Maandelijks archief: juni 2013

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St- Jan (28)

.

TROMMELTJES VOL KRUIDEN EN BLOEMEN

Ik vind het moeilijk om iets over Sint-Jan te schrijven. De reden daarvan is, dat Sint- Jan bij uitstek een féést is. Daar bedoel ik het volgende mee: als kind vond ik feesten een verschrikking, verplicht gezellig doen tussen rokende en drinkende mensen en gro­te kinderen, met op de achtergrond aanhou­dend vlotte muziek. Een feestdag was nog weer anders; dat waren de meer traditioneel bepaalde dagen zoals Kerstmis en Pasen die eigenlijk geen andere aanleiding tot vieren hadden dan dat je dat nu eenmaal deed als je kinderen had. Is het een wonder dat ik me als kind voornamelijk interesseerde voor wat er te eten was en voor eventuele cadeaus? Iemand die in de sociale omgang onhandig is, gaat als vanzelf een droomwereldje opbou­wen en daarin had ik wel degelijk een beeld van Het Feest: een glooiend grasveld aan een bosrand, een stralend blauwe hemel. Mensen en kinderen in lichte kleren met bloemen
ge­tooid dansend in wijde kringen. Een pick­nick met brood en vruchten bij een kamp­vuur. Wat is dit beeld anders dan Sint-Jans­dag?

De traditie van het feestvieren, met Kerstmis als innerlijk en Sint-Jan als uiterlijk hoogte­punt, is een van mijn blije ontdekkingen ge­weest van het vrijeschoolonderwijs. Mijn kinderen vieren feesten zoals ik daar als kind naar verlangd heb. Maar op dit punt doemen mijn problemen met het schrijven van dit stukje op en ik zie het ook bij anderen: wat is het moeilijk om zelf écht feest te vieren! Heerlijk is het om toe te kijken hoe de kin­deren zich vermaken onder leiding van een juffie of meneer die gezegend is met dat zeld­zame gevoel voor feestvieren. De meeste ou­ders blijven op afstand en zie je zelden echt meedoen. Ernstige feesten zijn makkelijker om te vieren, lijkt het. Komt het doordat met name bij Sint-Jan het feesten zo dicht bij spelen komt? Ik beken dat dat voor mij waarschijnlijk zo is, spelen en vooral meespe­len vind ik moeilijk en tot voor kort uitge­sproken vervelend. Laat mij maar rustig in een hoekje zitten toekijken, eventueel hier en daar een pleister plakken en een sapje aan­reiken, ik geniet wel van de anderen.
En toch. ‘Komt en laat ons dansen zingen, komt en laat ons vrolijk zijn.’                  

Met Kerstmis hebben we geprobeerd onze ziel af te stemmen op het ontvangen van het midwinter wonder. Dat riep een stille dank­bare blijdschap op. Nu, midzomer is het tijd voor een uitbundige, niet minder dankbare blijdschap.

De natuur schenkt zich ’s zomers aan ons; met Sint-Jan kunnen wij onszelf aan elkaar schenken in het samenspelen. Niet zo over­vloedig als de aarde dat kan. Wij moeten voorzichtig omspringen met het beetje levensvreugde dat we hebben. Levensernst lijken we makkelijker te kunnen delen.
Met Pasen schonken we elkaar eieren en wensten elkaar daarmee de zegen van de goeden toe. Zijn zij ons niet gunstig geweest? Het is weer goed toeven buiten. We hoeven geen boom de kamer in te slepen om Sint-Jan te vieren, we kunnen nu bij de natuur op bezoek! In noordelijke landen als Rusland en Scandi­navië deed men dat vroeger letterlijk. De Sint-Jansvuren werden om een versierde pijn­boom aangelegd en men danste rondom dit Johannismanneke tot de vlammen zo laag werden dat erover gesprongen kon worden. Meestal was het dan al zo laat geworden dat het tijd werd op huis aan te gaan. Net als de Heilige Nacht is de nacht van Sint-Jan vol wonderen, maar alleen voor de sterken! Wie geen zuivere ziel heeft loopt een grote kans door heksen en boze geesten van het rechte pad gelokt te worden. Wie echter moed én geloof bezit kan in de Sint-Jansnacht kruiden plukken die wonderlijke krachten bezitten en lang verborgen schatten opgraven. Als re­gen en onweer hem tenminste niet vroegtijdig naar huis hebben doen vluchten, want onweer hoort net zo bij Sint-Jan als sneeuw bij Kerstmis. De Sint-Jansfeesten die ik heb meegemaakt vielen er niet echt door in het water. Wie niet ‘gedoopt’ wilde worden, vluchtte even onder een afdakje met een mandje kersen om even later weer dapper mee te doen. Zomers onweer is heel indruk­wekkend maar trekt snel voorbij. Wie zich wel had laten natregenen (vooral de kinde­ren) droogde snel op bij het bakken van de stokbroden in het vuur.

Ik kan het gewoon niet laten om de kinderen bij een feest een passend kleinigheidje te ge­ven. Iets wat weinig werk geeft, een écht va­kantiecadeautje, is een botaniseertrommel­tje. Wij brachten er vroeger bloemetjes in thuis. Mijn zoon stopt enge torren, waar hij een voorliefde voor heeft, in zijn blik. Hij kreeg een echte voor zijn verjaardag. Voor mijn dochtertje maakte ik een botaniseer­trommel van een oude voorraadbus. Neem een bus met een goed sluitende deksel en boor in de bodem wat ventilatiegaten, eventueel langs de lijnen van de voorletter van uw kind. Boor er vervolgens één in de deksel en twee in de lange zijden van de bus. Schuur de bramen weg. Trek een lang koord door de deksel door de twee gaten en leg knopen in de uiteinden. Zo kan de deksel niet wegraken en kan het trommeltje om de nek gedragen worden.

Nicole karrèr, ‘Jonas’ nr.22, 21 juni 1985)
.

St.-Jan: alle artikelen
.

Jaarfeesten: alle artikelen

 

206-195

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.- Jan (27)

.

IN DE ST.-JANSNACHT SPELEN DE GEESTEN HUN SPEL

Heksen – waan en werkelijkheid

Het sint-janskruid, dat in de nacht van 24 juni haar sterkste werking heeft, gold vanouds als een probaat middel tegen duivelse invloeden, met name hekserij.

Wat zijn heksen, en waar kwam de grote angst vandaan die in de 16e eeuw uitmondde in grootscheepse heksenverbrandingen? Om begrip te krijgen voor het ver­schijnsel heks, keek Henk Sweers terug tot in de oud-Germaanse tijd en vooruit tot in onze tijd.

Het heksengeloof vertoont trekken die el­ders worden verteld van verschillende soor­ten demonische gestalten: zielenvoorstellingen komen voor de dag in het geloof dat heksen (op een bezemsteel) door de lucht kunnen vliegen, en dat zij zich in een of andere dier­lijke gedaante (vooral graag als kat, maar ook als wezel, vogel, spin of insect) vertonen. Zij vieren nachtelijke feesten en dansen evenals dodengeesten, elfen, dwergen en trollen. Het geloof in heksen, dat aanvankelijk door de kerk werd veroordeeld en later in de heksen­processen toch werd aanvaard, gaat terug tot in de heidense tijd.

Tún-rithr
Uit alle delen van de oud-Germaanse wereld hebben wij berichten over personen die to­verkunst bezaten. In de eerste Merseburger toverspreuk heten deze ‘idisi’. Volgens de Germaanse beschouwingswijze waren vooral vrouwen met bepaalde geestelijke gaven be­genadigd.
In andere klassieke bronnen klinkt vele ma­len een zekere vrees door voor Germaanse vrouwen, die zelfs deelnamen aan de strijd en door hun profetische gaven een grote in­vloed uitoefenden. Bij de Broekterers genoot Weleda een goddelijke verering. Tacitus noemt een zekere ‘Alb-rund‘(Albrund). Haar naam wijst al op een ‘geheim weten’. Bij de Semnonen was een zieneres ‘Ganna’ wier naam ook op helderziendheid en heiligheid wijst. Op een Griekse ostracon (stemschelp) uit circa 200 v. Chr. staat ‘Baloborg de sibylle der Se(m)nonen’. Baloborg kan zo iets als ‘Stafdraagster’ betekenen.
Een der belangrijkste Eddaliederen heet: Volospa. Dat wil zeggen De schouw van de Wolwa. J. de Vries duidt deze naam ook als ‘Stafdraagster’. Uit vele teksten blijkt dat deze leidinggevende vrouwelijke ingewijden, deze zieneressen, een grote verering genoten. Het meest verheven lied wordt een Wolwa in de mond gelegd. Op IJsland vindt men nog Volvaleithi (Wolwagraven) die door de be­volking nog altijd met een zekere schroom worden bezien.
Toch kende men in de oud-Germaanse tijd ook reeds Seithkona of wel tovervrouwen, die boosaardig waren. De Edda zegt dat men de tún-rithr (tuinrijd(st)ers) die door de lucht vliegen, kan dwingen hun tovergedaante op te geven. Het blijkt dat ook mannen de helderziendheid, die toen grotendeels nog atavistisch was, bezaten en ten kwade, dat wil zeggen ten eigen bate gebruikten. Om hun kwade invloed, die zij zelfs nog na hun dood konden uitoefenen, zoveel mogelijk te voorkomen, werden tovervrouwen en -man­nen verbrand, want daardoor wordt de op­lossing van het vormingskrachtenlichaam versneld. De as werd in zee uitgestrooid! Toch was ook dit niet altijd afdoende, want de Edda verhaalt dat de Asen de reuzin Gullveig (Gouddrank) met speren staken en drie maal verbrandden in de hel van Har (de Ho­ge), maar dat zij drie maal werd herboren. Men moet dit verhaal van de Wolwa echter veel meer als een beeld zien voor wat er zich in de geesteswereld afspeelde. Gullveig ver­oorzaakt namelijk de strijd tussen Asen en Wanen, tussen lagere en hogere goden. Het was ook geen mens maar een reuzin. En die kun je niet verbranden. Toch kunnen wij uit deze passage afleiden dat het verbranden van boze tovermannen en – vrouwen reeds in die tijd een normaal verschijnsel was.

Vestaalse maagden
Ook bij de Grieken en Romeinen waren hei­lige, helderziende mensen, voornamelijk vrouwen, zoals de Pythia, de opperpriesteres in Apollo’s heiligdom te Delphi, en de Griek­se en Romeinse Sibyllen. Het hoogtepunt in het strenge jaarritme, waaraan de heilige vrouwen, Sibyllen en Ves­taalse maagden onderworpen waren, was het eind van de Floralia.
Flora, de godin van de lente en de planten, kreeg in 283 v. Chr. de 28ste april officieel als haar feestdag toebedeeld. Reeds in 173 v. Chr. duurde haar feest zes dagen. Van een tamelijk landelijk feest werd het, waarschijnlijk onder invloed van de Griekse Bachanaliën, tot een losbandig festijn vol ontucht, waarbij naakte hoeren erotische dansen opvoerden. Deze orgieën eindigden op de laatste dag van april. Op 1 mei vonden de plechtigheden plaats rond de Bona Dea (de Goede Godin); deze werden geleid door de Vestaalse maagden. Het schijnt dat Flora, de vrouw van Faunus, de Romeinse vruchtbaarheidsgod, vrijwel identiek is met Demeter, de ‘God­moeder’, ook Tellus-Mater (Moeder Aarde) of Magna Mater (Grote Moeder) genoemd. Nu begon de feestdag voor de prostituees reeds op 23 april. De Vinolia (wijnfeesten) begonnen op die dag en duurden tot 1 mei. Zij overlapten dus gedeeltelijk de Floralia. Dit 1 mei-feest is samengesmolten met de lentefeesten der Germanen. Deze dag (1 mei) was aan Walburgis gewijd, een andere naam voor Freia. Wal-burgis bete­kent ‘beschermster der strijders’. Volgens de ‘ overlevering was Sint Walburgis, aan wie onder andere de grote kerk in Zutphen is gewijd, omstreeks 778 abdis van het klooster Heidenheim bij Eichstätt. Op een of andere wijze, waarschijnlijk via haar naam, werd Freia-Walburgis, door Sint-Walburgis vervan­gen, maar zij bleef de beschermster der to­verkunsten. In de Sint-Walpurgisnacht, die aan haar feestdag vooraf ging, hielden de tovervrouwen hun bijeenkomsten op heilige plaatsen.
Omdat een feest altijd begint op de voor­avond van de feestdag bij zonsondergang, zijn de voornachten altijd heilig geweest. Sint-Nicolaasavond (Sint-Nicolaasfeest is op 6 december!), kerstnacht, Driekoningen­avond, paasnacht, pinksternacht (Luilak!) en Sint -ansnacht.

Ook in de Sint-Jansnacht drijven, evenals in de Walpurgisnacht, de geesten hun spel. Ook de Sint -Jansnacht is één van de geheimzinni­ge tovernachten. Dan snijdt men de wichel­roede, dan plukt men het sint-janskruid, maar dan durft ook geen schipper uit te va­ren. Het sint-janskruid, ook Jaag-de-duivel genoemd, heeft het vermogen boze geesten te verdrijven. De koningin der toverkruiden echter, de Mandragora, die bij ons Al-ruin of ook Heksenkruid heet, bloeit in de Heilige Kerstnacht!

Heksenwaan
Het weten van geestelijke krachten en mach­ten die de normale ontwikkeling tegenwer­ken en zodoende het kwaad veroorzaken, is er altijd geweest. In de Atlantische periode en ook nog na de ondergang van Atlantis was de mens van nature helderziend, maar hij be­leefde de geestelijke wereld nog in een soort slaaptoestand. Naarmate hij overdag bewuster ging leven (en ’s nachts onbewuster) ver­loor hij dit helderziend vermogen. Toch bleef dit bij sommigen nog lang behouden, al waren er natuurlijk steeds minder lieden, die een mediamieke gave bezaten. Omdat een vrouw over het algemeen minder diep incarneert dan een man en dus kosmischer blijft, waren het steeds meer vrouwen dan mannen die helderziend waren op deze atavistische manier.
Nu kan men deze gaven aanwenden om an­deren te helpen, maar naarmate de menselij­ke ontwikkeling steeds meer in de richting van de ontwikkeling der individuele persoon­lijkheid ging, werd ook het gevaar steeds gro­ter dat deze gaven ten eigen bate werden aangewend. Het is duidelijk dat zij dan ver­derfelijk werken. Dit gebeurde al in de Ger­maanse tijd, maar sinds de 15e eeuw, het be­gin van ons huidige cultuurtijdperk, werden mediamieke personen die zich bewust met toverkunst en ‘zwarte kunst’ bezighielden steeds meer een gevaar. Dit te meer, omdat zij temidden van een be­volking leefden, die voor het allergrootste deel nog maar weinig denk-bewust was en nog vol bijgeloof. Dit bijgeloof kunnen wij beschouwen als een laatste, verworden herin­nering aan de vroegere helderziendheid. Uit deze samenloop van omstandigheden zijn de heksenwaan en de heksenvervolging te verklaren, die in de 16e en de 17e eeuw schrikbarende vormen aannamen. Het woord ‘heks’ duikt in de 15e eeuw als ‘haxa’ het eerst op in Zwitserland en ver­breidt zich snel over Duitsland (Hexe) tot in het Deens, het Fries en het Nederlands. Een ‘heks’ is dan een vrouw (zelden een man) die in contact kan treden met boze machten en daarvan bepaalde krachten kan ontvangen, waarmee zij (of hij) mensen en dieren beto­vert of schade berokkent.

