in staat de toekomst te voorspellen. Dit moet niet opgevat worden als een bewijs voor mijn stelling dat duimzuigen iets te ma­ken heeft met een innerlijk bewustwordings­proces van het eigen ideaalbeeld, maar het verhaal van Streit wijst wel in dezelfde rich­ting als de dingen die ik eerder over het dui­mende kind naar voren bracht. Tot slot blijft de vraag waarom het ene kind niet en het andere wel duimt, nog staan. En als het duimt, waarom gebruiken dan sommi­ge kinderen hun duim en andere hun middel­- en ringvinger?

duimen 1

 

(Een op zijn wijsvinger ‘dui­mend’ kind is heel zeldzaam.) Het lijkt niet erg waarschijnlijk dat een kind dat niet duimt zich innerlijk niet bezighoudt of geen fantasie heeft. Het is niet ondenkbaar dat zo’n kind van zichzelf uit al enigszins relati­verend staat ten opzichte van dat wat er om hem heen gebeurt, waardoor het niet ‘nodig’ is om aparte momenten van afsluiting voor indrukken van buitenaf te creëren voor dat zelfonderzoek. Het gebeurt permanenter, ge­leidelijker. Daarbij kan het ook nog zo zijn dat het kind een variant ontdekt heeft, zoals het aaien met broodkorstjes door mijn doch­ter.

Temperament
Iets dergelijks zou ook kunnen spelen bij de keuze van de vingers. Het temperament, de manier waarop het kind met zichzelf en zijn omgeving omgaat, zal daarbij een belangrijke rol spelen. Kinderen die heel fel zijn en heel gretig leven zullen dezelfde gretigheid aan de dag leggen in het mobiliseren van de fantasie­krachten en op ‘duim-gebied’ het onderste uit de kan willen hebben. Dan kiezen ze hun duim, de meest nadrukkelijke representant onder de vingers van het wilsmatige. De meer terughoudende, minder onstuimig levende kinderen kiezen liever die vingers die het even­wicht representeren, namelijk de middel- en ringvinger. Het is overigens best mogelijk dat een en hetzelfde kind afwisselend duim en andere vingers gebruikt. Het zal dan nogal
af­hangen van de stemming waarin het kind ver­keert. Zelfs is voorstelbaar dat de leeftijdsfase er nog iets toe doet: is het kind in een uitge­sproken wilsfase – zoals aan het eind van de kleutertijd, wanneer het kind dan ook zijn ledematen ontwikkelt en leert beheersen – dan zal de duim de voorkeur verdienen. Al dit soort overwegingen zijn echter nog louter speculatief en hebben geen algehele geldigheid. Elk kind gaat op zijn eigen, indi­viduele wijze met het duimzuigen om. Zoals gezegd is het niet mogelijk alle aspecten van het duimzuigen in een artikel samen te breng­en. Dit artikel beoogt ook niet alle andere denkbeelden over het duimen overbodig ma­ken. Het is meer een aanzet om steeds inten­ser met je kind mee te leven en aan te voelen wat er in zijn zieltje om gaat. Het is te snel geoordeeld wanneer duimen afgedaan wordt als vies of lekker of allebei. Al te snel verbie­den is nogal frustrerend voor een kind. Het heeft nauwelijks zin, of er wordt iets vervangends bedacht. Een kind duimt niet zomaar! Duimzuigen is meditatief bezig zijn en daar mag je best een beetje eerbied voor hebben!

(Aart v.d.Stel, arts, Jonas 4, 15-10-1982)
738

 

 

 

Advertenties

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (2)

 

AUTORITEIT EN GEZAG
                                                 KINDEREN ACCEPTEREN ZOALS ZE ZIJN

‘Wie let op wat een kind van deze leef­tijd – tussen zeven en veertien jaar -werkelijk vraagt, oefent vanzelfspre­kend autoriteit uit omdat hij merkt dat het kind diep tevreden is als het gehoorzamen mag. Maar veel tijd­genoten passen datgene wat voor vol­wassenen juist is, toe op alle leeftij­den. De volwassene moet in vrijheid een oordeel kunnen vormen als hij daarvoor voldoende grondslagen krijgt in kennis van feiten en omstandighe­den en de verwerking onder de knie krijgt. Maar het kind is geen kleine volwassene en heeft geen oordeelsver­mogen. Als het kind beneden veertien jaar oordeelt, doet het dat uit wat het van de omgeving opneemt aan gedach­ten, emoties, gewoonten. Het kind laten oordelen voordat het veertien jaar is, betekent de grondslag te leggen voor een onvrij oordeel in het latere leven’.

Vooral dit stukje uit het veelomvat­tende artikel over het Kind tussen ze­ven en veertien jaar van J. Knijpenga in het kerstnummer van Jonas* zette mij aan het denken. In de kerst­vakantie heb ik er meer over gelezen en vooral heb ik geprobeerd na te gaan hoe ik voel en handel in dit opzicht tegenover onze kinderen. Vanzelfspre­kend autoriteit uitoefenen blijkt me niet makkelijk af te gaan.

In bijna alle voordrachten van Rudolf Steiner over de leeftijdsperiode tussen tandenwisseling en puberteit wordt de kwestie van autoriteit en gehoorzaam­heid aan de orde gesteld. Auroriteit is het steekwoord voor de opvoeder van het kind tussen zeven en veertien. Het woord autoriteit heeft in onze tijd een negatieve blijklank en dit op zich­zelf is al symptomatisch. Gezag heeft voor mijn gevoel een betere klank, er klinkt in mee dat het uit de kern komt van wie het uitoefent. Als bijvoegelijk naamwoord is hij nog duidelijker: ‘hij spreekt met gezag’ betekent iets heel anders dan hij spreekt autoritair. Van de opvoeder tegenover het kind wordt gezag gevraagd, ik-vervuld, echt.
Als een kind gehoorzaamt, leeft ‘op gezag’ van zijn ouders of opvoeder, hoeft het niet direct zijn eigen oor­deelsvermogen aan te spreken, het hoeft niet zijn eigen weg te kiezen. Dat is niet goed voor hem. Het klinkt nogal apodictisch. Waarom niet? Waarom moet een kind niet te vroeg, niet vóór ongeveer z’n twaalfde jaar oordeelsvermogen ontwikkelen? Het is in tegenspraak met de gangbare opvattingen van onze tijd, waarin kin­deren zo vroeg mogelijk tot zelfstan­digheid opgevoed moeten worden. Het vormen van een eigen oordeel, het le­ren kiezen, wordt juist op alle moge­lijke manieren aangemoedigd en niet alleen door de manier waarop de leer­stof wordt aangeboden, vaak met een multiple choice systeem. Ook door het speelgoed en dan vooral het zoge­noemde verantwoorde speelgoed dat immers dikwijls ontworpen is op grond van heersende pedagogische opvattin­gen – meer dan menig ander lelijk, maar betrekkelijk onschuldig plastic auto of pop.

En wat doet bijvoorbeeld een puzzel? Als iets het oordeelsvermogen aan­spreekt is het wel een puzzel. Stukje voor stukje beoordelend op vorm, kleur en voorstelling moet het kind er een geheel van maken, waarvan hij innerlijk geen beeld heeft – hoogstens een plaatje als voorbeeld. Alle stukjes op zich zijn nietszeggende fragmentjes waarvan je niet kunt zien wat erop afgebeeld wordt. Hoe moet een kind zich daarmee verbinden? Ja, het ene stukje is hem liever dan het andere, maar helemaal niet op grond van bruikbaarheid, maar omdat het hoofd erop staat of iets anders dat als beeld herkenbaar is. Wat kan je als volwas­sene ongeduldig worden als je ernaast zit en het hem toch zélf wilt laten doen. Vinden kinderen puzzelen leuk? Vaak wel, maar dan: hoe bepalend is dat criterium?

Anti-autoritair
Behalve in de school en de speelgoedwinkel hebben ook bij bewuste ouders in het begin van de zeventiger jaren verlichte, anti-autoritaire   ideeën opgang gemaakt. Men is ervan teruggekomen, dat wel, maar toch heeft deze korte golf diepe invloed gehad op de houding van ouders tegenover hun kinderen. Of je wilt of niet, je bent er­door beïnvloed en dat heeft op zijn minst een stuk onzekerheid in dit opzicht bewerkt. Hierop kom ik later terug. Vanzelfsprekend ligt de zaak voor mij niet.

Zoals ik al schreef heeft Rudolf Stei­ner veel over dit onderwerp
gespro­ken. Vooral de volgende gedachte trof me en maakte me enthousiast. Wil het oordeelsvermogen opbouwend en gezond kunnen functioneren bij de volwassen mens, dan moet het in nauwe verbinding staan met de liefde­krachten in die mens; oordeelsvermo­gen en vermogen tot liefde moeten als het ware in dezelfde laag aangelegd zijn om zo bevruchtend op elkaar in te kunnen werken. Een oordeel, kritiek, is alleen dan terecht als het gedragen wordt door wel-willendheid. Een oor­deel zonder liefde breekt af, is vernie­tigend, doet afbreuk aan wat beoor­deeld wordt en uiteindelijk ook aan jezelf.

