Maandelijks archief: december 2013

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (21)

.

KERST EN KERSTSPELEN

Met een forse ruk gaat de blinkende ster aan de Jacobsladder omhoog. De spelers, waaronder vooral de ruige herders in groen, rood en blauw opvallen, groeten vrolijk de houtjes, die de ster overeind houden. De kundige sterrezanger zwaait met de hoed en er wordt gegroet: zon, maan en sterren, de Drieëenheid, de planten, de gehele natuur. Maar ook worden de geestelijke en wereldlijke autoriteiten gegroet. Dit alles geschiedt met veel eerbied, vrolijke eerbied, waarvan alleen middeleeuwse spelen het geheim schijnen te bezitten. Men moet het beleefd hebben om erover te kunnen spreken. Of men meespeelt of toehoorder is … er kan een gevoel ontstaan, dat er een werkelijk kerstgebeuren op handen is.

De middeleeuwen hadden een sterke gemoedscultuur, die in zijn naïviteit en primitiviteit, zuiverheid en oorspronkelijkheid, een sterke en gezondmakende werking op de menselijke ziel had. Onze tijd heeft een verstandscultuur, die juist zwak is in die middeleeuwse gemoedskwali­teiten.
Zo kan men middeleeuwse kerstspelen leren zien als een pedago­gisch medicijn voor onze kinderen. Maar ook de volwassene kan veel aan deze spelen hebben.
Vaak tonen nieuwe ouders hun verbazing, dat steeds dezelfde spelen worden opgevoerd. Is het niet nodig, dat er steeds iets nieuws wordt gebracht?
Een grote misvatting.
Even dwaas als de opvatting, dat iets ouds altijd iets goeds zou zijn, is de mening, dat iets nieuws altijd waarde zou hebben.
Op het stenen paard van de verstarde traditie kan men niet rijden, hoogstens zitten.
Maar op de wilde hengst van de ongedurigheid kan men noch rijden noch zitten.

Wie het ritme van de jaarfeesten en de jaargetijden innerlijk tracht te volgen, kan bemerken, dat hetzelfde steeds nieuwe inhoud kan krij­gen. Daaraan moet bewust gewerkt worden.
Zo is het met de jaarlijks opgevoerde Kerstspelen ook.

Deze tijd van het jaar heeft een heel bijzondere sfeer. Alles wordt donkerder, kouder en kaler. Donker en lang worden de nachten. Vaal en kort de dagen. Koud en doods is de aarde in onze hemelstreek. De bloeiende plantenwereld is verdwenen, kaal staan de bomen, de dierenwereld is grotendeels verborgen. Maar de terugkeer van licht en warmte wordt voorbereid. De nieuwe knoppen zitten al aan boom en heester.
Op 21 december is het de kortste dag, ook winterzonnewende of solstitium genoemd. Geleidelijk wint de zon aan kracht. Zegevierend keert hij terug.
Lange tijd voor de opkomst van het christendom vier­den de noordelijk cultuurvolken omstreeks 21 december het feest van de terugkerende, onoverwinnelijke zon.

Het christendom behoefde slechts aan te knopen aan de plaatselijke ‘heidense’ traditie, zegt men wel. Slimme geestelijken zouden gebruik hebben gemaakt van de traditionele heidense feesten om de christelijke feesten er bij de bevolking ‘in te krijgen.
Deze nog veel verbreide opvatting vindt geen steun in de cultuurhistorie en behoort in de rommelkamer der utilistische fabelen te worden opgeborgen.
Van Perzië tot IJsland wist men reeds duizenden jaren in de mysteriën, dat er een kind zou worden geboren als heiland en verlosser voor de mensheid. Bovendien wist men, dat de vereerde, onoverwinnelijke zon de mantel van dit goddelijk wezen – later met een Grieks woord ‘Chris­tus’ genoemd – vormde.
Rudolf Steiner bevestigt dat.
Een traditioneel adventslied zegt in een van zijn couplettent “De Zonne, voor wier stralen het nachtlijk duister zwicht … is Christus,’t eeuwig Licht”.
De dichter heeft deze woorden zonder twijfel symbolisch bedoeld. Maar dit symbool duidt op een werkelijk­heid, die grootser is dan hij waarschijnlijk zelf ooit gedacht heeft.

Hoe vierde men het kerstfeest in de eerste eeuwen van het christendom? Nu, men vierde Kerstmis in het geheel niet. Veel belangrijker vond men in die tijd de “Doop in de Jordaan”, waardoor de Christus zich als hoogste Geestwezen verbond met het lichaam van Jezus van Nazareth. Dit is de geboorte, waarmede het Markus- en Johannesevangelie beginnen. Volgens de overlevering vond deze plaats op 6 januari. Het feest werd Epiphanie (=goddelijke verschijning) genoemd. Om allerlei redenen werd in het begin van de middeleeuwen door de Kerk de geboorte van het Jezuskind in het middelpunt van de belang­stelling geplaatst. In theologisch opzicht betekende dat een voor­keur voor het Mattheüs- en Lucasevangelie, welke immers beginnen met de geboorte van een heilig kind.

Dit alles geschiedde niet zonder wijsheid. Want de dag voor de 25ste december was vanouds gewijd aan Adam en Eva. Was het Jezuskind niet de ‘nieuwe Adam’, gekomen om de zonde van de oude Adam goed te maken? Zo werden de lotgevallen van het oudste mensenpaar verbonden met de geboorte van Jezus.

Onze Kerstspelen bestaan dan ook uit een “paradijsspel”, een “Geboortespel” en een “Drie Koningenspel”.

Zoals gezegd wortelen zij in de middeleeuwen, een tijd van felle kleur, helder licht en duistere dramatiek. De felste hartstocht en meest brute wreedheid kwamen voor naast de diepste innigheid, trouw en geloof in God en mensheid. De goddelijke geestwereld was dichtbij en men keek meer naar het toekomstige hemelse dan naar het aardse leven. In onze tijd is het omgekeerde het geval. Vandaar dat voort­brengselen van Middeleeuwse cultuur in onze tijd een opwekkende en genezende uitwerking kunnen hebben.

Kerstspelen als element van kerstviering hebben zelf een lange ontwikkeling achter de rug.
In de vroege middeleeuwen bestond de kerstviering uit een nachtmis in het Latijn. Niemand bijna verstond de teksten. Gelukkig kwamen er in de kerken steeds meer gekleurde glazen en schilderijen, waarop, als in een beeldroman, de heilige kerstge­beurtenissen zichtbaar werden.

Maar de gelovigen verlangden het kerstgebeuren in steeds concreter gestalte voor zich te zien, ja er in te participeren. Aan dit verlangen werd tegemoet gekomen: zg.  “kerststallen” van hout, klei of metaal ontstonden. Ook kerststallen met levensgrote poppen. De kerkgangers mochten het kindje in de kribbe helpen wiegen. Het ging er vaak vrolijk toe ‘men juichte het kindje en moeder Maria uit­bundig toe en bespotte de ietwat sullige Jozef.’

Nog later begonnen geestelijken het kerstevangelie als een soort toneelspel in de kerk uit te beelden. Gezongen bijbelteksten werden als basis voor het spel gebruikt. Gesproken teksten zijn van nog jonger datum.
Zo ontstonden in West-Europa vele religieuze spelen, ook wel mysterie­spelen genoemd.

Tenslotte kwamen deze spelen”buiten de kerk”, waar zij door zich ernstig oefenende “leken”  (= niet-geestelijken) werden opgevoerd.

Het toneelspel als Kunst heeft zich in de late middeleeuwen losge­maakt uit de schoot der kerk, zoals alle kunsten, en is een steeds wereldlijker weg gaan bewandelen.

Tijdens de Renaissance vond een beïnvloeding plaats door de oervorm van toneeldrama, de Griekse tragedie, eveneens oorspronkelijk een religieuze aangelegenheid.

