Maandelijks archief: november 2012

VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de plantkunde (41)

.

Gerbert Grohmann

‘leesboek voor de plantkunde’

blz.143, hoofdstuk 41                                                       alle hoofdstukken

 

DE GRASSEN EN ONS BROODGRAAN
Kruiden en bloemen, bomen en struiken zouden niet voldoende zijn het lichaam van de aarde volledig te bedekken; het gras, de weide moet eroverheen liggen om haar voor kaalheid te behoeden, zoals het vel van een dier.

Iedere grashalm die tevoorschijn komt, is het antwoord van de aarde op een zonnestraal. Wil je op een schilderij het gras aangeven, dan heb je al aan een paar streepjes genoeg, als ze maar naar de zon wijzen, want het gras heeft nergens een breed vlak; alleen lijnen, want het stengelachtige overheerst. Bijzonder opvallend is het dat de grassen geen bloemen hebben. Wel zie je aren en pluimen op de slanke halmen in de wind wiegen, maar niemand heeft ooit een grashalm gezien, die een kleurige bloem droeg, al was die nog zo klein. In deze eigenaardigheid van de grassen ligt een diep natuurgeheim besloten, wat voor de mens van de allergrootste betekenis is. Gras groeit onverstoorbaar. Het groeit haast het hele jaar door, zonder dat het een bijzondere verzorging nodig heeft en waar een kale plek ontstaan is, groeit het spoedig weer. Na het maaien van een weiland spruit het opnieuw uit de wortelstokken tevoorschijn. Het kweekgras heeft zelfs ondergrondse uitlopers naar alle kanten, zodat je de grond grondig moet omwerken, wanneer je het daar niet hebben wil.

Het moet wel een zeer sterke levenskracht zijn die de zon in de aarde doet stralen, wanneer zij de grassen laat ontstaan en deze kracht zou voldoende zijn om heerlijke bloemen te kunnen dragen. Maar de aarde wil niet dat er bloemen aan de grashalmen groeien; zij laat de bloemen ongevormd en gebruikt de kracht voor iets anders. Alleen wat stengelachtig is laat zij ontspruiten. Daarom zijn ook de bladeren van het gras zo smal en spits.

Hoe sterk de kracht van de stengel is, kun je aan de grasbladeren heel duidelijk zien. Probeer je er namelijk een vanaf te trekken, dan breekt deze niet waar je denkt dat hij begint, maar je trekt eerst nog de lange bladschede mee, waarin de stengel zat. Dikwijls is de bladschede veel langer dan het eigenlijke blad. Daaraan kun je zien dat het blad eerst nog een poosje bij de stengel blijft, voordat deze dan daarvan loskomt. In de bladschede is de stengel zacht en sappig gebleven. Het zachtst is hij onmiddellijk boven de knoop. Daar scheurt hij ook het makkelijkst. De grashalm heeft net zoveel bladeren als er knopen zijn, want de knoop is de plaats waar een blad ontspringt.

Grohmann 144 gras

Ook de pluimen en de aren bestaan uit louter stengeldelen. Dikwijls steken de twijgjes ver de lucht in, zoals bv. bij het trilgras; soms, zoals bv. bij het vossenstaartgras zijn deze echter tot rolletjes of in dichte kluwen samengetrokken. Ieder van de ontelbare grassen doet het iets anders.

Het geraamte van de graspluimen en –aren is eigenlijk niet anders dan een bloemsteelverzameling. Elk daarvan zou een bloem willen ontvangen. Maar daarvan komt  niets; het lijkt wel of er iets ontbreekt. Er zit alleen kaf, dat zijn de kelkblaadjes van de bloem die verkommerd is, aan de bloemsteeltjes en daartussen hangen de meeldraden aan lange en zeer dunne draadjes naar omlaag. De wind kan ze makkelijk heen en weer bewegen, zodat het stuifmeel eruit valt. De stempels van het vruchtbeginsel lijken op heel kleine veertjes. Dit alles kun je bestuderen wanneer je grassen, bekijkt wanneer ze bloeien. Natuurlijk moet de aarde de bestuiving van de grassen door de wind laten verrichten, wanneer zij wil, dat er bloemen ontstaan, want noch vlinders, noch bijen, noch andere insecten bezoeken de grasbloempjes.

Grohmann 145 gras

Verschillende grassoorten. Van links naar rechts: riet; bochtige smele, een bosgrassoort; kropaar, overal voorkomend; struisgras; boskortsteel; pijpenstrootje, op vochtige, drassige plaatsen te vinden, de lange, bladerloze halm is hier verkort; raaigras.

Voor nu het grote natuurgeheim verklapt wordt dat samenhangt met dat de grassen geen bloemen hebben, moet nog vermeld worden, dat ook onze gezamenlijke graansoorten, tarwe, rogge, gerst, haver en gierst, ja zelfs de uit het westelijke deel van de aarde stammende mais en ook de rijst, die aan zoveel miljarden mensen voedsel schenkt, tot de familie der grassen behoren. Al in oertijden zijn de graansoorten uit wilde grassen gekweekt. Dat was een grote kunst die niemand meer beheerst, omdat niemand meer zo diep in de natuurkrachten schouwen kan, als die wijzen, die de aanwijzingen hebben gegeven tot de veredeling van de grassen tot granen.