Vleermuizenbloed
Uit het voorafgaande wordt duidelijk waar­om dit geloof aan personen met buitengewo­ne vermogens in de gehele wereld sinds de al­leroudste tijden voorkomt. Maar gebrekkige geestelijke kennis en een geesteswetenschap die nog onvoldoende ontwikkeld was, deden in de rooms-katholieke kerk evenals in de protestantse kerken, die beide de werk­zaamheid der abnormale geesten (die men satans of duivels noemde), bleven zien, een angst voor heksen en
duivelskunsten ont­staan, die alle redelijk bewustzijn maar al te vaak verduisterde. De gebrekkige rechtspraak deed dit angstgevoel tot vervolgingen, zelfs massale verbrandingen ontaarden. Het is opmerkelijk, dat men in Nederland over het algemeen veel nuchterder bleef dan elders. Hiervan getuigt onder andere de Heksenwaag te Oudewater. Volgens het zeer vaak herdrukte boek ‘Malleus maleficarum’ (Heksenhamer), geschreven door de Duitse dominicanen Institoris en Sprenger, dat om­streeks 1478 voor het eerst verscheen en dat enorm veel ellende heeft veroorzaakt, waren heksen onder andere te herkennen aan het feit, dat de aardse zwaartekracht geen in­vloed meer op hen had zodat zij zonder ge­wicht waren. Wat was er eenvoudiger, zei men in Nederland, dan iemand die van hek­serij beschuldigd werd, te wegen? Had zij een, voor haar lengte en omvang, normaal ge­wicht, dan was het geen heks! Het bovengenoemde boek bevatte nog meer baarlijke onzin. Zo merkte de duivel zijn vol­gelingen, volgens deze heren, met een teken op het lichaam, het stigma diabolica, dat voor buitenstaanders herkenbaar was aan de gevoelloosheid ervan. Zo meende men ook, dat een heks, na zich met een bepaalde zalf te hebben ingewreven, op een bezemsteel door de lucht kon vliegen. Die bezemsteel zal wel een decadent overblijfsel zijn van de Wolwa-staf uit de oudheid. Nu zijn er verschillende recepten voor hek­senzalf, die dat vliegen mogelijk zou maken, bewaard gebleven. Zij bevatten behalve een aantal magische elementen, zoals bloed van vleermuizen en vet van pasgeboren bokken, aconitum (monnikskap), belladonna (nacht­schade) en sap van de amanita, vooral van de amanita muscaria, de mooie paddestoel met witte plakjes op de rode hoed, die vanwege het heksengebruik dan ook vliegenzwam heet. Het zijn allemaal planten die giftige en roesverwekkende eigenschappen bezitten. Peuckert, hoogleraar in de heemkunde te Göttingen, beschrijft hoe hij samen met een vriend de proef op de som nam. Zij smeer­den het gehele lichaam met de volgens re­cept bereide heksenzalf in. Zij geraakten in een droomtoestand, waarin zij het gevoel hadden, dat ze vlogen, wilde feesten mee­maakten en zich overgaven aan seksuele uit­spattingen. Het door-de-lucht-vliegen van heksen blijkt dus een zielenvoorstelling te zijn.

In onze vijfde na-Atlantische cultuurperiode, die omstreeks 1417 begint, begonnen langza­merhand de puur materialistische voorstel­lingen de overhand te krijgen. De heksen zelf wisten niet meer of zij lichamelijk gevlogen hadden of alleen maar in hun verbeelding en voor de meeste mensen in hun omgeving werd alleen het lichamelijk vliegen een reali­teit.

Goed én kwaad
Nu, in de 20e eeuw, gebruikt men andere, nog veel gevaarlijker middelen die nog ingrij­pender zijn dan heksenzalf, om een ‘heksen­sabbat’ te bereiken. Die vluchten van nu, die trips, hebben desastreuze gevolgen voor het individu en voor de samenleving, erger dan drie eeuwen geleden. Er zijn nog steeds hek­sen, vrouwen én mannen, al noemen wij ze anders.

Hoe kunnen wij deze hedendaagse heksen begrijpen? Dat kunnen wij alleen als wij de moed hebben om in onszelf de heks te zoe­ken. Een gedeeltelijk verbond met de duivel moet ieder mens sluiten wil hij niet geheel aan het kwaad ten prooi vallen. Immers, dank zij het kwaad kan het goede bestaan. Wat is kwaad? Alles wat stil blijft staan in ontwikkeling, bij de harmonische ontwikke­ling achterblijft of eraan vooruitloopt. Maar als alles en iedereen zich tegelijk volkomen harmonisch zou ontwikkelen, dan was er geen onderscheid meer, dan was het goede tegelijk met het kwade verdwenen. Dan was er geen criterium meer. Het hoge bestaat dank zij het lage, en omgekeerd. Zonder duis­ternis was er geen licht. Duisternis is het ont­breken van het goede. En het goede is, vol­gens de prachtige definitie van Thomas van Aquino: ‘Dat, waar alles naar streeft.’ Plus maal plus blijft plus. Dat weten we uit de algebra. Maar er is niet alleen plus. Er is ook min, in de wereld en in onszelf. Het ongelouterde deel van onszelf uit dit leven en uit vorige levens dragen wij met ons mee. Dat kunnen wij niet ontlopen, al proberen wij het weg te stoppen. Wij moeten er mee leven en het vereffenen. Maar min maal plus of plus maal min wordt altijd min! De enige mogelijkheid om een negatief getal positief te maken is: het te vermenigvuldigen met een negatief getal. Hoe is dat te begrij­pen? Moet je dan een duivel worden? Nee, je moet vermenigvuldigen! Wij bidden: leid ons niet (negatief) in verzoeking (negatief). Een getal is een resultaat, of het nu positief of negatief is. In de geestelijke wereld komt het aan op het doen.

Om de duivel te overwinnen moeten wij in de materie duiken en een verbond met hem sluiten. Dat doen wij al, wanneer wij op aar­de komen. En wij zullen het tijdens ons le­ven vele malen moeten doen. Waar het om gaat is de mate van bewustzijn waarmee wij dat doen. Hoe minder het kwaad herkend wordt, des te gevaarlijker wordt het. Wij hebben allen zowel het kwade als het goede in ons. Wij hebben Sneeuwwitje in ons, maar ook de boze koningin. Wij kunnen allen een priester of priesteres worden, maar ook een heks.

Kundrie
Wij leven in een Michaëlische tijd, waarin de strijd tegen de abnormale geesten een hoog­tepunt bereikt. Wel is de tijd, waarin het ma­terialisme hoogtij vierde, voorbij. Miljoenen zoeken naar het contact met de geestelijke wereld. Maar is ons streven naar de geest in dienst gesteld van onze medemens of is het op eigen voordeel gericht? Het is een strijd op leven en dood om de heks in ons te over­winnen.

Met meiboom en meitak begon het oeroude feest van het ontwakende leven, van de over­winning op de dood. Het mysterie van Golgotha, Christus’ dood en opstanding, maakte dit feest tot een doodsoverwinning, die voor ieder mens mogelijk is. Een andere weg dan die van Christus om de aardedood, de dood van de materie, te ontvluchten, en ongedeerd de geestelijke wereld te bereiken, is er niet. Meiboom en meitak zijn tot een Christus­symbool geworden in de palmpaasstok. Deze moet de Wolwa-staf en de heksenbezem ver­vangen.

Vroeger werd de mens die open stond voor de geestelijke wereld, maar daar eigen voor­deel uit probeerde te halen, als heks buiten de samenleving geplaatst. Nu, in deze tijd van groeiend ik-bewustzijn heeft iedere zoe­ker naar de geest een ontmoeting met zich­zelf. Het ongelouterde deel van zijn wezen, wat de mens niet gezien of verdrongen heeft, de heks, komt tevoorschijn. De heks is niet meer alleen temidden van ons, ze is ook in ons.

Het prototype van deze heks is Kundrie uit Wolfram von Eschenbachs Parcival. Parcival is opgenomen in de kring der edelste ridders.
Als een engelachtig wezen komt hij hen voor Maar dan komt Kundrie-de-heks op hem af. Zij ziet er afstotelijk en dierlijk uit, al kent zij ook vele talen en beheerst zij vele weten­schappen. Zij klaagt Parcival aan en ver­vloekt hem om zijn verstokt gemoed, waar­door hij zweeg in de Graalsburcht en de vraag niet stelde die de visserkoning uit zijn lijden, dat hij door Kundries schuld moest ondergaan, zou hebben verlost. Parcivals heiligheid blijkt een drogbeeld. Men kan de moeilijke treden van het materiële aardse le­ven niet overslaan. Alle uiterlijke successen en eerbetoon in de wereld blijken uiteinde­lijk waardeloos.
‘Kundrie bracht’, zo zingt de dichter, ‘zo onvriendelijk en toch zo trouw, aan de held Parcival diepe smart.’ Parcival zelf zegt: ‘Een streng oordeel is over mij uitgesproken. Het zou zinloos zijn mij hier nog te willen recht­vaardigen.’ Pas in de Graalsburcht, in de Christusburcht, worden zowel Parcival als Kundrie verlost.

De christelijke ontwikkelingsweg is deze: dat wij trachten goed en kwaad zó bij elkaar te brengen, dat wij de richting, waarin onze ontwikkeling moet gaan niet uit het oog verliezen.                                                                 

Met Sint-Jan heeft de aarde zich overgegeven aan de kosmos. Ook de mens gaat dan op in de levensvolheid der natuur. Alle levensfees­ten, wanneer de dag langer is geworden dan de nacht, vinden hun hoogtepunt op het moment van de zomerzonnewende, als de Christuszon haar hoogtepunt bereikt. Maar op datzelfde ogenblik worden de dagen korter. Dan begint de mens, die zich met Moeder Aarde heeft overgegeven aan de geestelijke wereld, tot zichzelf te komen. Dan begint hij te beseffen, dat hij al het oude moet afleggen dat de leugenwolf der oude helderziendheid voor hem verderfelijk is geworden, dat de draak van de “zelfzucht hem van alle kanten belaagt en dat hij zelf uit eigen vrije kracht, met Christus’ hulp, de weg naar de geestelijke wereld terug moet vinden. Dan begint hij te begrijpen, dat de heks in onszelf overwonnen moet worden en wij als Wolwa, als Wala, ernaar moeten streven ‘met helende handen te gaan door het leven’, zoals de Edda zegt.

De heks is bezeten, de priester(es) geïnspi­reerd. Aan de zondares werden al haar vele zonden vergeven, omdat zij veel echte liefde gaf. (Luc. 7:47). Verscheen de opgestane Christus niet het eerst aan Maria van Magdala van wie Hij zeven boze geesten uitgedreven had? (Marc. 16:9). Dit ligt allemaal besloten in het woord van Johannes de Doper, wiens geboorte wij in de Sint -Jansnacht vieren: ‘Christus moet groeien in mij, ik moet afne­men.’

Henk Sweers, ‘Jonas”nr.  22, 22 juni 1984

.

St.-Jan: alle artikelen
.

Jaarfeesten: alle artikelen

205-194

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

­

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.-Jan – alle artikelen

.

Tussen Sint (met hoofdletter) en Jan komt een koppelteken.  Wanneer Sint wordt afgekort tot St volgt een punt en het koppelteken: St.-     In samenstellingen die niet met het feest hebben te maken, verdwijnen de hoofdletters: sint-janskruid.

1. Het jaarfeest van St.-Jan
Paul Veltman over: Johannes de Doper; doop in de Jordaan; twee aspecten van St.-Jan;
naar welke ‘verander uw zin’ moet het gaan

2. St.-Jan’s feest
Yvonne Hummel over: het verdwijnen van de verbondenheid met het goddelijke; Johannes de Doper, zomer, vuur wordt offervuur

3. St.-Jansfeest vieren
Martine over: feesten zonder kinderen; kinderen in de zomer; inkeer

4. ‘De bijl aan de wortel’
Jacobus Knijpenga over: verband christelijke feesten en natuur; tegenstelling Kerst en St.- Jan; wie is Johannes de Doper; boom als beeld; ontwikkeling vanuit eigen kracht

5. Knutsels en bakken
Tineke Geus
over: Stokbrood boven vuur;
Over: graskrans; ketting van madeliefjes en paardenbloem; met schelpjes; met gedroogde bloempjes;
Els Boekelaar over:grasbol; graspoppen; scheepjes van schors; zomerfee;
Tineke Geus, Annet Schukking over: bloemenhoed; bloemenkoekjes en taart; vlierpannenkoeken;
Over: grasbol; graspopje; racebootje van hout; kersenpitten bewaren om er een warmtekruik van te maken; vlierbloesemlimonade; vlierbloesempannenkoeken; zonnewijzer van tak en steentjes;

6. Sint-Jan, een feest in de buitenlucht
Marieke Anschütz over: zomer; tegenstelling kerst en St.-Jan; wat is feest; midzomer-midwinter; Johannes de Doper; tot inkeer komen; Franciscus; St.-Joris, vertelstof klas 2

7. Sint.-Jan: keerpunt in het jaar
Marieke Anschütz over: opvoeding: ritmisch proces; ademhaling; zomer – winter; St.-Jan ommekeer in het jaar; Johannes de Doper; kies je ogenblikken van rust (inkeer)

8. St.-Jan
Map de Voogd over: zomer-winter; Kerst-St.-Jan; zomerwende; Johannes de Doper; de ommekeer in ons

 9. Het feest van St.-Jan
Henk Sweers over: vóór-christelijk bij de Germanen; in folklore; Johannes de Doper; tegenstelling Kerst en St.-Jan; op Terschelling; ‘naar Oostland willen wij rijden’; extase bij de vroegere feesten;

10. Sint -Jansfeest vieren
Els Boekelaar over: hoe vier je het eigenlijk; zoektocht naar persoonlijke verhouding tot dit feest

11. Zomertijd – rijpingstijd
Marieke Anschütz over: Johannes de doper; Isenheimer altaar, zomer

12. Oude gebruiken houden hardnekkig stand
H.van Iperen over: folklore in Nederland; heksen; sintjanstros, sintjanskruid

13. Keerpunt in het jaar
Marieke Anschütz over: zomer; Johannes de Doper, Jonannes uit de Apocalypse, Saulus-Paulus

14. Vuur
C.J.Verhage over: het vuur; scheikundige benadering; fenomenologische benadering;

15. St.-Jan Midzomer
C.W. over: natuur; keerpunt in de zomer; keerpunt in jezelf; bezinning

16.Vuur
Elsabe Barfod over: ervaring van een St.-Jansavond; (kamp)vuur

17. Vogelschieten
Elsabe Barfod over: vogelschieten, een Duitse St.-Janstraditie; duif

18. St.-Jans vier
Gedicht Guido Gezelle

19. St.-Janshymne
Ontstaan van do-re-mi

20. Vuur
Esther Buekers over: de 4 elementen buiten en binnen ons; vuur; Prometheus

21. St.-Jan
Hedie ter Stege over:  hoe vind je toegang tot dit feest; bewuster beleven

22. Sint -Jan, midden in de zomertijd
Tinke Geus en Marieke Anschütz over: zomer, natuur, Johannes de Doper, echte bloemen, verhouding tot St.-Jansfeest