Het oordeelsvermogen dat te vroeg aangesproken wordt, vóór het twaalfde jaar, wordt dan aangelegd in een ontwikkelingslaag van het kind, waarin de liefdekrachten nog geen actieve rol spelen. Het oordeelsvermo­gen, dat in die periode al ontwikkeld wordt, krijgt dan te maken met nog ongeremde levenskrachten, die sterk op het eigen ik geconcentreerd zijn. Dan bestaat het gevaar dat in het
oor­deelsvermogen een stuk destructiviteit mee aangelegd wordt. Ondertussen is er een verschil tussen oordeelsvermogen en oordeelskracht. Oordeelsvermogen, en dat wordt in het bovenstaande steeds bedoeld, is het vermogen om je juiste oordelen te vor­men en daarvoor je goede gronden te hebben. Dan is de vraag: ‘wat vind je er zelf van, en waarom?’ De oordeels­kracht is de kracht waarmee ja of nee gezegd wordt, de kracht waarmee je je met een bepaald oordeel verbindt, on­geacht de juistheid ervan. Dit laatste moet wel ontwikkeld worden door het kind tussen zeven en veertien. Het is een uiting van geestelijke levenskracht en wordt sterk aan duidelijke beelden, zoals die bijvoorbeeld in de volk­sprookjes en ook in veel verhalen uit het Oude Testament te voorschijn ko­men. De heks, de wolf zijn het kwade, van top tot teen. De koning, de prins of prinses daarentegen zijn het goe­de. Er is geen grijs middengebied waar­in juiste oordelen gevormd moeten worden om de goede weg te kunnen kiezen. De keus is opperduidelijk. Het zijn sterke beelden, waaraan de kracht van het oordeel groeien kan.

Ja of nee ontwikkelen
Samenvattend kan je zeggen dat tus­sen tandenwisseling en puberteit het erom gaat, de kracht waarmee het kind ja of nee zegt te ontwikkelen: de inhoud ervan is nog niet belangrijk. Dit gebeurt door het kind krachtige afgeronde beelden voor ogen te stellen die het in hun geheel kan aanschou­wen, overzien. Pas in de volgende le­vensperiode, als de puberteit begint, komt de inhoud van het oordeel en het waarom ervan aan de beurt. De liefdekrachten, die dan ontwaakt zijn, verbinden zich met het groeiend oor­deelsvermogen en maken het oordeel opbouwend, waar.

Tot zover de denkmatige omspe­lingen van het citaat uit Knijpenga’s artikel. Nu volgen nog wat meer gevoelsmatige reacties en een poging, die te verwoorden. Waarom houdt het me zo bezig? Wat roept het bij me op? Enerzijds enthou­siasme: voelen dat je warm loopt voor iets dat je als waar herkent, dat met jou te maken heeft, omdat je er nu aan toe bent. Aan de andere kant ook veel vraagtekens en een gevoel van
ver­wardheid over waar de praktijk van de dagelijkse omgang met je kinderen nu eigenlijk aanrakingspunten heeft met die aantrekkelijke theorie. Waarom vind ik het zo moeilijk ‘van­zelfsprekend autoriteit uit te oefe­nen’ ? Niet dat ik het niet graag zou willen, maar het lukt me eenvoudig zo vaak niet. Al zoekend vond ik twee oorzaken.

De eerste heeft te maken met het zin­netje van Knijpenga ‘maar veel tijdge­noten passen datgene wat voor volwas­senen juist is, toe op alle leeftijden’.

Vooral de vrouw komt, als ze kinde­ren krijgt, in een totaal andere
situa­tie. Daarvoor een leven tussen volwas­senen, daarna, vooral de eerste tijd, een tamelijk geïsoleerd bestaan tussen kinderen. De oordelen, wat is goed ? wat is verkeerd? die je je vormt, wor­den in het verkeer met volwassenen vaak samen gedragen; je zoekt
gelijk­gestemde mensen op en wisselt daar­mee van gedachten. Je steunt op een stukje collectiviteit. In de eerste tijd met je kleine kinderen ben je veel al­leen. Contact met vrouwen in dezelf­de situatie zoek je op, maar blijkt vaak schaars te zijn. En wat gebeurt er? Je gaat praten met je kinderen alsof het volwassenen zijn, je overlegt met ze over deze mogelijkheid of die, zonder je te realiseren dat jij degeen bent die het overzicht hebt het juiste oordeel te vormen, en de kinderen niet. Al heel vroeg begint dat. Wil je appel­stroop of pindakaas? Thee of limona­de? Zullen we deze kant opgaan of die? Het maakt hen in feite niets uit, ze vinden allebei even lekker, even fijn.

Jezelf
Eigenlijk stel je de vraag niet aan de kinderen, maar hardop aan jezelf. Het is moeilijk om de verantwoordelijk­heid echt helemaal alleen te dragen, jezelf de vraag innerlijk te stellen, de voor- en nadelen af te wegen en te doen wat je het beste lijkt. ‘Willen jul­lie naar het Amsterdamse bos of naar het Thijssepark?’ vraag ik hardop en denk zelf na wat het beste is: zijn ze toe aan bloemen bekijken of aan lek­ker uitwaaien? En als ik dan tot een andere keuze kom dan de kinderen, zijn de poppen aan het dansen en heb ik mezelf in een moeilijk parket ge­bracht. Je komt voor de dag met je mooie argumenten, maar wat maken die nu voor indruk op de kinderen? Zij kozen het Thijssepark – voor hun vandaag het fijnste: geen bloemen kij­ken, maar lekker op de bruggetjes stampen.

Dat is het eerste: helemaal alleen moet je oordeelsvermogen opbrengen, zeker in die situaties die het kind niet kan overzien of waarin hij niet vrij is om te kiezen – omdat ik de keus eigenlijk al gemaakt heb. Pindakaas of appel­stroop? Maar de appelstroop zit al op m’n mes – ja en dan wil ze natuurlijk pindakaas!

Autoriteit
Het tweede is moeilijker onder woor­den te brengen. Het heeft te maken met het verschil in klank tussen auto­riteit en gezag. Bij het woord autori­teit zie ik, enigszins overdreven, een streng gezicht en een wijzende of ver­manende vinger. De politieagent: zo moet jij het doen, maar ik sta boven de wet.

Dat dit niet de goede manier is om met kinderen om te gaan is duidelijk. Zo duidelijk, dat de neiging tot anti-autoritair opvoeden   begrijpelijk wordt. Niet alleen in de cultuur, maar ook bij jezelf. Alles lijkt beter dan op deze manier, jezelf buiten schot hou­dend, autoritair zijn. Maar de stap van het anti-autoritaire ideaal – het respecteren van het kind in zijn individualiteit en vrijheid – naar ‘laat hij het zelf maar uitzoeken, laat hem z’n gang maar gaan’ is klein en vlug gezet. Het makkelijke ervan is, zo in negatieve zin opgevat, dat je niet zelf mee hoeft te doen. Je kunt zelfs iets anders doen!

Hier ligt het verschil met gezag. Ie­mand die voor mij gezag heeft zie ik op de rug, niet met een wijzende vin­ger, maar zelf bezig met waarin hij ge­zag heeft.

Wil je vanzelfsprekend gezag uitoefe­nen tegenover je kinderen dan vraagt dat een onvoorwaardelijk engagement, een onvoorwaardelijk je begeven in de relatie tot dat kind en in de situatie waarin het staat. Je kunt niet buiten schot blijven.

Iemand kwam me ophalen, ’s avonds om acht uur. Ze was nog vergeten iets te zeggen en vroeg of ze naar huis mocht opbellen. ‘Ja Maarten, met mamma. Ik ben nog vergeten je te hel­pen herinneren aan je medicijn.. .acht korrels uit het doosje op de kast.. .met een slokje water.. .als je nu de telefoon neerlegt ga je naar de kast, je pakt het doosje en je neemt acht korrels.. .niet eerst iets anders doen. Dag, slaap lek­ker.’ Ik zag dat ze niet hier was, aan mijn telefoon, maar daar, naast haar zoon en hem begeleidde in wat ze van hem vroeg. En ik denk dat hij het in­derdaad gedaan heeft.

(Lili Chavannes, Jonas 11., 27 januari 1978)

*Niet op deze blog

737

VRIJESCHOOL – 2e klas – legenden (3-6)

 

DE GELOFTE VAN DE HEILIGE CUTHBERTUS.

Sint-Cuthbertus was een Schotse herdersjongen, die zijn kudde hoedde en liet grazen langs de rivier de Tweed, in de nabijheid van Melrose. Dag en nacht leefde hij in de open lucht, at in de zonneschijn en sliep op de hei. En hij groeide mooi en sterk op, en was de aardigste jongen uit de hele streek. Hij kon harder lopen dan wie ook, en was altijd overwinnaar bij de worstelwed­strijden, waartoe hij de  jongens van mijlen ver uit de omtrek uit­daagde. En wat kon hij prachtige buitelingen maken en op zijn han­den lopen! Niemand op de hele wereld kon hem daarin overtreffen.

Het is nu wel meer dan duizend jaar geleden, dat Sint Cuthbertus leefde, en nog altijd vertellen de Schotten verhalen van zijn kracht en behendigheid en van zijn lenigheid in de spelen met de andere
jon­gens. Hij was hun hoofd en leider, en ieder was vast overtuigd, dat hij zou opgroeien tot een beroemd man.