Onze Kerstspelen zijn in vrijwel gave toestand ontdekt in het dorpje Oberufer, waar Duitse emigranten al sinds de middeleeuwen zich hadden gevestigd. Oberufer ligt op een eiland in de Donau bij de stad Pressburg (Bratislava). Geïsoleerd in een Hongaars gebied bewaarden de boeren van Oberufer hun spelen als een kostbare schat. Zij werden in één boerengeslacht van vader op zoon opgeleverd. Na de oogsttijd zocht de leermeester-boer een stel geschikte jongens uit – vrouwen mochten niet meespelen – en studeerde de spelen met hen in. De regels voor de spelers waren zeer streng (bv. boetes voor elke fout in de tekst). Het was dan ook een heilige aangelegenheid. De boeren speelden deze Kerstspelen in Oberufer en omgeving vanaf de eerste adventzondag tot en met Driekoningen op iedere zon- en feestdag.

Professor C.J. Schroer ontdekte de spelen en gaf ze uit. Als taal­geleerde besefte hij de waarde in hoge mate. Het enthousiasme van Schröer werd overgedragen op zijn student, Rudolf Steiner. Laatstgenoemde stelde aan het lerarencollege van de Waldorfschool in Stuttgart voor om deze spelen door de leraren als kerst­geschenk voor de leerlingen te laten opvoeren. Dat gebeurde. Het is een opwekkende gedachte, dat deze waardevolle spelen thans in meer dan honderdveertig* Vrije Scholen en heilpedagogische in­stituten in de gehele wereld, van Canada tot Nieuw Zeeland worden opgevoerd in de komende dagen.

In de Kerstspelen uit Oberufer vindt men alle elementen uit de lekespelen terug die in het voorafgaande genoemd zijn. De drieledigheid van de Griekse tragedie, het koorzingen, het kindje-wiegen en de in de tekst verwerkte bijbelwoorden.
Op de inhoud van de spelen zelf hoop ik in een volgend artikel nader in te gaan.

Mogen deze Kerstspelen niet alleen bij de kinderen, maar vooral ook bij de ouders en de belangstellenden die waardering vinden die zij ten volle waard zijn.

(P.C.Veltman, vrijeschool Leiden, nadere gegevens onbekend)
*2017 zijn dat er ca 1100

.

Kerstmisalle artikelen

jaarfeestenalle artikelen

kerstspelenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld:  advent    jaartafel       Kerstmis    jaartafel

.

394-372

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (20)

.

Mineralen ~, planten -, dierenrijk       

GESTOLDE FASEN IN DE EVOLUTIE

Steen, plant en dier, ze beho­ren tot onze directe omgeving. Tot ieder van de drie hebben we echter een andere ver­houding.
Hoe kunnen we ze zien in ‘de draad’ van de mense­lijke evolutie? Een beschouwing naar aan­leiding van de aanwezigheid van deze drie natuurrijken in de kerststal.

Wanneer tegen Kerstmis allerwegen onder kerstbomen kerststalletjes worden opgesteld, met het Jezuskind in het kribje en Jozef en Maria aan weerszijden, ziet men bijna altijd ook os en ezel.

Lange tijd geleden zag ik veel kerststallen in Bohemen, met veel meer dieren erom heen. Men kreeg de indruk dat het de bedoeling was het hele dierenrijk te vertegenwoordigen. Er waren ook rijkelijk veel planten te zien, terwijl stenen ook nooit ontbraken. Aanvan­kelijk heb ik daar niet bij stil gestaan, doch langzamerhand is het tot mij door gaan drin­gen dat dit op een traditie berust, waarin een vroegere wijsheid zich nog uitspreekt, die wij langzamerhand uit het oog dreigen te verlie­zen. Het Kerstkind wordt geboren en dieren, planten en stenen – de rijken der natuur -staan ‘peet’. Waarom?

Ik meen, dat slechts de onthullingen van Rudolf Steiner hier licht kunnen brengen.
De drie natuurrijken, stenen, planten en dieren, die vóór het verschijnen van de mens op aar­de ontstaan zijn worden gewoonlijk be­schouwd als deel van zijn evolutie, dat wil zeggen dat de mens tenslotte uit het dieren­rijk voortgekomen is. Dit laatste moet men dan weer uit het plantenrijk ontstaan denken en dit ten slotte weer uit het minerale rijk. Het is hier niet de plaats om deze gedachtegang ter discussie te stellen. Hoogstens kun­nen wij zeggen dat 200* jaar intensief weten­schappelijk denken voor het raadsel van de verhouding van de mens tot deze drie rijken, geen bevredigende oplossing heeft gevonden.

Belicht vanuit de antroposofie is de mens nooit een dier, nooit een plant en nooit een mineraal geweest, doch hij heeft het dierenstadium, plantenstadium en minerale stadium doorlopen.
Hier mag niet verzwegen worden dat een moderne onderzoeker, Erich Blechschmidt, onafhankelijk van deze gegevens, tot het inzicht gekomen is dat de mens nooit een dier, doch altijd een mens geweest is. Rudolf Steiner spreekt erover, dat de mens in een eerste stadium, dat het minerale ge­noemd kan worden, slechts een fysiek lichaam geschonken kreeg, dat uit een ‘warmte-vorm’ bestond.
In een volgende fase werd de mens het leven geschonken, terwijl zijn sub­stantie zich ten dele tot ‘lucht’ verdichtte.
In de derde fase werd de mens de ziel geschon­ken en de substantie verdichtte zich verder ten dele tot het ‘vloeistofachtige’.
In de vier­de fase tenslotte werd de mens zijn geest ge­schonken, terwijl de substantie zich ten dele nog verder verdichtte tot ‘aarde’, dat wat wij nu de minerale wereld noemen.
Wat hiernaast vermeld moet worden is, dat van elke fase een gedeelte zich afsplitst wat zich niet verder ontwikkeld heeft, zodat wij een rijk gekregen hebben dat alleen het ‘lichamelijke’ element bevat, een tweede rijk dat lichaam en leven vertoont en een derde rijk dat lichaam, leven en ziel bevat.
Het zal de lezer niet veel moeite kosten, te herken­nen dat wij hier met het mineralenrijk, plan­tenrijk en dierenrijk te doen hebben, waarbij men zich voor ogen moet houden, dat de ge­leidelijke verdichting, die van warmte naar lucht, naar water en naar aarde plaats heeft gevonden en heeft geleid tot het beeld van de rijken zoals zij nu zijn. Men kan begrijpen dat het minerale rijk dus het langste verleden heeft en de mens pas betrekkelijk aan het be­gin van zijn ontwikkeling staat.

Vreugde
Ik zou nu verder drie formules willen uitspre­ken, waarvan ik hoop dat men zal kunnen merken dat zij in een logisch verband met het voorafgaande gedacht kunnen worden en ook de rijken geleidelijk aan in een geheel nieuw licht doen zien.

Het dierenrijk is de belichaming van een over­maat aan begeerte, die voor de mens een be­lemmering geweest zou zijn zijn mensenfa­se te beginnen.
Het plantenrijk is de belicha­ming van een overmaat aan vitaliteit, die voor de mens een belemmering geweest zou zijn in zijn dierenfase te komen.
Het mine­ralenrijk is de belichaming van een verdichting, die de mens belemmerd zou hebben tot de plantenfase te komen. Wij kunnen nu ook zeggen: daardoor is de mens in staat te leven op het mineraal, van de plant, met de dieren, onder de mensen.
Wanneer dit over mineraal, plant, dier en mens gezegd is, moeten wij niet verzuimen te beseffen wat het zeggen wil, ons op de vaste grond te kunnen verheffen, wat een vreugde wij kunnen ondervinden door het ‘kunnen staan’.
De plant daarentegen is de bron van het menselijk leven. Wat een vreugde beleven wij niet aan het plantenrijk.
Op drievoudige wijze kennen wij de plantenzegen, die ik als volgt pleeg aan te geven:
wij hebben mooie planten om naar te kijken, dikke planten om van te eten en onvolledige planten – die nog, wat ‘te zeggen hebben’ – om mee te genezen.
Wat zijn dieren? Wezens die ons dienen, doch ook onze vrienden zijn. Er zijn weinig woorden voor nodig om ons eraan te herin­neren welk een vreugde wij aan dieren kun­nen beleven. Wanneer wij echter tevens den­ken aan de zo-even gegeven definitie, veran­dert dit gevoel vóór alles in een van dank­baarheid.