Bosgierstgras; gierst en rijst.

Wat is het toch mooi wanneer de wind over de weiden strijkt, zodat de halmen beven of wanneer de korenvelden heen en weer wiegen, zodat de aren neerbuigen en zich weer oprichten. Dan is het net of je aan een zee staat, waar de ene golf de andere volgt. Ook hier is het de wind die het stuifmeel uit de aren schudt en het dan over de velden draagt in de vroege morgenstond. Of je iets fijns hoort klinken. En wanneer de weiden gemaaid worden en het hooi geurt fris, wie zou daarvan niet met dankbaarheid vervuld worden! Wanneer het vee naar de stal terugkeert, ruikt het er nog naar.

De graankorrel is het zaad en eveneens ook de hele vrucht van de korensoort. Je kunt de korrels in de aarde leggen, dan groeien daaruit nieuwe planten; je kunt ze echter ook malen en brood bakken, dan voeden ze ons. Bij de wilde grassen is de vrucht maar klein en nog van weinig nut; er moesten eerst soorten met grotere en voedzamere korrels ontstaan.

Wanneer het goed tot je doorgedrongen is, wat het eigenlijk betekent dat zulke levenskrachtige planten als de grassen, met die niet klein te krijgen groeikracht, geen bloemen vormen, dan begrijp je ook, hoeveel kracht er nog over moet blijven. Die slaan ze op in hun vrucht en wij kunnen daarvan eten. Wat ons doet groeien, is dus eigenlijk kiemkracht. Wat zouden we anders als dagelijks brood moeten eten, wanneer aan de grassen niet onthouden was, de bloem te vormen, het mooiste wat de plant draagt,

Dat moet de graanplant missen, opdat wij ons kunnen voeden. Een groots geschenk van de aarde is de jaarlijkse graanoogst en wat moeten we daarvoor dankbaar zijn!

En hoeveel zegen geeft de zon wanneer gedurende de vele zomerdagen de vruchten rijp worden en de aren geelbruin. Waarlijk het past de mens dit godsgeschenk te achten en te vereren!

tafelspreuk*

aarde droeg het in haar schoot,
zonlicht bracht het rijp en groot,
zon en aarde, die ons dit schenken.
dankbaar zullen wij aan u denken

Spruch vor Tisch

Erde, die uns dies gebracht,
sonne, die es reif gemacht,
liebe Sonne, liebe Erde,
euer nie vergessen werde!

CHRISTIAN MORGENSTERN

Wij eten het brood en nemen de voedende kracht van het koren in ons bloed op. Daar wordt het veranderd. Tenslotte wordt dat toch nog tot bloemen, tot rode rozen. Die heeft de mens in zijn bloed. Hoe edeler en reiner hij is, des te mooier bloeien de rozen in zijn bloed.
In het Duits zijn Blut en Blüte=bloed en bloem, dezelfde woorden. Je kunt de bloemen in het bloed wel niet met  lichamelijke ogen zien, maar ze zijn toch aanwezig.

Tenslotte echter moet ook het gewone gras niet vergeten worden dat het vee op de wei vindt en dat ook in de voerbak gelegd kan worden. Ook de kracht hiervan wordt in het dierenlijf veranderd. Deze wordt tot melk en tot vlees, die ons tot voedsel dienen.

De natuur heeft er ook nog voor gezorgd dat onze korensoorten op de akkers niet helemaal zonder sier staan. Korenbloem, klaproos, bolderik en vele andere mooie bloemen worden bij het zaaien meegezaaid. Zo krijgt het graan tenminste als onkruid er nog bij wat het zelf moet missen. De aarde streeft ernaar de tegenstellingen uit te wissen en het nergens aan schoonheid te laten ontbreken.

Rätsel

Die Getreide stritten dereinst miteinander,
welches vor den andern seine Ähren
bräunen und reif werde lassen sollte.
Da liess sie Gottvater nacheinader
ihre Namen in den Wald hineinrufen
und sagte es ihnen durch das Echo,
welches den Angang machen sollte.

*er bestaan vertalingen met kleine afwijkingen

Terug naar de inhoud

Plantkunde: alle artikelen– waaronder 5-5 over tarwe

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klas: plantkunde

46-44

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

Advertenties

VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de plantkunde (40)

.