Maar hij hoedde zijn schapen trouw en vol zorg, tot de tijd daar­toe gekomen zou zijn, en leerde, groot wordend, onbewust allerlei dingen. Want door zijn leven buiten werd hij wijs in allerlei zaken, die andere mensen nooit begrijpen. Zo leerde hij de geheimen ken­nen van de fluisterende wind, en van het lied van ruisende beek. Hij leerde de zin verstaan van het gesnap der eekhorentjes, en het gekras van de raven. Hij leerde de gewoonten kennen van al die kleine dieren met hun klare oogjes, die hij op zijn zwerftochten over de hei ontmoette, en hij kreeg alle gevederde en viervoetige schepselen lief. Inzonderheid had hij de vogels lief. Uren achtereen kon hij zitten kijken naar de zingend omhoog vliegende en met trillende vleugels weer neerdalende kleine leeuweriken, en naar de grote meeuwen, die nu eens omhoog vlogen met langzame vleugelslagen, dan weer zich op hun wieken lieten drijven als witte schepen in de blauwe lucht. Hoe verlangde hij dan zelf ook vleugels te hebben en weg te vliegen en te zweven, ver weg, zoals de vogels.                                 

Op zekere nacht, terwijl hij liggend op de paars-rose, zacht verende hei zijn schapen bewaakte, zag hij iets vreemds in de lucht. Het was als een grote weg van enkel licht, waarlangs een groep engelen van dn hemel neerdaalde, hun kleding bestond uit louter regenboogstralen. En even later zag hij hen weer naar omhoog terug­gaan, terwijl zij een prachtige bloem tussen zich in droegen. En hij begreep, dat dit de ziel was van een heilige, heengedragen naar het Paradijs.
En toen hij de volgende dag het nieuws hoorde vertellen, dat Aidanus, de heilige bisschop van Lindisfarne, die nacht gestorven was, begreep Cuthbertus, de kleine herdersjongen, dat hij het voor­recht had ontvangen van een visioen. En hij was zeer verwonderd waarom dit hem gegeven was, maar hij voelde toch duidelijk, dat hem daarmee een bijzondere genade verleend was.
Dagen en dagen, en nachten en nachten achtereen dacht hij hierover na, altijd weer zich verwonderend over z’n grote genade. En ten laatste be­greep hij, dat ook hij geroepen was een heilig leven te leiden, en dat hij dan wellicht het geheim van alle dingen verstaan zou.
Hij was vijftien jaar, toen hij zich bij de abt van MeIrose aan­meldde met den wens een monnik te worden. En daar, in het kloos­ter vermeerderde hij zijn kennis met veel boekenwijsheid, die, ge­voegd bij de wijsheid, die hij door de wouden en de heuvels, en de stromen reeds bezat,  maakte hem tot een zeer wijs man. Hij was daar nog niet lang geweest, of de andere kloosterbroeders en ook zelfs de abt merkten,  dat deze gebenedijde jonge monnik ver boven hen allen uitstak. Allen gehoorzaamden en vereerden hem. En ieder kwam zijn raad en hulp inroepen. Een ieder zond juist om hem wanneer hij in nood was. Door het gehele volk uit die streek was hij geliefd, deze man met zijn schoon gelaat en gespierd lichaam, met zijn vriendelijke ogen en zijn sterke handen, toch zoo teer tevens als die van een vrouw die een klein ziek kindje aanraakt, want hij bezat het grote voorrecht van sympathisch te zijn. Gedu­rende de jaren, die hij geleefd had onder de vriendelijke, warme zon, was zijn hart week en zacht geworden als een rijpe vrucht. Vele van de bewoners van de Schotse hooglanden en uit de eenzame dalen waren als wilden schuw teruggetrokken, en haatten alle
vreem­delingen. Maar de harten van deze arme kinderen van de hei ontsloten zich, wanneer hun sterke broeder tot hen kwam met liefde in zijn stralende ogen en met de begeerte hen te helpen. Hij trachtte door te dringen tot de verst afgelegen, meest onbegaanbare gedeelten, om hen te onderwijzen en hen op te wekken tot het goede. En hij bracht hun voedsel  en kleren, en medicijnen voor de zieken, want hij kon anderen niet zien lijden, al was hij niet bevreesd zelf pijn en ontbering te moeten verduren.

Een bewijs, hoe sterk hij was en gezond, was dat hij, ook toen hij reeds een oude man begon te werden, dagelijks een bad nam in zee. Hoe koud het ook mocht wezen, toch dook hij onder de golven en kwam druipende weer boven op het bevoren strand, waar hij dan neerknielde en een klein gebed deed voordat hij naar zijn cel te­rugkeerde .

In een zekere bitter koude winternacht, terwijl Cuthbertus als
ge­woonlijk weer verkleumd van koude in de sneeuw neerknielde, kwamen er twee bruine otters uit de zee zwemmen en gingen naast Cuthbertus liggen. En terwijl hij geheel in zijn gebeden verdiept was,  zodat hij hen niet eens opmerkte, likten zij zijn bevroren voeten, om deze te warmen, en wreven hem met hun dikke,  zachte vacht tot hij geheel droog was. Zo deden op hun beurt de dieren uit de zee wat zij konden voor hem, die zoveel gedaan had voor hen en hen zo innig liefhad.

Toen de abt van het klooster stierf, kwam Cuthbertus in zijn plaats aan het hoofd van het klooster. Maar nadat hij twaalf jaar binnens­huis bij de andere monniken geleefd had, kon hij dit leven niet lan­ger uithouden. Hij kreeg een onweerstaanbaar verlangen om weer  in de frisse buitenlucht te zijn en weer te leven onder de bloten hemel, en hij besloot kluizenaar te worden en een echt buitenleven te leiden met de vogels, die hij zo liefhad.
En hij ging weg en bouwde zijn kluis op een klein, wild begroeid eiland, genaamd Farne, op een steile, hoge rots, waar tien of vijf­tien jaar vroeger dezelfde heilige Aidanus gewoond had, van wiens overgang naar de hemel hij getuige geweest was, toen hij nog
schaapherdersjongen te Melrose was. De kluis was werkelijk niets anders dan een kuil in de grond, ooals sommige vogels ook maken.

Hij hakte een ronde holte uit in de rots, en maakte in het dak een venster, waardoor hij zijn dierbare blauwe lucht zien kon. De muren waren van zoden en steen, bedekt met stro. Er waren twee vertrekken in: een waarin hij woonde en sliep en kookte, en een dat tot kapel diende, waar hij zijn lofliederen zong als de vogels en waar hij uren achtereen geknield lag, in heilige over­peinzingen verdiept. Voor zijn deur hing hij een ossenhuid op, wat de enige beschutting was tegen de zeewinden. In de rots vond hij een kleine bron, die hem van water voorzag,  en hij beplantte een plek met gerst, die hem het nodige voedsel verstrekte. Zo leefde hij, alleen met de vogels, die in zwermen om de rots heenvlogen. En de wind woei over hem heen. en de golven rolden en braken soms tegen de deur van zijn kluis, maar hij sloeg er geen acht op. Waarlijk, de zee was een ruwe vriend van hem. Eens kwam zij bij vergissing al te dicht bij hem en spoelde een gedeelte van zijn kluis weg. Toen vroeg hij iemand naar zijn vrien­den de monniken van het vasteland te gaan, met het verzoek te komen en een balk mee te brengen om tussen het dak te stoppen, want er was geen hout te krijgen op zijn rotsachtig eiland. De broeders evenwel vergaten hem die te sturen. Maar de zee scheen berouw te hebben van het­geen zij gedaan had, en bij het volgend getij spoelden haar opko­mende golven een balk mee en wierpen die voor de voeten van Cuthbertus. Het ontbrak Sint Cuthbertus waarlijk niet aan vrienden. Want nau­welijks had hij het rotsachtige eiland tot zijn woonplaats gekozen of het werd een gezocht oord van alle mogelijke vogels. De andere dieren echter konden hem ongelukkigerwijze van de oever af niet bereiken. Toen droegen de meeuwen en zeezwaluwen, de eiderganzen en de raven hen op hun zegenvolle vleugels naar het verblijf van hun Meester.

“Hi”, zeiden ze tot elkaar,”wij hebben hem nu voor ons gekregen. En nu kunnen die arme schepsels zonder vleugels niet hier komen; ook kan hij van daar niet weg zonder vleugels. Nu pas behoort hij geheel ons!”

Maar de vogels bedachten niet,  dat al kunnen mensen niet vliegen zij toch boten met vleugels kunnen maken, om hen over de zee te brengen. Ook ging Cuthbertus dikwijls naar het vasteland om werken van barmhartigheid te doen, zowel in de hutten van de boeren als in het paleis van de koningin.

Ook kwamen velen om hem te zien op zijn eiland, want zijn naam was door het gehele koninkrijk bekend. En hij ontving de gasten, die hem steeds welkom waren, zo goed mogelijk in de eenzame cel van zijn eigengebouwde woning. Want hij had de mensen lief en hielp hen waar hij kon. Maar meer hield hij toch nog van zijn dierbare vrienden,  de vogels, en hij was het liefst met hen alleen. Zij kwamen op zijn schouders en knieën zitten, en dan nam hij hen in de hand en streelde hen zacht. In grote zwermen volgden zij hem op zijn wandelingen. Zij wachtten voor de deur van zijn hut om met hem zijn ontbijt, zijn middagmaal en zijn avondeten te ge­bruiken. Velen in die dagen hebben gemeend dat de vogels hem iede­re dag zijn voedsel brachten uit de hemel, maar dit verhaal ont­stond, zoals zovele onjuiste verhalen, uit iets anders, dat in werkelijkheid gebeurd was.