Wanneer tenslotte over het ‘onder de mensen’ leven ook als een bron van vreugde gespro­ken wordt, hoor ik in gedachten stemmen, die veel kritiek op hun medemens hebben en deze gedachte in twijfel zouden willen trek­ken. Laat men zich echter eens voorstellen wat het betekent, eenzaam te zijn, naast het samen-zijn met onze medemensen. Laten we niet vergeten hoe sterk de liefdeband met an­dere mensen zijn kan.

Verantwoordelijkheid
Men spreekt te veel over het slechte in de mens en vergeet daarbij het goede dat in alle mensen te vinden is, dat wij elk ogenblik van de dag meemaken. Doch wij moeten dan niet in de eerste plaats denken aan de regerings­leiders, de bekende staatslieden. Ik wil geen kwaad van hen zeggen, doch ik zou erop willen wijzen, dat het werkelijk goede ge­zocht moet worden in de kleine dingen, die zich voortdurend om ons heen afspelen, klei­ne attenties, kleine offers, een vriendelijke blik, een helpende hand. Waardoor kunnen wij dankbaar zijn? Door­dat in elk mens iets van dit goede leeft. Het is het zelfde mysterieuze iets in de mens, waardoor hij zijn vrijheid beleeft en zijn ver­antwoordelijkheid voelt, ook wanneer dit niet elk ogenblik aan den dag treedt. Het is er, in elk mens op de wereld. Vroeger was dat niet zo. Mag ik nog een keer in een enke­le formule uitdrukken hoe in vroegere tij­den de mensen met hun leiders, die destijds vaak koningen genoemd werden, leefden?
‘De volkeren hingen aan de koning, de ko­ningen hingen aan de hemel.’ Dit betekent, dat de mensheid tenslotte nog geheel afhan­kelijk was van richtlijnen, die direct vanuit de geestelijke wereld aangegeven werden. Niet alleen in mythologische verhalen, ook het hele Oude Testament getuigt van deze af­hankelijkheid van de mens. De mens was nog niet goed. ‘God was goed.’
Dit veranderde op dat ogenblik, dat datgene wat de mensheid eens van buitenaf geleid had, in de mens ging wonen: toen een godde­lijk wezen de mens volgde in datgene, wat altijd genoemd wordt ‘de zondeval’. Het is zelfs niet moeilijk om wat over het ontstaan van het dierenrijk gezegd is, ook hiermee in verband te brengen.

Offer
Door dit alles heen loopt ‘de draad’ van de menselijke evolutie. Het algemeen herkennen van deze evolutie in de natuur, een paar hon­derd jaar geleden, heeft een golf van enthousiasme in de wetenschappelijke wereld ver­oorzaakt. Wanneer we ons een ogenblik voor de geest halen dat mens-zijn onverbrekelijk verbonden is met ontwikkeling, met evolutie dan moeten we even terugdenken aan de rij­ken, die door hun achterblijven ons het mens-worden mogelijk gemaakt hebben.
Stenen, planten en dieren kunnen zich nooit ontwikkelen. Dit geldt zeker voor die wezens die de rijken geschapen hebben en ze in stand houden. Zij zijn daardoor buitengeslo­ten van de evolutie, doch men moet dit vóói alles zien als een grandioos offer.
Wat tot nu toe gezegd is, leeft in het gedicht van Christian Morgenstern

‘Die Fusswaschung’:

Ich danke dir, du stummer Stein,
und neige mich zu dir hernieder:
Ich schulde dir mein Pflanzensein.

Ich danke euch, ihr Grund und Flor,
und bücke mich zu euch hernieder:
Ihr halft zum Tiere mir empor.

Ich danke euch, Stein, Kraut und Tier,
und beuge mich zu euch hernieder:
Ihr halft mir alle drei zu Mir.

Wir danken dir, du Menschenkind,
und lassen fromm uns vor dir nieder:
weil dadurch, dass du bist, wir sind.

Es dankt aus aller Gottheit Ein-
und aller Gottheit Vielfalt wieder.
In Dank verschlingt sich alles Sein. *

Wat ‘mensenkind’ betekent, is hopelijk tus­sen de regels door uit het voorafgaande dui­delijk geworden. Het is datgene, wat met het woord ‘het goede’ aangeduid is. Dit alles heeft echter zijn gevolgen. De scheppende wezens die met de drie rijken verbonden zijn, kunnen weer opgenomen worden in de stroom der evolutie, wanneer zij daartoe bevrucht worden door hetgeen wat de mens tegenover de rijken doet, dat wil zeggen dat hij ze leert begrijpen, dat hij leert dankbaar te zijn en dat hij op de juiste manier met ze om leert gaan. Wat dit laatste betreft, wil ik hier liever niet in verwijten treden, die ons op de lippen kunnen komen wanneer wij er aan denken wat de mens dieren, planten en mineralen op het ogenblik aandoet. Laten wij terugkeren naar de eerste zinnen, toen gezegd werd dat de rijken ‘peet staan’ bij de geboorte van dat­gene, dat de bron kan worden van hun ‘be­vrijding’.

*Hoe dank ik U, Gij stille steen,
en neig ik nederig mij tot U:
aan U dank ik mijn planten-zijn.

Ik breng U dank, Gij plant en steen
en maak een buiging naar U heen:
het dieren-zijn viel mij ten deel.

Ik dank U, steen en plant en dier,
en buk mij diep voor U terneer:
door U pas kwam ik tot mij zelf.

Wij danken U, Gij mensenkind,
en knielen, liefdevol en vroom:
want door Uw komen zijn wij hier.

Zo dankt het een het ander steeds
en alles telkens weer elkander:
het zijn omvat slechts dankbaarheid.

(Leen Mees, Jonas 8/9, 14-12-1984)

.

Kerstalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldKerstmisjaartafel

.

393-371

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (19)

.

BONIFATIUS EN DE KERSTBOOM

Voordat Bonifatius in het jaar 755 bij Dokkum door Friese heidenen werd vermoord, had hij heel wat van hun mede-Ger­manen tot het christendom weten te bekeren. De heilige schuwde daarbij het spektakel niet. Zo hakte hij eens in de buurt van het Duitse Geismar een eeuwenoude, aan de don­dergod Thor gewijde eiken­boom om. De reusachtige eik vernielde nogal wat kleinere bomen en struiken bij het neerkomen, maar op miracu­leuze wijze bleef een klein den­nenboompje gespaard. De aanwezige Germanen wa­ren danig onder de indruk toen de missionaris niet ter plekke door de bliksem werd getroffen en bekeerden zich massaal. Bonifatius, die besefte dat twee wonderen altijd beter zijn dan een, wees zijn kersverse kudde op het dennenboompje dat te­midden van de omval­lende eik aangerichte puin­hoop nog fier overeind stond en verklaarde dat het hier ging om ‘de boom van het kindje Je­zus’ Aldus is het gebruik van de kcrstboom ontstaan.
Zo wil  althans de legende
Serieuze onderzoekers  twijfelen echter hier aan de waarheid van dit verhaal. Ze hechten al even weinig geloof aan de traditie die zegt dat het gebruik om de kerstboom met lichtjes te versieren teruggaat op Maarten Luther. De grote hervormer zou eens op een winternacht de sterren hebben zien schitteren tussen de takken van de naaldbomen. Dat zou een mooie manier zijn om de komst van het Licht te symboliseren dat met de geboore van de Heiland in de wereld was gekomen, bedacht hij. Luther zou vervolgens in zijn eigen huiskamer een met brandende kaarsen versierd sparretje hebben geplaatst.

Voor beide legenden be­staat geen enkel bewijs. Vast staat wel dat het plaatsen van kerstbomen in Duitsland is be­gonnen.
De eerste ver­melding van een kerstboom (nog zonder licht­jes) zou dateren uit 1521 in de Elzas (toen nog Duits). In de aantekeningen van een onbe­kende Straatsburger uit 1605 wordt melding gemaakt van ‘naaldbomen, die de mensen in hun woonkamers plaatsen en waaraan zij papieren bloemen, appels, koekjes, goudfolie en snoepgoed ophangen’.
Mogelijk is het gebruik de voortzetting van een oude Ger­maanse traditie, die wilde dat tijdens het winterse joelfeest naaldboompjes in huis werden gehaald. De altijd groene spar­ren en dennen symboliseerden de tijdelijke aard van de barre wintertijden. Als het inderdaad een oud Germaans gebruik be­treft, is echter niet duidelijk waarom er in de eeuwen tus­sen de kerstening van de Ger­manen, die rond het jaar 800 voltooid was, en de zestiende eeuw nergens melding van wordt gemaakt. Wellicht is het ontstaan van de kerstboomtraditie daarom eerder terug te voeren op de ‘mysteriespelen’ die vanaf de elfde eeuw in Eu­ropa werden opgevoerd. Dat waren een soort stichtelijke to­neeluitvoeringen waarin scè­nes uit de Bijbel werden nage­speeld ter lering en vermaak van het ongeletterde volk. Zeer in trek was het paradijsverhaal, waarin de geschiedenis van de zondeval werd verklaard met behulp van een ‘paradijsboom’ die prominent op de bühne werd geplaatst. De boom hing vol appels, waarvan ‘Eva’ er op het geëigende moment een plukte om met ‘Adam’ te de­len.

