Maandelijks archief: februari 2013

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (14)

.

PASEN EN DE MAAN

De bijbel laat er weinig twijfel over bestaan.
In de week na het joodse Passahfeest vindt de kruisiging en de opstanding van Jezus Christus plaats.
Het joodse Passahfeest dat Ín oorsprong een lentefeest was, viel samen met de volle maan in de lentemaand Nissan.
De joodse kalender was geregeld volgens de maan.
Om toch de overeenkomst met het zonnejaar te behouden werd om de drie jaar een schakelmaand ingevoerd.
Het maanjaar telt namelijk maar 355 dagen. Het zonnejaar 365 dagen. Het Joodse volk maakt gebruik van een maanjaar, dat echter zoveel mogelijk in overeenstemming werd gebracht met het zonnejaar. In de landen waar de mohammedaanse godsdienst wordt beoefend is de zuivere maankalender ingevoerd. Dat betekent dat in landen zoals Iran, Irak, Arabië het begin van het jaar onafhankelijk zal zijn van de zonnestand. Met een maankalender is het onmogelijk om seizoenen te onder­scheiden volgens kalenderdagen.

In sommige vroeg-christelijke gemeenschappen werd het christelijke
paasfeest gezamelijk met het joodse Passah gevierd.
Op het concilie van Nicea werd vastgesteld dat het paasfeest op de
zondag na de eerste volle maan  in de lente moest worden gevierd.
Vanaf 325 is altijd aan deze regel vastgehouden.

Om de paasdatum vast te kunnen stellen, werd gebruik gemaakt van de Griekse kennis over de bewegingen van dit hemellichaam. In 1582 werd door paus Gregorius voor het laatst een hervorming van de kalender doorgevoerd.

De kerk gebruikt voor het vaststellen van het paasfeest de tabellen van 1582.

Dat heeft tot gevolg dat de kerkelijke maan niet altijd met de werkelijke maan in overeenstemming is.

Zo was het in 1974 op 6 april volle maan. Volgens de kerk was het echter op 7 april volle maan. 7 april was een zondag en viel het paasfeest dus één week daarna op 14 april.
In het jaar 1981 zal de werkelijke paasviering weer verschillen met het kerkelijke paasfeest.
In dit jaar, 1976, zal het volle maan zijn op 14 april om 14.49uur. Het paasfeest wordt dan gevierd op zondag en maandag 18 en 19 april.

 J.Oele, nadere gegevens onbekend

 

Palmpasen/Pasen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

 

117-114

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (13)

.

PASEN

1977 in ons gezin*.

We staan als ouders of verzorgers weer voor de opdracht er iets goeds van te maken.
In de kringloop van de jaarfeesten die zo wonderwel aansluiten bij de grote ritmen van de natuur van onze aarde is het paasfeest weer aan de beurt.

Weer kruipen we uit de beslotenheid van de donkere winter te voorschijn, zien met blijdschap de zon steeds hoger klimmen. We merken dat we niet meer in het donker opstaan en dat de vaders (of moeders) thuiskomen van hun werk als de zon de aarde nog beschijnt! Als het kind onze blijdschap over de ontwakende natuur voelt, en wij die vreugde bewust hanteren, werken we aan een gezonde genezende basis van de jonge mens. Daaruit kan voor het latere leven vertrouwen groeien in ons aardeleven, en zelfvertrouwen voor onze daden.

Als de avonden lichter worden is het een belevenis, om de rommel in de keuken even te laten staan en met het hele gezin een avondwandeling te maken in de buurt of nabij het park. Een lichte gekleurde lucht, soms laag beschenen wolken, eerste groentjes in de tuinen, groene puntjes aan de bomen en een verrukkelijk vogelgefluit. Ook onze neuzen vangen kruidige geuren op. Nu komen we in de goede stemming om Palmpasen en Pasen voor te bereiden en er iets levends en goeds van te maken.

Dat bewust voorbereiden (denk aan adventtijd) hebben wij moderne mensen erg nodig.
Wij hebben n.l. te maken met vijanden: een soort tegenmachten die ons belagen en het ons heel moeilijk maken.
Overladen programmas, innerlijke onrust, onzekerheid, haast, ongezonde leefsituaties of gewoonten, en zo voort…

Hoe chaotisch wij ons ook gedragen, wij hebben steeds met ritmen te maken. Hartslag – adem­haling (in en uit), waken – slapen, dag en nacht, eb en vloed…Het steeds terugkerende lente-zomer-herfst- en winterbeleven biedt ons een ritmisch houvast voor ons gezin.

In vroeger tijden was het jaarritme en het vieren van feesten een heilig gebeuren. Nog leven de mensen die naar de kerk gaan met de cyclus van het kerkelijk jaar. De boer had zijn hou­vast aan de zaaitijden die hij op zijn beurt van zijn vader en grootvader ‘wist’. Dat weten duidt op een samenhang die wij allang losgelaten hebben.
Wij ouders van nu in onze nieuwe zelfstandige?’ situatie, wij moeten zelf onze weg zoeken, iedere moeder of vader op zijn eigen manier, met zijn eigen talenten. De een is muzikaal, de ander knutselt graag. Nog een ander bakt voortreffelijke taarten en koek. En nog een ander verstaat de kunst om zomaar gewoon blij te zijn.

Een vader komt vol zorgen en problemen thuis. Een hele dag binnen in een rokerige ruimte met velerlei mensen en velerlei meningen. Een kleuter rent naar hem toe. Pap, ik ken een liedje voor je en ik heb al gele bloemetjes gezien en vertel je nu een bloemenverhaalje en ….’ Als Pappie dan bekomen is van deze stortvloed en automatisch naar zijn krant wil grijpen, klinkt daar in de kleuterhoek een stemmetje:

‘Krokusbolletje,
kom ereens uit je holletje,
met je bloempjes paars en geel
op een dunne steel’.

En dan volgt heel beslist een opdracht: Mam, en zo moet jij een kerokusvrouwtje maken, weet je wel met een paars hoedje.’

Ja, de jaarfeesten blijken steeds weer opnieuw steunpilaren te zijn voor gezin en school. Hoe meer je naar het kind luistert, hoe meer je oefent, hoe fijner het wordt!
Is het niet een soort cultus, een gevoel te ontwikkelen over de samenhang tussen, en het weer verbinden van mens en natuur. En tenslotte heeft Christus zich met deze aarde, deze natuur en deze mens verbonden. Dan is Pasen in de toekomst niet alleen een opstanding, een ontwaken van de natuur om ons heen, maar een opstanding van Christus, van het geestdeel van de mens.