Eens namelijk, toen enkele raven gedach­teloos zijn gerst stalen en stro van zijn dak weghaalden, berisp­te Cuthbertus hen daarover, en verzocht hun dit nooit weer te doen. En zó beschaamd waren de vogels,  dat zij, om hun berouw te tonen, hem een groot stuk vet brachten. Maar hij wilde dit niet eten, zij verwacht hadden, en gebruikte het voor andere dingen. Cuthbertus had al deze vogels zeer lief, voornamelijk de onzelf­zuchtige eiderganzen, die het dons uit hun eigen borst plukken om het nestje voor hun kleintjes zacht te maken. Hij was altijd goed en vriendelijk voor hen, zodat zij helemaal niet schuw voor hem waren. Maar hij vreesde dat anderen, nadat hij  heengegaan zou zijn, wellicht minder goed voor.zijn lievelingen zouden zijn. En om hen te beschermen, deed hij een plechtige gelofte en maakte hen de gave van zijn innerlijke vrede. Niemand op het eiland zou een van hen enig leed kunnen aandoen of hen doden zonder daarvoor een vreselijke straf te ondergaan. En hij gaf hun deze gave mee tot aan het einde der tijden, waardoor het voortaan ieder, die een van Sint Cuthbertus’ vogels leed zou doen, slecht bekomen zou.
Er bestaan twee geschiedenissen hier­van, die allebei gebeurd zijn,  ang reeds nadat Cuthbertus van het eiland, was heengegaan.

Liveing, de dienaar van Aelric den kluizenaar, die naast  Cuthbertus’  cel woonde, had op zekere dag, terwijl Aelric naar het vaste­land gegaan was, een van de eiderganzen, die er nog woonde en zijn nest gebouwd had naast de hut van de heilige, gedood en opgegeten. Nu wist Liveing zeer goed de eed van Sint Cuthbertus, maar hij dacht, dat niemand ooit zijn misdaad  te weten zou komen, want hij wierp de beentjes en de veren over de punt van de rots heen, en zag, hoe zij door de golven werden weggespoeld. Maar toen zijn meester Aelric te­ruggekomen was, vond hij een bundeltje beentjes en veren, in el­kaar gerold, door de vloed op enige schreden afstand van zijn kapel aan ’t strand gespoeld, want ook de zee kende de gelofte van Sint Cuthbertus en was verplicht de schuldigen aan te wijzen. En zo werd Liveing ontdekt en gestraft.

En de tweede geschiedenis is deze: Ook de vogels waren gebonden door de gelofte van Cuthbertus, om vriendelijk onder elkaar te zijn. Zo was het aan de grote vogels verboden op de kleine jacht te maken of hen te doden. En nu gebeurde het, dat een grote havik, die van het naburig eiland Lindisfarne was komen vliegen, een tam­me mus opat, die behoorde aan Bartholomeus, een andere kluizenaar, die na Aelric op Farne was komen wonen. Als straf voor deze wrede daad moest de havik dagen achtereen het eiland voortdurend maar rondvliegen,  zonder weg te kunnen, zonder een ogenblik rust. Zeker zou hij op het laatste door honger en vermoeienis in de zee gevallen en verdronken zijn, wanneer de kluizenaar geen medelijden met hem gekregen had. Bartholomeus greep de vermoeide vogel bij de vleu­gels en bracht hem naar de kust,  en daar liet hij in naam van Sint Cuthbertus de havik wegvliegen. Nooit meer mocht hij naar het eiland terugkomen, om hem en zijn vredelievende vogels te kwellen. Zo leefde Sint Cuthbertus lange jaren op zijn eiland, omringd door zijne gevederde vrienden.

En hoewel iedereen hem liefhad, en hem vereerde en hem een Heili­ge noemde, werd hij nimmer hoogmoedig. Ook bleef hij altijd arm, hoewel de adellijke dames van het hof, en zelfs de koningin hem kostbare geschenken aan goud en diamanten gaven, welke schatten hij weggaf aan behoeftigen. En ook nederig was hij, hoewel Egfried, de koning,  zelf naar zijn eiland kwam en hem tot aartsbisschop benoem­de, terwijl hij knielend voor Cuthbertus1 voeten lag, hem smeekende, deze gift van hem aan te nemen.

Zijn leven was voor de mensen een lichtbaken, die steeds een klaar en helder licht verspreidde. Na zijn dood werd er op zijn rots een vuurtoren gebouwd, om een lichtglans te zijn voor de zeelieden. Nog altijd is de eenzame rots van Farne door de gelofte van Sint Cuthbertus gezegend,  en vliegen er groote zwermen zeevogels, afstammelingen van hen, die de Hei­lige zelf gekend hebben, rond. En deze vogels zijn zeer tam en vrien­delijk en vreezen van niemand enig kwaad, want hebben zij niet de belofte van hun Heilige? Helaas, minder liefdevolle en medelijdende mensen dan hij hebben deze gelofte geschonden. En zij hebben vele van deze goed-vertrouwende vogels gedood, die zij tot zich lokten, terwijl ze dachten dat het was om gestreeld te worden,  zoals zij dit vroe­ger gewoon waren. Zij dachten er daarom niet aan, de arme, on­schuldige schepseltjes met hun zachte oogjes, om weg te vliegen. Maar hoe wreed werden zij bedrogen!

Zeker echter zal Sint Cuthbertus zijn belofte niet schenden, en al worden deze moordenaars nu niet meer terstond gestraft zoals in vroegere tijden Liveing, en zoals de boze havik, zo zal hun eigen geweten hen geen rust laten, en hen kwellen, totdat zij berouwvol zullen besluiten het nooit weer te doen.

 

Uit: ‘Een boek van heiligen en hun dieren

2e klas vertelstof: alle artikelen 

736

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Boeddha

 

DE VREDE DES GEMOEDS

BoeddhaHet boeddhisme heeft meer aanhangers gehad dan enige andere godsdienst in de geschiedenis. Op het ogenblik* zijn het er 400 miljoen, of nog meer. En afbeeldingen van Boeddha behoren tot de bekendste kunstuitingen ter wereld. Maar hoeveel westerlingen weten wie Boeddha is geweest of wat hij te zeggen had over de problemen van het leven?
Schilders en beeldhouwers hebben van Boeddha een gezette man gemaakt; hij lijkt te goed doorvoed en zelfvoldaan voor een heilige. Wij verwachten van heiligen een martelend zoeken naar inzicht. Dat verwachtten ook Boeddha’s vrienden en de mensen voor wie hij het eerst predikte.
De idee van geestelijke verlichting door lijden begon in India ongeveer 500 jaren voor Christus — tijdens Boeddha’s leven — veld te winnen. In die tijd gebeurde het wel dat jongemannen, gekweld en verbijsterd door het kwaad in de wereld, hun zaken afwikkelden, afscheid namen van familie en vrienden en “heengingen” — of “eruit trokken” zoals wij
zou­den zeggen. Zij leefden in de bossen en hun enige bezit was een houten nap waarmee zij nu en dan om wat voedsel bedelden. Zij meenden dat door zelfverloochening en strenge lichamelijke
discipline een ogenblik van verheven inzicht zich zou manifesteren waarin het geheim van het heelal plotseling duidelijk zou worden,

Boeddha — of liever gezegd Gautama, want zo luidde zijn familienaam — beproefde dit en kwam tot de conclusie dat dat dwaasheid was. Het was de eerste omwenteling in het denken die Boeddha teweegbracht. Volgens de overlevering was hij een prins van een klein koninkrijk, 29 jaar oud, getrouwd en de vader van een zoontje. Hij vertrok omstreeks middernacht, zonder iets tegen iemand te zeggen. Het verscheurde zijn hart — nog even stond hij bij zijn slapende vrouw en kind, maar hij wendde zich af. Hij had een ijzeren wil; van prins van deze wereld werd hij de prins der asceten en zijn roem verspreidde zich “als de klank van een grote gong die hangt aan het uitspansel”.

Hij had vijf makkers, maar zij waren zo onder de indruk van zijn groter vermogen tot toewijding, dat zij meestal niets anders deden dan hem gadeslaan. Nadat hij zich zes jaar lang de grootste ontberingen had opgelegd en hij nog maar een wandelend skelet was, werd hij op een dag overvallen door verschrikkelijke pijnen en verloor het bewustzijn. Toen hij weer bijkwam, was hij tot het inzicht gekomen dat men een middenweg moet bewandelen In tussen ascetische onthouding en aardse genietingen als men de geheim. van het heelal wil doorgronden. In de godsdienstige beschaving van India was dit iets revolutionairs. Gautama werd door zijn vijf makkers voor een afvallige uitgemaakt en moest geheel alleen zijn speurtocht naar de laatste waarheden voortzetten.
Gautama’s middenweg was, vanuit het gezichtspunt van westerse zeden- en voedingsleer, heldhaftig. Hij betrachtte absolute kuisheid. Hij at alleen om twaalf uur in de middag — rijst met kerrie — en daarna niets meer, behalve soms ’s avonds wat dunne pap. Hij voelde zich hierbij uitstekend en hij werd niet alleen een gezonde heilige maar bovendien ook een voorvechter voor  geestelijk uithoudingsvermogen. Men zegt dat Socrates eens een hele nacht stond te denken in een zuilengang. Gautama schijnt iets soortgelijks te hebben gedaan — alleen was hij zo verstandig eerst te gaan zitten.