Omdat de mysteriespelen steeds meer gepaard gingen met losbandigheid (althans in de ogen van de kerkelijke ge­zagsdragers), werden zij aan het einde van de middeleeu­wen door de Kerk verboden. De gewone burgers zouden inmid­dels echter zozeer aan de
‘para­dijsboom’ gewend zijn geraakt, dat ze ze in hun eigen wonin­gen begonnen op te tuigen. Dat gebeurde op 24 december, de feestdag van Adam en Eva. Omdat op 25 december de ge­boorte van Jezus werd gevierd, werd de paradijsboom ook daarmee geassocieerd. Gelovige christenen herinnert de boom derhalve niet alleen aan de zondeval in het paradijs, maar ook aan het hout van het kruis waaraan Christus is gestorven. De kerstboom moet hoe dan ook een goed idee zijn geweest, want het gebruik heeft zich sinds de zestiende eeuw vanuit Duitsland over zowat de hele wereld verspreid.

(Martijn Hover, Brabants Dagblad, 17-12-2003)

.

Kerstalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldKerstmis     jaartafel
.

392-370

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (18)

.

GEDICHTEN

1)
Begin van Kerstnacht

De moeder Gods was nog niet
gekomen tot den stal,
de herders hielden nog rustig
hun nachtwacht in het dal.

Sint Joseph liep nog zoekend
de deuren af in ’t dorp,
de boeren bij den teerling
roerden nog worp om worp,

soldaten en afgereisden
zaten nog neer bij den wijn,
knechtjes en maagden schreden
nog over paden en plein,

de velden lagen nog ledig
de heuvelen stil daar omtrent,
Efrata was nog vergeten
Bethlehem niet bekend.

De Draak die rond ging op aarde
speurde zijn Winnaar nog niet,
het wijde gebied van de nacht had
nog geen lichtend verschiet,

ook brandde nog niet aan den hemel
Gods teken in de Ster,
nog stonden de blijde Engelen
fluisterende van ver,

het was de laatste avond
onder de oude bewind,
de eeuwen der eeuwen naderden
nu tot het uur van het Kind!

(bron onbekend)

2)
Ons ghenaket die avontstar

Ons ghenaket die avontstar,
Die ons verlichtet also claer,
Wel as haer doe.
Susa ninna susa noe,
Jesus minne sprac Marien toe.

Dat huus dat hadd so menich gat,
Daer Cristus in gheboren waa.
Wel was haer doe.
Susa ninna susa noe,
Jesus minne sprac Marien toe.

Si sette dat kint op haren schoot.
Si cussedet voor sijn mondekijn root,
Het was so soet.
Susa ninna susa noe,
Jesus minne sprac Marien toe.

Si sette dat kint op hare cnien.
Si sprac: groot eer moet u gheschien!
Wel was haer doe,
Susa ninna susa noe,
Jesus minne sprac Marien toe.

Si sette dat kint op haren aerm,
Mit groter vrouden sach sijt aan,
Het was so soet.
Susa ninna susa noe,
Jesus minne sprac Marien toe.

Die moeder makede den kinde een bat,
Hoe lieflic dattet daer
Wel was haer doe.
Susa ninna susa noe,
Jesus minne sprac Marien toe.

Dat kindekijn pleterde mitter hant,
Dattet water uten becken spranc.
Wel was haer doe,
Susa ninna susa noe,
Jesus minna sprac Marien toe.

Die os ende ooc dat eselkijn
Die aenbeden dat soete kindekijn.
Wel was haer doe.
Susa minna susa noe,
Jesus sprac Marien toe.

(Anonymi, 15e eeuw)

muziek

3

kerstfeest

De bloemen bloeiden in de warmte van de zomerzon.
De bijen dronken het edele vocht, dat de plant uit licht en warmte bereidde.
In het lichaampje van de bij werd de nectar tot was.
Onze kinderen trokken er kaarsen van.
Straks zal het vlammetje branden.
Ruikt u nog de bloemengeur?
Wat is zo’n kaars anders dan om­gewerkte zomerwarmte, zonnelicht en bloemenstof?

Is dit het licht, waarover wij spreken in de meest donkere tijd van het jaar?
Ontsteken wij dit licht vanuit een heimwee naar de zomerzon?
Of is er nog een diepere zin misschien?

Straks in het voorjaar zal de berk weer berkenblaadjes maken,
de appelboom haar bloesem en de rozenstruik haar rozen.
Uit welke sferen hebben zij hun vormen ontvangen?
Zingen wij niet met Kerst van de twaalf Heilige Nachten, waarin de hemel geopend is?
Zou het zaad ooit kunnen ontkie­men, de knoppen ontspruiten zon­der deze geopende hemel?

Wij zingen in deze tijd van Maria en haar heilige kind.
Wie voelt niet een zweem van vroomheid oplichten in onze nuch­tere en moderne ziel?
Dit zweempje vroomheid zou ster­ker kunnen worden,  zó sterk, dat wij – als Maria – onze engel zonden kunnen horen.

Maria met het kind, de engel, de ster – alleen maar ontroerende herinnering?
Of dieper werkelijkheid?
Een werkelijkheid in het leven van onze aarde en een werkelijk­heid in onze eigen ziel.

Hebben wij de ster ontmoet, die straalt boven de kribbe van ons eigen hart?
In het midden van de Twaalf Heilige Nachten wensen wij el­kaar een gezegend nieuwjaar.
Vóór ons ligt de toekomst.
Boven ons straalt de Christus­ster.

Mogen we ieder jaar iets meer meedragen van dit licht.

(Map Remmers, vrijeschool, nadere gegevens ontbreken)

4

KERSTLIEDJE

In  de donkere dagen van Kersttijd
is een kind van licht gekomen,
de maan stond helder over de dijk
en ijzel hing aan de bomen.

Onder de doeken in de krib
daar lag dat lief Jezuskindekijn
en spelearmde en van zijn hoofd
ging af een zuivere lichtschijn

Maria die was bleek en zwak
op de knieën neergezegen
en zag blij naar het kindeke;
en Jozef lachte verlegen.

En buiten in de bittere kou
en de stille Kerstnacht Iaat
de heilige driekoningen kwamen van ver
door de diepe sneeuw gewaad.

De heilige driekoningen hoesten en doen
en rood zijn beî hun oren,
een druppel hangt er aan hun neus
en hun baard is wit bevroren.

De heilige driekoningen in de stal
verwonderd zijn binnen getogen;
het licht, dat van het kind afging,
schijnt in hun grote ogen.

De heilige driekoningen staren het aan
en weten zich niet te bezinnen
en het kind ligt al te kijken maar
en tuurt in een denkbeginnen.

(J.H.Leopold)

.

Kerstalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldKerstmis     jaartafel

.

391-369

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

..

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (17-1)

.

MUIS BAARDE STILLE NACHT

Stille Nacht, inmiddels uitgebracht in 300 vertalingen en gezongen door miljoenen, zou volkomen overdrachtelijk gebaard zijn door een muis.
Dat zit zo.
In de donkere nacht van 23 december 1818 deed een muis zich in het Oostenrijkse plaatsje Oberndorf (bij Salzburg) tegoed aan het leer van de blaasbalg van het orgel in de Sint-Nicolaaskerk.
Organist Franz Gruber kon er geen fatsoenlijk geluid meer uit krijgen. Tijd voor reparatie voor de kerstmis was er niet meer.

Muzikaal dreigde de Kerst te verpieteren voor de boeren in het dorp.