Religie = Religia = weer verbinden.

Met de kleintjes hebben wij het niet over dood en opstanding als uitgangspunt. Met hen gaan we in de eerste plaats de natuur om ons heen bekijken. Wij vragen ons met hen af welk wonder dat zaadje in dat potje liet groeien.

Wij kunnen met onze kleuters een paastuintje maken van aarde, mos of een graspolletje. We steken er takjes in, maken vlindertjes van zijdevloei. Een leeg eierschaaltje kan als vaasje dienen, gevuld met wat voorjaarsbloemetjes. Een wollig kuikentje steken we op een kaal takje en verstopt in een schaaltje van zilverpapier een suikereitje. Een ieder vult aan naar zijn ver­mogen!

Eieren zoeken in tuin, park of kamer doet de paashaas eer aan. Wat een handig vlug dier is dat. We vinden aansluitend aan beschreven stemmingen in een liedjesboek ‘Een mandje vol amandelenpassende liedjes. Hoe zaait de boer zijn korentje’.
Ook De Gouden Poort‘, liedjes voor kleuters van Beatrijs Gradenwitz is een steun voor het gezin. We kunnen ook best eens een liedje zelf verzinnen met het kind. Dat valt altijd in goede aarde, als we er maar zelf in geloven.

Zo wordt de voorbereiding voor en het vieren van Palmpasen en Pasen voor de kleintjes een  bron van vreugde en levensblijheid. Voor de groteren betekent dit een gezamenlijk beleven, een stukje creativiteit en inzet.

Voor allen een gelegenheid om weer een jaarfeest te ‘beoefenen” en zo vanuit het gezin een bolwerk te vormen en te zoeken naar het geestelijk element van ons mensenbestaan. Zulke gezinnen zijn nodig voor een sterke school en voor een nieuwe spirituele wereld.

* Erica Mathijsen. Nadere gegevens ontbreken.

.

PASEN IN HET GEZIN

Hoe kunnen wij dit nu in de praktijk verwezenlijken?

We zijn er niet, door weer, net als ieder jaar, eitjes te verven en te verstoppen, paashazen te boetseren, mandjes te vlechten, palmpaasstokken te maken, hoe plezierig het ook is, samen met de kinderen daaraan te werken.
Het is veel zinvoller, voor iedere week van de lijdenstijd, voor iedere dag van de Heilige Week, iets uit te kiezen, een verhaal, een gedicht, een gerecht, een baksel, wat juist zinvol is voor die week, voor die dag.
De grote kinderen vertellen we het paasevangelie, de kleinere „begrijpen” de beelden van sprookjes en sagen, van symbolen als het zonnerad, het kruis, het ei en de paashaas beter.

Voor het hele gezin kunnen we een paastuin maken, door wat snelgroeiende planten te zaaien in een bak met aarde. Voor de kleintjes komen daar met Pasen kleine eendjes en kuikentjes tussen te staan, en lammetjes van schapenwol. Met alle kinderen kunnen we brood kneden, de jongere kinderen maken daar haasjes en mannetjes van, de oudere vormen ingewikkelde vlechtbroden. Samen zingen we liederen en misschien maakt een van de groteren wel een speciale spreuk voor de paasmaaltijden. We kunnen de hoepel van de adventskrans gebruiken voor een lentering, met berkentwijgen versierd en met 12 kaarsen, voor iedere apostel één.

Wanneer de Heilige Week dan begint, op palmzondag (15 april*), houden we met de in de week ervoor gemaakte palmpaasstokken een palmpaasoptocht, ter herdenking van Christus’ intocht in Jeruzalem. Misschien lezen we de kinderen het verhaal uit het Evangelie voor of een gedicht, dat ons getroffen heeft, zoals het gedicht op deze bladzijde, dat uit Duitsland stamt:

De Heilige Week

Toen Jezus van zijn Moeder wegging
en de Grote Heilige Week aanving,
toen had Maria veel hartepijn
en zij vroeg haar Zoon bedroefd

Ach Zoon, jij liefste Jezu mijn
wat zul je op de Heilige Zondag zijn?
Op Zondag zal ik een Koning zijn
dan zal men mij met kleren en palmen bestrooien.”

Ach Zoon, jij liefste Jezu mijn,
wat zul je op de Heilige Maandag zijn?
op Maandag ben ik een zwerveling
die nergens een onderdak vinden kan”

Ach Zoon, jij liefste Jezu mijn
wat zul je op de Heilige Donderdag zijn?
“Op Donderdag ben ik in de etenszaal
het Offerlam bij het Avondmaal”

Ach, Zoon, jij liefste Jezu mijn
wat zul je op de Heilige Vrijdag zijn?
“Ach Moeder, ach liefste Moeder mijn,
kon je de Vrijdag maar verborgen zijn! ”

Ach, Zoon, jij liefste Jezu mijn
wat zul je op de Heilige Zaterdag zijn?
,,Op Zaterdag ben ik een Tarwekorrel,
die in de aarde opnieuw wordt geboren”

“Op Zondag, verheug je, o Moeder mijn,
dan stap ik over des Graves steen
en draag een kruis al in mijn hand
dan straalt Glorie over alle land.”

In de oude gebruiken vinden we wellicht aanknopingspunten, iedere dag van de Heilige Week een eigen, zinvolle vorm te geven. Hier enige suggesties:
De Donderdag wordt ook wel Groene Donderdag genoemd. Het is de dag van de Voetwassing. Misschien kunnen we dat in ons bewustzijn hebben, kan dat de sfeer van die dag bepalen. Vroeger klonken ook de ratels waarmee men de Dood probeerde te verjagen. Men kookte een soep van negen voorjaarskruiden en het zaad, op deze dag gezaaid, gold als bijzonder vruchtbaar.
Goede Vrijdag is de dag van het Kruis. In een vlechtbrood, in een weefwerk, in kruissteken kunnen ook kleine kinderen daarvan iets beleven. Misschien kunnen we ook een kruisbrood bakken, zoals men vroeger wel deed. Men hing deze broden op in huis, legde ze op de velden en voedde er mens en dier mee.
In de huiskamer staan kersentakken. Eerst leken zij dood en we vroegen ons af, of er ooit bloemetjes te voorschijn zouden komen. Maar de knoppen worden toch steeds dikker en groener en opeens is op een morgen één knop opengebarsten en ontvouwt zich de eerste kersenbloesem. Voor de kinderen is het een belevenis, een klein wonder. Ook de op de kale takken bloeiende Hamamelis, de sneeuwklokjes en de narcissen zijn voor hen echte gebeurtenissen; intens leven zij mee, met het opengaan van de bloemen en een kind van vier kan dan vragen stellen als: ,,Waarom bengelen die sneeuwklokjes toch zo heen en weer? ” Zelf vindt hij het antwoord en zachtjes hoor je hem tot zichzelf zeggen: ,,0 ja, natuurlijk, dat doen ze om de aarde wakker te bengelen.” De kinderen hebben gezien, hoe uit de dode bruine aarde het leven weer omhoog is geschoten, naar het zonlicht toe. Het lijkt hun, alsof de zon met haar stralen de aarde heeft versierd ter ere van een feest. Is het een paasfeest, waarvoor de natuur zich met bloesem tooit?