Gerbert Grohmann

‘leesboek voor de plantkunde’

blz.140, hoofdstuk 40                                                                    alle hoofdstukken

 

OVER DE VOGELWIKKE
Wikken zijn planten die een steun nodig hebben waaraan ze zich kunnen vastklampen. Groeien ze bv. op een graanveld, waar ze dikwijls als onkruid voorkomen, dan grijpen ze met hun spiraalranken weldra de ene na de andere halm. Ze grijpen om zich heen als iemand die in zijn slaap, half dromend naar iets tast. Zouden ze geen steun vinden, dan moesten ze zich wel heel beklagenswaardig op de grond neerleggen. Dus de vogelwikke groeit in de lucht, tussen ander planten in. Ze is geen windeplant, zoals de boon, want die klampt zich niet met haar stengels aan de steun vast, maar wikkelt er ranken  omheen die vrij zweven.

Haar wikkelranken zijn haar handen, waarmee ze haar luchtige bestaan zeker stelt. Als ze het zou kunnen, zou ze lachen, want het is echt een vrolijke vogel. Beweeglijkheid en handigheid heeft ze van de lucht gekregen. Hoe anders zou ze er uitzien, als ze vast op de aarde zou moeten blijven en daar zou moeten staan met een harde stengel. Dat zou je je eens goed moeten voorstellen!

De spiraalranken zijn in werkelijkheid niet anders dan omgevormde bladdelen. Je komt erop wanneer je eens zo’n veervormig wikkelblaadje voor je legt. Zelfs de middennerf loopt in een rank uit en vandaaruit komen naar links en naar rechts de zijranken, net zoals onder de zijblaadjes. Eerst nog zijn de ranken lang naar voren gestrekt, maar zo gauw ze wat aanraken, merkt de plant dat en rolt deze op en wikkelt ze om de steun. Wanneer ze geen steun vinden, worden ze op den duur gewoon als een slakkenhuis opgerold.

De gewone planten merken het licht op en ze draaien zich daar naartoe, zoals je aan kamerplanten die in de vensterbank staan, dikwijls kan zien; rankenplanten echter merken ook nog wanneer ze tegen iets aankomen.

Wanneer ze bloeien hangen ze hun blauwviolette bloempjes als een aar met aan één kant bloempjes, op. Als een kleine zwerm diertjes ziet zo’n aar van de vogelwikke eruit. De aparte bloempjes gaan niet naar boven open, maar naar opzij, zoals een vogeltje zijn kopje wel eens houdt. Ieder bloemblad heeft een andere naam gekregen en deze namen zijn gekozen naar voorwerpen die in de lucht kunnen bewegen. Het grootste is naar boven omgeslagen. Het vormt a.h.w. het gezicht van de bloem en heet vlag.  Een vlag kan in de wind wapperen. Links en rechts daarvan splitsen zich twee kleinere bloemblaadjes af vleugels genoemd worden. Het zijn de vleugels die de vogels door de lucht dragen. De beide onderste bloemblaadjes zijn vergroeid en hebben een bootvorm,  het schuitje.*

Een vogelwikke. Wie dit blad ziet, zal zeggen dat zo’n plant niet zelfstandig kan staan. Zij moet zich vasthouden. Daarom laat ze uit de middennerven van haar veerbladeren ranken uitlopen; zelfs vormt ze de laatste veerblaadjes in wikkelranken om, zoals je duidelijk ziet. Zoveel ranken heeft ze, dat ze overal wel heen zou willen tasten.

Wanneer de bloeitijd voorbij is, vallen de bloemblaadjes niet als rozenblaadjes naar beneden; ze verwelken eenvoudig en veranderen van kleur, alsof het vogeltje dood is.

Al aan het vijftal bloemblaadjes kun je zien dat de wikke aan de kant van de roosachtigen staat; bij de veernervigen hoort. Ze heeft ook een vijfdelige groene kelk. Verder wijzen de geveerde bladeren van de wikke ook nog op de roos. Maar het verschil tussen een roos en een wikke is nog erg groot. De roos is zelfstandig; de wikke moet steun zoeken bij een ander. Dat komt omdat de roos uit de vaste grond omhooggroeit en dat de stengel van de aarde de kracht ontvangt zich op te richten. Weliswaar wortelt de wikke ook in de aarde, maar dan geeft ze zich helemaal aan de lucht over en laat zich door deze doordringen als geen andere plant. Zo wordt ze wel licht en beweeglijk, maar tegelijkertijd verliest ze de kracht zich op te richten.

Men noemt de planten die aan de vogelwikke verwant zijn en die met hun bloemen en bladeren op haar lijken, peulvruchten of vlinderbloemen. Erwten, bonen, lupine, klaver, brem en de valse acacia behoren tot de plantenfamilie van de vlinderbloemige, net als de linze.

De mens moest maar niet zoals een vogelwikke worden, want ook al is het nog zo leuk zo’n leven te leiden, dan is het toch niet goed, wanneer je een steuntje nodig hebt om overeind te blijven.

 

 

*In het Duits worden hier woorden gebruikt die in het Nederlands  anders zijn.   Het woord ‘Fahne’  (vlag) wordt in dit geval wel vertaald met ‘zwaard’ (zoals ze aan een boot zitten om omslaan te voorkomen.