Gautama zat onder een bepaalde heilige vijgenboom, die later de Boom van het Inzicht werd genoemd — de Bodhi-Boom in het Singalees. Uit de zaden van die boom zijn in de loop der eeuwen steeds weer nieuwe bomen geplant; men kan ze nog steeds zien in Boeddh Gaya.
Gautama was vastbesloten, niet op te staan voordat geestelijke klaarheid zijn deel zou zijn geworden. In de eerste uren na middernacht raakte hij in een trance waarin hij met stralende helderheid de hele ingewikkelde keten van oorzaak en gevolg aanschouwde die deze ellende, leven geheten, regelt. En met een zelfde helderheid aanschouwde hij het pad der bevrijding naar de gelukzaligheid.
Deze mystieke ervaringen zijn als regel onweerstaanbaar over­tuigend voor diegenen die ze ondergaan. Gautama aarzelde niet te verkondigen dat hij Boeddha was, “De Verlichte”, maar boven­dien ook Tathàgata, “De Volmaakte”. Hij keerde rechtstreeks terug naar de vijf kluizenaars die hem openlijk veroordeeld hadden en die nog hongerden in een hertenkamp in Benares. Zij zagen hem komen. “Laten wij deze afvallige geen eerbied betonen,” zeiden zij, “want hij is ten prooi aan de genotzucht.” Maar toen de verlichte Gautama naderde, haastten zij zich hem tegemoet en noemden hem “Broeder”.
Het antwoordde — en het is haast niet te geloven dat er niet een triomfantelijk licht straalde uit zijn ogen: “O gij monniken, spreek Tathàgata niet aan als ‘Broeder’. Tathàgata is de heilige en hoogste Boeddha.”
Daarna hield Gautama, de Boeddha, een prediking — vermoedelijk op één uitzondering na de belangrijkste die ooit is ge­houden. Net als de Bergrede gaf deze prediking een beknopte schets van een nieuwe manier van leven. De beide levenswijzen lijkcn verbazend veel op elkaar, hoewel het geloof waarop ze berusten aanzienlijk verschilt. Boeddha’s verkondiging was pessi­mistisch. Ze begon met de stelling dat het leven zoals wij het ge­woonlijk leven grotendeels bestaat uit lijden. De Indiërs vinden het heel natuurlijk, het leven te beschouwen als een bezoeking, misschien omdat zij zo omringd zijn door armoede en ziekte. Als wij zoals zij — geloofden in een steeds weerkerende cyclus reïncarnatie, of wedergeboorte, zouden wij het leven misschien ook geen opwindend avontuur vinden.

Boeddha’s ontdekking onder de Bodhi-boom was, dat onwetend­heid de oorzaak is van het lijden der mensen. Wij hunkeren steeds naar bevrediging van iets dat wij “ik” noemen. Maar er bestaat geen ik. Wij moeten deze waan opgeven en de onwetende ver­langens die ermee gepaard gaan. En hij noemde in het bijzonder: “Verlangen naar bevrediging van de hartstochten, verlangen naar een toekomstig leven, verlangen naar succes in dit leven.”Wij moeten onze geest bevrijden van bijgeloof, onze wil krachtig beheersen, en liefhebben en door dit alles zullen wij één worden met de wereld, er een nederig en tevreden deel van worden. Hierin ligt vrede en volmaakt geluk.

Hij noemde deze ideale toestand “nirwana”. Het is de geestelijke toestand die men ziet in de beeltenissen van Boeddha — een verheven en toch niet bovennatuurlijke vrede. Geen vrede die het begrip te boven gaat — een vrede die voortkomt uit begrip.

Boeddha werd nu volkomen in beslag genomen door zijn pogingen, voor de sterfelijke mensen een weg te vinden uit hun ellende naar een godgelijke levenshouding. Zijn achtvoudig pad der verlossing heeft niets van de eenvoudige, ongekunstelde welsprekendheid van de Bergrede, maar het kan wel in dezelfde vorm opnieuw worden uitgedrukt. Want “gelukzaligheid en hoe die te bereiken” was het centrale onderwerp van zijn predikingen:

Zalig zijn zij die weten, en wier weten vrij is van begoocheling bijgeloof.

Zalig zijn zij die hun kennis op vriendelijke, openhartige en
waarheidsgetrouwe wijze uitspreken.

Zalig zijn zij wier gedrag is vredelievend, eerlijk en zuiver.

Zalig zijn zij die hun brood verdienen op een wijze die geen levend wezen letsel of gevaar berokkent.

Zalig zijn de kalmen, die wrok, trots en eigengerechtigheid hebben uitgebannen en vervangen door liefde, erbarming en meegevoel.

Zalig zijt gij die uw uiterste best doet voor zelfopvoeding en
zelfbeheersing.

Zalig buitenmate wanneer gij u door deze middelen ontdoet van de beperkingen van het ik.

En zalig zijn, ten slotte, zij die verrukking vinden door te beschouwen wat innig en werkelijk waar is van deze wereld en ons leven daarin.

Hoewel Boeddha niet sprak over God, geloofde hij in een zedelijke orde zoals alleen een rechtvaardige en almachtige godheid zou kunnen voorschrijven. Hij geloofde dat iedere goede daad een beloning oplevert, iedere slechte daad een vergelding. Wat de mens ook doet met lichaam of geest, hij kan de zedelijke wet niet ontlopen. Verder verving Boeddha de riten en offers van de priesters, die hij afkeurde, door een bezielde overpeinzing en dit be­tekende ten minste enkele stappen in de richting van het persoonlijk gebed. Zijn extatische bespiegeling is niet hetzelfde als een gebed, maar het is iets waarom vaak wordt gebeden: berusting.

Een andere oorzaak waarom Boeddha’s godsdienst zoveel aan­hangers vond is de ontwapenende verdraagzaamheid. Er bestaan geen boeddhistische dogma’s en voor zover wij weten heeft geen volgeling van Boeddha ooit een ketter vervolgd. Het meest verbazingwekkende van Boeddha — als men aan hem terugdenkt over een afstand van eeuwen vol oorlogen en razernij van fanatiekelingen is juist de beheerste wijze waarop hij een beroep doet op het verstand en de ervaring van ieder mens. Niet alleen moeten wij volgens Boeddha ons eigen heil zoeken, maar wij moeten ook zelf ons eigen geloof bedenken.

“Geloof niets omdat u de geschreven getuigenis van een oude wijze wordt getoond,” zei hij. “Geloof niets op gezag van leraren of priesters. Datgene wat overeenstemt met uw eigen ervaring en na rijp beraad overeenstemt met uw redelijk verstand en bevorderlijk is voor uw eigen welzijn en dat van alle andere levende wezens, aanvaard dat als de waarheid en leef ernaar.”

Deze woorden verlenen een moderne, een westerse betekenis aan de peinzende rust van die verheven maar niettemin krachtige beeltenissen van Gautama, de Boeddha. Hij bracht een boodschap die geen sterveling na 2500 jaren van jachten en opgewonden kakelen rondom de boom des goeds en des kwaads kan negeren.

Misschien nog groter dan zijn wijsheid was het voorbeeld dat hij gaf van wat wij in het westen slechts een christelijk leven kunnen noemen. Vijfenveertig jaren lang, totdat hij op tachtigjarige leef­tijd stierf, doorkruiste dit genie van de wil en het verstand de vallei in de Ganges; hij stond op bij het krieken van de dag, liep dan z’n 25 à 30 kilometer en wees edelmoedig alle mensen, zonder tegenprestatie en zonder onderscheid naar stand of kaste, de weg naar het geluk die hij had gevonden. Hij was geen opruier en werd nooit lastig gevallen, noch door het priesterdom dat hij bestreed noch door enige vorst. Hij werd zo beroemd en zo bemind dat grote menigten hem tegemoetkwamen als hij een stad nader­de, en bloemen strooiden op zijn pad. Zijn ware en triomfantelijke doelstelling was, de dingen nauwkeurig te omschrijven en de mensen een edele en gelukkige manier van leven en sterven in deze wereld te leren.

alle biografieën

5e klasgeschiedenis

 

 

735

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Muziek – lagere klassen

 

OVER HET AANLEREN VAN HET NOTENSCHRIFT

‘Hoe leert u in het muziekonderwijs in de vrijeschool het notenschrift aan?’ wordt mij* dikwijls gevraagd. Mijn antwoord: ‘Ik weet het niet – ik ken niet alle muziekleerkrachten.’
‘Doet iedereen dan maar wat hij wil? Heeft Steiner daar dan niets over gezegd?’

Ja, iedereen doet het, zoals het hem of haar goeddunkt, maar er zijn wel aanwijzingen te gebruiken die Steiner in zijn voordrachten en in de lerarenvergaderingen heeft gegeven. De leeftijd moet natuurlijk in aanmerking genomen worden en wat je doet moet je wel menskundig onderbouwen. Maar dat kan wel tot verschillende resultaten leiden en dat is ook weer iets wat Steiner graag zag. Met een zeker plezier merkte hij op (in Torquay –GA 311/36  dat je in 2 parallelklassen nooit precies hetzelfde ziet: ‘Ga je bij ons de 1a-klas binnen, dan zie je een leerkracht allerlei vormen maken, bv. met draden; daarna worden deze vormen geschilderd en ontstaan er langzamerhand letters. Een andere leerkacht doet het liever anders. Wanneer je klas 1b binnengaat, zie je de kinderen de vormen bewegen, zodat ze die lichamelijk ervaren. Die houden ze dan als vaste vorm vast. Nooit zul je zien dat in klas a,b of c het helemaal hetzelfde gaat. Er gebeurt wel hetzelfde, maar op heel verschillende manier. Er heerst een vrij scheppende fantasie. Er zijn geen voorschriften; slechts wat vrijeschool is….De leerkracht is autonoom….overal vind je vrijheid en toch heerst in iedere klas de sfeer van de leeftijd.’