Sinds heel lang wordt het paasfeest als lentefeest gevierd. Men kent al voorjaars­spelen uit de tijd der Hethieten, 2000 jaar voor Christus. Ook uit Babylonië, Egypte, India, China en het oude Amerika zijn overleveringen van gevechten, waarin Leven en Dood met elkaar in het strijdperk treden. In de oude Duitse volksspelen, die zelfs nu nog op de vierde vastenzondag, de zondag Laetare, worden gehouden, vinden we de strijd tussen zomer en winter, en optochten, die herinneren aan onze Sint- Maartensoptocht. In ons land vinden we weinig echte paasgebruiken. In het oosten van het land worden nog paasvuren ontstoken, maar in het westen herinneren alleen de chocoladefiguren bij de banketbakker, de mooi opgemaakte mandjes en de paasbroden nog aan het paasfeest. Zelfs een palmpaasoptocht wordt lang niet overal gehouden.
Als we in ons gezin zinvol een paas­feest willen vieren, zullen we ons eerst af moeten vragen, wat Pasen voor ons, anders, betekent.

We moeten op zoek gaan naar de achtergrond van al de oude paas­gebruiken, die we overal in boekjes kunnen vinden; naar het waarom van paashaas en eieren. Beleven wij nog iets bij de woorden: Pasen is opstanding, Pasen is triomf van het leven over de dood? Het paasfeest vormt het sluitstuk van de paastijd, de Lijdenstijd. Dit jaar* is die begonnen op 24 maart. Palmzondag is de vierde Lijdenszondag, en als de paasklokken beieren op paaszondag vieren wij de opstanding van Christus, de triomf van het Leven over het sterven.
Gelaten herleven, dat althans te proberen, vergt veel denkwerk en vindingrijkheid, maar onze moeite wordt beloond, want juist door veel zwoegen wordt het paasfeest een echt Opstandingsfeest.
Stille Zaterdag is een dag, waarbij alles de adem inhoudt, in afwachting van Pasen. Op deze dag kunnen we het paasbrood bakken, de eieren verven, en hout verzamelen voor een paasvuur(tje).
Vroeger trok men ook paaskaarsen van de eerste witte was van de bijen; die werden door de priester ,,versierd” met een kruis, met het jaartal, met een alfa- en omegateken en 5 wierookkorrels met bloedrode wasnagels. Zij werden dan aangestoken met het paasvuur.
Op paasmorgen mogen de kinderen vroeg hun bed uitkomen. Zij stormen de tuin in om de eieren te zoeken, die de paashaas daar ’s nachts verborgen heeft.
In triomf worden ze naar binnen gedragen en op de paastafel gelegd, waar al een mandje klaarstaat. Op tafel kunnen we een door allen samen versierd kleed van papier leggen, of bijv. een paarse loper met daaroverheen een gele, waarin allerlei motieven zijn uit­geknipt. In het midden staat het paastuintje, nu ook nog met bloemen versierd, ernaast staan het aangesneden paasbrood, eierdopjes, gemaakt van papier of klei, een boterlammtje en de broodjes zijn tot hazen en kuikens geworden, misschien zijn er zelfs wel door moeder gebakken eiermannetjes.

Op deze dag kunnen we met elkaar zingen of musiceren en er is vast wel een sprookje, dat juist „gemaakt” schijnt voor Pasen. Vroeger ging men buiten paaswater halen, om zich daarmee te wassen en daardoor schoonheid en kracht te verkrijgen. De kinderen mochten met een roede ieder het bed uitjagen. Deze roede was ook weer versierd, net als de palmpaasstok, en gesneden van een wilg of berk. Men ging vroeg naar de kerk waar de priester de paasbroden en de eieren zegende.
Voor ieder was er een rood ei, rood als beeld voor het bloed van Christus.
Op paasmaandag maken we een wandeling, we kijken hoe feestelijk alles er nu buiten uitziet.
Het is de dag van de Emmaüsgangers en het besef daarvan kan onze wandeling tot iets heel bijzonders maken.
Dan is het paasfeest voorbij, maar door alles heen, wat we samen hebben gemaakt en gedaan, door het vlechtwerk en het kruis, door de eieren en de hazen is iets tot ons doorgedrongen, van wat werkelijk met Pasha, in het Duits Ostern = Zonsopgang te maken heeft.
Zo kan Pasen het grote feest worden, dat het zou moeten zijn, het feest van de Opstanding.
Misschien wensen we elkaar dan ook op een gegeven moment niet meer gewoon „Vrolijk Pasen,” maar zeggen we, zoals de Russen: “Christus is opgestaan”, waarop de ander antwoordt: “Ja, hij is waarlijk opgestaan.”

rubriek ‘het kind op weg’ in ‘Jonas” 13 april (jaar onbekend)

.

KINDEREN HELPEN MEE!

Pasen is een feest dat echt geschikt is om samen met kinderen voor te bereiden. Als kinderen mee mogen helpen aan de voorbereiding van een feest, staan ze er anders tegenover, voelen ze zich er meer mee verbonden. Bovendien genieten ze van de voorbe­reiding minstens zo veel, als van het feest zelf. Juist met Pasen is er voor groot en klein van alles te bedenken om zelf te maken.
Het samen plannen maken, eieren verven, de tafel versieren of iets bakken, brengt een feestelijke stemming in huis, dat zijn hoog­tepunt vindt in het zoeken naar de, door de paashaas verstopte eieren! Er zijn een paar dingen die we bij zo’n gezamenlijke voorbereiding in het oog houden om alles vlot te laten verlopen.