 

Terug naar de inhoud

Plantkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klas: plantkunde

 

45-43

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de plantkunde (39)

Gerbert Grohmann

‘leesboek voor de plantkunde’

blz.138, hoofdstuk 39                                                                         alle hoofdstukken

 

DE PLANTENFAMILIE VAN DE LIPBLOEMEN
Behalve de dovenetel zijn er nog erg veel andere lipbloemigen. Je herkent ze behalve aan hun bloeiwijze ook aan hun netelvorm, de vierkante stengel en het kruisgewijs tegenover elkaar staan van de bladeren. Alleen de vorm van de blaadjes kan heel anders zijn dan bij de dovenetel.

De dovenetel is de moeder van de plantenfamilie van de lipbloemigen, omdat zij zo teer is. De vader is de in het wild groeiende rozemarijnstruik uit de warme Middellandse Zeegebieden. Deze statige, tot manshoogte groeiende struik onderscheidt zich door een bijzonder reine en krachtige geur van de naaldvormige bladeren.

Vele lipbloemen zijn lage, zelfs dwergachtige struiken met kleine blaadjes en bloemen. Je hoeft maar aan onze tijm, de echte tijm, te denken. Hoewel deze zo klein is, heeft hij toch houtige stengeldelen, zodat je wel aan een kleine struik moet denken. Wanneer hij hartje zomer op de zonnige berghellingen roodachtig bloeit en je gaat er middenin liggen, dan zoemt en bromt het om je oren. Vele bijen zwermen door de warme lucht en alles is van een zoete vluchtige geur vervuld, die de bloemen en blaadjes in gelijke mate verspreiden.

Veel sterker dan de brandnetel worden deze lipbloemigen door de zon verwarmd. Ze komen ook op drogere plaatsen voor en bloeien later in het jaar. Zo kan de zon ook sterker in de bladeren dringen en een fijne olie, die als een bloem geurt, bereiden; veel fijner en geuriger dan bij de vochtige dovenetel. Maar daarom kunnen de bloemen niet zo groot worden, want de zon werkt zo krachtig in, dat ze de bloeikracht niet pas uit de bloemen, maar al eerder, uit de blaadjes laat komen.

Bij iedere lipbloem moet je je afvragen of hij meer op de dovenetel, dan wel op de rozemarijnstruik lijkt. Die meer op de dovenetel lijken, zijn kruidig en groeien liever in de koelte. Sommige daarvan, bv. het zenegroen en de hondsdraf zijn gewassen van het vochtige voorjaar. Ze geuren bv. helemaal nog niet of zo’n beetje als de dovenetel. De andere lipbloemen zijn de heerlijk geurende, waartoe de dwergstruiken als tijm, lavendel en salie horen. Je vindt ze daar, waar de volle zon hen koesteren kan. Hoe vurig sommige wel zijn, zie je meteen aan de bloemen, want die vormen net woedend geopende muilen, waaruit meeldraden en stempels dreigend naar voren springen, terwijl juist de dovenetel zo’n goedig gezichtje heeft. De pepermunt groeit op een vochtige bodem, soms zelfs in natte sloten. Ze geurt fris en krachtig. Maar aan de verkoelende werking merk je ook dat de plant in het water groeit.

Vergrote bloesem van de rozemarijn.

Hier volgen nog een paar lipbloemige zo, of ze meer op de dovenetel, dan wel op de rozemarijn lijken.

witte dovenetel                                                      rozemarijn
gevlekte dovenetel                                              lavendel
gele dovenetel                                                         tuinsalie
kleine dovenetel                                                     tijm
brunel                                                                         hysop
hondsdraf                                                               echte marjolein
zenegroen                                                                 pepermunt
hennepnetel                                                            wilde marjolein
andoorn                                                                     bonenkruid
veldsalie                                                                    citroenmelisse

Ook wie niet alle planten kent, die hier genoemd worden, zal toch altijd nog uit het overzicht kunnen zien dat onder de lipbloemen vele waardevolle kruiden en ook belangrijke geneeskruiden te vinden zijn. De voor de mens belangrijkste soorten staan aan de kant van de rozemarijn. Ze brengen de sterk in hen werkende zonnekracht op de mens over, wanneer die dat nodig heeft.

Terug naar de inhoud

Plantkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klas: plantkunde

 

44-42

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de plantkunde (38)

.

Gerbert Grohmann

‘leesboek voor de plantkunde’

blz.135, hoofdstuk 38                                                                         alle hoofdstukken

DOVE NETELS
In de bouw van de groene spruiten lijkt de dovenetel op de brandnetel. Ook zij heeft de netelvorm met de vier bladrijen en de scherp vierkante stengel. Wie niet precies kijkt, zou de dovenetel misschien wel eens met de jonge brandnetelscheuten kunnen verwisselen, temeer daar ook de bladeren van beide planten op elkaar lijken. Maar toch komt in de bladeren ook duidelijk naar voren, hoe anders de dovenetel is dan de brandnetel, dat ze milder , dat ze een dove netel moet zijn, een netel die iemand niet branden kan. Zo voelt ze aan en zo geurt ze ook.