23. Sint -Jan, ‘zij klom hoger en hoger’
Else Tideman over: een sprookje met een sintsjansmotief (geen titel)

24. St.-Jan
Over:  kringspel  ‘de zevensprong’

25. St.-Jan, een feest in het teken van het offervuur
Maarten Udo de Haes over: spiegelingen in het jaar: winter-zomer; Johannes de Doper, seizoenen, vierledige mens; gedicht C.F.Meyer ‘Das heilige Feuer’; gedicht Marsman ‘Phoenix’;

26. De levensboom
Willemijn Visser ’t Hoofd over: St.-Jan; natuur; levensboom in verschillende culturen; Edda; knipwerk van  papier

27. In de Sint -Jansnacht spelen de geesten hun spel
Henk Sweers over: wijze vrouwen bij Germanen, Grieken, Romeinen, in Edda; heksen (-gebruiken,-vervolging); goed en kwaad; Parceval, Kundrie

28. Trommeltjes vol kruiden en bloemen
Nicole Karrèr als ouder over: St.-Jan; zomer- en winterzonnewende; zomer in de natuur. Feestende kinderen

29. Het vieren van de jaarfeesten
Annemieke Zwart over: Johannes, profeet van de inkeer: Ik; persoon en persoonlijkheid; Johannes de doper; inkeer, ommekeer, inzicht; geestelijke wezens

30. Johannes de Doper
Onbekend over: zomertypering; Johannes de Doper; Jezus en Johannes;

31Zomerfeest -Johannesfeest
J. v.d. Stok over: zomerfeest vroeger; winterfeest vroeger;  de christelijke jaarfeesten; natuur door de jaargetijden; Johannes de doper; (artikel geheel gebaseerd op antroposofische gezichtspunten)

32.St. -Jansfeest vieren met kinderen
Martine Leicher over: de natuur in de zomer, door het jaar heen; jaarfeesten met kinderen – het Sint- Jansfeest.

33.Jaarfeesten
Noor Roes over; de verschillende jaarfeesten: als herinnering; als toekomst;                             
34.Zomer, tijd van beproeving|
Rinke Visser over: Examens in de zomer? Karakteristiek van een schooljaar en een kalenderjaar; (het artikel is geen ‘echt’ Sint.-Jansartikel)

35. St.-Jan: keerpunt in de tijd
Over de spiraal

 

204-193

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.-Jan (26)

.

DE LEVENSBOOM

Knipsels voor bijzondere gebeurtenissen

Zonnewende, 21 juni, midzomer­nacht. Het licht wil maar niet wijken, niemand gaat naar bed. Als het weer mee zit, blijven we allemaal laat bui­ten. De kamperfoelie geurt, de rozen­struiken zijn zwaar van de bloemen, de bomen staan dik in het groen en keren hun jongste loten naar ons toe. Het kon niet op sinds de lente. In weer en wind zijn alle planten onstui­mig gegroeid en uitgebot, maar nu heeft de zon dan toch haar hoogte­punt bereikt, en daarmee de groei­kracht ook.
Dan komt Sint-Jan, het feest van de omme­keer, van de wending. We vieren het hoogte­punt, de overvloed die ons gegeven werd. Maar we vieren het in het licht van de rijpingstijd die komen gaat. De planten vormen hun zaden, zetten het licht om in levens­kracht voor het volgende jaar. Wij nemen een pauze, adempauze, gaan met vakantie en be­raden ons intussen op wat we daarna zullen gaan doen. Het licht van buiten slaan we op in onszelf om het als zoeklicht in de donkere maanden te kunnen gebruiken. Sint-Jan is een natuurfeest bij uitstek. Waar­om? Allereerst omdat het een midzomerfeest is en wij al het bloeiende om ons heen ge­woon niet uit de viering weg kunnen denken. Verder heeft Johannes de Doper zelf ook een duidelijke verwijzing naar de natuur ge­geven toen hij zei: ‘De bijl is aan de wortel der bomen gelegd’. Het oude waarop we ver­trouwden is aangevreten, we moeten een nieuwe, eigen weg zoeken. Dat Johannes het boommotief kiest voor de­ze boodschap is allerminst verwonderlijk. Met zijn kruin in de hemel reikt hij naar het licht dat hij nodig heeft om te leven, tegelij­kertijd is hij stevig geworteld in moeder Aar­de waar hij zijn voedsel vandaan haalt. Beide zijn nodig voor de groei, ook voor de geeste­lijke groei van een mens. Als in de wortels wordt gehakt, wordt de ontwikkeling be­dreigd, moeten we naar iets anders gaan uit­kijken.

De boom komt als levensboom of kosmische boom in de mythologie van vele culturen voor. Hij dringt door tot de drie sferen van de hemel, de aarde en de onderwereld en weerspiegelt daarmee de kosmos. Hij is on­derhevig aan de wetten van de organische ontwikkeling, zoals de wisseling der seizoe­nen en wordt beleefd als de microkosmos, die de macht van het heilige belichaamt. Door zijn jaarlijkse ‘dood’ en ‘wedergeboor­te’ verbeeldt een boom de voortdurende rege­neratie van alle leven.

We kennen uit sprookjes ook de boom die redding brengt in een hopeloze situatie en waarvan de vrucht met moeite kan worden veroverd. Een tak moet geplukt of dient ter bescherming tegen boze machten. Uit de cul­tuur van de Indianenstam Sioux is het ver­haal bekend van de medicijnman en ziener Zwarte Eland die, toen hij negen jaar oud was, een visioen had waarin hij werd meege­nomen naar het middelpunt van de wereld. Daar ontmoet hij het centrum van de schep­ping, de voorvaderen die ‘alle wezens op aar­de met wortels, benen en vleugels hebben ge­maakt’. Zij verschijnen aan hem als oude mannen, ‘oud als de bergen’, als de sterren en als de paarden van de vier windstreken. Van hen krijgt hij een boog, het kruid van macht en verstand, een vredespijp en een tak van de levensboom. Het was een bloeiende tak die leefde en aan de uiteinden nieuwe lo­ten gaf. Aan deze loten kwamen vele blaad­jes die ritselden en in het loof begonnen de vogels te zingen. ‘Deze zal in het middelpunt van de kring van de natie staan’, zei de voor­vader. ‘Een stok om mee te wandelen en een hart voor het volk en door jouw krachten zul je hem tot bloei doen komen.’
In de Edda wordt door een zieneres de le­vensboom Yggdrasil beschreven: ‘Ik ken de negen werelden, negen sferen die  bedekt worden door de wereldboom. De boom die geplant is in wijsheid en die wortelt in de schoot der aarde. Ik ken een esp die Yggdra­sil heet. Die grote boom is nat van wit water. Daaruit stijgt de dauw die in de dalen valt. Hij groeit eeuwig groen naast de bron van Urd’. Bij de voet van de boom ontspringt de bron van de herinnering. Terwijl drie schikgodinnen de wortels dag en nacht water geven wordt er door de reuzenslang Nidhuggur voortdurend aan geknabbeld. De levensboom als wereldas, als Axis Mundi die middenin het universum staat, het stille punt waar alle schepping vanuit gaat wordt uitgebeeld in de Boeddhistische stoepa’s. De ene kant is bevestigd aan de poolster of de zon als vast punt waar de andere hemellichamen omheen draaien. Vanuit dat punt gaat hij dwars door de verschillende niveaus van het zijn tot in de onderwereld. Onder deze kosmische boom kreeg prins Sidhartha, toekomstige Boeddha, zijn verlichting. In het Nieuwe Testament beschrijft Johannes de Evangelist de levensboom die aan het einde der tijden in het midden van de hemelse stad Jeruzalem zal staan. ‘En de Engel toon­de mij een rivier van water des levens, helder als kristal, ontspringende uit de troon van God en van het Lam. Middenop haar straat en aan weerszijden van de rivier staat het ge­boomte des levens, dat twaalf maal vrucht draagt, iedere maand zijn vrucht gevende; en de bladeren van het geboomte des levens zijn tot genezing der volkeren.’ [Openbaring v Joh.22]
De bloeiende amandelboom stond model voor de levensboom zoals die in de joodse traditie werd uitgebeeld. Mozes kreeg de op­dracht naar haar voorbeeld de zevenarmige kandelaar, de Menorah, te maken. Deze boom van licht omvatte de zeven bekende planeten zon (schoonheid), Venus (pracht), Mars (vastheid), Mercurius (grondvest), maan (koninkrijk), Saturnus (oordeel) en Jupiter (liefde).
De Menorah werd vaak uit papier geknipt en tezamen met andere symbolische knipsels opgehangen aan de oostmuur van het huis, de muur die naar Jeruzalem wees, en die ook de richting aangaf waarin men zich voor ge­bed opstelde.

st,jan levensboom 2
Joods knipwerk stoelt op een oude traditie. Al in de veertiende eeuw leefde in Spanje een zekere Rabbi Shem Tov ben Yitzhak ben Ardotiel die een verhandeling schreef, of lie­ver, knipte. Sindsdien is knipwerk bekend uit alle joodse centra, dat wat betreft vorm en onderwerp opvallend veel overeenkomst vertoont.

st. jan levensboom

De levensboom vormt erin een vast motief, naast de Davidsster en de Kroon. He­breeuwse letters verwijzen naar teksten uit de Talmoed. Het is niet onwaarschijnlijk dat gevluchte Portugese joden uiteindelijk de knipkunst in Nederland overbrachten. De meeste knipsels hier werden ter gelegen­heid van een gebeurtenis gemaakt, die bij­zondere betekenis had voor het gezin of de familie zoals een geboorte of een bruiloft. In de loop van de zeventiende eeuw ontwikkel­de zich de knipkunst in Nederland tot een ware volkskunst waarvan in verschillende musea nog de resultaten te bewonderen zijn. Voor diegenen die het knippen weer willen oppakken, bijvoorbeeld om een levensboom te knippen geef ik hier een paar praktische richtlijnen. Ze zijn ontleend aan het boekje Leer knippende zien van I.G. Kerp-Schlesinger (Cantecleer, De Büt 1977).

st,jan levensboom 4

–  Neem zwart, mat papier, ongeveer zo dik als het papier van een schoolschrift.   Sitspapier is door het lichteffect minder geschikt.

–  Als schaar wordt een rechte, slanke schaar gebruikt, die ook voor knipwerk gereser­veerd moet worden, er mag namelijk geen enkele onregelmatigheid op de bladen ko­men. De schaar moet soepel lopen.
–  Houd wat behangerslijm bij de hand in ge­val er iets teveel is weggeknipt. Er kan aan de achterkant van het knipwerk een stukje wor­den bijgeplakt om de fout te herstellen.
–  Het knippen begint waar de bladen van de schaar elkaar kruisen. Sluit de schaar niet zover dat de spitse punten elkaar raken. Dan komen er hapjes in de lijn die geknipt wordt.
–  Een knipper begint onderaan zijn werkstuk. De hand met de schaar verandert nauwelijks van richting, maar het papier wordt steeds gedraaid. De ene hand duwt dus langzaam de bladen van de schaar tegen elkaar terwijl de andere vlug het papier heen en weer be­weegt.
–  Bij een vouwknipsel (een papier wordt doormidden gevouwen en langs de vouwlijn dubbel geknipt) kunnen met potlood hulp­lijnen worden getrokken evenwijdig aan de vouwlijn die het gemakkelijk maken de fi­guren even groot te maken.
–  Symmetrie speelt in veel knipwerk een gro­te rol vandaar dat vele knipsels als vouwknipsels gemaakt worden waardoor je vanzelf de linker- en rechterkant van het papier hetzelf­de bewerkt. Begin met de middelste vorm en knip de buitenlijn van je figuur. Met nieuwe vouwlijnen kun je binnen iedere helft weer nieuwe symmetrie inknippen. Daarin is het belangrijk dat er een goede verhouding ont­staat tussen uitgeknipte en uitgespaarde vlak­ken. Je een voorstelling vormen van de fi­guur die je wegknipt kan daarbij een grote steun zijn.

st.jan levensboom 20005
–  Wil je uit een vorm een binnenvorm weg­knippen, houd dan even je vinger achter het papier zodat het niet uitscheurt.
–  Door een en dezelfde figuur gelijktijdig uit verschillende op elkaar liggende vellen papier te knippen heb je materiaal voor samenge­stelde composities die je later in kunt voe­gen.
– Tenslotte: eerst oefenen met eenvoudige vormen, een hartje, een denneboom, een vlinder.

Wie weet, als het erg hard regent op Sint-Jan, dan knippen we onze eigen levensboom uit in zwart papier!

 Willemijn Visser ’t Hooft, ‘Jonas’ 22, 22 juni 1984

.

St.-Jan: alle artikelen
.

Jaarfeesten: alle artikelen

203-193

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.- Jan (5)

.

KNUTSELS

Zie vooral: Tineke’s doehoek

brood in het vuur
In de donkere tijd van het jaar sprongen we over de kaarsjes (in een turf gestoken) in de kelder. In de midzomertijd dansen en zingen we om het vuur buiten.
Vuur kun je maken met een loep, waarin je de zon laat schijnen op een hoopje droog gras. Op elk vuurtje buiten kun je stokbrood bakken. Maak eerst deeg:

=500 gr. meel
=20 gr. gist
=wat honing
=2 dl. water

Laat het deeg een uur rijzen, zoek in die tijd stokken en schil van de punt de bast af. Het deeg nog even doorkneden en om de punt van de stok doen. Te slap deeg rolt van de stok!
Dan houden we het broodje boven het vuur, steeds draaien, anders wordt het deeg ongelijk gaar. Lichtbruin en droog uitzien, betekent dat het klaar is, het is dan aan de stok gerezen en dat is heel spannend! Het gat kun je vullen met jam, kwark met honing of kaas.

(Tineke Geus, in . Jonas’ nr.21, 12 juni 1981}

met, uit de natuur
Een krans van mooie bladeren: dakpansgewijs – vastzetten met kleine stokjes;
=Graskrans: bosjes gras met garen aan elkaar binden;

=Graskrans: 3 bosjes gras (halmen, bloemen, enz) en vlecht deze; telkens wanneer een bosje bijna op is, weer een bosje erbij doen, omwikkelen met dun draad of een lange grashalm.
=Ketting van paardenbloemstelen: een schakel: boveneind steel in ondereind steken;
=Kransje van madeliefjes: eerste madeliefje neerleggen met kopje naar links; 2e madeliefje ook, met bloempje naast 1e bloempje; bloempje van het 2e om steeltje van het 1e draaien en tussen steeltje 1e en eigen steeltje vastzetten, enz;
=Krans van bloeiende paardenbloemen: steel van de 1e, door steel van de 2e enz.
=Zoek op het strand de mooie schelpjes in zachte pasteltinten en lijm ze op bv. luciferdoosjes, closetrolletjes of op karton;
=droog madeliefjes en andere kleine bloemetjes in een telefoonboek en lijm ze op correspondentiekaarten. Zo heb je gezellige ansichtkaarten in voorraad.