Kapelaan Jozef Mohr bedacht samen met Gruber een oplos­sing.
Mohr had twee jaar gele­den een gedicht op Kerstmis gemaakt en vroeg Gruber er een melodie bij te maken, waarbij een gitaar voor de be­geleiding zou kunnen zorgen.
Gruber componeerde twee solo’s voor tenor en bas en een kinderkoor voor de zes cou­pletten.
Hun Stille Nacht was een re­gionaal succes, tot orgelbou­wer Karl Mauracher het mee­nam naar Fügen in Tirol. Via de muziekuitgevers Rainer en Strasser maakte het een op­mars naar Leipzig en New York.

Mohr en Gruber maakten het wereldsucces niet meer mee: zij stierven respectievelijk in 1848 en 1853.
De Nicolaas­kerk raakte door overstromin­gen vervallen en werd afge­broken. Vlakbij staat een ka­pel met in glas en lood Gru­ber, de componist.
Jaarlijks bezoeken 150.000 toeristen de geboorteplaats van Stille Nacht, een oecumenische we­reldhit, die evenzeer door katholieken als protestanten wordt gezongen.

kerst gruber

(Jan Meulemeester, Brabants Dagblad, nadere gegevens onbekend

.

 

Kerstalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldKerstmis     jaartafel

.

390-368

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Kerstspelen – Paradijsspel

.

HET OBERUFERER PARADIJSSPEL: EEN PLEIDOOI VOOR LIEFDE?

Een aspect, dat wij in deze statige, ja welhaast statische verbeelding van het scheppingsverhaal nu niet direct zullen verwachten. Te zeer ook is hierover vanuit een lange traditie de morele last van zonde, schuld en straf als een verstikkende deken uitgespreid.

Dit kan ons zicht op de oorspronkelijke kracht van de Genesisverhalen vertroebelen. We zien bijvoorbeeld in dit uitgelicht detail van Michelangelo hoe de vrouw zonder enige schroom de vrucht uit de hand van de slang aanneemt, terwijl Adam reeds beschuldigend zijn arm uitstrekt.

paradisspel
Een van de talloze taferelen, die het bekende schuld- en boetethema weergeven.
Het Oberufer Paradijsspel echter kan ons vanuit haar onbevangen eenvoud een verrassende wending opleveren in bovenstaande visie.

Hier klinkt het zuivere invoelingsvermogen van de vroege middeleeuwer met grote kracht, als wij het tenminste horen willen. Laten wij de tekst aan de hand van een aantal citaten op de voet volgen!

Soo het aen my lag, syde ick neen
soo ick eet, isset om u alleen’.

Gedenkwaardige woorden in het Paradijsspel op het moment vóórdat Adam in de appel bijt. Het wekt de suggestie, dat Adam zich bij voorbaat schoonpraat en de schuld omtrent de mogelijke gevolgen op Eva schuift. Eva, de vrouw, die hem even daarvoor de appel aanbiedt met de woorden: ‘Hier, neemt hem aen en proeft ereis als ghy my mint”.
Volgens de klassieke traditie haalt de verleidelijke Eva de onschuldige Adam over tot de zondeval. De vrouw als oorzaak van het verderf! Een thema, dat tot in onze tijd nog actueel is, zij het dan wellicht in een andere verschijningsvorm. Maar als we dit middeleeuws boerenspel eens goed op ons laten inwerken, stuiten we op onverwachte wijsheid. Adam had God goed verstaan, toen Deze hem gebood niet van de boom te eten. Hij zou gestraft worden met “de doot voor eeuwich” en “in ’t verderven plots geraken”.
Maar God had ook omtrent de vrouw tot hem gesproken:
“hebt haar lief weest trou vereend”.

Niet God zelf, maar Adam waarschuwt Eva voor het eten van de vrucht! Daarmee wordt in feite al ruimte geschapen voor het woord van de duivel, die als zodanig wel degelijk een hoogstaand wezen is.

In tegenstelling met het Driekoningenspel wordt de duivel hier dan ook veel meer met rood en geel uitgebeeld dan met zwart.

Als Eva hem dan de appel aanbiedt, staat Adam voor een onmogelijk dilemma. Kiest hij voor de overtreding van Gods gebod van de appel niet te eten, of laat hij Eva alleen staan met haar appel? Ook in het laatste geval gehoorzaamt hij niet aan Gods woorden……

Maar voor Adam bestaat dit dilemma helemaal niet. Hij heeft immers nog niet het besef van goed en kwaad! Dat is toch eigenlijk heel merkwaardig, dat wij hen die dramatische zondeval aanrekenen, terwijl zij zich van geen kwaad bewust konden zijn. Pas na het eten van de boom der kennis konden zij zich daarvan rekenschap geven.

Adam kiest niet! Hij doet wat hij moet doen: hij blijft Eva trouw. Hij heeft haar lief. Het is immers zijn wederhelft, een woord dat in dit verband een diepe betekenis heeft. Zij vraagt hem te eten om de liefde voor haar en hij eet “soo ick eet isset om u alleen”. Dan vallen hen de schellen van de ogen en zij beseffen plotseling het onherstelbare, dat de verwijdering uit de Hof van Eden ten gevolge zal hebben.
Eva beklaagt alle vrouwen die “om harentwille het moeten berouwen”, maar Adam kent geen wrok. Nu hij bewust kan kiezen, kiest hij opnieuw onvoorwaardelijk voor Eva:. “Comt maer by my, myn Eva soet”.
Zo vinden wij als rode draad door dit aloude spel een hartstochtelijk pleiten voor de liefde van mens tot mens en als zodanig is het een indrukwekkende voorbereiding op het kerstfeest, dat immers een feest van liefde is! Misschien kunt u zich voorstellen, dat vanuit dit gezichtspunt we Adam en Eva liever niet voorstellen zoals Michelangelo e.a. dat gewend waren, maar meer in de geest van deze afbeelding.

paradijsspel 2

 

(Harrie Vens, ouder – nadere gegevens onbekend)

.

Kerstspelenalle artikelen

Antrovista: archief V.O.K    over de kerstspelen

VRIJESCHOOL in beeldKerstspelen

.

389-367

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (16)

.

DE TWEE KERSTKINDEREN: EEN THEOLOGISCH PROBLEEM

De komst van Christus op aarde valt samen met een belangrijke tijdenwende: het religieuze leven wordt losge­maakt van volks- en bloedverwant­schap. Wat is er toen eigenlijk ge­beurd?

In alle mysteriën van de oudheid was de epifanie van een god bekend. Een god vertoonde zich aan de ingewijde mens. Aan het begin van onze jaartel­ling gebeurt dat eveneens, maar nu niet aan ingewijden, maar aan ieder, die wilde waarnemen en bovendien niet als bovenzinnelijk schouwen, maar in een werkelijk met de zintuigen waar te nemen mensenlichaam.

‘En het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond’.

De vraag hoe dit gebeurde heeft de christenen steeds bezig ge­houden en heeft zeer verschillende beantwoordingen gekregen, variërend van het gezichtspunt dat er geen wer­kelijke menswording heeft plaatsge­vonden tot het omgekeerde, dat er zich geen goddelijk wezen geïncarneerd heeft.
Van de eerste eeuwen af is deze tegenstelling, met alle varian­ten ertussen, aanwezig. Het is geen theologisch-theoretische vraag waarom het hier gaat. Immers als een god mens geworden is, is daarmee de mogelijkheid gegeven dat mensen goden worden. Daarom is de vraag hoe een god mens werd een belangrijke vraag voor ieder, die niet zonder meer geloven kan, dus voor ieder, die, om te kunnen geloven, inzicht en kennis nodig heeft.

Rudolf Steiner heeft hier mededelin­gen gedaan, die niet zonder meer in de Bijbel terug te vinden zijn, maar die de bijbelverhalen niet weerspreken en ze in een samenhang plaatsen waar­door ze veel duidelijker en samenhangender worden. Een belangrijk punt is hier dat de ge­boorteverhalen van Jezus in de twee evangeliën, die ze vertellen, Mattheüs en Lucas, geheel verschillend zijn. En niet alleen verschillend, maar ze sluiten elkaar uit.