Je vindt de dovenetelbosjes dikwijls bij tuinhekken en in de buurt van vochtige muren, op plaatsen dus, waar ook brandnetels voorkomen. Maar de dovenetel houdt van schaduw en koelte. In tegenstelling tot de brandnetel, die zich graag laat doorgloeien, vermijdt ze die plaatsen waar de zon genadig brandt. Op droge plaatsen gedijt ze maar slecht en wordt daar eerder kleiner dan groter. Daarom is het vochtige voorjaar haar beste bloeitijd. De dovenetel moet dus toch wel, ondanks alle gelijkenis, anders geaard zijn dan de vurige brandnetel.

Iedereen kent de witte dovenetelbloempjes die als duifjes tegen elkaar gevlijd in de bladoksels huizen, in iedere oksel een kleine zwerm. Je zou nog kunnen denken dat de naam in het Duits: Taubenessel, iets met de duifjes van doen heeft. Ieder bloempje komt uit een trechtervormig groen kelkje met vijf in een lange punt toelopende tanden. Trek je er een uit, dan kun je de zoete nectar eruit zuigen die onder in het bloemenbuisje zit. Die vormt de dovenetel voor de hommels, want de hommels beschouwen de dovenetelbloempjes als hun honingpotjes en zonder de hommels, deze goedmoedige brommers, zou je de dovenetel niet kunnen begrijpen. Ze zijn namelijk zeer op elkaar gesteld, de dovenetel en de hommel. De hommel als zich vrij bewegend dier heeft het goed; ze kan gemakkelijk naar de dovenetel gaan en haar een bezoek brengen; de dovenetel echter is aan haar plaats gebonden. Zo blijft er voor haar niets over, dan zich met verlangen naar de hommel uit te strekken. Dat doet de dovenetel dan ook met haar vele bloempjes. Van alle kanten kunnen de hommels komen, dus moet de dovenetel ook haar bloemen naar alle kanten heen richten. Zij zou de hommel wel het liefst willen omhullen, omvatten. Met haar bovenlip, die als een dak gevormd is, omsluit ze de rug van de hommel. Stuifmeeldraden en stijlen zijn zo geplaatst dat ze zich gebogen in het bloemdak van de bovenlip vlijen. Zo moet de zuigende hommel zowel de vier meelbosjes als ook de in tweeën gespleten stamper aanraken. Je hoeft alleen maar eens te kijken hoe een hommel, om bij de nectar te komen, zich bij een dovenetelbloem naar binnenwerkt. In het bloemenbuisje van de dovenetel past de kop en de zuigmond van de hommel precies. Maar de dovenetel komt ook de pootjes van de hommel te hulp. Ze vormt namelijk met haar onderlip twee klepjes waaraan de hommel zich bij het zuigen vasthoudt. Zo past de hommel dus prachtig in de dovenetel en de hommel gedraagt zich er ook naar, want ieder deel van het insectenlijfje  vindt wel een plekje zoals in een huisje dat van hem is. Dat komt natuurlijk vast, omdat de dovenetel met haar bloeiwijze zo verlangend de hommel tegemoetkomt.

Bloemen die zo gevormd zijn als de dovenetel worden lipbloemen genoemd, want ze vormen een kleine bloemenmond met twee lippen, een boven- en een onderlip. Met haar talrijke mondjes spreekt de dovenetel naar alle kanten haar hoop uit dat er een hommel komt, om haar te bezoeken. Alle bloemen spreken met hun insecten, alleen is de taal der bloemen anders dan de mensentaal. Je hoort ze niet met je oren, maar je begrijpt het wel, als je naar de vormen kijkt.

De brandnetel kan deze taal niet spreken, omdat het geen insectenbloeier, maar een windbestuiver is. Zij heeft het sterke vuur in haar bladeren en ze behoedt dat streng, zodat er niets naar buiten lekt. Bij de dovenetel, deze zachtaardige goedmoedige plant, komt het wel naar buiten en je kunt het zien, want er zijn bloemen door gekomen. Maar alles wat de dovenetel in zich draagt, kan nog niet aan de oppervlakte zijn gekomen, iets moet toch zijn achtergebleven, want anders zouden de bladeren niet net als bloemen kunnen geuren. En wat zouden de bladeren nog meer naar bloemen geuren, als de dovenetel wat meer van de zonnegloed hield en minder van de koelte en het vocht. Zo kan de zonnekracht nog niet volledig doordringen en daarom blijft de geur van het blad nog wat onbestemd en wat muf.

De brandnetel heeft de breekbare, puntige brandharen op haar bladeren staan. Ze ‘prikt’ wanneer je  haar aanraakt, zoals een insect met haar fijne angel. Dat doet de dovenetel niet. Door haar verlangen naar de hommel zijn haar brandharen niet bij haar gebleven, maar bij het insect terechtgekomen. Ze zijn in het achterlijf van de diertjes terechtgekomen en vliegen nu mee door de lucht, want de hommels zijn die andere die zich vrij bewegende helft van de dovenetel. Het is heel duidelijk dat een niet-brandende, een dove netel, achterblijft. Alleen de vorm van de netel bleef.