Probeer niet te veel te willen maken, want kinderen ervaren het dan gauw als “moeten” en verliezen hun plezier erin. Liever wat minder versierd en ge­bakken dan een doodvermoeide moeder en mopperige kinderen. Overleg ook tijdig met de kinderen wanneer wat gedaan zal worden, zodat ieder in eigen tempo zijn bijdrage kan leveren. Vaak ontstaan er pas tijdens het werk allerlei plannen en ook bij iets wat mislukt, is het fijn nog een middag beschik­baar te hebben om het nog eens te proberen. Naar aanleiding van de plannen moet er natuurlijk allerlei materiaal in huis zijn zoals: verf, penselen, allerlei pa­pier, gum, lint etc. Verder hebben we een heleboel geduld nodig, want er vallen vast verfpotjes om en lijm, papier en vingertjes kleven vaak op de verkeerde ma­nier aan elkaar. Hou ook in het oog dat het bij jonge kinderen vooral om het doen gaat en niet om het resultaat. Hoewel ze ook reuze trots zijn als hun ei, vol klod­ders verf, aan een tak komt te hangen. Een uitgeblazen ei schilder je gemakke­lijker als je het op een stokje steekt waarop halverwege een kraal gelijmd is, die het ei tegenhoudt. Het ei op het stokje (dat ergens in geprikt wordt) laten dro­gen en later ophangen.

Tot slot twee boekjes waarin van alles over paasversieringen te vinden is:
Serie Vaardige Handen, uitg. Gebr. Zomer en Keunings;
Paasversieringen door Hans Fasold (nr. 21)
Eieren Kleuren (nr. 18).

eieren verven         Pasen (15)

‘Het kind op weg’ in ‘Jonas’ 5 april 1974

.

PAASMENU

Saffraanrijst of
nieuwe aardappeltjes in de schil
kropsla met radijs, geschikt rond een bord waarop 8 dagen van te voren gezaaide sterrenkers

hardgekookte eieren met gesmolten boter en kappertjes

toe: zonnepudding

‘Jonas’ 6 april 1979

.

ZONNEPUDDING

Benodigdheden:
200 gr- suiker
12 blaadjes gelatine
12 sinaasappels
2citroenen
1/4 liter slagroom
3 eieren
een beetje olie

125 gr. suiker ,
7 geweekte blaadjes gela­tine oplossen in een weinig water op het vuur.
Sap van 6 sinaasappels en 1 citroen er­bij gieten als de massa koud, maar nog vloei­baar is.
De 1/4 liter slagroom stijfkloppen en het mengsel langzaam erbij gieten.
Drie stijfgeslagen eiwitten luchtig erdoor scheppen.
Als de puddingmassa niet meer uitzakt in een ronde vorm doen die wat ingeolied is.
In de ijskast minstens 5 uur laten opstijven.

75 gr. suiker,
5 geweekte blaadjes gela­tine in 1 dl. water oplossen,
sap van 6 sinaasappels en 1 citroen erbij doen als de massa koud maar nog vloeibaar is.
De halve sinaasappels van binnen schoonmaken door met een scherp lepeltje het witte velletje met vruchtvlees eraan eruit te halen.
De bak­jes vullen met de gelei als die begint stijf te worden.
Minstens vijf uur laten opstijven.

Pudding keren (als hij niet wil, de vorm heel even in flink warm water houden) en de hal­ve gevulde sinaasappels doorsnijden, eventu­eel nog eens doorsnijden en als stralen om de pudding heenleggen.

Prachtig om te zien, heerlijk om te eten en ondanks bovenstaande niet ingewikkeld om te maken.

“Jonas” 6 april 1979

 

Palmpasen/Pasen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

 

 

116-113

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner als pedagoog (5)

.

SCHOONSCHRIJVEN

Op de lagere school – zo heette toen de basisschool – had ik een schriftje, de helft van een gewoon schrift, groen met wit etiket, waarop onder mijn naam het woord ‘schoonschrijven’ prijkte.

Op gezette tijden schreef ik een voorgedrukt woord netjes in een rijtje naar beneden een aantal keren na.

Toen ik later een vrijeschoolklas had, vond ik het heel belangrijk dat de kinderen mooi zouden schrijven.
Waarschijnlijk door de in mij opgeslagen ervaring uit de eigen kindertijd oefende ik met mijn klas het ‘schoonschrijven’ in een heus ‘schoonschrijfschrift’.

Bij het bestuderen van ‘Opvoedkunst’ [1] kwam ik hetvolgende tegen:

Wir werden, indem wir das Schreiben aus dem malenden Zeichnen herausholen, doch gar nicht nötig haben, bei dem Kinde extra zu pflegen das Häß­lichschreiben und das Schönschreiben. Wir werden uns bemühen, zwischen dem Häßlichschreiben und dem Schönschreiben keinen Un­terschied zu machen und allen Schreibunterricht so zu gestalten – und das werden wir trotz des äußeren Lehrplanes können -, daß das Kind immer schön schreibt, so schön, als es notwendig ist, daß es niemals den Unterschied macht zwischen Schönschreiben und Häßlichschreiben.

 ‘(  ) het schoonschrijven. Als we het schrijven afleiden uit het schilderend tekenen, dan is het voor ons toch helemaal niet nodig om dan ook nog te doen aan lelijkschrijven en schoonschrijven. We zullen ons best doen om geen verschil te maken tussen lelijkschrijven en schoonschrijven en het schrijfonderwijs zo vorm geven ( )  dat het kind altijd ‘schoon’ schrijft, zo mooi als nodig is en dat het nooit een onderscheid maakt tussen schoonschrijven en lelijkschrijven.’
GA 294/178
vertaald/148

Voor mij was dit gezichtspunt van Steiner net weer iets verdergaand dan mijn eigen opvatting die ik eigenlijk zonder nadenken uit mijn jeugd had meegenomen.

Deze realiteit beviel mij beter: als er geen lelijkschrijven moet zijn, dan hoeft er ook geen schoonschrijven te zijn.

Toch vond ik het nodig om het handschrift van de kinderen zo te oefenen dat het schrijven er mooi uitzag.
Daartoe deed zich zo maar een gelegenheid voor bij het instuderen van een toneelstuk. Ik gebruikte de tekst om een ‘toneelschrift’ te maken.

Eerst grote letters, wie het goed beheerste, mocht kleiner gaan schrijven.

Deze werkwijze verhoogde het mooi schrijven aanzienlijk!

 

schoonschrijven 1
schoonschrijven 2schoonschrijven 3

 

 

Toneelstuk: Hoe Thor zijn hamer terughaalde – uit de Edda

Rudolf Steiner als pedagoog

Rudolf Steiner: alle artikelen

115-112

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (12)

.
Tijdens een paasviering op school is onderstaand verhaal aan de kinderen verteld. Het was vooral bedoeld voor de lagere klassen en is een zeer vrije en “verhollandste” weergave van een Boeddhistisch sprookje.