Het meest opvallende verschil ligt in de beide geslachtsregisters. Mattheüs brengt er direct een in zijn eerste hoofdstuk.
Het begint bij Abraham (ca. 1800 v. Chr.), gaat over David (ca. 1000 v.Chr.) en de Babylonische bal­lingschap (587 – 538 v.Chr.) naar Jozef, de vader van Jezus.
Lucas brengt eveneens een geslachts­register en wel na de doop in de Jordaan (3e hoofdstuk). Dit begint bij Jozef en gaat terug in de tijd naar David maar met volkomen andere namen en zelfs een ander aantal en dan verder van David naar Abraham met dezelfde namen als Mattheüs en dan nog verder terug tot Seth, de zoon van Adam, de zoon van God.
Lucas stelt de geboorte van Jezus in een mensheidssamenhang en ziet
bo­vendien de lichamelijke afstamming als een afstamming van God.
Mattheüs brengt een volksamenhang en noemt in zijn geslachtsregister de koningen van Juda en legt zo de na­druk op de koninklijke afstamming. Verdere verschilpunten zijn: in Mat­theüs is Jozef de belangrijke persoon. Tot hem spreekt de engel.
In Lucas blijft Jozef op de achtergrond en is het Maria om wie alles draait.
In Mattheüs komen de magiërs uit het Oosten het kind vereren en treedt Herodes op met zijn kindermoord. De ouders vluchten met het kind naar Egypte. Als ze te­rugkomen na de dood van Herodes willen ze zich weer in Bethlehem ves­tigen, maar wijken uit naar Nazareth als ze merken dat Archelaos, de zoon van Herodes, koning is in Judea. Voor de geboorte is bij Mattheüs van Naza­reth geen sprake.
Lucas daarentegen situeert Jozef en Maria in Nazareth en gedwongen door een nieuw soort administratie vanwege Rome gaan ze naar Bethlehem, waar het kind geboren wordt. ‘Na de dagen van haar reiniging’ (volgens de wet van Mozes 40 dagen) gaan ze eerst naar de tempel in Jeruzalem en dan weer terug naar Nazareth.

Onverenigbaar
Hier ligt nu de absolute onverenigbaar­heid der beide verhalen. Al het andere kan men nog min of meer aan elkaar rijgen maar dit niet. Indien nl. de magiërs binnen deze 40 dagen naar Bethlehem zijn gekomen (en dat moet wel, want ze treffen het kind daar aan) en Herodes nog wat gewacht heeft op hun terugkeer, zijn er twee mogelijkheden. De ene is dat de 40 dagen nog niet voorbij waren toen de kindermoord plaats vond, maar dan zijn het kind en zijn ouders in Egypte en kunnen niet in de tempel in Jeruza­lem zijn geweest.

De andere mogelijkheid is dat Herodes na de veertig dagen kwam en het kind dus al weg was. Maar waarom dan de vlucht naar Egypte? Van hieruit kan men weer twee wegen gaan. De eerste is de weg die de theologie in de laatste eeuwen min of meer consequent is gegaan: tenminste één van de twee verhalen is onwaar, waarschijnlijk beide. Uiterste consequentie: wat moet ik met zulke verha­len anders beginnen dan ze als mythische beelden verstaan waaraan geen enkele historische werkelijkheid toe­komt en dus de gehele menswording van een god op losse schroeven komt te staan.

De andere weg is dat men voorlopig de verhalen in ernst neemt, hoewel men het niet begrijpt. Wie dit onbevangen doet kan alleen maar tot de conclusie komen dat er van twee verschillende kinderen sprake is.
De een stamt uit een koninklijk geslacht; magiërs komen om hem te aanbidden als de geboren koning der Joden. Herodes, koning bij de gratie van de keizer, niet door afstammingsrecht, krijgt angst voor de concurrent en wil hem doden. Het kind ontsnapt en na enige jaren van bezinking van de onrust, woont het in Nazareth.

Het andere kind stamt uit een priester­lijke stam. 2 Sam. 8,18 vertelt dat de zonen van David priester waren. Nathan treedt herhaaldelijk als tweede naast Salomo op, zelfs nog in veel la­tere tijd (Zacharia 12, 11 vlg.) Het is niet onwaarschijnlijk dat speciaal Nathan het priesterambt uitoefende als een recht van het koningshuis naast de priesterstam van de Levieten. Het gehele verhaal van Lucas past in deze priesterlijke tempel- en engelsfeer. Engelkoren maken de geboorte be­kend aan de herders (pastores!) Het kind wordt in de tempel gebracht waar een oude, wijze man, Simeon, een profetie over hem uitspreekt. Daarna woont het gezin weer in Naza­reth. Wie tot de nodige onbevangen­heid ten opzichte van de bijbelverha­len wil komen, moet wel eerst veel tra­ditioneel weten kritisch toetsen.
Een volgende stap is dan dat men het geheel eigen en verschillende karakter niet alleen van de beide kinderen, maar ook van de ouders in het oog vat. Het echtpaar van Mattheüs woont in Bethlehem. De magiërs treden daar het huis binnen. De profetieën, die de schriftgeleerden voor Herodes opzeg­gen, slaan op dit kind van bekende koninklijke afstamming.

Onaanzienlijk
Het gezin in Lucas is duidelijk arm: er is geen plaats voor hen in de herberg, ze brengen in de tempel het eenvou­digste offer. Ze zijn onaanzienlijk in de letterlijke zin van niet-opvallend. Een rustig leven met de resultaten van een onbevangen lezen van de evange­liën kan dan de ziel rijp maken voor wat Rudolf Steiner over deze beide kinderen zegt.

Hij schildert dat als volgt: de ene knaap, die uit Mattheüs, is een oude ziel, die grote aarde-ervaring en -wijs­heid meebrengt. Zijn ouders ontvan­gen hem als hun oudste zoon. Later komen er nog een aantal broers en zusters (Matth.  12,47; 13,55-56). Deze Jezus is een reïncarnatie van de stichter van de Perzische religie en cul­tuur, Zarathoestra. Deze Zarathoestra leefde ca 6000 v. Chr. De latere be­kende Zarathoestra (ca. 600 v.Chr.) – stond in dezelfde stroom. In zijn incarnatie als Jezus, geboren in Bethlehem, komen dan de magiërs hem vere­ren, omdat ze in hem de “ster* (Zoroaster) zagen. Hij droeg in zich de sa­menvatting van alle voorchristelijke wijsheid, ook van die wijsheid die cultuurvormend werkt. In de jaren in Egypte beleeft de ontvankelijke kin­derziel dan nog eens een deel van deze wereld van buiten.

De andere knaap, zo schildert Rudolf Steiner, is een ziel die nog nooit op aarde is geweest. Toen de mens zich met de aarde-stoffelijkheid ging ver­binden (wat in de Bijbel de zondeval wordt genoemd), werd een deel van de mensenziel ‘bewaard’ in hogere werel­den. In de legende heet dit deel Adam Kadmon. Men moet zich dit natuurlijk niet zozeer ruimtelijk als wel wezen­lijk denken. De ruimtelijke beelden zijn mythologie. Mythologie is echter noodzakelijk waar ons zintuigelijk voorstellingsvermogen tekort schiet. Dit deel van de mensenziel komt nu voor het eerst tot belichaming in het kind dat Lucas schildert. Het brengt geen aardeschuld mee, het heeft geen karma. Het is een lief kind. In vele Marialegenden komt dit kind voor als het uit stofresten levende bloemen maakt, uit de kelk van een winde een beker vormt om wijn uit te drinken, nadat het een zware wagen uit het vastgereden spoor laat trekken door sim­pelweg de teugels van de paarden in de hand te nemen, enz. Maar aarde-erva­ring en -wijsheid ontbreken. De geboorte van dit kind wordt overscha­duwd door het Nirmanakaya van Boeddha, d.i. de omhulling die een Boeddha in de geestwereld heeft na zijn laatste incarnatie. Daardoor
ver­bindt zich het edelste van het Boeddhisme met het kind dat Lucas schil­dert.