Zo hangen planten ondeling samen en zo hangen ze met de insecten samen. Een wonderlijke wereld van ontmoetingen en van overgave aan elkaar!

Terug naar de inhoud

Plantkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klas: plantkunde

 

43-41

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de plantkunde (37)

.
Gerbert Grohmann

‘leesboek voor de plantkunde’

blz.132, hoofdstuk 37                                                                     alle hoofdstukken

 

OVER DE BRANDNETELS
De brandnetel is een sterke en tegelijkertijd ook een weldoende plant. Ook al maakt ze eerst geen innemende indruk op ons en al heeft ze niets waarmee ze zich aan ons wil opdringen, toch kun je haar vereren. Je vindt haar dikwijls op stortplaatsen, want waar de mens de bodem in het ongerede heeft gebracht, komt zij en bedekt de plaats met haar donkere bladeren. Ze doortrekt de grond met haar kruipende wortelstokken en van tijd tot tijd stuurt ze een bladuitloper naar boven. Zelfs in de allerslechtste grond heeft zij  nog kerngezonde en mooi gevormde bladerscheuten en ook daar waar weinig zonlicht komt, houdt ze toch haar volle groen. Alleen een sterke plant kan zulke eigenschappen hebben.

Het liefst groeit de brandnetel in de nabijheid van de mens. Zij volgt hem, tot aan eenzame berghutten toe; ja zelfs al lang verlaten nederzettingen herken je nog aan de brandnetels die er groeien. Je vindt ze nog bij ruïnes en vroegere geologische vindplaatsen. In de vrije natuur daarentegen komt de brandnetel veel minder vaak voor.

Je hoeft een brandnetel maar eens goed te bekijken om te zien hoe mooi ze toch eigenlijk is. Haar bladeren staan in rijen van vier geordend, steeds twee tegenover elkaar. Het volgende blad vormt met het vorige een kruis. Heel duidelijk zie je de plaatsing van het blad, wanneer je een scheut van bovenaf bekijkt. Ieder blad van deze strikt gevormde plant is in een punt uitgetrokken en heeft een scherp getande rand.

Wie naar deze bladeren kijkt, wordt tot voorzichtigheid gemaand, want ze zijn met fijne glasachtige haren bezet, met brandharen. Die breken bij aanraking af en prikken in de huid, zodat bijtend vocht in de kleine wondjes komt. Dat doet wel pijn, maar heeft geen schadelijke gevolgen, terwijl er in vreemde landen brandnetelsoorten zijn, die iemand tegelijkertijd vergiftigen, wanneer ze branden. Dan heeft onze brandnetel maar een onschadelijk vuur!

Wanneer de netelscheuten groot geworden zijn, bloeien ze ook. Maar de bloempjes zijn heel onaanzienlijk en sierloos. De brandnetel is een windbestuiver, zoals berk en eik en daarom kunnen haar bloemen ook zonder bonte kleur zijn of dat ze geen zoete geur verspreiden of nectar geven. Het zou ook tegen de natuur van de brandnetel zijn om opvallend mooi tevoorschijn te komen; ze wil alle kracht terughouden, want alleen zo kan ze het beste aan een gezonde bodem bijdragen. Dus het is helemaal geen zwakte dat de brandnetel, i.p.v. vurige bloemen die je eigenlijk bij haar zou kunnen verwachten, maar onaanzienlijke groene pluimpjes uit haar oksels laat hangen. De ene bos brandnetels heeft alleen maar stuifmeelbloesems, de andere alleen maar stamperbloesems, omdat de brandnetel een tweehuizige plant is. Wanneer je in de morgen naar een bloeiende brandnetelbos kijkt die stuifmeelbloesems heeft, kun je een merkwaardig schouwspel waarnemen. Van tijd tot tijd kun je zien, hoe een klein stuifmeelwolkje wegvliegt. De stuifmeelbloesem klapt namelijk, net een kleine ontploffing, en slingert zo het poederdroge stuifmeel met een plofje de lucht in.

Pas wanneer je de goede trekken van de brandnetel hebt leren kennen, kan je begrijpen, waarom ze er zo onaanzienlijk uitziet en niemand moet het haar kwalijk nemen, dat ze maar een netel is. Ze herstelt toch maar mooi wat de mens bedorven heeft! Zoals op de bodem, zo werkt ze ook op de mens genezend. Je kunt uit de jonge scheuten die er in de lente zijn, een goede soep maken. Dan gaat de reinigende kracht ook in je bloed over en werkt daar gezondmakend.

In de hoekige vierkante stengel zitten nuttige vezels. Wanneer je een oude brandnetelstengel vaak heen en weerknikt, komen ze naar buiten. Je kunt ze met de hand tot een vaste draad samendraaien. Vroeger werden de brandnetels als vezelplanten verbouwd, gesponnen en geweven, want neteldoek is een voortreffelijke weefstof. Zo veelzijdig zijn de goede, nuttige eigenschappen van de plant. Tenslotte moet er nog iets tot eer van de brandnetel naar voren worden gebracht.