(bron onbekend)

zomerfee
 maken van zijdevloei, bloe­men om haar heen; als mobile, of op een ‘jaargetijdentafel’, of midden op tafel bij een feestelijke maaltijd.

grasbol
van een hele of halve aardap­pel: gaatjes met stopnaald prikken – allerlei bloeiende grassen erin – hangend (hele aardappel) of staand (de halve).

buiten eten
Kersen!

poppen van gras
Bundel gras dubbel buigen, kleine bundel (als armen) er kruislings op vastbinden zodat hoofd -armen – rok ontstaan.

veel zangspelletjes doen
met jonge kinderen.

scheepjes van schors
voor in het water.

schelpjes
op een met gekleurd papier beplakte grote lucifersdoos plakken, (met velpon).

inmaak
voor de winter maken.

pannenkoeken met vlierbloesems
erin bakken .(zie onder)

vlierbloesemsap
maken.

vuur stoken
(als dat is toegestaan).

tafereel maken in huis
op een apart tafeltje met veel bloemen, grassen, (edel) stenen.

( Els Boekelaar , ‘Jonas’ nr.21 van 16 juni 1978)

bloemenhoed
Naai bloemen en bladeren met groen garen op een (oude) zonnehoed. Is de bol stuk, versier dan de overgebleven rand, dat staat prachtig met het hoofdhaar eroverheen ge­drapeerd!

st,jan

bloemenkoekjes en taart
(Wie anti-suiker is zit fout met deze koekjes, dan maar madeliefjes op de rauwkostsalade). Elke willekeurige taartbodem kan gebruikt worden, maar er moet een opstaande rand langs zijn. Verder geldt hetzelfde recept als wat hieronder volgt voor de bloemenkoekjes. Voor een taart uiteraard meer bloemen ge­bruiken.

Voor de koekjes (circa 15 stuks):
3 eiwitten,
2 ons witte basterdsuiker,
1 ons meel,
vanil­lesuiker,
(eventueel melk, als het beslag te dik is).

Eiwitten stijfslaan, met suiker tot gladde massa roeren. Voeg daarbij meel en vanille. Het deeg moet net vloeibaar zijn. Dan in kleine hoopjes op de bakplaat leggen.
Oven­stand 4 gebruiken, in 5 a 10 minuten heel lichtbruin laten worden en meteen vormen als ze uit de oven komen (indeuken eigen­lijk).
Zet ze op kleurige papieren rondjes. Bloemen: hortensia, primula, boterbloem, madelief.

suikerstroop
1 pond suiker met 1 glaasje water in een pan verwarmen. Als een druppel van dit mengsel meteen stolt als je deze op een bord laat vallen is het goed. Doe wat van dit mengsel in het koekje, leg er een bloeme­tje op en dek het af met nog wat suiker­stroop.

vlierpannenkoeken
Vlierbloemetjes door pannenkoekbeslag roe­ren, dunne stengeltjes kunnen er ook bij en dan pannenkoekjes van bakken. Heel feeste­lijk is dat als het op een buitenvuurtje kan met een simpel stenen muurtje eromheen en daarop een metalen roostertje om de pan op te zetten.

Van buiten naar binnen: gekleurd zijdevloei, wit papieren kantkleedje, deegbakje met bloemen in suikerstroop:

st,jan2

 ( Tinke Geus en Annet Schukking ‘Jonas’ 21 van 10 juni 1983)

graspopje
Materiaal: een bosje gras

Gebruik een deel van het gras voor de armen. Door het bosje af te te binden ontstaan de handjes. Een langer bosje gras gaat nu om het eerste heen waarna we weer met een dunne grashalm het hoofd, de taille en de benen afbinden.

St.Jan graspopje

zonnewijzer
Materiaal:
een rechte, dunne tak; steentjes

Snij een spitse punt aan de tak en steek hem onder een hoek van 45 graden in de grond, zodat het uiteinde naar het noorden wijst.
Naarmate de tijd verstrijkt, wandelt de schaduw van de stok als de wijzer van de klok over de grond. Met behulp van een horloge kunnen we een steentje of een takje op de plaats leggen waar de schaduw ieder heel en eventueel half uur staat.

racebootje
Materiaal:
figuurzaag
mes
3 elastiekjes
een stukje hout. ca 7×15 cm
een stukje multiplex. 2×4 cm

Zaag een punt aan de voorkant van het stukje hout en zaag er aan de achterkant een rechthoek uit van ongeveer 5 cm lang en 4 cm breed. Maak in de beide uitsteek­sels van de achterkant een inkeping, waarin een elastiekje past. Een zelfde inkeping maakt u in het stukje multiplex, maar dan in het midden. Wikkel een elastiekje stevig om het multiplex heen, zodat het niet los kan gaan zitten. Zowel links als rechts St.Jan racebootjemaakt u aan dit elastiekje een ander elas­tiekje vast. U kunt nu de ‘propeller’ met de beide elastiekjes vasthaken in de inkepin­gen van de achterkant. Door te draaien spant u het elastiek. Zodra u de boot in het water zet en hem loslaat, zal de propeller gaan draaien.

een ‘kruik’van kersenpitten
Materiaal:
1 kg droge kersenpitten
lapjes katoen van 30x30cm

Nog steeds worden de pitten van kersen door Zwitserse boeren als een soort kruik gebruikt. Kersenpitten kunnen namelijk de warmte lang vasthouden. In de koude wintermaanden legde men zakjes met kersenpitten op de grote kachel die de hele kamer verwarmde. Voor het slapen gaan werden ze in de bedden gelegd, want de meeste slaapkamers waren onverwarmd.

De kersentijd duurt over het algemeen niet zo lang en we zijn ook lang niet altijd in de gelegenheid om veel kersen te eten. Bewaar de pitten echter en was ze goed schoon. We kunnen ook onze vrienden en familieleden vragen de kersenpitten voor ons te bewaren. Voor de kruik worden de kersenpitten even­tueel even in kokend water gelegd, zodat er geen vruchtvlees meer aanzit. Als ze goed gedroogd zijn vullen we het zakje en naaien de opening dicht. Bij gebrek aan een kachel zullen we het vaak met de radiator van de centrale verwarming moeten doen.

grasbol
Grassen van gelijke lengte prikken we in een aardappel. Er ontstaat een prachtige zomerse grasbol die lang blijft hangen, doordat het gras het vocht uit de aardappel opneemt. De aardappel droogt slechts langzaam uit.

johannikoeken
Pluk mooie vlierbloesems en schudt de beestjes eruit op een schone doek. Van 4 ons  bloem, 1 ons suiker, 5 eieren, zout en melk een dik beslag maken. Zonnebloemolie verhitten. Nu neemt men 1 bloesem, doopt deze tot het steeltje in het beslag en dan in de hete frituur goud-geel bakken. Bestrooien met poedersuiker en warm serveren.

vlierbloesemlimonade
Zoek mooie bloeiende schermen, 
ongeveer 1kilo. Stop ze  in een grote emmer. Maak een suikerstroop door 4 kilo suiker te verhitten met 4 tot 5 liter water. Gooi dit kokend heet over de bloesem en laat het onder af en toe roeren tenminste 24 uur staan.
Los 70 gram citroenzuur op en roer dit erdoor.
Zeven en in goed sluitende, schone flessen doen.
Zo krijgt u siroop, die nog met water verdund moet worden.

appelmoes
Ook van onrijpe valappels kan een lekkere appelmoes worden gemaakt.
circa 1 kg valappels klein snijden,
in ¼ l water gaar koken samen met
300-400 gr. vijgen zonder steel en de onderstaande kruiden:
steranijs,
1 theelepel venkel,
½ theelepel korian­der,
1 vanillestokje,
1 kaneelstokje,
1 gesneden gem­berwortel,
citroenschilletje.

Door de pureezeef draaien (fijne schijf) en nog eens zoeten met naar keuze wat Demeter suikerbietenstroop, honing of appeldiksap.
Als er grote hoeveelheden valappels moeten worden verwerkt kan men bij wijze van wintervoorraad de appelmoes ook wecken.
Zij vormt een goede aanvulling bij graangerechten met melk, bij vlokken en als broodbeleg en taartvulling.
.

(bron: schoolkrant vrijeschool Uden)
.

St.-Jan: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

.

202-192

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

..

 

 

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.-Jan (25)

.


SINT-JAN

Een feest in het teken van het offervuur

Het Sint-Jansfeest – de naamdag van Johannes de Doper – staat in het teken van warmte, van vuur. Op vele plaat­sen in Nederland werd en wordt nog steeds op 24 juni een Sint-Jansvuur ontstoken.

In dit artikel wordt een verbinding ge­legd tussen dit vuurelement en de vie­ring van het geboortefeest van Johan­nes de Doper.

Het christelijke jaar is in twee grote helften verdeeld. Het eerste deel, van december tot mei of juni, omvat de drie ‘winterfeesten’ (advent, Kerstmis en Driekoningen) en de vier ‘lentefeesten’ (lijdenstijd, Pasen, Hemel­vaart en Pinksteren). Het tweede deel is in traditionele zin de ‘feestloze’ helft van het jaar, waar de zondagen na Pinksteren slechts geteld worden tot de volgende advent, zon­der dat ze een speciaal eigen feestkarakter hebben.

Door moderne geesteswetenschappelijke in­zichten, die in de antroposofie bestudeerd kunnen worden, als ook door de christelijke eredienst, zoals deze in vernieuwde vorm in de gemeenten van de Christengemeenschap gevierd wordt, is in deze eeuw een indruk­wekkende dimensie aan deze tweede helft van het christelijke jaar toegevoegd. De ‘hei­ligendagen’ 24 juni en 29 september zijn na­melijk van gedenkdagen van Johannes de Do­per respectievelijk de aartsengel Michaël uit­gegroeid tot ‘volwaardige’ feestgetijden, die in gewicht naast of tegenover de van oudsher ‘bekende’ feesten staan. Vanuit de genoemde tweedeling ontstaat dan ook een viervoudige opbouw van het christe­lijke jaar, dat – overeenkomstig de natuurlij­ke vierheid van de seizoenen – als een groot kruisteken winter en zomer, herfst en lente met elkaar verbindt (zie de eerste aflevering van deze serie van jaarfeestenbijlagen, Jonas 2,jrg. 14). De polariteit van zomer-en win­terfeest is zelfs opvallend nauwkeurig aflees­baar aan de datum: tegenover de kerstnacht van 24 op 25 december staat de dag van Sint-Jan op 24 juni: de innerlijke verbondenheid tussen Jezus en Johannes komt in hun beider geboortedagen tot uitdrukking. Hiermee staat in natuurlijke samenhang, hoe de aan­kondigingen van beide geboorten eveneens tegenover elkaar staan: aan de aanstaande va­der van Johannes (Zacharias) in de herfst; aan de aanstaande moeder van Jezus in de lente.

St.Jan kruis seizoenen

De verbondenheid tussen Johannes en Jezus wordt overigens op intieme wijze in het Lukasevangelie beschreven, wanneer Maria -kort na de aankondiging van de geboorte van Jezus Elizabet opzoekt, die dan dus in de zesde maand is. ‘En toen Elizabet de groet van Maria hoorde, geschiedde het, dat het kind opsprong in haar schoot. Een heilige geest vervulde Elizabet, zij hief aan met machtige stem en sprak: Gezegend zijt gij onder de vrouwen! Gezegend de vrucht van uw schoot! Hoe word ik zo geëerd, dat de moeder van mijn Heer tot mij komt? Zie, toen mijn oor het geluid van uw groet ver­nam, sprong het kind in mijn schoot van blijdschap op…’

Zo staan de beide verwekkingen tegenover elkaar, Pasen met de Michaëlstijd verbin­dend; en de beide geboortes, Kerstmis en de tijd van Sint-Jan met elkaar verbindend. Een groot kruis verdeelt de ‘ring van het jaar’ in vier gedeeltes. Zoals deze vierheid – althans in de gematigde zones van de aarde – onder andere in de afwisseling van de seizoenen zijn natuurlijke uitdrukking vindt, zo wordt deze vierheid volgens christelijke traditie, die door geesteswetenschappelijke onderzoeking wordt bevestigd, eveneens vanuit de boven­zintuiglijke wereld gemarkeerd. Vier aarts­engelen verbinden zich achtereenvolgens met deze feestgetijden, ieder zijn eigen kenmer­kende gaven en krachten schenkend.

Uriël
In een vorig artikel (Jonas 17, jrg. 14) werd beschreven, hoe de aartsengel Rafaël met zijn genezende krachten (wat zijn naam al zegt) zich met de Paastijd verbindt. De aartsengel Uriël komt vervolgens in de tijd van onze zomer ‘op de voorgrond’ en geldt als genius van het feest van Johannes de Doper. Het Hebreeuwse woord ‘ur’ of ‘or’ (hetgeen ‘licht’ betekent) geeft een wezenlijk kenmerk van deze tijd. Het is een licht van goddelijke oorsprong (Uriël wil zeggen God is licht, of het licht van God), dat uit schep­pende offerkracht voortgekomen is, respec­tievelijk voortkomt en dus ook warm is. Dit licht heeft deze eigenschap (namelijk dat het warm is) met het zonlicht gemeen, aangezien het voortkomt uit een vuur, een onvoorstel­baar machtige offervlam.
De Sint -Janstijd staat in het teken van het vuur, en daarmee in het teken van-warmte, licht en offer. Vanuit die achtergrond is het begrijpelijk, waarom het gebruik zich heeft ontwikkeld in deze tijd van het jaar vuren aan te leggen en te ontsteken. De natuur geeft al veel licht en warmte, vooral in zeer noordelijk gelegen landen. De weinige duis­ternis en de koelte van de korte nachten wor­den dan ook nog verdreven door het oplaai­ende vuur. Een gebruik overigens, dat door menigeen als (te) extatisch wordt beleefd en voor traditioneel-christelijk ingestelde men­sen ook wel zeer ‘heidens’ aandoet.

Goddelijke vonk
Geheel los van de vraag of we in deze uiter­lijke vorm dit gebruik al of niet kunnen of willen volgen, lijkt het in ieder geval zinvol om nader op het element van het vuur in te gaan.

Wanneer we de mens viervoudig opgebouwd denken, herkennen we daarin zonder veel moeite of dwang de vierheid van de ‘klassie­ke’ elementen aarde, water, lucht en vuur. Het stoffelijke en daarmee ook sterfelijke li­chaam is het aarde-element aan de mens, ter­wijl het hele organisme dat tegen deze doodskrachten in leven aan het lichaam geeft wordt gekenmerkt door stromende beweging als van water. Het vloeibare element en in het bijzonder het water, is voorwaarde voor leven. Het leven, dat als zodanig een stro­mend, pulserend karakter heeft, verbindt zich met dat element, dat diezelfde eigen­schappen bezit.