HET HAASJE IN DE MAAN

Er leefden eens in een groot woud vier dieren:  een eekhoorn, een otter,  een vos en een haasje. Gedurende de zomer ontmoet­ten zij elkaar geregeld en zo waren zij vrienden geworden; maar in de barre wintertijd zagen zij elkaar niet zoveel;  dan zocht ieder van hen beschutting in zijn eigen veilige hol en alleen als de honger er hen toe dwong ondernamen zij een haastige speurtocht door het stille en eenzame woud. Op een keer wer­den zij vroeg in het voorjaar alle vier tegelijk door de eer­ste warme zonnestralen naar buiten gelokt en ontmoetten el­kaar na lange tijd weer voor het eerst. Zij waren zo blij dat zij elkaar weer zagen en dat de zomer weer in aantocht was, dat ieder van hen aan de ander begon te vertellen, wat hij van de komende tijd voor goeds verwachtte.
Nu zullen straks de sloten en vijvers niet meer dicht gevroren zijnn, sprak de otter ” en de vis is zo voor het grijpen'”  “Ik begin al te watertanden als ik denk aan al het jonge ge­vogelte, dat straks weer uit het ei zal kruipen”, zei de vos. Dan wordt ieder maal voor mij weer een feestmaal.” “Ik verheug mij op het malse jonge gras, dat straks weer gaat groeien en waar ik maar nooit genoeg van krijg”, zei het haasje. “En ik kan de laatste noten van mijn wintervoorraad nu rustig oppeuzelen, want straks is er voor mij voedsel te kust en te keur, snapte de eekhoorn blij.

Opeens werd het haasje stil. Het dacht een poos na en zei tenslotte: “Wij kunnen God heel dankbaar zijn voor het feit, dat Hij steeds weer, na iedere lange winter een voorjaar laat komen, waarin wij zo blij en onbezorgd kunnen leven. Konden wij Hem maar op de een of andere manier onze dankbaarheid tonen.
Weet je wat, wij spreken af, dat wij alle vier aan de eerste de beste mens, die wij ontmoeten, wat zullen geven. De mens ver­tegenwoordigt voor ons toch Gods beeld op aarde.
De andere dieren stemden hiermee in en zij gingen uit elkaar.
Maar toen het haasje weer naar zijn leger was teruggekeerd en nog eens nadacht over wat zij hadden afgesproken, werd het onrustig. “Wat zal ik de mens kunnen geven”,  dacht het bij zichzelf. “Dat, wat voor mij van de allergrootste waarde is, nl. het jonge, malse gras, wat heeft dat als geschenk voor hem te betekenen?” – Het haasje dacht en dacht en opeens had het een antwoord op zijn vraag gevonden. “Het beste wat ik geven kan ben ik zelf; zo gauw ik een mens ontmoet zal ik mijzelf aan hem geven.” En vol spanning wachtte het op het mo­ment, dat dit gebeuren zou.

En zie, vanuit zijn hemelhuis keek God omlaag naar de aarde, want steeds als er op aarde een belangrijk besluit wordt geno­men, begint zijn hemeltroon te gloeien. En God zag, dat het voornemen van het haasje, om zichzelf te offeren, dit keer de oorzaak was van de warmte die Hij voelde. Hij was hierover zeer verheugd en besloot zelf naar de aarde te gaan, om het op de proef te stellen. Zo wandelde Hij in de gedaante van een eenvoudig man op aarde en ging op weg naar het woud, waarin de dieren leefden.
Eerst kwam hij langs een vijver en daar kroop opeens een druipnatte otter te voorschijn en legde een zieltogende vis aan zijn voeten. De man dankte de otter, nam de vis in zijn handen, tot deze weer vol levenslust ging spartelen en schonk hem terug aan het water. Een eind verderop kwam opeens een vos uit de struikenHij droeg een jonge duif in zijn bek en legde hem neer aan de voeten van de man. Deze dankte de vos, nam de bloedende duif in zijn handen en zie, de wonden van het diertje heelden,  het hartje begon weer te kloppen en even later klapwiekte het blij de lucht in, de zon tegemoet.
Toen de man weer verder was ge­gaan, sprong hem opeens een eek­hoorn tegemoet en legde hem een dennenappel in de uitgestrekte hand. De man dankte de eekhoorn, schudde de zaadjes uit de rijpe appel en borg ze in de aarde. nNu kunnen er nieuwe bomen gaan groeien”,  sprak hij “en over een poos zullen je nakomelingen  s winters nooit honger hoeven te lijden in dit bos.”
De man liep weer verder, tot hij bij een plek kwam, waar het haasje nog altijd in zijn leger over zijn grote plan lag na te denken. Het schrok op toen het de man zag en deze zei: “Ik ben een otter, een vos en een eekhoorn tegengekomen, die hebben mij alle drie wat gegeven; heb jij mij ook wat te geven?”
En het haasje sprong verheugd op en zei:  “Zou u voor mij wat takken willen verzamelen en deze aansteken?”
De man deed dat en toen het vuur helder en warm brandde, sprong het haasje er opeens midden in. Het sloot zijn oogjes om zich schrap te zetten tegen de pijn, die het dacht te voelen, maar…. o het voelde niets en toen het verbaasd zijn ogen weer opende, was het vuur verdwenen en de man was zo stralend en licht, dat het zijn ogen opnieuw sloot, en het hoorde een stem die sprak: “Jij hebt me het allerbeste gegeven, wat er te geven is, namelijk jezelf. En opdat mens noch dier zullen vergeten wat je hebt gedaan, zal je een plaats krijgen dicht bij mij, waar iedereen je altijd kan zien.”
Als het volle maan is kan je hem daar zien, maar je ziet hem het allerbeste, als in de lente de paasmaan aan de hemel staat.

vrijeschool Den Haag, nadere gegevens onbekend

.

haasje-en-de-maan

Palmpasen/Pasen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

114-111

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (11)

.

EEN OVERWEGING BIJ ONDERSTAANDE LEGENDE

Aan de etalages merk ik het al, het is weer zo ver. Vreemdsoortige hazen staren me aan. Lange flapperoren, een vreemde grijns, soms een paar uitstekende tanden, halverwege een broek en sjouwend of duwend met eieren: de paashaas.
Ik krijg dan het benauwende ge­voel: ‘daar is hij weer’, ‘we moeten weer zo nodig’ en ‘waarom eigenlijk’.
Pasen-hazen, het rijmt, en dat is op dat ogenblik de enige verbinding die ik tussen die twee beleven kan.