Het heeft er weer mee te maken dat ze geen bloemen heeft, hoewel ze zoveel vuur in zich draagt: ze houdt dat terug en wil het niet naar buiten verspillen. Wanneer er echter rupsen van haar bladeren vreten – en twee van onze mooiste dagvlinders, de kleine vos en de dagpauwoog leggen hun eieren  op brandnetels – dan nemen deze met hun voeding ook de vuurkracht in zich op. Wanneer de rupsen dan volgroeid zijn en zich hebben verpopt, kruipen de kleurige vlinders tevoorschijn.

Nu zien we tenslotte toch nog hoe de brandnetel aan kleurige bloemen komt. Ze zitten alleen niet aan de plant vastgegroeid, maar fladderen als vlinders rond in de lucht. De poppen van de kleine vos en de dagpauwoog zijn eigenlijk de knoppen van de brandnetel, want wat de plant niet afmaakt, dat zet de vlinder door haar ontwikkeling voort.

Iedere keer als we zo’n vlinder zien, moeten we ook aan de brandnetel denken.

De brandnetel zou je met de mens kunnen vergelijken die altijd goed wil doen, zonder dat te laten merken, omdat hij geen eer en roem wil oogsten. Ja, het is zelfs mogelijk dat hij niet voor vol wordt aangezioen of geminacht, net zoals de brandnetel, of ten achter wordt gesteld bij menige opschepper. Wie zulke mensen goed kent, moet van hen, net als van de brandnetel, zeggen dat ze waard zijn te worden vereerd.

Bladeren van de grote en kleine brandnetel.

Terug naar de inhoud.

Plantkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klas: plantkunde

 

42-40

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de plantkunde (36)

.

Gerbert Grohmann

‘leesboek voor de plantkunde’

blz.125, hoofdstuk 36                                                                         alle hoofdstukken

.

WAT JE AAN DE BLADEREN VAN DE BOTERBLOEM KAN ZIEN
Wanneer de gele boterbloemen, ook wel eens hanenvoeten genoemd, bloeien, zijn de weiden op hun mooist. Je kan dan bossen bonte bloemen plukken waarin geen kleur ontbreekt.En wat lichten ze mooi teer op. Vooral wanneer er klokjes bijzitten, steekt het volle geel van de boterbloem bij het blauwe en violet prachtig af.

De vele verschillende boterbloemsoorten die er zijn, komen op even zo vele andere plaatsen voor; sommige in de bergen, zoals bv. de alpenboterbloem; andere meer op moerasachtige bodem of zelfs in het water, zodat alleen de bloemen maar boven water uitkomen, zoals bij de golvende waterranonkel.

Het meest voorkomend is toch de scherpe boterbloem. Hij is één van onze bekendste weidebloemen. Wanneer hij in volle bloei staat, zie je dikwijls het groen van de weide niet meer, zoveel eigele boterbloemschoteltjes als daar staan. Scherpe boterbloem heet de plant omdat de bladeren een scherpe smaak hebben en omdat ze iets giftig zijn.

Je kunt heel veel leren, wanneer je de bladeren aandachtig bekijkt. De onderste zien er namelijk heel anders uit dan de bovenste, zodat je een interessante trap krijgt, wanneer je ze in volgorde bekijkt. Om te beginnen wordt het al meteen duidelijk, waar de naam “hanenvoet” vandaan komt, want deze handvormig gedeelde bladeren met hun punten lijken veel op de poten van een haan. Meestal zijn ze met een donkerbruine tekening versierd.

De onderste bladeren zijn kleiner en hebben een bijna ronde omtrek. Maar de volgende al, die aan erg lange stelen zitten, vormen duidelijk vijfhoeken. Het blad is in vijf hoofdpunten opgedeeld, die ook weer in kleinere spitsen verdeeld zijn. Dan volgen de bladeren die aan de stengel zitten. Ze zien er  bijna nog net zo uit als de voorafgaande, zij het dat ze aan kortere stelen zitten. Hoe dichter de blaadjes de bloem naderen, des te eenvoudiger en kleiner worden ze en des te spitser lopen de punten toe. Uiteindelijk is er nog één enkele, zeer dunne straal over. Wanneer je niet zou weten  dat het bovenste en het onderste blad van de boterbloem aan een en dezelfde stengel groeien, dan zou je nauwelijks geloven dat ze bij elkaar horen.

Volgorde van de blaadjes van de scherpe boterbloem.