Naast dit levensorganisme, dat in de antropo­sofische geesteswetenschap het etherlichaam wordt genoemd, heeft de mens ook het zoge­naamde astraallichaam, waar ‘bewegingen van de ziel’ zoals sympathie en antipathie, angst en hartstocht zich afspelen. Bewegingen, waarbij de ‘adem plotseling kan stokken’, of waar het ‘stormachtig’ toegaat vertonen overeenkomst met het element van de lucht. Tenslotte draagt de mens het vierde element, namelijk dat van de warmte in zich, waarin bij uitstek datgene thuishoort, wat de mens is (in tegenstelling tot wat hij heeft), name­lijk zijn individualiteit, ook wel zijn ‘godde­lijke vonk’ genoemd, hetgeen ook op het ele­ment van het vuur duidt! In het verband van ons onderwerp is het ove­rigens boeiend te ontdekken, hoe wij deze vier elementen ook weer terug vinden in het kararakter van de seizoenen: hoe in de winter door de koude het verstarrende element van de aarde de overhand heeft; hoe met het op gang komen van alle sapstromen in de lente het levenselement van het water de hoofdrol speelt; in de herfst voert in wind en storm het element van de lucht duidelijk de boven­toon, terwijl tenslotte in de zomer bij uitstek de warmte om zo te zeggen dominant is. Om nu terug te komen op het onderwerp van het vuur, zijnde het element, waarin het eigenlijke wezen van de mens, zijn ik, thuis­hoort, wil ik een paar dichters aan het woord laten, die dat tot uitdrukking brengen.
C.F. Meyer heeft zich in het gedicht ‘Das heilige Feuer’ laten inspireren in die zin, dat hij de consequentie beschrijft, die het onbe­waakt laten uitgaan van het heilige vuur in de mens met zich meebrengt, namelijk het ‘levend begraven te worden’, met andere woorden een – in letterlijke zin – ‘ondergang’ van zijn existentie. In dit gedicht büjkt ook, dat deze vlam voortdurend bewaakt en ver­zorgd moet worden, zodat er een bestendige warmte ontstaat, en niet een onrustig flakke­rende fakkel die het ene ogenblik dreigt uit te gaan en het volgende moment hoog en heet oplaait.

In uiterlijke zin komt dit zelfs ook in onze lichaamstemperatuur tot uitdrukking. Pas in een uiterst evenwichtige en bestendige warmte kan het mensenwezen leven en wer­ken. Ik verlies mezelf wanneer ik hetzij koelbloedig of, omgekeerd, heethoofdig ben. Zowel wanneer iets mij totaal ‘Siberisch koud’ laat, als ook integendeel, wanneer ik heetgebakerd van woede kook, ‘ben ik mij­zelf niet meer’, ben ik niet helemaal aanwe­zig.

Offervuur
In het onderstaande gedicht van Marsman komt het element van het offer tot uitdruk­king, zoals we dat kennen uit het mythologi­sche beeld van de vogel Phoenix. Vanuit het verterende vuur, waar oude waarden en veel­al dierbare schatten in worden opgeofferd, ontstaan nieuwe mogelijkheden, nieuwe
di­mensies. Vaak moet het oude door een doodsproces om geheel nieuw, gereinigd en gemetamorfoseerd daaruit op te staan. Zo is dit mythologische beeld ook in zekere zin een profetie, een ‘voor-beeld’ van de alles-vernieuwende daad van Christus, het sterven, de dood en de overwinning van de dood, de verrijzenis. Hijzelf drukt het uit in de woor­den tot zijn discipelen: ‘Vuur ben ik komen werpen op de aarde en wat wil ik anders dan dat het reeds ontbrandt! Ik onderga een doop, waarmee ik gedoopt wordt; en hoe wordt mijn wezen geperst, tot het volbracht is! -‘ (Lucas 12)

PHOENIX

Vlam in mij, laai weer op;
hart in mij, heb geduld,
verdubbel het vertrouwen –
vogel in mij, laat zich opnieuw ontvouwen
de vleugelen, de nu nog moede en grauwe;
o, wiek nu op uit de verbrande takken
en laat den moed en uwe vaart niet zakken;
het nest is goed, maar het heelal is ruimer.

H. Marsman

Hiermee komen wij weer te spreken over die­gene, wiens naam met het zomerfeest ver­bonden is, Johannes de Doper. Diegene na­melijk die deze doop, waarvan Jezus spreekt, voorbereidt, inleidt en voltrekt. Het optre­den van Johannes de Doper staat in het te­ken van een offervuur. Religieuze waarden, spirituele rijkdommen van het Oude Ver­bond, waarvan Johannes in vele opzichten een vertegenwoordiger is, moeten worden opgegeven respectievelijk moeten worden ge­metamorfoseerd om voor de nieuwe impuls plaats te maken. De allesbeheersende oude waarden worden tot bescheiden, dragende en voorbereidende elementen voor het ‘nieuwe verbond’. ‘Hij moet groeien, ik moet afne­men’, zijn dan ook de karakteristieke woor­den van de grote, tot ver over de grenzen be­kende en vereerde leider, die zich in alle be­scheidenheid terugtrekt nadat hij op de on­bekende Jezus heeft gewezen, die ‘niet met water zal dopen, maar met heilige geest en met vuur’.

Hoe groot de persoonlijkheid van Johannes is, en daarmee evenredig het offer dat hij brengt, blijkt onder andere uit de wijze, waarop Jezus over hem spreekt: ‘…een die meer dan een profeet is!’

Hij is het van wie de Schrift zegt: ‘Zie ik zend mijn engel voor uw aangezicht uit, hij zal de weg voor u banen. Ja zo is het, ik zeg u: onder allen, die uit vrouwen geboren zijn, is geen grotere opgestaan dan Johannes de Do­per; en de kleinste in het Rijk der hemelen is groter dan hij. Van de dagen van Johannes de Doper af tot nu toe wordt het Rijk der hemelen bestormd en bestormers nemen het in bezit. Want alle profeten en de wet heb­ben voorbereidend gewerkt tot Johannes toe. En – indien gij het wilt aannemen – hij is Elia wiens komst men verwacht.’
Johannes wordt beschreven als staande tus­sen twee werelden, namelijk die van de men­sen en die van de engelen. Dat maakt het ook begrijpelijk waarom juist hij de wegbe­reider is van diegene, die door zijn offerdaad op Golgotha hemel en aarde met elkaar ver­bindt.

Johanneïsch gebaar
Ook in ander opzicht staat Johannes tussen twee werelden in, hij is namelijk degene, die in het Oude Testament – weliswaar daar na­tuurlijk met de naam Elia – als laatste ge­noemd wordt, namelijk aan het einde van het laatste hoofdstuk van het laatste boek (Maleachi). Hij wordt daar als de toekom­stige wegbereider van de Messias beschreven. Vervolgens speelt hij aan het begin van het Nieuwe Testament (met name in het eerste boek – Mattheus) een belangrijke rol, waar bovengenoemde profetie in vervulling gaat. De individualiteit van Elia-Johannes ver­bindt dus de beide werelden van Oude en Nieuwe Testament met elkaar. Dit brengt ons van een andere kant op de­zelfde eigenschap van Johannes de Doper, die we al noemden, namelijk dat zijn groot­heid juist ligt in zijn bereidheid deze groot­heid op te offeren. Wegbereiden, plaats ma­kend, ruimte scheppend voor andere, nieuwe waarden, die door de meeste van zijn tijdge­noten niet als zodanig kunnen worden on­derkend. Het is een eigenschap, die – in ons eigen leven vertaald – uiterst moeilijk ontwik­keld kan worden en nog veel moeilijker in praktijk te brengen is. Het wijzen op de an­der (het bij uitstek ‘Johanneïsche gebaar’) valt me gemakkelijk wanneer ik mezelf daar­bij buiten schot kan houden, een schuld kan ontduiken, of een gevaar kan ontwijken. Het wijzen op de ander, zodat daardoor naar de betreffende meer waardering en eerbied wordt aangedragen, of dat daardoor meer aandacht wordt besteed aan hetgeen hij of zij te zeggen of te brengen heeft, valt over het algemeen een stuk zwaarder!
‘Hij moet groeien, ik moet afnemen’ is een houding die niet alleen weinig in praktijk wordt gebracht, naar zelfs veelal wordt gezien als zwakte, als slapheid.

Maar, aanknopend aan een uitspraak van Friedrich Rittelmeyer: ‘Selbstlos ist nicht ichlos’ (onzelfzuchtigheid is niet gelijk te stellen met ik-zwakte), kunnen we wellicht zelfs zeggen: onzelfzuchtigheid is een wezen­lijk kenmerk van ik-kracht.

Maarten  Udo de Haes,’Jonas’ 22,22 juni 1984

.

St.-Jan: alle artikelen
.

Jaarfeesten: alle artikelen

201-191

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.- Jan (24)

.


SINT-JAN, MEER DAN EEN GEZELLIGE PICKNICK EB SPELLETJES

Vorig jaar introduceerden wij het grote zevensprong / kringspel op het St.- Jansfeest waarin de ele­menten water lucht en vuur zichtbaar worden.

Er is een opbouw naar het aansteken van het vuur toe door de zesde klas. Alle klassen dragen daar hun steentje aan bij.

Alle begin is moeilijk, het spel duurde wat lang. Sommige handelingen waren niet zichtbaar, teksten niet verstaanbaar.

Dit jaar gaan we proberen het voor iedereen goed beleefbaar te laten zijn. Bij de evaluatie was er n.l. genoeg enthousiasme voor de achtergrondgedachte van dit kringspel.

Hier volgt een uitleg voor een ieder die daarin geïnteresseerd is.

Door aan het zingen en dansen structuur te geven, kunnen we ons op een vrolijke manier met de die­pere betekenis van het St.-Jansfeest verbinden.

De zevensprong is een oude sacrale dans. Een cyclus van leven en sterven en van het leven in het sterven terugvinden.

Een dans van in-en uitwikkeling en van einde en hernieuwd begin.

De dans wordt 7 x herhaald en steeds afgesloten met een gebaar waardoor we ons over 7 sprongen verdeeld in elkaar rollen, om vervolgens weer recht op te springen na elke sprong. ( weer springle­vend worden! ) Na elke sprong beelden we vervolgens op 7 verschillende manieren ( spel,dans, gedicht of lied) een aspect of ontwikkelingsfase van de mens of mensheid uit. In de eerste 4 sprongen gaan we in op de 4 elementen van de natuur en proberen we vanuit het bewustzijn van het kind om te gaan met de aarde, het water, de lucht en het vuur.
In de laatste 3 sprongen liggen de kiemen voor de toekomst besloten. Na de ontwikkeling van het ik, kan de mens werken aan het geestzelf, de levengeest en de geestmens.

le sprong:
Aarde, materie -> oudste kleuters verbinden zich met de aarde. Ze leggen klei rond een uitgegraven plek in de aarde. De kuil in de grond symboliseert een schaal die leven voortbrengt en ontvangt. Daarbij zingen we een lied over de aarde.

2e sprong :
Water, etherwereld ->  eerste klas verbindt zich met het vloeibaar stromend element van beweeglijk water, drager van levenskrachten, onzelfzuchtig, neemt vorm van omgeving aan. De eerste klas vult de schaal met water onder het zingen van een waterlied.

3e sprong :
Lucht, astrale wereld -> de tweede klas verbindt zich met lucht; licht en vluchtig, stijgt op door warmte, zij voelen zich als vogels in de wolken. Zij blazen bellen, wij zingen een vogellied.

4e sprong :
Vuur, ik, de derde klas verbindt zich met het vuur, de warmte door het eenheidsbeleven met de natuur symboliseert ook enthousiasme voor iets wat we horen, uitbeelden of improviseren. Het Keltische gedicht ” ik ben ” wordt gedeclameerd rondom de lemniscaat waarin de vuur- en waterplek zijn gemaakt. Er worden 7 waxinelichtjes in het water gelegd.

5e sprong :
Het geestzelf.->  De vierde klas verbindt zich met de innerlijke zon. Het ik moet verinnerlijken. Het uiterlijke vuur(warmte) moet innerlijk vuur worden, gehanteerd in moed, eerbied en dankbaarheid.
Daarvoor moet de mens door een nulpunt heen. Van groot weer klein worden. Dan kan de mens tot de ervaring van een innerlijke zon komen door liefde. In het water worden waxinelichtjes aangestoken.

6e sprong :
De levensgeest.->
De vijfde klas verbindt zich met de innerlijke levensenergie. De vijfde klas geeft stokken door, dit symboliseert het dragen, doorgeven en delen van energie en levenskrachten. In het hout zijn zonne-energie en warmte opgeslagen. Door het doorgeven springt de levensgeest over! ( creatief, beweeglijk gedacht!) Hierbij wordt een lied gezongen en daarna wor­den de stokken bij de houtstapel gevoegd.

7e sprong :
De geestmens. ->   De zesde klas verbindt zich met de vreugde door innerlijk en uiterlijk beleefd vuur, enthousiasme. Blijheid voor en in de geest waardoor de aarde en wijzelf gelouterd wor­den.

7  zesdeklassers steken de fakkels aan aan de brandende waxine lichtjes. Daarna gaan zij op verschil­lende punten in de lemniscaat staan. De overige zesdeklassers komen hun fakkel aansteken . Wan­neer iedereen vuur heeft, lopen de kinderen de lemniscaat en zingen : hoor je ’t zingen van het vuur.

Nu dansen we allemaal om het vuur, niet in extase maar vanuit een zelfbewust enthousiasme.

St.Jan lemniscaat

In de lemniscaat ( liggende 8) willen wij geen kinderen laten spelen / lopen. Wilt u daar als ouders a.u.b. ook allemaal op toezien.

Het is heel vervelend voor ons om daar steeds kinderen uit te moeten sturen. Balspelletjes dan ook graag niet in de buurt van deze lemniscaat spelen!

Het St.-Jansfeest kan voor iedereen heel gezellig zijn wanneer alle ouders toezicht op hun eigen kin­deren houden.

(bron: vrijeschool Uden)

.

St.-Jan: alle artikelen
.

Jaarfeesten: alle artikelen

200-190

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.- Jan (23)

.

SINT-JAN

‘Zij klom en klom de hele dag’

Opnieuw een sprookje met een motief dat aansluit bij een jaarfeest. Deze keer: het Sint-Jansfeest.
Een koningszoon wordt ziek en kan alleen genezen door het eten van een granaatappel. Het meisje Joana vindt de heilzame vrucht en brengt hem naar de zieke prins. Else Tideman zocht het sprookje uit -~en schreef de toelichting.