Vanuit het verleden kan ik me nog herinne­ren dat het toch wel wat had; eieren zoeken; bijna de paashaas gezien hebben. Met het stijgen der jaren verdwijnt het geheimzinnige, opgewonden gevoel. Je gaat andere motieven zoeken die met Pasen verband houden. De paashaas dreigt zich dan al snel in de rij van de vele cultuurfrasen te scharen waarin het kerstmannetje, de cultuurkabouter, en kerstengeltjes al marcheren.
Ik vraag vrienden: wat doe jij met de Paas? Ideeën waarin ‘vroeger’ herleeft, donzen kui­kens, suikereitjes in rood- wit- blauwe netjes, chocolade ei, narcissen.
Of laten we nu maar ophouden met al dat kinderachtige ge­doe, een gezellige dag waarin de eieren nog hun plaats behouden, maar waarin het haasje het loodje heeft gelegd. Geen van de geboden alternatieven maakt me enthousiast, ergens zoek ik naar een aanknopingspunt om de paashaas weer in mijn paasgebeuren bin­nen te laten stappen.

Dit gevoel komt hoofdzakelijk door mijn goede herinneringen aan de paashaas toen hij er nog was voor mij. Maar die haas was een heel andere in mijn beleving, als die ik nu om me heen zie. Vanuit mijn manier van met dingen omgaan, kan ik ten opzichte van het ‘grut’ thuis, hun alleen maar een paashaas aanbieden, waar ik zelf ook iets in herken, wat met mijn paasmotivatie te maken heeft. Anders zijn het twee dingen die los staan van elkaar. In die zin zou ’t het gevoel van ‘het moet weer zo hoognodig’ bevestigen.
Hier­door bleef een zeurderig gevoel van niet te­vreden zijn me bezig houden. Zelfs in die mate dat, als ik ergens het woord al gedrukt zag, ik nieuwsgierig de tekst begon te lezen.

‘De haas is een veel geplaagd dier. Niet alleen de mens schijnt zijn vlees een heerlijke hap te vinden, ook zijn medewoners in het veld’.
Je zou denken dat hij daarom langzamer­hand uitgestorven zou zijn. Maar moedertje Natuur heeft hem een grote vruchtbaarheid toegekend, tevens heeft hij een optimaal gehoor, een onopvallende kleur en hij kan heel hard rennen. Haasje rep-je. Hazen-asso­ciatie: groen groen knollenknollenland, er wordt er één geschóten. Hazen zijn dus blijkbaar dieren op wie veel gejaagd wordt. Angsthaas. Zijn ze laf? Wan­neer een hond een haas achtervolgt dan kan een andere haas bliksemsnel voor hem in de plaats springen en rent verder in plaats van die eerste, die gered is en kan uitrusten.
Mis­schien wordt dit ‘spelletje’ nog een keer her­haald, maar dikwijls zal de tweede haas het leven moeten laten ten behoeve van de eer­ste.

In een boek met verklaringen van maanvlekken, kwam ik ‘de springende haas in de maan’ tegen. Maan-pasen (associatie), de paasdatum houdt verband met de maan: de eerste volle maan na het begin van de lente (21 maart) moet voorbij zijn, dan is de eerste zondag daarna de paaszondag.
Veel verder kwam ik niet, totdat ik de Hin­doelegende van het haasje in de maan las. Het verhaal gaat over drie hazen die een vroom leven leidden in drie grotten in de Himalaya. Deze sage gaf mij een mogelijkheid om pasen-haas-dood-opstanding met elkaar te verbinden en er voor dit jaar een paasge­beuren van te maken met haas en al. Hier volgt het:

Marijke Roetemeijer in ‘Jonas’ 8 april 1977

.

De legende van de drie hazen

Er waren eens drie hazen, die elke dag tot God gingen bidden of Hij hun hartewens zou willen vervullen: éénmaal in de hemel te mogen komen.
De eerste haas had een bruin vel, de tweede was wit gevlekt, de derde was wit en heette “Sneeuw”. De drie hazen waren erg aan elkaar gehecht, en wat de een deed, deden de anderen ook. Veel uren waren aan het gebed gewijd, maar om niet te verhongeren moesten ze toch ook voor hun voedsel zorgen.

In drie grotten leefden zij zo vele jaren. Hun gebeden reikten tot in de hemel en God besloot om de hazen te belonen. Hoewel hij hen kende, wilde hij ze toch op de proef stellen. Dus sprak Godvader tot de maan:”Je hoeft vannacht pas om twaalf uur te schijnen, ga dus voor die tijd het Himalaygebergte in, zoek de drie hazen op en vraag aan iedere haas iets om je honger te stillen. Als je bij alle drie geweest bent, kom je bij mij en breng verslag uit.” De maan gehoorzaamde en ging het eerst naar de bruine haas.

Die maakte zijn maaltijd klaar en toen hij zag dat de maan voor zijn hol stond, vroeg hij hem vriendelijk het maal met hem te delen. De maan bedankte hem en ging naar de tweede haas. Toen die hoorde dat er iemand aankwam, riep hij opgewekt: “Welkom, vriend!.” Toen de maan gezegd had waarvoor hij kwam, zei de haas :  “Graag zou ik u iets te eten willen geven maar…..ik heb vandaag te lang gebeden en daardoor vergat ik om voor voedsel te zorgen. Als u even wacht haal ik iets.” En toen hij wat bij elkaar had gezocht, gaf hij alles wat hij had aan de maan. Daarna, als laatste, kwam de maan bij de derde haas, Sneeuw.
Hij moest een hele tijd aankloppen, maar eindelijk kwam de haas naar buiten en begroette hem. “Ik zoek iemand, die me wat te eten kan geven”, zei de maan. Na die verre tocht over de besneeuwde toppen ben ik erg moe en hongerig.” “Rust eerst wat uit”, zei Sneeuw,  “intussen zal ik zien of ik u iets kan bezorgen”. De maan hurkte neer bij de ingang van de grot. Intussen zocht de haas in zijn voorraadkamer. Maar o wee! Sedert dagen had hij geen voedsel verzameld, zo diep was hij in gebed verzonken geweest.
Sneeuw dacht aan een spreuk: “Hij die een gast niet herbergt, zijn honger
niet stilt en zijn dorst niet lest, heeft vergeefs tot God gebeden.”
Wat moest die arme haas nu beginnen? In dit moeilijke ogenblik kreeg hij een
goede inval. Hij ging naar binnen, maakte een vuur en nodigde de gast uit om het zich bij de koesterende vlammen makkelijk te maken. Daarna zei hij : “Heer, ik heb de laatste dagen zo veel gebeden, dat ik geen voedsel zoeken kon, en dus heb ik niets in huis dat ik u zou kunnen voorzetten.”
De maan zei boos: “Dan ga ik maar weer en bij je vuur wil ik ook niet zitten.”
“O blijft u alstublieft”, riep Sneeuw.  “Is het u hetzelfde welk soort vlees
ik u voorzet?” De”maan antwoordde : “Nu ik zie hoe serieus je het meent, zal
ik elk soort vlees eten dat je me voorzet.”
“Goed”, zei Sneeuw blij,  “maar daar ik niet anders bezit dan mezelf, zal
ik nu mijn eigen lichaam in het vuur werpen, dan hebt u een maal om uw honger te stillen.”  “Neen!” riep de maan verschrikt, “neen, niet doen.”