Wanneer ik hier mijn*  methode beschrijf, ga ik vanuit het luisteren naar muziek via de melodielijn naar het schrijven van noten en daarna pas naar het leren lezen van het notenschrift.

Dat komt overeen met hoe wij in de 1e klas het schrijven aanleren, waarbij eerst de spraakklank bewust gemaakt wordt, die we daarna leren schrijven en pas dan wordt wat geschreven is, gelezen.
Deze weg in de 1e klas bewandelen voor het notenschrift is nog te vroeg.

Steeds wijst Steiner erop dat de jonge kinderen uit hun 1e zevenjaarsfase de kracht van het nabootsen, het leven in een sprookjesstemming nog een tijdje meenemen in hun volgende zevenjaarsfase, tot er rond het 9e/10e jaar definitief afscheid van wordt genomen; bij alles is duidelijk een vorm van autoriteitscrisis te bespeuren: de zgn. rubicon. Tot die tijd – 1e – 3e klas – kunnen we nog bouwen op de nabootsing, veel zingen, dansen, (na-)spelen op de fluit (wat alle kinderen leren) en ervoor zorgen de heel de klas in een muzikaal bad heeft gelegen.

Je maakt niet alleen gebruik van wat de kinderen als muzikale aanleg hebben, maar je probeert zoveel mogelijk alle kinderen ‘begaafd’ te maken.

(Ik durf uit eigen* ervaring te zeggen dat, wanneer je hetzelfde gaat doen met 10- 11-jarigen het veel moeilijker is, te bereiken wat je in de lagere klassen wel en in de hogere nauwelijks voor elkaar krijgt)

De melodielijn – het omhoog- en omlaaggaan – is voor een kind het meest te begrijpen; moeilijker is de harmonie en het moeilijkst in het bewustzijn te krijgen: het ritme. Dus was mijn eerste doel melodieën herkennen en te tekenen en wel zo, in de 2e klas, als alleen maar een dansende lijn, bv.:

Komt een duifje gevlogen

muziek 6 jpg.Melodielijn
Eerst proberen we met de handen de melodische beweging na te vormen, nog zonder precies op de toonhoogten te letten. De klas kan daarbij ook eens de ogen sluiten; de leerkracht kijkt natuurlijk wie er niet nog niet goed luistert en eventueel hulp nodig heeft. Zodra alle kinderen alle kinderen dit kunnen, kun je de volgende stap zetten: ‘Nu iets nieuws! Let goed op zodat je het straks zelf kan’. 

Nu beginnen we een lied te zingen dat de kinderen goed kennen en waarvan we de melodie vaak met de handen hebben aangegeven, terwijl ik met een krijtje op het bord een brede kleurband teken: de melodielijn van links naar rechts – zie boven – zo goed ik kan, met de onderbreking waar geademd wordt en misschien wel met het dubbelteken voor de herhaling. Dan roep ik kinderen naar voren die, terwijl ik zing of  fluit, de melodielijn aanwijzen, wat niet zo eenvoudig is.
In een volgend uur – de kinderen hebben de ervaringen van daarvoor laten rusten – herhaal ik de stof, maar dan veeg ik de melodielijn weg en vraag wie het aandurft de melodielijn eronder te zetten. De muzikaal begaafde kinderen melden zich. Wanneer er dan 3 of 5 lijnen staan, gaan we kijken of ze al goed genoeg zijn. Dan teken ik – ik laat de lijnen van de kinderen staan – de melodielijn nogmaals eronder.

‘Zo, dat gaan we eens in ons nieuwe muziekschrift schrijven.’
(Ik snij blanco A-4 formaatschriften in 3-en):

muziek 7 jpg.Wekenlang oefenen we deze melodiebeelden wekenlang, ook zonder mijn voorbeeld op het bord.

Wellicht na Kerst komt dan in de 3e klas een belangrijke stap verder. Nu moeten de abstracte notenlijnen en de vorm van de noten de kinderen levendig worden aangeleerd. Omdat ieder kind in zijn ontwikkeling ook wezenlijke ontwikkelingen doormaakt zoals ook in de ontwikkeling van de mens belangrijke stappen voorwaarts werden gezet, kun je een levendige voorstelling oproepen van bv. de monniken rond Guido van Arezzo, 11e eeuw) en dan met behulp van de hand – vier vingers, geen duim – vier lijnen laten vormen met drie tussenruimten en de eerste vierkante zwarte noten laten tekenen van bv. een GLORIA IN EXCELSIS:

muziek 8 jpg.Daartoe moet echter wel bewust gemaakt worden hoe zich uit de stromende melodielijn de toonladderstappen en – sprongen zich duidelijk onderscheiden: we concretiseren de melodiestroom tot duidelijk afgebakende stappen van de intervallen in de toonladder.

Wanneer we van het volgen met de arm van de melodielijn overgaan naar een kleinere armbeweging met 7 tonen voor de 4 vingers in 3 ruimten, betekent dit voor de kinderen al een grote abstractie; maar ze vinden het wel leuk, vooral als ze zelf voor de klas mogen komen om een kleine melodie met de wijsvinger van de ene hand op het vierlijnensysteem van de andere hand te mogen aanwijzen; de kinderen zingen daarbij op een of andere klank (nong, ding, som, nuu – liever geen lalala) wat ze aanwijzen.

Dan gaat dat daarna weer op het bord. In plaats van de vingers komen er lijnen (een verdere abstractie) waarop ik nog steeds kan laten zien hoe de toonladder, nog zonder notennamen, zonder de halve noten aan te geven, verkoopt en hoe je bekende liedjes daarmee kan aangeven.

Maar hoe schrijven we ze op. Ik stelde de kinderen liever – i.p.v. de historische vierkante noten – eerst de hele noot voor als een kleine zingende mond, met boven- en onderlip:

muziek 9 jpg.En om het in het begin niet te moeilijk te maken, gebruikte ik maar twee lijnen. Vervolgens schreef ik er een terts in en liet de kinderen aanwijzen welke toon ik zong of floot, waarbij ik ook veel toonherhalingen deed.

muziek 10 jpg.

Zo voorbereid mocht een muzikaal kind dat zeker was van zijn zaak ; het eerste notenschrift van zijn leven opschrijven; ik hield iedere toon zo lang aan tot de noot was getekend en ik onderbrak af en toe met een ‘ademstreep’.

voorbeeld van een eerste notenschrift:muziek 11 jpg.We zingen en fluiten het op alle mogelijke toonhoogten; een paar herhalen het en dan komt het grote ogenblik. De kinderen trekken twee lijnen met een vingerbrede afstand in hun schriftje en noteren de eerste toon die ik aangeef. Daarna herhaal ik de toon en vraag van de kinderen: ‘Schrijf eens op wat je verder hoort.’ Nu geef ik het net geoefende dictee dat ik heb uitgeveegd en kan er zeker van zijn dat iedereen  het goed opschrijft. Daarvan hangt namelijk heel veel af: dat ieder kind blij is: ‘Ja, ik kan het. Het is niet moeilijk!’

Wanneer de leerkracht zo, met de kleinste stapjes opbouwend en iedere oefening op het bord voorbereidend de toonruimte uitbreidt en eerst nog afziet van intervallen, zullen de kinderen verlangend vragen: ‘Wanneer gaan we weer een notendictee schrijven?’

Lange tijd laat ik de kinderen zelf nog de lijnen trekken, steeds meer de tussenruimten verkleinend, alvorens ik dan een voorgedrukt notenschriftje uitdeel. Dan, of al eerder, komt er een lesuur waarin we de noten met a, b, c gaan benoemen, zoals de Grieken al deden, tot wij bij de C-groot toonladder aankomen. Nu wordt ook de sleutel belangrijk, waarmee we de lijn van de G aangeven; die laat ik ook ontstaan uit de letter G:

muziek 12 jpg.Nu moeten we ook in de gaten krijgen dat deze ladder ook sporten heeft op verschillende hoogte en wel als hele of als half verhoogde. Onze hand komt ons weer te hulp: de 3e en 4e vinger hebben hebben met elkaar te maken:

muziek 13 jpg.tussen de 3e en 4e vinger zit een halve toon

muziek 14 jpg.tussen de 2 en 3e vinger zit een halve toon.

Wanneer we de handpalm naar buiten keren, ligt de halve toon tussen de 3 en 4e trap (in majeur); omgekeerd verschijnt mineur.

Hiermee geef je eigenlijk ook een bepaalde kant van de majeur-mineur-polariteit weer – het geopend naar de wereld zijnd in het majeur (dur) en naar het intieme, verinnerlijkte gerichte van het mineur (mol) – wat pas veel later aan de orde komt.

Nu nog een paar ideeën om de toonruimte groter te maken.

Als we de toon tussen de (grote of kleine) terts invoegen, kunnen we melodieën dicteren waarmee de kinderen de sprong van de terts en van de secunde leren onderscheiden: bv. ‘Ooievaar-lepelaar’

muziek 15 jpg.

Of we gaan meteen naar de drieklank binnen 3 lijnen; eerst moet goed onderscheiden worden tussen de grondtoon , kwint en terts; later vullen we de tussenruimte in:

muziek 16 jpg.

Steeds moeten er kleine melodietjes ontstaan die graag worden gespeeld; het ritme wordt schriftelijk nog niet vastgelegd.