Er leefden eens een koning en een koningin, die één zoon hadden, van wie ze veel hiel­den. Toen deze zoon twintig jaar was gewor­den werd hij ziek, steeds zieker. Men riep ve­le artsen, ook oude en wijze vrouwen naar het paleis, maar niemand kon de konings­zoon helpen. Tot op een dag een heel oude man kwam, die in de sterren kon lezen. Deze zei tegen de koning: ‘Er is maar één middel om je zoon te genezen: een appel van de gra­naatappelboom. Maar iemand moet hem brengen vóór de koningszoon eenentwintig jaar is; gebeurt dat niet, dan moet hij ster­ven.’ De koning zei: ‘Wat betekent dat: van de granaatappelboom. Is het dan een bijzon­dere?’ ‘Majesteit’, zei de magiër, ‘dat is een boom, die tot aan de hemel groeit. De vruch­ten zijn helemaal in de top. Tot nu toe is het niemand gelukt zo hoog te klimmen, omdat de meeste mensen duizelig worden en vallen’. Toen liet de koning verkondigen dat diegene die een appel van de granaatappelboom zou brengen, zodat zijn zoon gezond werd, het halve koninkrijk zou krijgen en later met zijn zoon samen zou regeren. Toen gingen vele jongelingen op weg, maar de meesten kon­den de granaatappelboom niet vinden. En zij die hem wel vonden, vielen naar beneden, nog vóór ze ook maar de helft van de stam opgeklommen waren.

Zo ging een half jaar voorbij en niemand ge­lukte het de appel te veroveren. De konings­zoon werd steeds zwakker. Nu leefde er in dat rijk een meisje van vijf­tien jaar, Joana heette ze en ze had geen ouders. Joana woonde bij haar grootouders en zorgde voor hen. Toen ze de oproep van de koning hoorde, vroeg ze haar grootvader: ‘Vadertje, wat denk je, is het moeilijk die granaatappelboom te vinden?’ ‘Dochtertje, ik zou je de weg kunnen beschrijven en dan zou het voor jou niet moeilijk zijn hem te vinden. Maar wat wil je? Veel jongelingen zijn er al afgevallen.’ Maar Joana nam zich voor de appel te gaan halen en liet zich daar niet van afbrengen. Dus gaven de grootou­ders ten slotte toe. Grootmoeder bakte een maiskoek en grootvader vulde in de kelder een fles met wijn uit zijn beste vat. Daarna omarmden ze haar en zij ging op weg. Zij ging en ging, steeds in de richting van zonsopgang, zoals haar grootvader gezegd had. Nadat ze tien dagen gelopen had, kwam ze bij een hoge berg, en op die berg zag ze een reusachtige boom staan, waarvan de stam tot in de wolken reikte. Toen Joana de berg wilde beklimmen, zag ze voor een grot een oude bedelaar zitten. Deze zei: ‘Joana, geef mij wat te eten en te drinken, want ik sterf van de honger en kom om van de dorst’. Toen zei het meisje: ‘Wees niet bang, Groot­vadertje, wat ik bij me heb, is genoeg voor twee.’ En ze ging naast hem in het gras zitten en pakte haar mand uit. Daarvóór had ze na­melijk alleen geleefd van vruchten die ze on­derweg vond. Toen ze de maiskoek doorge­sneden had, gaf ze de oude het grootste stuk, schoof hem de wijnfles toe en zei: ‘Drink ge­rust alle wijn, ik ben gewend aan water. De oude liet het zich goed smaken, at de mais­koek en dronk de wijn. En toen ze met eten klaar waren, vroeg hij: ‘Joana, waar ga je heen?’ Zij antwoordde: “Ik heb gehoord, dat de zoon van de koning heel ziek is en dat al­leen een appel van de granaatappelboom hem genezen kan. Daarom ben ik op weg ge­gaan om die appel te halen. En als mijn grootvader alles goed beschreven heeft, moet die boom daar op de berg de granaatappel­boom zijn.’ ‘Ja,’ zei de oude, ‘je grootvader heeft gelijk. Maar heeft hij je ook gezegd, dat allen die geprobeerd hebben de boom te be­klimmen, eraf gevallen zijn?’ Joana ant­woordde: ‘Ja, dat heeft hij gezegd. Maar ik zal me goed vast houden, zodat ik er niet af val’. De oude zei toen: ‘Maar dat is nog niet alles. Je moet weten, dat je bij het klim­men niet naar beneden mag kijken, omdat je dan duizelig wordt en van schrik loslaat. En je moet weten dat de top van de boom hoog boven de wolken is, dichter bij het paradijs dan bij de aarde. Zodra je bij de top geko­men bent, zul je drie twijgen zien: één met citroenen, één met sinaasappelen en één met granaatappelen. Je zult van het klimmen veel dorst hebben, en daarom raad ik je aan: pluk voor jezelf een citroen en een sinaasap­pel en eet en drink daarvan, want dan wordt je dorst gelest. Maar pas op, dat je geen gra­naatappel eet, daarvan zou je zwanger kun­nen worden.’

Het meisje dankte de oude hartelijk voor zijn raad en besteeg de berg. Toen ze boven was, vond ze werkelijk de granaatappelboom. Ze keek niet lang hoe zijn doornige stam zich in de wolken verloor, maar wikkelde een doek­je om haar handen, om zich bij het klimmen niet te verwonden, bond haar kleren tot bo­ven de knieën op en begon te klimmen.

Ze klom en klom de hele dag en het werd al donker, toen ze in de wolken kwam. Maar ze klom verder en toen ze boven de wolken uit kwam, was het weer lichter, want daar schijnt altijd de zon. Eindelijk kwam ze helemaal uitgeput bovenaan en haar tong was gezwol­len van de dorst. Ze plukte snel een citroen en een sinaasappel en nadat ze gedronken en gegeten had, plukte ze ook nog enige granaat­appelen en ging toen zitten om wat uit te rusten. Na een tijdje begon ze met de afda­ling. Toen ze beneden de wolken kwam, was het zó donker, dat ze geen hand voor ogen kon zien en ze durfde niet verder te dalen. Ze hield zich vast om de morgen af te wach­ten. Maar ze werd steeds zwakker en dorstiger, ze zou vallen als ze niet iets kon eten of drinken. Toen nam ze een granaatappel en at hem op. En meteen voelde ze zich gesterkt, en ’s morgens, toen het licht genoeg gewor­den was, daalde ze verder naar beneden. Toen ze onder aan de berg kwam, zag ze de oude weer. Hij zei: ‘Dochtertje, ik zie dat je een granaatappel moest eten. Als je in moei­lijkheden komt, kom dan bij mij terug, waar één leeft, kunnen ook meer leven’. Toen ging Joana naar de stad, naar het paleis van de koning. Ondertussen was het met de koningszoon steeds slechter gegaan. Toen de koning hoorde, dat er een meisje was dat de goede granaatappel gevonden had,was hij buiten zichzelf van vreugde en bracht haar zelf naar zijn zoon. Nauwelijks had de ko­ningszoon de granaatappel gegeten of hij voelde zich al veel beter. De koning kuste het meisje van vreugde en zei: ‘Zodra mijn zoon gezond is, zul je met hem trouwen. Dan kunnen jullie samen regeren, als ik er niet meer zal zijn.

Er gingen een paar maanden voorbij en het ging van dag tot dag beter met de konings­zoon. Het meisje merkte echter, dat zij zwanger was, en toen werd ze bang. Ze be­sloot het paleis te verlaten. Ze vulde haar mand met brood, nam een fles wijn mee en ging terug naar de plek, waar ze de oude be­delaar ontmoet had.
‘Dochtertje’, zei de oude, ‘ben je daar weer? Wees niet bang! Jij bent goed voor mij ge­weest, ik zal goed voor jou zijn. Kijk, ik heb een tuin met groenten en vruchten, groot ge­noeg voor een kleine familie’. En toen het kind werd geboren, hielp hij haar en zorgde voor het kind.

Ondertussen was de koningszoon treurig, want hij was van Joana gaan houden en hij miste haar erg. De koning probeerde hem te troosten: ‘Waarom wil je nu dat éne meisje. Het hele land is vol schone meisjes.’ Maar de koningszoon was daarmee niet tevreden en wilde geen ander meisje aankijken. En na een poos zei hij: ‘Vader, ik wil de wereld in trek­ken om te zien, of ik het meisje, dat mij het leven gered heeft, kan vinden. En als ik haar niet vinden kan, dan wil ik in een klooster gaan tot het einde van mijn leven.’ De ko­ning zei: ‘Als je beslist vindt, dat je dat doen moet, mijn zoon, ga dan maar. Maar beloof me, dat je met haar terug komt als je haar ge­vonden hebt.’ De koningszoon beloofde het. Hij zadelde zijn paard en reed weg. Hij reed niet minder dan zes jaar door ver­schillende koninkrijken en doorstond vele avonturen. Hij zag veel meisjes, koninginnen en bedelaressen, maar hij vergat zijn redster niet, zijn verlangen naar haar werd steeds groter.
Tegen het einde van het zesde jaar gebeurde het, dat hij op een avond langs een huis reed, waarin hij mensen hoorde schreien. Hij hield zijn paard in, steeg af, klopte op de deur en riep: ‘Waarom schreit men hier? Is hier ie­mand gestorven?’ Toen kwam een pope met zijn vrouw naar buiten. Hij zei: ‘Neen reizi­ger, hier schreit men niet om een dode, maar om een geroofde. Drie dagen geleden is hier een troep Turken voorbij gekomen, zij roof­den onze zoon van zeven jaar.’ Toen zei de koningszoon: ‘Ik zal hen narijden en zien, of ik jullie zoon terug kan krijgen.’ Hij besteeg weer zijn paard en reed dag en nacht. Maar het duurde bijna twintig dagen, tot hij bij de grote stad van de Turken kwam. Daar vroeg hij, waar jonge slaven gebracht werden en wanneer de eerste marktdag was.
Toen de dag aanbrak waarop men de gevangenen verkocht, nam hij al het geld dat hij nog had mee en ging naar de slavenmarkt.
Hij zag al gauw wie de zoon van de pope moest zijn. Zodra hij aan de beurt kwam, zei de koningszoon dat hij hem wilde kopen. Maar er was nog een ander, die méér geld bood dan de koningszoon had. Deze vroeg nog even te wachten. Hij haalde zijn mooie paard en verkocht het voor veel geld. toen kon hij de zoon van de pope kopen. Hij kocht kleren voor het kind en liet hem uitrusten.
Daarna gingen ze op weg.
Het was een lange tocht, soms moest de koningszoon het kind op zijn schouders zetten, omdat het te moe was om te lopen. Wat waren de pope en zijn vrouw gelukkig, toen ze hun zoon terug zagen. De pope zei ´Goede man, hoe kunnen we je danken. Wij zijn arme mensen en kunnen je niets geven.’ Toen zei de koningszoon: ‘Ik zoek een meisje, dat mij het leven gered heeft. Hebben jullie van haar gehoord?’
En hij beschreef hun precies, hoe zij er uitzag. ‘Ja, zo’n meisje heb ik eens gezien. Maar eigenlijk was het geen meisje, het was een jonge vrouw. Ze kwam samen met een oude man, om haar zoontje te laten dopen. Dat is vele jaren geleden, maar ik her­inner het me goed, omdat dit jonge meisje en de oude man zo’n vreemd paar waren. En het meisje zei grootvadertje tegen hem. Toen vroeg de koningszoon: ‘En met welke naam is het kind gedoopt?’ ‘Dat weet ik niet meer’, zei de pope, ‘maar ik kan het in mijn boek nakijken.’ En hij haalde zijn boek, bla­derde erin en zei: ‘Demetrius heet het kind.’ ‘Dat is mijn naam!’ riep de koningszoon. ‘Weet je waar het kind en de moeder wo­nen?’ De pope zei het hem zo goed mogelijk. Toen nam de koningszoon afscheid en liep naar de plek aan de voet van de berg, waar Joana met de oude en haar zoon woonde. Toen Joana hem aan zag komen, verstopte zij zich in de tuin, want ze was bang dat de koningszoon boos zou zijn. Maar hij omarm­de het kind en de oude man en riep: ‘Einde­lijk heb ik jullie gevonden! Demetrius, haal vlug je moeder.’ Het kind liep weg en haalde zijn moeder. En toen gingen ze samen naar de pope en nadat ze hem de hele geschiede­nis verteld hadden, trouwde hij hen. Toen stuurde de koningszoon boden naar huis en liet een koets komen. Daarmee reden ze met z’n allen naar het paleis. Wat een vreugde was er in de hele stad!

Sint Jan

Hoe verschillend gaan mensen uit dit sprook­je op weg naar de granaatappelboom! Van de jongelingen wordt alleen gezegd, dat ze gaan, nadat ze gehoord hebben dat het halve rijk als beloning gegeven wordt. Dit motief werkt blijkbaar niet goed. Ze vinden de boom niet, of ze vallen eraf. Joana’s motief is: ‘Ik ben op weg gegaan om de appel te halen die de koningszoon genezen kan’. Zij is onbaatzuchtiger dan de jongelingen. Zij heeft een inner­lijke zekerheid, weet haar grootouders te overtuigen, heeft overleg – ze gebruikt onder­weg geen koek en wijn – en ze heeft liefde­volle aandacht voor de bedelaar, waardoor ze ongevraagd raad krijgt. Ze wordt niet duizelig, want ze houdt haar doel goed in het oog. Zo bereikt ze door de wolken heen de top, die ‘dichter bij het paradijs is dan bij de aarde’. En daar kan ze haar vruchten plukken.
Tegen de zomer wordt de natuur steeds uit­bundiger. Het zaad in de aarde is opgekomen, aangetrokken door licht en zon, groeit het en bloeit in steeds groter veelvuldigheid. De mens wordt er innerlijk door meegenomen, hij opent al zijn zintuigen om dat schone en bloeiende in te drinken. Hoger en hoger
ver­heft zijn genietende ziel zich met de natuur mee, hij wordt als het ware uit zichzelf ge­trokken en wil ook niet anders. Als hij om­kijkt naar de aarde wordt hij duizelig. Dan valt hij uit de boom. Hij komt innerlijk niet verder dan hoog-zomer. Maar Joana klimt met grote inspanning verder tot ze boven de wolken komt in de buurt van het paradijs. En daar vindt ze de vruchten waar het haar om te doen is.
Het bijzondere van Sint-Jan, het feest van  Johannes de Doper, is dat het niet valt op 21 juni – de datum van de zonnewende, de langste dag van het jaar – maar een paar da­gen daarna. Je zou kunnen zeggen: die paar dagen worden in het sprookje uitgedrukt door ‘het werd al donker, toen ze in de wol­ken kwam’. De uitbundige zomerbloei heeft zijn hoogtepunt gehad, de zonnewende heeft zich voltrokken. Vlak na die ommekeer, na die ‘wolken’ is daar de top van de granaatap­pelboom met zijn vruchten.
Johannes de Doper predikt: ‘Brengt dan vruchten voort, die uit de ommekeer rijpen’ en ‘Hij moet groeien, ik moet afnemen’, als hij op Christus wijst.
Hij wijst daarmee op de ontwikkelingsmogelijkheden, die na de om­mekeer komen.
En zo draagt Joana niet al­leen de genezende vruchten langs de stam naar beneden, maar beleeft zij zelf de dorst die door deze vruchten kan worden gelaafd en waardoor een nieuwe ontwikkeling kan worden ingezet.
In het beeld van het sprook­je is dit het kind dat door het eten van de vrucht in haar verwekt wordt. De koningszoon geneest inderdaad van de granaatappel, maar Joana voorziet dat het kind dat zij verwacht, niet zonder meer wel­kom zal zijn. Zij trekt weg en de konings­zoon moet een lange, lange tocht vol beproe­vingen maken eer hij haar terug vindt. Dan wordt hij door het kind met haar verenigd. En daarmee reikt het sprookje over het sintjansmotief heen tot ver in de daarop volgen­de perioden.