Maar het was al te laat. Voor de maan het kon verhinderen was de haas al in
de vlammen gesprongen. Geen kreet weerklonk, de zelfgekozen dood werd door geen enkel geluid begeleid.

Na deze derde ervaring vloog de maan terug naar de hemel. Daar vond hij in de schoot van God een mooie witte haas. God sprak: “Kijk naar deze haas, o maan, die zichzelf offerde en voor u in het vuur sprong. Hoe zal ik zijn opoffering belonen?” Toen vroeg de maan: “Heer, wil mij het haasje tot vriend en levens­gezel geven. Ik zal het altijd bij me houden, waar ik ook heenga.” “Zo zal het zijn”, antwoordde Godvader. “Als ge uw glans op de aarde doet neerstralen, laat dan de haas mèt u glanzen, zodat alle mensen hem kunnen zien en een voorbeeld kunnen nemen aan zijn vroomheid en zijn zelfverloochening.” Sinds die dag kun je in het zilveren licht van de maan de haas zien.

bron onbekend

 

Palmpasen/Pasen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

 

 

113-110

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (10)

.

WAAROM VALT PASEN NOOIT OP DEZELFDE DAG

Een vraag in ons vorige nummer, waarop ik zou willen ingaan, ofschoon in zon kort bestek, uiteraard aanduidend.

Pasen wordt ieder jaar opnieuw vastgesteld. Men gaat uit van het lentepunt, als de zon op het snijpunt is van de ecliptica met de hemelequator.  (De ecliptica is de baan, die de zon in een jaar aflegt door de dierenriem. De hemelequator : van de aarde af gezien, draait de sterrenhemel om de PoolsterSterren dichtbij de Poolster zijn de hele nacht zichtbaar. Sterren, die verder van de poolster af staan, zijn maar een gedeelte van de nacht zichtbaar. Ze komen op en gaan onder. De sterren, die op- en ondergaan op precies tegenoverliggende punten   – oost en west    –   beschrijven de baan die hemelequator wordt genoemd. Deze twee banen vallen niet samen, maar maken een hoek.)

Wij zeggen dus kort in verband met het begin van de lente: 21 maart. Daarna is het wachten tot de maan vol is. Pasen valt dan op de eerste zondag daaropvolgend.

Het kan dus best gebeuren,  dat, na doorschrijding van het lentepunt door de zon, de maan lang op zich laat wachten tot hij vol is. Maar ook omgekeerd. Komt de volle maan snel na het lentepunt, dan is het vroeg Pasen.

Het betekent, dat de buitenaardse, kosmische invloeden in verband gebracht worden met de Christus en het gebeuren op Golgotha.

Doordat het materialisme de geest in de kosmos ontkende    – er zelfs een dieptepunt was, waarin de mens de eigen geest ontkende – is het logisch dat de beweeglijkheid van de paasdatum (nog vanuit een oud weten van voor het materialisme) niet als iets zinvols gezien wordt.

Met het paasfeest wordt het lijden en de opstanding van de Christus herdacht. De samenhang met de kosmos is men kwijt. Ook Paulus kende Jezus. Bij Damascus werd hem echter duidelijk, dat in de mens Jezus de kosmische Christus had gewoond, die reeds zo lang door de profeten was aangekondigd. Vanuit oud mysterieweten wist Paulus, dat de oude Indiërs die kosmische geest van voorbij de zon zagen komen en de Perzen hem zagen als de zon zelve en dat de Joden hem beleefden vanuit de maan werkend in de natuurkrachten, als Jehova. (Zon en maan worden dus nog steeds vanuit deze achtergronden erbij betrokken om Pasen vast te stellen.)

Dan beleeft Paulus, dat die krachten, die ten tijde van het begin van onze tijdrekening de Christus worden genoemd, de aardse wereld binnengetrokken zijn. Hij ziet de Christus, die de materie overwonnen heeft.

Het positieve van het materialisme is, dat het de aanleiding kan zijn ons denken weer actief te maken, zoals bv. nu, met de dreigende vastzetting van Pasen.

Het aannemen van oude overleveringen zijn we echter ontgroeid. Willen we niet verstarren in de eenzijdigheden van verworven kennis, maar in het beweeglijke paasfeest de diepere zin gaan beleven, dan openen zich nieuwe perspectieven. Dan laat zich bevroeden, dat, wat amper 2000 jaar geleden plaatsvond,  een verjonging en vernieuwing kan gaan betekenen –  krachten, die als zuurdesem werkend aarde, mens en kosmos doordringen.

Zo beschrijft Rudolf Steiner: Van het moment, dat het van kosmische krachten doortrokken bloed van dit hoge Christuswezen op aarde viel, is voor degene, die geestelijk zien kan, de aarde aan het veranderen. Deze wordt doortrokken met krachten, die (zoals zuurdesem in brood) het leven hergeven aan de reeds verstarrende mensheid.

Christus’ woorden werkten bij zijn leven voor Golgotha al omvormend, genezend, opwekkend. Deze krachten verbinden zich met aarde en mens. En hij sprak : ‘Ik zal bij u zijn tot aan het einde der tijden.’

In dit bewustzijnsproces kan die goddelijke kiemkracht in iedere mens tot ontwikkeling komen. Het spirituele leven zal dan geen ‘hinder’ betekenen in de menselijke samenleving. Het zal niet los van het sociale en economische leven staan, maar een integrerend deel ervan uitmaken.

Amy de Rhoter. Nadere gegevens onbekend

 

Palmpasen/Pasen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

 

112-109

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (9)

.