Intervalsprongen horen vergt een goed toongeheugen; je kan ze met dit soort melodieën oefenen:

muziek 17 jpg.Ook hier moeten de sprongen eerst met de handen omhoog/omlaag getoond worden; dan kan een kind ze op het bord waarop de 5 toten staan, aanwijzen, dan een kind de toonvolgorde laten opschrijven en dan pas in het schriftje.

muziek 18 jpg.Het blijft belangrijk iedere nieuwe moeilijkheid goed voor te bereiden, zodat er geen fouten gemaakt worden. Daardoor ontstaat er discipline in de klas en plezier om te leren.

Tot het invoeren van het notenschrift half klas 3 zingt en speelt de leerkracht zonder notenvoorbeelden. De kinderen bootsen nog graag na; hij werkt met ‘oog en oor’ en geeft les van ‘ziel tot ziel’, zonder een abstract medium (liedjesboek, muziekblad) daartussen te plaatsen.

Het is misschien wel nodig en een grote hulp voor de ouders die met hun kinderen thuis willen fluiten en vaak zelf voor het eerst de fluit gaan hanteren, wanneer de leerkracht de muziek wel aan de ouders geeft – voor eigen gebruik.

Verder kan het nog een probleem zijn dat sommige kinderen met een grote aanleg het notenschrift zelf geleerd hebben of kinderen die al muziekles buiten school om krijgen waarbij de muziekdocent niet zonder noten lesgeeft. die mogen zich in de les niet vervelen en er is wel extra creativiteit van de leerkracht nodig om deze kinderen ook tegemoet te komen. Geenszins negeren: er kan een nieuwe Mozart onder de leerlingen zitten!

Hoe de eerste fluit ontstond
Hier volgt nog een verhaal dat je de kinderen kan vertellen voor ze voor het eerst de fluit gaan hanteren.
In ver terug gelegen tijden woonde er in een warm land een oude herder. Iedere morgen dreef hij zijn kudde naar buiten, naar de sappige weiden in het brede rivierdal en ging in de schaduw van een grote boom zitten, wanneer het ’s middags warm werd en keek dan naar de vredige dieren. Hij was niet ongelukkig met zijn leven, maar toch voelde hij zich heel eenzaam. – Op een dag moet hij in de schaduw in slaap zijn gevallen. In zijn droom hoorde hij een stem die vroeg: ‘Oude herder, waarom ben je bedroefd?’ ‘Omdat ik altijd alleen ben.’ – Je kunt de eenzaamheid door mooie fluittonen verzachten, zoals de vogels die ’s morgens voor dat de zon opgaat al zingen.’ ‘Wat is dat, een fluit?’ En nu legde zijn engel hem uit, want het moest wel een engelenstem zijn geweest, hoe hij uit het hoge riet aan de oever een fluit zou kunnen snijden; hij moest bovenaan wel heel voorzichtig een blaasgat maken en nog een opening , ‘heel precies omdat daar de schoonheid van de klank vanaf hangt.’
Toen de herder wakker werd, wreef hij de slaap uit zijn ogen. De woorden van de droom klonken in hem nog na en hij keek om zich heen langs de rivier. Ja, daar stonden de hoge bamboepluimen, veel groter en dikker dan het riet dat bij ons groeit. Meteen haalde hij er een en ging aan het werk, en ’s avonds klonk zijn eerste zuivere toon uit de nieuwe bamboefluit. Hij was zo gelukkig dat hij hem iedere keer opnieuw liet horen. De volgende dag speelde hij bijna onafgebroken; de schapen vonden het ook mooi: ze waren nog nooit zo gelukkig geweest. Na drie dagen, toen hij weer eens in slaap was gevallen, hoorde hij de stem opnieuw: Wat is je fluit mooi! Wanneer je onderaan een klein gaatje maakt, kun je 2 toten spelen.” Dat was een feest. Na een paar dagen zaten er al vijf gaatjes in en die liedjes die hij maakte, werden steeds kleurrijker, dan eens vrolijk, dan weer ingetogen, maar altijd zo mooi, dat hij zich niet meer eenzaam voelde.

Op een dag kwamen er kinderen uit het dorp die zijn liederen, door de wind meegedragen, hadden gehoord en ze gingen in een kring in de schaduw zitten en luisterden. Vinden jullie het mooi?, vroeg de oude en hij was blij dat er kleine luisteraars waren. De kinderen straalden en een kleine jongen zei: ‘Maakt u voor mij ook zo’n fluit; ik zou ook wel graag willen leren spelen. De oude man dacht een beetje na en zei toen: ‘Om fluit te spelen, moet je twee dingen kunnen, die kinderen dikwijls niet kunnen’. ‘Wat dan?’- ‘Je moet aandachtig kijken en luisteren. Wanneer je dat kan, wil ik het met jullie proberen.’ De kleine jongen verzekerde hem dat hij zijn uiterste best zou doen en hij bedelde zo lief  dat der herder hem beloofde een fluit te maken. De kleine jongen verzekerde hem, dat hij zijn uiterste best zou doen en de herder beloofde hem een fluit voor hem te snijden. Toen die klaar was, kwam het kind helemaal alleen naar hem toe en ging voor hem zitten. ‘Kijk en luister!’, zie de oude herder, zette de fluit aan zijn mond en liet een eenvoudige melodie met 2 klanken horen, Daarna gaf hij de nieuwe fluit aan het kind en hij zei hem hoe moeilijk het was een blaasopening en een klankspleet te snijden. ‘Wanneer je daaraan iets kapot maakt, is de hele fluit stuk! Nooit mag je daar met je vingernagels aan peuteren, begrijp je? En nu, voor we beginnen, slik je speeksel in, want anders zit het blaasgat meteen vol. Zet de fluit dan vooraan tussen je lippen voor die weer droog zijn.
Na deze aanwijzingen begon de herder een paar tonen voor te spelen en de jongen speelde ze foutloos na. Dat was leuk! Iedere dag kwam de jongen naar de wei en terwijl de schapen zo goed vraten als nooit te voren, vonden de oude man en het jonge kind de ene mooie melodie na de andere. De herder heeft later voor de dorpskinderen nog menig fluit gesneden en sinds deze tijd heeft hij zich nooit meer eenzaam gevoeld.

(*Martin Keller, Erziehungskunst jrg.55-10-1991)

Zoals Keller al schreef: het kan ook op een andere manier. Zie bv. hoe Elisabeth Lebret het aanpakte

mens en muziek
blokfluit spelen

opspattend grind  [ 7 ]   [ 10 ]   [24]

734

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Opspattend grind (11)

.

MR. KANAMORI

Columniste Suzanne Groeneveld schreef in het ED van 15 september 2012 in haar rubriek ‘THUIS’ een stukje met de titel ‘SCHOOLMEESTER’.

Zij gaf een interview weer dat zij had met een leerkracht van de school van één van haar kinderen. (geen vrijeschool)

Er was haar één uitspraak van de schoolmeester bijgebleven:
‘Ieder kind heeft een sleutel en het is de taak van de leraar om die sleutel te vinden en het kind te openen.’

Zij moest aan dit interview denken toen zij later naar een andere schoolmeester luisterde: Mr. Kanamori uit Japan.

Ze schreef:
“Wat mr. Kanamori zo spe­ciaal maakt? Hij vindt het belangrijk om zijn kinde­ren kennis bij te brengen, maar nóg belangrijker dat ze gelukkig zijn. Dat ze ‘glanzen’. Daarom laat hij ze praten en schrijven over emoties. Pesten wordt met­een de kop ingedrukt. Mr. Kanamori leert zijn kinderen om de zintuigen te gebruiken, hij laat ze zien, horen, rui­ken, proeven, aanraken. Daarom neemt hij ze mee naar buiten als er een regen­boog aan het firmament hangt, als het sneeuwt in de winter of als het regent in de zomer, want wat is er lekkerder dan springen, rollen en dansen in de modder? De tassen met extra kleren heeft ieder kind naast zijn tafeltje staan. Mr. Kanamori is een inspirerend voor­beeld voor veel docenten en docenten in de dop. Een paar van zijn uitspraken: ‘Als een kind niet gelukkig is, is nie­mand het’, ‘Vergeet nooit het kind dat je zelf was’ en ‘Laat kinderen toe in je hart, er kan altijd nog iemand bij’. ‘Zo zou in Nederland ook les gegeven moeten worden’, las ik op Twitter. Jaze­ker, zo zou in Nederland ook les gege­ven moeten worden. Waarom dat niet gebeurt? Omdat bij ons te veel tijd verlo­ren gaat in vergaderen, rapporteren, om­dat door bezuinigingen steeds minder kan, omdat klassen te groot zijn en het aantal extra-aandachtskinderen groeit. Aan de mensen in het onderwijs ligt het niet. Onder hen zijn heel veel Kanamori’s te vinden, dat weet ik zeker. Oudere docenten, die al lang meedraaien, maar ook net afgestudeerden, die staan te po­pelen om aan de slag te kunnen. Maar die moeten wel aangemoedigd worden én kansen krijgen. Alleen als een bodem vruchtbaar is, gaan plantjes groeien. En alleen dan kunnen al die leraren doen wat de meester uit mijn laatste school­krantinterview veertig jaar met succes deed: de sleutel vinden om elk kind te openen.”