Deze twee kinderen ontmoeten elkaar in Nazareth waar ze gezamenlijk hun kinderjaren doorbrengen. Het was de gewoonte bij de Joden dat jongens van ongeveer twaalf jaar met Pasen in de tempel te Jeruzalem ge­bracht werden om daar door de wijze schriftgeleerden onderzocht te worden op hun kennis van de Wet. Een soort confirmatie vond plaats. Dat gebeurt nu ook als het Lucaskind twaalf jaar is. In de tempel raken de ouders hem kwijt en ze vinden hem pas na drie dagen weer terug en zij verbazen zich, evenals de schriftgeleerden, over de intelligentie waarmee hij vragen stelt en antwoordt.

Raadsel
Tot zover het verhaal uit de Bijbel, dat ons opnieuw met een raadsel laat zit­ten. Wat is daar gebeurd?
Rudolf Stei­ner schildert hoe beide jongens in de tempel aanwezig zijn. De oudste Zarathoestra wordt door een diep medegevoel met de jongste getroffen en offert nu zichzelf op. Zijn Ik verlaat het lichaam van de oudste Jezus en doordringt nu met alle ervaring en wijsheid van vele incarnaties de ziel die nog nooit op aarde was geweest. Deze oudste jongen kwijnt dan lang­zaam weg en de twee zijn tot één ge­worden. Liefde en wijsheid, reinheid en ervaring in het leven zo moeilijk verenigbaar, zijn nu verbonden in de Jezusgestalte, die later op zijn dertigste jaar de Christus in zich op zal ne­men.
Ook hier weer mededelingen die in niets in strijd zijn met het evangelie, maar die wel veel licht brengen in wat Lucas vertelt. De ouders en de leraren zijn verbaasd. Van dit kind verwachtte men geen ‘wetenschappelijk’ gesprek. Vlak voor dit verhaal staat een zin over het kind als de ouders met de on­geveer 50 dagen oude baby weer in Nazareth komen: ‘en het kind groeide en werd sterk, vervuld van wijsheid en het welgevallen van God was op hem’.
Als het verhaal van de twaalfjarige in de tempel is verteld, zegt het evange­lie: ‘en Jezus nam toe in wijsheid en leeftijd en welgevallen bij God en de mensen’. Zinnen die duidelijk met elkaar samenhangen.
Voor het gebeu­ren in de tempel is er wijsheid en god­delijke genade (welgevallen). De wijs­heid is de oerwijsheid, die we bij vele kleine kinderen ontmoeten. Het is mede dat wat bedoeld is met het worden als kinderen als het gaat om de vraag de hogere werelden te kunnen binnengaan.
Maar na de ge­beurtenissen in de tempel blijven wijs­heid en goddelijke welgevallen maar worden eraan toegevoegd ‘leeftijd’ en welgevallen bij de mensen. Toename in leeftijd is te vanzelfsprekend om vermeld te worden in zulk een context. Daarom kan alleen innerlijke leeftijd bedoeld zijn, rijpheid, en wordt hier dus uitgedrukt dat Jezus toenam in aarderijpheid en welgeval­len bij de mensen. Is hier niet precies uitgedrukt wat er gebeurde toen de Zarathoestra-individualiteit de jongere Jezus doordrong? Dat is niet op één ogenblik gebeurd. Het werd als het ware geïnaugureerd op dit moment maar kreeg dan 18 jaar lang de moge­lijkheid verder te werken.
In de beeldende kunst zowel als in de meer legendarische overleveringen is het thema steeds weer te vinden. Hier moge een van de bekendste afbeeldin­gen worden bijgevoegd, een schilderij van Borgognone (ca. 1 500), dat zich vroeger in de kerk Sant’Ambrosio in Milaan bevond en nu in het museum naast de kerk hangt. De gebaren en ge­zichten van de beide jongens spreken voor zichzelf. Deze afbeelding vindt men naast een 80-tal andere bij Hella Krause-Zimmer. Ook voor kritische opmerkingen en hun weerlegging moet naar dit zeer deskundige werk van een kunsthistorica verwezen worden. De legendenstof vindt men bij E.Bock.

Enige literatuur:
R.Steiner, de boeken over de evan­geliën. Vrij Geestesleven.
R. Steiner, Das fiïnfte Evangelium R.Steiner-Verlag, Dornach.
E.Bock, Kindheit und Jugend Jesu Urachhaus, Stuttgart  (één van de 7 delen)
H.Krause-Zimmer, Die zwei Jesusknaben. Freies Geistesleben, Stuttgart.

Borgognone 2 Jezuskinderen

 

kerst adam kadmon
(nadere gegevens onbekend)
,
(J.Knijpenga, Jonas 8/9/, 17-12-1976)

.

Kerstalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldKerstmis     jaartafel

.

388-366

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis – verhalen (14)

.

Alle verhalen
5)  De belofte van de harpspeler;
6) De kerstroos (Marialegende); zie ook nr. 14/2
7) De vogelmelk
8) De lavendel (Marialegende)

 
.

6) de kerstroos

“Die bloem van wond’ren luister
waarvan Jesaja sprak,
Bloeid’ op, toen door het duister
het licht der wereld brak’,

luidt een oud kerstlied. Die bloem is de kerstroos, aan de grond ontsproten door de vurige wens van het dochtertje van een der herders, de kleine Jezus een geschenk te geven.
Het kleine meisje was echter zo arm dat ze niets bezat om weg te geven. Ze probeerde een bloempje te vinden op de velden van Efrata, maar vergeefs, elk sprietje groen was bedekt door een dik pak sneeuw.
Een engel die medelijden had met het kind, daalde uit de hemel en beroerde met zijn vleugels de sneeuw. Overal sprongen toen de kerstrozen uit de aarde, waarvan het meisje een grote bos plukte en naar de kleine Jezus bracht.

(bron onbekend)

7) vogelmelk

Nadat de Ster van Bethlehem de Wijzen uit het Oosten de weg naar het kind Jezus had gewezen, spatte zij in duizen­den stukjes uiteen. Elk zo’n stukje werd een helder wit bloempje dat de hele nacht na Christus geboorte schitterend bloeide.
Sindsdien draagt de Vogelmelk ieder jaar een overvloedige hoeveelheid witte kelkjes, en eigenlijk is deze plant dus de ware Ster van Bethlehem.

(bron onbekend)

8) lavendel

Enkele dagen na de geboorte van Jezus, ging Maria in een beekje de kleren van haar kind wassen. Toen zij ze op de oever te drogen wilde leggen, zag ze daar een onooglijk gewas staan. Om de andere bloemen en planten te sparen, besloot zij de kleertjes op deze plant te leggen. Toen zij na enige tijd terugkwam, merkte ze tot haar verwondering dat het gehele veld vervuld was van een heerlijke geur.
Niet wetend waar dit verrukkelijk aroma vandaan kwam, ging zij op zoek naar de plek waar zij haar wasgoed had achtergelaten. Nergens was het onaanzienlijke plantje meer te ontdekken. Plotseling stond de engel Gabriël voor haar en sprak: “Gezegend zij deze plant boven alle andere. Hij werd verkozen de kleren van het Kind te drogen en daarom zal hij vanaf heden bloemen dragen die de geur van het Paradijs verspreiden”.
Maria zag nu dat de plant prachtige, blauwe bloemen had gekregen en zij plukte een takje af en stak het tussen haar kleed, opdat de geur van het Paradijs haar altijd zou vergezellen.
.

(bron onbekend)

.

Kerstalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldKerstmisjaartafel

.

386-364

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (13)

.

KERSTFEEST IN ZWEDEN

Keken we vorig jaar naar de viering van het kerstfeest in Engeland, nu richten we de blik meer naar het noorden: naar Zweden.

De Zweden worden in het buitenland vaak voor stijve en onge­naakbare mensen aangezien. Misschien terecht, maar éénmaal per jaar zeker onterecht. Dat is wanneer Kerstmis nadert. Er is geen land ter wereld waar men de Kerst zo intensief viert als Zweden. Vanaf de eerste advent hangt in de meeste Zweedse huizen een adventster voor het raam. Deze schijnt iedere avond, totdat de kersttijd voorbij is. Dit duurt in Zweden tot de 13e januari.
Dan is het Luciadag, op de 13e december. Genoemd naar de heilige martelares te Syracuse, die na martelingen op wonderbaarlijke wijze te hebben doorstaan, met een zwaard gedood werd. Haar feestdag viel tot de Gregoriaanse kalender­hervorming (1582) samen met de Midwinterdag en werd in geheel Europa met volksgebruiken gevierd.
Vroeg in de ochtend gaan de vrouwelijke leden van het huis rond en brengen koffie op bed. Eén van hen stelt Lucia voor, de lichtkoningin, met een licht­krans op het hoofd en het koffieblad in de hand. Na haar komen de anderen, allen gekleed in witte, lange hemden met kaarsen in de hand. Al rondgaand zingen zij het Lucialied. Ook is het een heel oude gewoonte dat er op deze dag peper­koekjes gebakken worden.