 Else Tideman, ‘Jonas’ nr 21, 11 juni 1982

.

St.-Jan: alle artikelen
.

Jaarfeesten: alle artikelen

199-189

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.- Jan (22)

.

SINT-JAN

Midden in de zomer moeten we ons gewonnen geven

Het Sint-Jansfeest wordt gevierd op 24 juni, midden in de zomer. Twee essentiële onderdelen bij het vieren van dit feest zijn een hoog oplaaiend Sint-Jansvuur en bloemen; bloemen om kransen van te maken of een taart van te bakken.

De 24ste juni, Sint-Jansdag, de geboortedag van Johannes de Doper is, althans in ons land, geen officieel erkende feestdag zoals Kerstmis, Pasen en Pinksteren dat zijn. Toch is het in andere streken, bijvoorbeeld waar extreme verschillen tussen midzomer en midwinter bestaan, zoals in Scandinavië’ of waar het christelijk religieuze leven emotioneler en feestelijker getint is dan bij ons, zoals in zuidelijk Europa, het vieren van het Sint-Jansfeest wel gebruikelijk. En zeker was het dat in vroeger tijden in onze streken ook.
Steeds meer begint tegenwoordig echter het besef te groeien dat met het verlies van zin­volle, ritmisch weerkerende feesten er een zekere innerlijke armoede ontstaat en dat het zielenleven van de mens verkommert. Het is immers opvallend hoeveel boeken er ver­schijnen die de feesten van het jaar tot on­derwerp hebben en waar dus duidelijk een markt voor is.

Feest vieren heeft natuurlijk de meeste mo­gelijkheden wanneer je het met een groep, in een gemeenschap doet. Het samen voorberei­den brengt al een enthousiaste stemming, ie­dereen kan naar eigen aard en vermogen iets bijdragen en tegenvallers worden in een ge­meenschap met collectieve veerkracht opgevangen. Maar ook als je door omstandigheden alleen of met een paar mensen bent, kun je een feestdag of feesttijd als zodanig bele­ven en misschien zelfs tot een grotere diepte komen dan wanneer er een beroep gedaan wordt op je organisatietalent en uiterlijke creativiteit. Waar het om gaat is dat je het feest, ook in traditionele vormen, steeds weer inhoud geeft en er telkens weer een in­spirerende aanzet in vindt voor het verdere dagelijks leven.

Sint -Jan valt een paar dagen later dan de da­tum van de zonnewende op 22 juni. Het hei­dense feest van de zomerzonnewende dateert van ver voor onze jaartelling toen de mens­heid in het beleven van de natuur nog de goddelijke kracht kon ervaren en mee kon gaan in hetgeen wind, zon en water aan het geestelijk wezen van de mens te vertellen hadden. Voor ons is dit weten een abstractie geworden en toch moeten we de kennis van al dit oude weten weer op nieuwe wijze in ons bewustzijn zien te krijgen voordat we zinvol vorm kunnen geven aan zo’n feest.

In ons land wordt het Sint-Jansfeest zeker niet overal vanuit de traditie vanzelfsprekend ingevuld, al kun je best plotseling in een Betuws dorpje een Sint- Jansprocessie tegenko­men en zijn daar ook ‘vogelschiet’wedstrijden bij.

In België zag ik rond die tijd met bloemen versierde kapelletjes en hoe zuidelijker hoe meer bekendheid en traditie over dit feest bestaan. Het zal misschien ook wel een kli­matologische oorzaak hebben: in Spanje zul je midzomer anders ervaren dan wanneer je hier met een door de regen verpieterde bloe­menhoed in een bootje zit. Het oerkarakter van uitbundigheid, je overgeven aan de ele­menten, is in de stralende zon toch gemakke­lijker.

Bij het Johannesfeest moeten we ook in ge­dachten houden dat het gaat om een bepaal­de periode van het jaar en niet om één spe­ciale dag. Maar dat is een schrale troost voor een verregende feestdag, die verplaatst moet worden. Het vuur is zeker iets wat bij het Sint-Jan vieren behoort, het is een tegen­beeld van het kaarsvlammetje dat vroeger op Driekoningen in een turf gestoken in de kelder stond om overheen te springen. Het grote, naar de kosmos waaierende vuur te­genover het kleine verborgen vlammetje in de aarde. Zoals de hele natuur omhoog streeft zenden wij onze vraag naar boven om dan een half jaar later antwoord te krijgen in de donkere midwintertijd. In de middeleeu­wen doofde men op Sint-Jansdag het haard­vuur om daarna van het grote Sint-Jansvuur nieuw vuur mee terug te nemen naar de schoongemaakte stookplaats.

Wat kunnen we nu doen om het Sint-Jans­feest te vieren en met wat voor materiaal, zo­dat we daar het karakteristieke, het ‘oer­beeld’ mee te pakken krijgen? Konden we met Pinksteren nog in een zekere naïeve cre­ativiteit papieren bloemen voor de pinkster­bruid maken om zo aan ons menselijk scheppingsvermogen uiting te geven – met Sint-Jan, midden in de zomer, moeten we ons ge­wonnen geven. Onze papieren bloemen, als versiering, als eindprodukt van een eenvou­dig metamorfoseproces, hebben dienst ge­daan en mogen nu weggedaan worden. Dat wat nu buiten in de natuur gebeurt kunnen wij niet nabootsen. Het is het blijmoedige to­tale wegschenken van eigen rijkdom en over­vloed. Wat al werd aangezet in de vorige maanden, gebeurt nu duizendvoudig en op volle kracht: het uitwolken van stuifmeel en insecten tot hoog in de atmosfeer. Het is meer te voelen dan te zien – alles zindert van warm, dansend leven.

Wat gebeurt er eigenlijk met al dat leven? Als je er een beetje op let, merk je dat het zich wegschenkt – volkomen en vanzelfsprekend. Vooral bij de insecten valt dat op. We mogen ze dan lastig vinden, die vliegen en die mug­gen, we denken al gauw aan ‘schadelijk onge­dierte’ – toch zijn het representanten van een onzelfzuchtig ras. Want kort is hun bestaan. Wie niet als larf al is opgepikt, vindt zeker dartel vliegend een wisse dood in één of an­der vogelmaagje, en heeft dan, al naar zijn aard, zijn bescheiden aandeel geleverd in het voortbestaan van plant, mens en dier. Zo is het ook met het stuifmeel van bloemen, gras­sen en granen, dat zich aanbiedt en mee laat voeren om door bestuiving het vormen van zaad en vruchten mogelijk te maken, waarna het bloemetje weldra verwelkt en verschrom­pelt.

Niets van wat wij eten, of het is ontstaan uit de schenkingsvreugde van de levende natuur. Het kleine, het nietige schenkt zich weg om het grotere, hogere een levensbasis te geven. Het is een zinvol wegschenken en het wordt daarom blijmoedig en zonder ophef gedaan. Maar is het wel echt blijmoedig? Je bent dik­wijls geneigd het tegendeel te denken, het als een tragiek te beschouwen dat planten en dieren gedood en opgegeten worden. Maar komt dat niet doordat je je als mens met die planten en dieren vereenzelvigt en meent dat zij eenzelfde waarde aan het leven toekennen als wij? En dat die waarde uit allerlei goede dingen bestaat maar meestal niet uit het weg­schenken van jezelf? ‘Natuurlijk’, zeg je gauw tegen jezelf, ‘die dieren weten niet be­ter – ze zijn het zich niet bewust, ze worden al dartelend opgeslokt’. Ja, dat is ook zo maar ondertussen laten ze toch zien dat le­vensvreugde en onbaatzuchtigheid heel goed kunnen samengaan.

In deze hoogzomertijd valt het feest van Johannes de Doper. De relatie zoals die nu beleefd kan worden tussen dit feest en Kerst­mis gaat terug tot het moment van de ge­boorte van Johannes, een half jaar vóór de geboorte van het Jezuskind. Het Evangelie vertelt van een ongelooflijke verbondenheid tussen deze beide kinderen, zelfs al vóór de geboorte. Het is Johannes die de wegbereider wordt voor het leven en werken van Christus op aarde en die zich met de enorme kracht van zijn vurige persoonlijkheid geheel hiervoor inzet, nooit aflatend om te wijzen op de betekenis van deze Mensenzoon en de alles omwentelende impuls die door zijn komst aan de mensheid en de hele aarde wordt gegeven.

Johannes wordt door Christus de ‘grootste mens’ genoemd ‘die uit een vrouw geboren is’. Toch zag hij, erkende en verkondigde hij degene die groter was dan hijzelf. Dat Johan­nes door deze activiteit op jonge leeftijd zijn leven moest prijs geven kan als een zelfgewil­de consequentie beschouwd worden; is dan ook niet tragisch, maar groots.

Waar zou je het Sint-Jansfeest beter mee kunnen vieren dan met echte bloemen, die je uitnodigen tot plukken en die nog altijd on­danks alles wat we de natuur aandoen, in overvloed bloeien, zodat je werkelijk kunt denken aan wat de naam Johannes betekent: God is genadig.
Zo kunnen we ter opluiste­ring bloemenkransen maken of een bloemen­hoed, maar ook een bloemetjestaart of pannenkoek!
.

Tineke Geus en Annet Schukking, ‘Jonas’21, 10 juni 1983)

.

St.-Jan: alle artikelen
.

Jaarfeesten: alle artikelen

 

198-188

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.- Jan (21)

.

SINT-JAN

Een stukje schrijven over St.- Jan. Dat valt niet mee. Toen ik „ja” had ge­zegd, dacht ik dat het niet zo moeilijk zou zijn hier iets over te schrijven.

De zon is op haar hoogste punt op de naamdag van St.- Jan: 24 juni. Moeder Aarde, wat een levend wezen is, heeft dan haar adem helemaal uitgeblazen. De ziel van de aarde is nu op z’n grootst. Ze reikt tot aan de wereld van God Vader, tot aan de hemel. Kijk maar eens werkelijk naar zo’n bloeiende linde­boom en ervaar hoe groots hij voor je staat.

Al onze zintuigen kunnen zich tegoed doen aan kwetterende vogels, zoete geuren en bonte kleurschakeringen van alle soorten bloemen. De kleurenpracht is overal om ons heen. We zijn dan ook „uitgelaten”. Trekken erop uit al of niet naar verre oorden, kunnen zonder jas naar buiten, want de temperatuur is lekker warm. Genieten van de warme, zoele zomeravonden en nemen de tijd om een praatje te maken met de buren. Je bent als mens één met alles om je heen.

De kracht, het licht en de warmte van de zon nemen we in ons op met huid en hart. Nieuwe, reine zonnekrachten, die we nodig hebben om weer er tegen aan te gaan in de herfst en de winter. Al het oude hebben we verbrand en afgelegd met het zuiverende St.- Jansvuur. Vanaf de 24e juni keert de zon zich langzamer­hand weer van ons af. De zomerzonnewende, een prachtig allitererend woord, in vroegere culturen had dit woord nog een werkelijk levende, magische klank. Be­leefde men die zomerzonnewende. Machtige reinigingsvuren werden ontstoken en men raakte tijdens het dansen letterlijk buiten zich zelf om onder te gaan in de zonnesfeer.

Om het St.-Jansfeest werkeljk te begrijpen is het niet voldoende om te blijven steken in datgene, wat je eraan beleeft. Ik denk, dat het voor elk jaarfeest geldt. Je zou die belevingen, die ervaringen moeten kunnen koppelen aan inzichten. Het woord zegt het al: om er zicht op en in te kunnen krijgen. Daarvoor is het nodig om een stuk bewustzijn te brengen in onze ervaringen.

Kijken we naar de kinderen, dan zien we dat zij volop genieten van dans en spel, van de volheid, van de zomer. De volwassen mens kan meer. Hij kan proberen zich niet alleen over te geven aan de uiterlijke zon, maar met een wakker be­wustzijn een eigen innerlijke zon op te bouwen, Ik zou willen aanraden voor degenen, die dat willen, om eens te lezen wat Emil Bock over het St.-Jansfeest heeft geschreven in zijn boek over de jaarfeesten. Vooral de niet gemak­kelijk te begrijpen samenhang met Johannes de Doper doet hij hierin uit de doeken.

Al lezende merk je dat je als modern mens een ingang kunt vinden om een verbinding te krijgen juist met ons denken, ons bewustzijn. Je komt op vragen als wat is de kwaliteit van de zon, wat is de kwaliteit van warmte eigenlijk, wat wordt ermee bedoeld als er wordt gezegd, dat de aarde slaapt tijdens de zomer en waakt in de winter, terwijl je altijd dacht dat het andersom was; wat hebben Hemelvaart en Pinksteren voor verband met het St.-Jansfeest, wat is uitade­men en wat is inademen? Talloze vragen, die in de loop van de tijd beantwoord willen worden. Wat mij erg aansprak: vroeger leefde het IK IN DE ZON, de op­dracht voor de toekomst: DE ZON LEEFT IN MIJ.

 Hedie ter Stege, nadere gegevens onbekend

Emil Bock: De jaarfeesten als kringloop door het jaar

.

St.-Jan: alle artikelen
.

Jaarfeesten: alle artikelen

 

197-187

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Getuigschriften (4)

 .

ZOVEEL HOOFDEN – ZOVEEL GETUIGSCHRIFTEN

Als het weer naar het eind van het schooljaar loopt, hoor je in de wandeling de leerkrachten elkaar vragen: “Lukt het een beetje?  Hoeveel nog?”
Zo’n dialoogje gaat dan over de getuigschriften, waar­van vaak al weken voor het begin van de zomervakantie de schetsen, de ruwe lijnen op papier worden gezet.
Zéér veel moeite getroosten de meesters en juffies zich om geen droge opsomming van de capaciteiten van hun leerlingen te geven. In de eerste plaats om niet te vervallen in het geven van een prestatiecijfer. In de tweede plaats omdat een dergelijke opsomming vaak in het hanteren van starre begrippen verzandt. Een beschrijving van het leven van een kind in de klas kan alleen maar werkelijk doeltreffend zijn als die in zinnen wordt gegeven. Zinnen vormen binnen het geheel van de taal iets “zinnigs” en kunnen het beeld van hoe een kind zich door het jaar heen in de klas heeft gemanifesteerd, tot leven brengen.
Zo worden dan alle periodes die dat jaar aan de klas zijn gegeven in relatie tot de betreffende leerling besproken. Hier en daar klinkt een licht standje door, of juist een complimentje voor be­toonde inzet, belangstelling, ijver of sociale instelling. De intellectuele prestaties worden ook uit de doeken gedaan, maar niet eenzijdig of uitsluitend.