Rudolf Steiner:
‘Een heilig raadsel wordt de wordende mens daardoor, een heilig raadsel dat we ieder uur willen oplossen. Wanneer we op deze manier met onze pedagogische kunst ons in dienst stellen van de mensheid, dan dienen we dit leven, uit grote interesse voor dit leven.’
GA 297 /180

Meer over ‘het kind als raadsel’

Opspattend grind: alle artikelen

733

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – 2e klas – vertelstof – legenden (3-5)

 

DE HEILIGE BLASIUS EN ZIJN DIEREN.

Dit is de geschiedenis van een Heilige, die de dieren liefhad en daarom ook door de dieren was bemind.

Sint-Blasius was de zoon van welvarende ouders uit Sebastopol, een stad in Armenië, op de grens van Turkije, en leefde in de tijd, toen de heidenen het meest in aanzien waren. Maar hij was niet ge­lijk aan de andere  jongens, zijn speelmakkers, want hij was een christen die meevoelde met elk levend schepsel. En het was zijn grootste geluk, wanneer hij de schepselen, die hij liefhad, kon helpen, mannen zowel als vrouwen en kinderen en dieren en allen, die leed hadden of ziek waren.
Daarom ging hij in de medicijnen studeren en groeide hij
lang­zamerhand op tot een wijs man, met een ruim en teer hart.  Iedereen had hem lief, want hij deed veel goed onder het volk in zijn dorp: hij verpleegde hun kinderen en genas hun vee en hun huisdieren. Ook de wilde dieren vergat hij niet.
Sint-Blasius hield ervan te zwerven door de bossen en over de velden, waar hij de ongetemde dieren kon bestuderen en hun leren zijn vrienden te worden. Zo kregen de vogels en de viervoetige dieren en de vissen hem alle lief, omdat hij niet alleen hun nooit enig leed deed, maar ook vriendelijk tot hen sprak en hen genas, wanneer zij ziek of gewond waren. In zijn tegenwoordigheid werden de schuwe dieren vrijmoedig, en werden de wilde tam en vriendelijk, alleen door het geluid van zij­n stem. De vogeltjes brachten hem voedsel en de viervoetige die­ren werden zijn dienaren en boodschappers.
De legende zegt, dat zij hem in de woning in het bos, een grot in de berg Argus bij Sebastopol, opzochten. Iedere morgen kwamen zij zien hoe hun meester het maakte, lieten zich zegenen door hem en likten hem de handen uit dankbaarheid. Wanneer zij de Heilige in zijn gebeden verdiept vonden,  stoorden zij hem niet, maar wachtten eerbiedig en geduldig voor zijn hol, tot hij uit zijn knielende houding oprees.
Op zekere dag kwam er een arme vrouw in wanhoop bij hem, omdat een wolf haar biggetje bad weggehaald. Sint-Blasius was zeer bedroefd toen hij hoorde, dat een van zijn vrienden zich aan z’n boze daad had schuldig gemaakt en hij verzocht de vrouw naar huis terug te gaan en beloofde haar, te zullen zien wat hij voor haar zou kun­nen doen. Toen riep hij de wolf tot zich, en schudde ernstig het hoofd, toen de schuldige voor hem stond.
“Jij boze wolf”, zei hij, “wist jij dan niet dat ook dat biggetje een vriend van mij was? Hij is niet mooi, maar hij is aardig en daarbij het enige biggetje van een arme, eenzame vrouw. Hoe kon je zo zelfzuchtig wezen? Ga dadelijk naar huis, breng mijn vriend, het biggetje, terug naar de woning van deze vrouw.”
Toen ging de wolf beschaamd heen, en deed wat de goede Heilige hem bevolen had. En toen de arme vrouw haar biggetje knorrend haar
tuin­tje zag binnenlopen, voortgedreven door de berouwvolle wolf, sloeg zij haar armen om zijn hals en schreide tranen van vreugde. En de wolf keerde terug naar Sint-Blasius, die hem prees, en zei, dat hij een goede wolf was, en hem een schotel verse melk gaf.
Sint-Blasius werd door de christenen, die hem om zijn barmhartig­heid en zijn weldadigheid liefhadden, tot hun bisschop benoemd. En alle dieren uit het woud verheugden zich over deze eer, hun goe­de meester aangedaan.
Maar de arme dieren wisten niet, hoe gevaar­lijk het in die dagen was een christen te zijn en inzonderheid om een bisschop te wezen, die veel invloed had op het volk. Want de heidenen waren jaloers op hem en vreesden, dat hij het volk zou bekeren tot het christendom, wanneer het zijn wonderbaarlijke ge­nezingen zag. Zij konden hem echter nergens vinden, want hij leef­de verborgen in zijn grot  in het woud.

Dit geschiedde alles 516  jaren na de geboorte van Christus, tijdens de regering van den wrede keizer Licinius, die vele christenen ter dood heeft laten brengen. En Agricola, die de gouverneur van de stad Sebastopol was, aangesteld door Licinius, zond zijn solda­ten in de bergen, om wilde dieren te vangen voor de spelen in de arena, waar de christenen zouden worden gedood. Maar zij vonden tot hun grote verwondering geen enkel wild dier in de bergen, noch in de velden, noch in de dalen, noch in het woud, tot zij toevallig  aan de grot kwamen waar Blasius woonde.
En daar nu vonden zij alle dieren, al de wilde dieren, waarvoor zij zo bevreesd waren, leeuwen, tijgers, luipaarden, beren en wolven, die hun morgengroet aan de Heiligen man brachten.
En midden tussen hen lag Sint-Blasius zo ernstig verdiept in zijn gebeden, dat hij de soldaten, die met hun netten en speren gekomen waren om dieren te vangen, niet eens opmerkte. Hoewel de dieren zeer bang waren, bewogen zij zich niet en gaven zij geen enkel geluid, om hun meester niet te storen. Zij hielden zich doodstil, terwijl zij met hun gro­te, gele ogen de soldaten aanstaarden. Maar deze waren zo verbaasd door die aanblik, dat zij stil wegslopen zonder een enkel dier te vangen, noch een woord te zeggen tot de Heilige Blasius. Zij meen­den stellig,  dat hij Orpheus zelf of de een of andere heidense godheid moest wezen, die de wilde dieren betoverd had. En zij gingen terug naar de gouverneur en vertelden hem, wat zij gezien hadden.

“Ha, dan moet hij een christen wezen,” antwoordde Agricola, “want de christenen en de dieren zijn zeer grote vrienden. Breng hem mij aanstonds hier.”

Ditmaal trokken de soldaten in de namiddag erop uit, het uur waar­op de dieren hun avondeten gebruikten. En zo vonden zij Sint-Bla­sius geheel alleen, opnieuw verdiept in zijn gebeden. En zij be­valen hem, met hen mee te gaan. In plaats echter van bevreesd te zijn, antwoordde hij blijmoedig: “Ik ben gereed; ik heb u reeds lang verwacht.” Want hij was een heilig man, bereid te sterven voor zijn geloof, en heiligen weten dikwijls reeds lang vooruit, wat er met hen gebeuren zal.

En het geschiedde op weg naar de gevangenis, dat de heilige Blasius zijn laatsten zieke genas – een kindje, door de moeder aan zijn voeten neergelegd, terwijl zij hem smeekte het te helpen. De klei­ne had een botje ingeslikt en zou gestorven zijn. Maar Sint-Bla­sius raakte even de keel van de kleine aan, en meteen was het genezen. Daarom riepen in latere tijden mensen met een zieke keel in hun gebeden altijd de heilige Blasius aan, om hen te ge­nezen.

De goede bisschop werd in de gevangenis gezet, op allerlei manieren gepijnigd, om hem te dwingen zijn christelijk geloof op te geven. Maar Sint-Blasius weigerde standvastig een heiden te worden en aan heidense goden te offeren. En dus werd er besloten, dat hij ster­ven zou. Zij zouden hem wel in de arena gebracht hebben met de wil­de dieren, doch men wist dat deze trouwe makkers hun vriend nimmer enig leed zouden doen. De dieren zouden hem wel is waar niet heb­ben kunnen redden uit de handen van deze mensen, maar zij zouden hem toch ook geen kwaad gedaan hebben. En de dieren die nog in het woud achtergebleven waren, huilden en jammerden voor de verlaten grot en snuffelend zochten zij hem overal, als verdwaalde honden, die hun meester verloren hadden. En het was een zéér droeve dag voor de dieren uit het woud, toen Sint-Blasius voor altijd van hen was weggenomen.

De soldaten ontvingen bevel de heilige Blasius in het naburige meer te verdrinken. Maar toen zij hem uit de boot wierpen, maakte hij het teken van het kruis en terstond hief het water hem op, zo­dat hij daarop wandelde als op vasten grond,  juist zoals Jezus eens deed over het meer van Galilea.Toen nu de soldaten dit evenzo wilden doen,  denkend hem te halen en opnieuw gevangen te nemen, zonken zij allen in de diepte. Toen wandelde Sint-Blasius geheel uit vrije wil naar de kust, omstraald door een goddelijk licht, zodat het een heerlijk wonder was hem te zien, want hij was ge­reed en verlangend te sterven. Willig liet hij zich door de heide­nen grijpen en niet lang daarna werd hij onthoofd.

In overoude tijden was het in Engeland gewoonte op de derde februari grote vreugdevuren te zijner ere op de heuvels aan te steken. En bij het zien van deze vreugdevuren kwamen alle dieren uit hun holen en spelonken  en nesten, ter nagedachtenis aan de goede Heilige,  die zo goed geweest was voor hun voorouders, de dieren uit de bossen van Armenië.

Uit: ‘Een boek van heiligen en hun dieren

2e klas vertelstof: alle artikelen 

732