PASEN

Pasen is voor ons een bekend, vooral traditioneel jaarfeest.
Vooral traditioneel, omdat tegenwoordig in het algemeen het paasfeest zo weinig inhoudsvolle betekenis voor de mensen heeft.
Als je zo links en rechts vraagt wat er nu eigenlijk gebeurd is met Pasendan weet een enkeling te vertellen dat het het verraad en de kruisiging van Christus betreft.
Bij het kerstfeest kunnen vele mensen zich nog wat voorstellen, het is hen veel duidelijker en tastbaarder wat daar gebeurde in vroeger tijden

Voor ons mensen van deze tijd kost het enorme moeite een voorstelling te hebben van de betekenis van het paasfeest.
Het  “hebben” van een voorstelling kan vaak nog een activiteit van buitenaf zijn, een bijna abstracte bezigheid die tot stand komt vanuit onze zintuiglijke werkelijkheid.

Willen we proberen wat meer van de gebeurtenissen rond Pasen te begrijpen, dan zullen we moeten streven naar een doordrenking van onze zintuiglijke werkelijkheid met bewustzijn van de geestelijke wereld,  zoals men dat in vroeger tijden nog bezat.

Vooral de opstanding is door ons ontwikkeld natuur-wetenschappelijk denken naar het rijk der fabelen verwezen. Hiermee volgen wij eigenlijk het besluit, op het concilie in 869 na Chr. genomen, dat de mens voortaan alleen nog maar bestaat uit een lichaam en een ziel. De geest werd in de ban gedaan, hierdoor kon de ruimte ontstaan voor de grote ontwikkeling van de natuurwetenschap, maar de werkelijke beleving van het paasfeest ging teloor.

In deze tijd moeten we proberen de opstandingsgedachte weer tot leven te wekken, als een realiteit te accepteren. Dat dit niet zomaar gaat, zal eenieder wel kunnen aanvoelen.
Wat wordt ons duidelijk gemaakt door het mysterie van Golgotha?

Toen de Christus op Goede Vrijdag voor de Romein Pilatus gebracht werd, bespot en geslagen, zei Pilatus: ‘Zie hier, de mens!’
Hoe waar zijn deze woorden, al waren ze neerbuigend bedoeld.
De ontwikkelingsweg van de mens treedt voor het voetlicht en in de
gebeurtenissen en verhalen van Pasen hebben wij vóór ons wat de
bestemming van ieder mens is. De vervolmaking van de mens, de vervolmaking van het Ik, de intocht van het Christuswezen in de mens, in ieder mens.
In de biografie van ieder mens is het groeiproces aanwezig – het groeiproces met als doel een werkelijk geestmens te worden.

Wij proberen ons ik-bewustzijn in onze levensloop te bevrijden van zijn sterke binding met ons denken, voelen en willen. Deze binding laat zich het sterkst zien in ons oordelen, daar komt het ik naar binnen in het oordeel, zolang ik mijn denken, voelen en willen samen met mijn ik gebruik bij de waarnemingen die ik doe.
Dat is baatzuchtig.

Lukt het ons bewustzijn vrij te zijn van het oordelende ik, dan kan de wereld zelf binnen ons oordelen. Dat is onbaatzuchtig. Je merkt dan dat je bij de essentie van je ik komt, nooit meteen iets bepaalds al wil, maar meegaat zodra je iets als juist hebt onderkend  (wat een levensopgave is.)

De wereld oordeelt in mij, het ik sluit zich vrijwillig aan bij het handelen dat voortkomt uit dit oordeel.
Deze kracht, deze mogelijkheid die ons gegeven isvieren wij met Pasen.

Aan  “Zie hier, de mens”, kan men dan toevoegen: “De Christus in mij” (de woorden van Paulus: “niet ik, maar Christus in mij”, die hij sprak na de opstanding).

Wij vieren,  behalve het lijden, de graflegging en de opstanding, ook de
palmzondag een week voor de paaszondag.

Een uitbundig feest, vooral op de onderbouw van de vrijescholen, met het kruis, het brood, de takjes en de slingers. Wij vieren de binnenkomst van de Christus in Jeruzalem. Vele juichende mensen met palmbladeren in hun handen, koelte toewuivend, begroeten hem bij zijn intocht op de ezel. De mensen zien met hun eigen ogen hoe Hij straalt, zij nemen deel aan dit stralen en voelen zich zielsenthousiast.

Dit juichen wordt gedeeld met het juichen in de natuur, de aankomende lente, de aarde ademt uit. Juist in deze tijd vindt even later de kruisiging, de dood, plaats.
Hoe tegengesteld aan het juichende, het levende. Welk offer wordt hier gebracht? Wat wordt ons hier getoond?

De dichter Martinus Nijhoff drukte dat o.a.  zo uit:

                                    De soldaat die Jezus kruisigde

Wij sloegen hem aan ’t kruis.
Zijn vingers grepen wild om den spijker toen ‘k den hamer hief –
Maar hij zei zacht mijn naam en: “Heb mij lief”
En ’t groot geheim had ik voorgoed begrepen.

Ik wrong een lach weg dat mijn tanden knarsten,
En werd een gek die bloed van liefde vroeg:
Ik had Hem lief – en sloeg en sloeg en sloeg
Den spijker door zijn hand in ’t hout dat barstte.

Nu, als een dwaas, een spijker door mijn hand,
Trek ik een visch – zijn naam, zijn monogram –
In ied’ren muur, in ied’ren balk of stam,
Of in mijn borst of, hurkend, in het zand,

En antwoord als de menschen mij wat vragen:
“Hij heeft een spijker door mijn hand geslagen”

Niet alleen een spijker door de hand van de soldaat, maar een spijker door de hand van de mens.

Het lichaam van één mens is het toneel geworden, waarop zich een groot herscheppingsdrama afspeelt. Het lijden aan het kruis is het lijden van de mens op zijn weg.

De opstanding laat ons eigenlijk de vervulling van het wezen van de mens zien. De eerste volkomen mens. Opstanding uit de dood, het overwinnen van de dood, is uiterst noodzakelijk voor ons geweest om ’t groot geheim voorgoed te begrijpen. Was dit niet gebeurd, dan kun je je voorstellen dat wij immer een verlangen, een heimwee naar vervolmaking in ons zouden dragen waarmee wij geen kant op zouden kunnen.
De opstanding laat zien dat de geestmens niet weg is, maar juist onder ons, beter gezegd, in ons leeft.
Niet als een vanzelfsprekend iets, niet passief, maar meer actief: je moet  a.h.w. zelf door de dood en de opstanding, sterven en opstaan, gaan.

Vele vragen blijven onbeantwoord, vele dingen nog onduidelijk, maar ik geloof dat we al een eindje op weg zijn als een ieder probeert tot zijn/haar eigen paasbelevenis te komen.

Opstanding van de wereld begint in de mens!

Robin Jansen, vrijeschool Nijmegen, datum onbekend.

.

Palmpasen/Pasen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

 

111-108

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.