Om van het getuigschrift werkelijk iets te maken dat het hele jaar door een vormende waarde voor onze leerlingen kan hebben, begint ieder getuigschrift met een “spreuk” in proza of poëzie. Hierin tracht de leerkracht iets te leggen waaraan het kind zich ontwikkelen kan. Voor de een zal het een beeld zijn waarmee hij zich identificeren kan en dat hem helpt over een bepaalde zwakheid heen te groeien. Voor een ander zal het een beeld zijn waarvan hij afstand neemt, en waarvan hij zegt: “Zo wil ik niet worden!” Het kan ook best zijn dat een bepaalde gave van een leerling in het beeld wordt verwerkt, zodat die nog eens onder de aandacht wordt gebracht. Dan klinkt er iets in door van: “Dat kan jij zo fijn, ga die goede zijde van je karakter het komende jaar eens extra gebruiken!”

Als het een spreuk in poëzie is trachten de leerkrachten extra goed te letten op het ritme en de gebruikte klanken. Ritmes kunnen door­werken tot in de adem en de bloedstroom en gezondmakend werken. Klanken drukken óók iets wezenlijks van de taal uit en ondersteunen door hun vaste, harde, zachte, milde, glijdende of stotende karakter het beeld dat de spreuk wil geven.
In het hanteren van de spreuk kunnen de leerkrachten van werkwijze verschillen.  Sommigen laten de spreuk wekelijks voor de klas opzeggen, anderen laten het verscheidene malen per jaar doen. Maar hóe ze dit ook hanteren, getracht wordt altijd de spreuk te laten werken door er een ritmisch proces van te maken. Een proces van blij ontvangen, mee naar huis nemen, uit het hoofd leren, laten rusten en weer oppakken tot…… de nieuwe spreuk komt, die weer nieuwe impulsen hoopt te geven aan de ontwikkeling van uw kinderen.

 H.C. Labij v.d. Poll, vrijeschool Bergen, nadere gegevens onbekend
.

Heinz Müller:  ‘Von der heilenden Kraft des Wortes und der Rhythmen’. Stuttgart, 1967;|
Martin Tittmann: Zarter Keim die Scholle bricht …., Stuttgart 1981.
Lore Schäfer: Zeugnissprüche und Klassenspiele, Stuttgart 1980
Helmut v. Kügelgen: Spiele und Zeugnissprüche.

Adaptief onderwijs voor Vrije Scholen’ . Jansen / G. Reijngoud
Uitgave: Begeleidingsdienst voor vrijescholen.
Maart 2002

getuigschriften: alle artikelen

Rudolf Steiner over getuigschriften

 

196-186

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.- Jan (20)

.

VUUR

Je hoort op school over aggregatietoestanden: vaste stof, vloei­stof en gas. En in verband daarmee over warmte, zelf geen ‘toestand’, het kan vaste stof laten smelten,  vloeistof laten verdampen en gas laten opstijgen, uitdijen. Wie dat geleerd heeft, kan het op een examen gebruiken, maar verder is die kennis iets waar je innerlijk geen boodschap aan hebt.

Op een Rudolf Steinerschool  hoor je over de 4 elementen: aarde, water, lucht en vuur.  Dat lijkt iets dergelijks, maar de kinderen hoeven hierover niets te leren, ze kennen ze als oude vrienden. Door eigen waarnemingen en ervaringen in de wereld om hen heen. Peuters en kleuters spelen met zand en water, ze grijpen, voelen, sjouwen, schenken, kliederen, plenzen. Spelen met lucht en wind komt wat later: vliegeren en hollen voor de wind met je jas wijd uitgespreid. Maar ook zwaaien boven in een boom! Dat mag je als kind meestal niet, ’t is veel te gevaarlijk. Je moet als kind al een ze­kere beheersing van de aarde veroverd hebben voor je je de hoogte in waagt.
Ik zal nooit de verrukking vergeten van een jongen uit de binnenstad van Rotterdam,  toen hij tijdens een werkweek luid zingend – hoog boven in een boom heen en weer zwiepte, iedere dag weer. Ik hield natuurlijk mijn hart vast maar die ervaring maakte hem rijker en sterker.
‘Spelen met vuur’ is zelfs spreekwoordelijk een riskante zaak. Terecht overigens. Toch trekt het grotere kinderen aan, in­trigeert ze, fascineert ze. Bij een goeie hut hoort per slot toch een echt fikkie!

In de zevende klas, bij chemie, leren ze over verbranding en wat vuur doet, de aandacht en ’t meeleven is dan groot.

We ontmoeten de 4 elementen niet alleen in de wereld buiten ons. We hebben ze ook binnen ons vel. Botten en bloed, adem en lichaamswarmte. Zo bekeken zijn we één met de natuurrijken. Innerlijker nog is onze ziel, die de kwaliteiten van de elementen herkent als bij ons behorend, met ons verwant. Met de aggregatietoestanden heeft onze ziel geen enkele verbinding, dit tussen haakjes.

Uitdrukkingen en zegswijzen kunnen dit duidelijk maken:
Met beide benen op de aarde staan
Een zwaartillend karakter
Het hoofd boven water houden
Met alle winden meewaaien
Een luchthartig persoontje
Vlammend enthousiast

Er zijn veel voorbeelden te vinden, beeldspraak noemen we ze. In onze ziel  leven zwaarte en soliditeit, kunnen de golven van emo­ties hoog oplopen, fladderen we van  ’t een naar ’t ander, kunnen we ergens warm voor lopen. Met al deze gevoelens ‘spelen’ jonge mensen, leren ze kennen en beheersen, zoals kinderen spelen met water, stenen, molentjes en vuur. Zowel aan lucifers als aan gevoelens kun  je je branden.
Buitenwereld, lijf, ziel, we kunnen nog een stap verder gaan.

De Griekse sage van Prometheus vertelt hoe de goden en speciaal Zeus, het ook  te gevaarlijk vonden de mensen het vuur in handen te geven. Ze zouden het verkeerd gebruiken, ze zouden hun plaats niet meer weten, ze waren het niet waard. Vuur was goddelijk en van de goden en dat moest zo blijven. Het verhaal vertelt verder hoe de men­sen zonder vuur jammerlijk voortvegeteerden, zonder initiatief, zon­der hoop.  Prometheus, zelf van goddelijke afkomst, nam het besluit de mensen verder te brengen. Hij stal het hemelse vuur en bracht het op aarde. De goden straften hem, maar de hemelse gave kon de mensen niet meer ontnomen worden. En met het vuur werden zij wakker en ondernemend, aan het vuur ontvonkte de menselijke geest. Dit leert ons het verhaal van Prometheus’ gave aan de mensen.

Aan het vuur van St.- Jan, aan alle vuur, zien wij het gebaar van de geest die opstijgt en naar de hemel wijst, wie er doorspringt wordt gereinigd. De pinkstervlammen dalen af, inspirerend en verbroederend.

 Esther Buekers, nadere gegevens onbekend

 

St.-Jan: alle artikelen

 

Jaarfeesten: alle artikelen

 

.195-185

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.-Jan (18)

.

SINT-JANS VIER

Nu zit de zonne
hoog in de hemelstoel,
nu zit de zonne
hoog over al.

Haal hout en help ons
hoop het tegaar alhier;
haal hout én help ons
mee, allemaal!

Vliegende vlamme,
vlerke van ’t zonnewiel,
vliegende vlamme,
vlucht in de hoop!

Zie, hoe de vlamme bijt;
zie, hoe heur tonge laait;
zie, hoe de vlamme bijt,
binnen in ’t hout!

Haal hout en help ons
hoop het tegaar alhier;
haal hout en help ons
mee, allemaal!

Dans nu de zomerdans,
dans door de vlammen heen;
dans nu de zomerdans,
gij, gasten, tegaar,
gij, gasten, tegaar!

Haal hout en help ons
hoop het tegaar alhier;
haal hout en help ons
mee, allemaal!

Laat ons een lieke,
dansend de zomerdans
laat ons een lieke
zingen daartoe!

Zo zal, eer ’t avond wordt,
leutig ons zomervier
sperken en sparken,
om­hoog in de hemel slaan,
en leve Sint-Jan!
Hoe langer
hoe liever,
hoe langer
hoe liever,
ja,  leve Sint-Jan!

Haal hout en help ons
hoop het tegaar, alhier;
haal hout en help ons
mee, allemaal!

Zie hoe de sterren,
diep in de hemel daar,
lonken en linken
naar ons gedans!

Stokken en sterren,
heerdvier en hemelvier,
herten die jong zijt,
al ondereen;
eer wij gaan slapen,
nog eens geroepen nu:
Leve Sint-Jan!

Haal hout en help ons,
hoop het tegaar alhier;
haal hout en help ons
mee, allemaal!

Guido Gezelle

 

St.-Jan: alle artikelen
.

Jaarfeesten: alle artikelen

.

194-184

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.- Jan (17)

.

HET VOGELSCHIETEN

In de noordelijke streken van Duitsland is in kleinere plaatsen het vogelschieten nog een grote gebeurtenis die de gemoederen van jong en oud in beroering brengt en bij iedereen hoge verwachtingen wekt. Als kind heb ik van het vogelschieten van de volwassenen slechts weinig kunnen meemaken. Wel genoten wij van de optocht: voorop het muziekkorps, daarachter het waardige, gekroonde nieuwe
sc
hutterskoningspaar met bloemguirlandes en onderscheidingen beladen, gevolgd door de stoet van schutters. De afsluiting van het geheel werd gevormd door een zwerm luidruchtig enthousiaste kinderen. Zo verdween dit gezelschap na de ereronde door het stadje in het “Schuttershof” of de herberg “De groene krans”.

De kinderen waren reeds weken van tevoren vol grote verwachting en voorvreugde, totdat wij eindelijk in onze zondagse kleren, met kransen in het haar, naar het Schuttershof trokken om aan het kindervogelschieten mee te doen. Alles was kleurig versierd – enkele ijstentjes zorgden voor de nodige afkoeling.
Wij “schoten” met een werphout op een witte duif die op een doelschijf was geschilderd.
Jongens en meisjes wierpen apart, ieder kwam drie keer aan de beurt. Dat was me een opwinding en spanning, totdat alle punten waren geteld en de koning en de koningin werden uitgeroepen!                             

Mijn grootste wens was als schutterskoningin getooid aan de zijde van de koning de kinder­optocht door ons stadje te mogen aanvoeren, met aan de kop van de stoet de muziekkapel die voor voldoende lawaai zorgde. Maar dit geluk werd mij pas later beschoren, toen de Rendsburger Waldorfschool dit oude Sint-Jansgebruik weer invoerde en tot een deel maakte van ons zomer­feest met afsluitende fakkeloptocht en Sint-Jansvuur.

Als wij bij het Sint-Jansvuur van een laaiend enthousiasme voor een te bereiken ideaal spreken, dan is de volgende noodzakelijke stap: hoe concentreer ik mij op dit doel, opdat het kan worden gerealiseerd.
Dit vinden wij nu in het tweede Sint-Jansgebruik, het vogelschieten.
In een beeld werd dit de mensen aanschouwelijk gemaakt. Men richtte en schoot op de witte duif.
Zij was vanouds het symbool van de Heilige Geest en wij vinden haar op vele oude    bijbelse schil­derijen terug, o.a. de verkondiging van Christus’ geboorte, de doop van Jezus in de Jordaan, en enkele voorstellingen van Pinksteren (hier komen nog de vurige tongen bij).

.

Elsabe Barfod, schoolkrant vrijeschool Den Haag, datum onbekend

.

St.-Jan: alle artikelen
.

Jaarfeesten: alle artikelen

.

193-183

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.- Jan (16)

.

HET SINT-JANSVUUR

Het was op Sint-Jan, 24 juni. De schemering begon reeds te dalen, de reusachtige stapel hout rees spookachtig op tegen de lucht, de Oostzee glansde in de laatste avondkleuren door de bomen. Wij be­sloten een strandwandeling te maken tot middernacht. De avond was van toverachtige schoonheid: sterren begonnen aan de hemel te glinsteren, de maan verspreidde zijn zachte licht en aan de hori­zon, in het noordwesten, was nog een laatste spoor van de rood- en geelachtige kleuren van de onderge­gane sintjanszon te zien. De stilte van de nacht, de eenzame natuur en haar plotselinge geluiden waren wij immers helemaal niet meer gewend.
Toen kwamen ons uit het donker fakkels tegemoet, gedragen door enkele leden van de jeugdkring. Op een open plek in het bos verzamelden wij ons om de brandstapel. Met de brandende toortsen werd het Sint-Jansvuur ontstoken. Een reusachtige steekvlam schoot omhoog, knetterend en indrukwekkend. Wij zongen gemeenschappelijk de canon:  “Flamme jmpor, leuchte uns..*.”, daarna begon de recitatie van “Zündet das Feuer an…” uit Pandora van Goethe.
Hoe machtig was dit vuur – een geweldig centrum! Een korte toespraak versterkte dit beleven, daarna dansten wij, volksdansen, waarbij af en toe een taxerende blik op de hoogte van de vlammen werd geworpen – of men het reeds kon wagen? En werkelijk – een stoutmoedig paar sprong net over het vuur, een tweede volgde en toen was er geen houden meer aan. Wie de moed had sprong. Later roken onze kleren branderig en verschroeid. Nadat het vuur was gedoofd gingen wij rondom de warmtehaard liggen, zingend, peinzend of zwijgend en tenslotte sliepen de meesten, in hun slaapzakken gewikkeld.

De koelte van de ochtend wekte ons bijtijds, zodat we de zonsopgang en het jubelende vogelconcert konden beleven.

Wat betekent tegenwoordig zo’n Sint-Jansvuur voor ons?

Wie kent niet de “Begeisterung” voor een hoog ideaal, waarvoor mensen kunnen ont­vlammen?

De lettergreep “be” duidt aan “in staat zijn tot”. Bij “Begeisterung” is er sprake van de Geest die ons doet ontvlammen; hij veroorzaakt de versterking  van ons levenslicht. Bij ons Sint-Jansvuur kunnen we dit gemeenschappelijk beleven. Dit feest is genoemd naar Johannes de Doper, die zegt: “hij zal wassen,  ik minder worden’,’ en “Ik doop u met water, Hij echter zal u met de Heilige Geest dopen”.

Morgenstern roept ons toe:

— wehe wachst du zagen Mutes
über deinem Lebenslicht,
dessen Flamme gar nichts wert,
wenn sie nicht ihr Wachs verzehrt—— ”

Morgenstern spreekt van het innerlijk vuur. Het Sint-Jansvuur kan in deze zin een actief antwoord zijn tegenover de wereld, waarvan Nietzsche zegt:

“Ja, ich weiss, woher ich stamme!
ungesättigt, gleich der Flamme
glühe und verzehr ich mich.
Licht ist alles, was ich fasse,
Kohle alles, was ichh lasse,
Flamme bin ich sicherlich!”

Zoals in het Oude Testament b.v. God door het vuur in het brandende braambos tot Moses sprak of op de berg Sinaï van buiten werkzaam was en daarmee aan de mensen een richting wees, zo is voor de jeugd in het gemeenschappelijke beleven het vuur een levend beeld van een innerlijk ideaal waarnaar men kan streven en waarvoor men in Be -geisterung, in geestdrift, ontvlamt.

Elsabe Barfod, schoolkrant vrijeschool Den Haag, datum niet bekend

.

St.-Jan: alle artikelen
.

Jaarfeesten: alle artikelen

.

192-182

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.