Op kerstavond (de avond voor de eerste Kerstdag) worden de kerstcadeaus uitgedeeld en eet men een maaltijd waarvan het menu elk jaar hetzelfde is. In elk huishouden is er een kerstham op tafel en verscheidene soorten haring en worst. Verder kunnen de tradities natuurlijk variëren in de verschillende gezinnen en in de verschillende delen van het land. Op de ochtend van de eerste Kerstdag gaan allen die kunnen naar de kerk. Een Zweed kan het hele jaar nóg zo onkerkelijk zijn, hij komt naar de vroege kerkdienst. De kerken zijn dan ook overvol en vaak moet men de vroege dienst herhalen, d.w.z. één dienst begint om 5 uur !s morgens en één om 7 uur.
Ook Driekoningen is een officiële zondag in Zweden. Tijdens de kersttijd worden er veel feesten gegeven voor vrienden en kennissen. Men danst en doet gezelschapsspelletjes voor kinderen en volwassenen.

De huizen zijn versierd met kerstkleden en massa’s kaarsen. In decoratieve kaarshouders en natuurlijk met de traditionele kerstboom. Alles ademt een kerst- en feestsfeer.

(bron onbekend)

.

385-363

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (12)

.

KERSTTIJD

De donkere dagen zijn begonnen.
Maar in de verte daagt het licht. En iedereen is bezig het licht een goede kans te geven. Waardoor? Door het binnenshuis aansteken van vele, vele kaarsen en kaarsjes.
Een merkwaardig ding is een kaars;  zijn stevig, vet lijf is verbonden met de ijle vlam door een pit. Men kan in een kaars het beeld van de mens zien. De vlam van de geest brandt op de pit van de ziel en wordt gevoed door het vet van het kaarslichaam.  Zelfs in zijn ontstaan heeft de kaars iets menselijks.
De pit komt van boven en wordt gedoopt in de vloeibare vetmassa. Zijn kaars en pit voldoende samengegroeid dan wordt de pit afgesneden,  zoals de mensenziel,  die in een fysiek lichaam gaat leven, van de geestwereld wordt afgesneden. Het uiteinde van de pit wordt hard en bros, wanneer de vlam eenmaal gebrand heeft. Die pit is gauw beschadigd en een te ruw behandelde pit kan de vlam van de geest niet of niet voldoende meer dragen.
Snuiten mag natuurlijk wel. Maar behandel de kaarsen met eerbied!

In de adventstijd – de vier weken tot Kerstmis – is het ook een goede gewoonte geworden om een “Kerststalletje” te maken. De kinderen zijn er dol op, maar oorspronkelijk was het een activiteit voor volwassenen. Volgens oude overleveringen zou Franciscus van Assisi de eerste kerststal hebben gemaakt, zo omstreeks het begin van de 13e eeuw. Sindsdien zijn er in Italië en daarna ook in Midden-Europese landen vele van deze kerststallen gemaakt. De beroemdste waren uit Napels. Vele kunstenaars werkten mee aan de figuren van de kerststal. Die vonden zich niet te min om een vette os of een slanke Maria te boetseren voor zo’n stal.

Wie zelf aan het werk gaat om met lapjes, was, klei of plasticine een kerststal te creëren,  zal er veel plezier aan beleven. Kinderen kunnen er niet genoeg van krijgen. Het gaat fijn, al moet men zorgen, dat er in één groep geen twintig Maria’s en één kameel ontstaan.

Een rolverdeling is dan ook geen luxe. Als centrale figuren komen natuurlijk in de eerste plaats Jozef en Maria in aanmerking. Maria met een wikkelkindje in de arm staande of zittend bij een in elkaar geflanst kribje, met een vlokje wol erin. Jozef mag steunen op een dun twijgje als staf.
Het kindje kan beter een “rolletje” met een kopje zijn, dan zo’n bloot spartelend arm- en beenspektakel, wat bovendien razend lastig te boetseren is. Ook in het stalletje is eenvoud het kenmerk van het ware.
Dan komen de befaamde Os en ezel. Zo’n os is niet zo moeilijk te boetseren wanneer hij ligt. Toch blijft het voor veel kinderen een vraagstuk of de horens nu onder de oren moeten zitten of andersom. Nu, de oren hangen een beetje en wel uit de wangpartij achter het oog. De horens steken op naar boven en zijn ingeplant op het bovenste deel van de schedel.

De ezel is moeilijker. Die heeft een dik buikje, maar dunne, elegante pootjes met kleine hoefjes. Ach, hoe vaak zijn ezels­oren afgebroken! En er valt niet veel te lijmen aan kleiwerk.
Zo’n stal die zich geleidelijk vult, ten slotte met drie herders en vele, vele schapen, dat is gezellig; en dan wat kleine waxinelichtjes eromheen.

Voor kleine kinderen is niet boetseerklei, maar gekleurde bijenwas ideaal. Want pootjes, oortjes, horentjes blijven heel in was. Het is een wonder om te zien, hoe kleintjes met hun roze garnalenvingertjes duidelijk herkenbare, minuscule figuurtjes uit de bijenwas peuteren. Wat een vreugde, wanneer de stal is gelukt!
Bij de kersttijd horen ook mooie Verhalen, waarvan het grootste deel is geïnspireerd door het eenvoudige geboorte­verhaal uit het Lukasevangelie.
Ook nieuwere kerstverhalen mogen best traditioneel zijn geworden. Grote schrijvers hebben er hun krachten op beproefd. Het is niet eenvoudig om zowel bij het schrijven als het ver­tellen de klippen van de sentimentaliteit te omzeilen.

Een van de mooiste kerstvertellingen is afkomstig uit “Merry Old England”. Voor kleintjes niet zo geschikt, voor grote kinderen en volwassenen des te meer. Het verhaal is in wezen niet sentimenteel, wel ‘gevoelig’ hetgeen niet het­zelfde is. Een kerstverhaal mag waarachtig wel gevoelig zijn. Dat mag best. Velen kennen het bedoelde verhaal; ‘A Christmas carol’ van Charles Dickens. Een oude, hardvochtige vrek, Scrooge, vindt Kerstmis “onzin”. Hij krijgt echter bezoek van de geest van zijn overleden compagnon, die hem, voor zijn bestwil, aankondigt, dat hij drie geestverschijningen zal ontmoeten: de geesten van Kerstmis in Verleden, Heden en Toekomst. Door de ontmoeting met deze geesten die hem ware beelden tonen uit de realiteit van Verleden, Heden en Toekomst, komt Scrooge tot inkeer. Hij weet zijn negatieve houding ten opzichte van mens en wereld om te zetten in een positieve. Daardoor gaat hij heel anders handelen. Het verhaal maakt een diepe indruk, ook op de volwassene, niet in het minst door de meesterlijke beschrijving van een stukje burgermaatschappij in de vorige eeuw, de kostelijke humor en de diepe menselijkheid van de verteller.

De T.V. heeft zich onlangs van dit verhaal meester gemaakt. Niet onverdienstelijk op zichzelf, maar veel te snel voor kinderen; -T.V. is tenslotte niet pedagogisch, omdat er commercie in het spel is, die géén tijd heeft. Commercie is nooit peda­gogisch tot in het Departement van Onderwijs toe.

Neem voor uw kerstviering met kinderen ruim de tijd.
En komt u vooral bij onze Kerstspelen kijken, want daarvoor
nemen wij ook alle tijd.

Overigens wensen wij u namens de redactie een héél goede kersttijd toe voor u en de kinderen.

Mitsgaders een Voorspoedig Nieuwjaar

(P.C.Veltman, nadere gegevens onbekend)

.

Kerstmisalle artikelen

jaarfeestenalle artikelen

kerstspelenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld:  advent    jaartafel       Kerstmis    jaartafel

.

384-362

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.