Zo’n verandering  van de stengelbladeren, zoals je aan de scherpe boterbloem kan zien, vind je ook bij veel andere boterbloemsoorten, al naargelang waar ze groeien. De goudgele boterbloem bv. groeit bijzonder graag op vochtige plaatsen, op vochtige weiden of aan de rand van het bos. Bovendien is hij de eerste boterbloemsoort van de lente die al zeer vroeg in bloei komt. Daarom moet hij zich behoorlijk inspannen, de rondachtige blaadjes die het eerst komen, in echte boterbloemblaadjes te veranderen. Hij moet eerst een paar pogingen doen en wanneer het hem dan eindelijk is gelukt, komt meteen de zon en wil bloemen maken. Ze splitst de stengelbladeren terdege, zodat ze een stralend karakter krijgen. Nog veel meer dan bij de scherpe boterbloem zijn daarom bij de gulden boterbloem de stengelblaadjes anders dan de wortelbladeren en hier kun je je nog meer verbazen over het feit dat er zoveel verschillende bladvormen aan één plant kunnen voorkomen.

Dat de onderste bladeren zo rondachtig zijn en dat ze van die brede vlakken hebben, komt door het vocht van de bodem. Aan de moerasdotterbloem, die zeer verwant is aan de boterbloem, zie je heel duidelijk, hoe de bladeren worden, wanneer er veel water in binnendringt. Dan wordt de hele plant plomp en log. Ze krijgt vlezige bladeren uit één stuk en dikke stengels die zich tenslotte  op de natte grond ter ruste leggen.

Wanneer daarentegen een plant recht de hoogte inschiet en een slanke vertakte stengel vormt, zoals bij de boterbloem, dan kan de lichtdoorstraalde lucht diep in de stengelblaadjes doordringen, deze klieven en in stukken scheuren en ze vormen geven die als bliksemstralen wegschieten. Aan de boterbloem kun je dit alles zien. Maar de bladeren zijn aan de boterbloem ook het voornaamste. Je kunt je ook wel indenken dat de zon er weinig moeite mee heeft zo’n lenteplant te veranderen. De boterbloem heeft er immers zelf ook veel plezier in. Hij vindt het leuk steeds nieuwe bladvormen te ontwikkelen. Dat zie je ook duidelijk aan de vele familieleden van de boterbloem die hun veranderkunst zelfs op de bloemen uitleven. De boterbloem heeft nog een regelmatiger bloem met een vijfdelige kroon en net zo’n kelk; bij andere boterbloemsoorten echter, zoals bv. de ridderspoor en de monnikskap, weet je op den duur niet meer wat nu eigenlijk de kelk en wat nu de kroon is, zo zeer is alles veranderd. Het zijn kloeke veranderingskunstenaars, deze planten.

Goudgele boterbloem. Hij is de eerste boterbloem die in de lente bloeit. De onderste bladeren zien er heel anders uit dan die aan de stengels zitten.

Sommige hebben weer bloemen die er bijna zo uitzien als diertjes met staarten, zoals kikkervisjes of zoiets, die zich alleen niet kunnen bewegen, omdat ze aan een bloemsteel vastzitten. Dat is zo bij bv. de ridderspoor en bij veel akelei-achtigen. Ook de akelei is een boterbloemachtige. Je kunt al snel zien dat ze familie zijn aan de drie blaadjes van de bloemstengeltjes. Ze hebben niet eens een steel. Alleen de niet-bloeiende plantjes hebben bladstelen. Dan hoef je er ook niet meer verbaasd over te staan dat de bloem van de bosanemoon niet eens een groene kelk heeft, want de groene stengelblaadjes hebben die al voor zichzelf genomen. Wanneer je goed kijkt kun je veel begrijpen.

Twee blaadjes van de dotterbloem. Zij zien eruit als grote lappen, want de plant wortelt in een moerasachtige bodem. Zo worden de bladeren dik en vormloos.

Anemonen

Sag, woher kommen
die schönen, die frommen,
die tausend und aber Millionen
weissgekleidter Anemonen.

‘Wir sind die Kindlein, die abgeschieden
so frühe hienieden;
nun wohnen wir oben
im Vaterhause da droben.”

Was tut ihr nun hier
im Waldesrevier,
ihr lieblichen Kleinen,
beim Frühlingserscheinen?

‘Drum dürfen wir fort,
jedes an seinen Heimatort;
auf  Ostern, da wird Vakanz gegeben,
drei Wochen lang welch ein Freudenleben!’

‘Und drum sind wir hier
im Waldesrevier
alle weissgekleidet. M:agdlein wie Söhnlein
mit goldenen Krönlein.’

von den schwäbischen Bauerndichter CHRISTIAN WAGNER

blad van monnikskap                                               blad van ridderspoor

Al mogen de boterbloemen dan nog zulke grote bladkunstenaars zijn en al mogen ze zelfs hun bloemen als tovenaars veranderen, zo gauw ze uitgebloeid zijn, is het met ze gedaan. Ook al zouden de weiden niet gemaaid worden, ze moeten afsterven, want ze hebben al hun kracht gegeven aan het vormen van blad; voor echte vruchten blijft niets meer over. Wanneer de bloem uitgevallen is, kan de scherpe boterbloem alleen maar een klein stekelbolletje aan zijn bloemstelen omhoog houden. Dat zijn de zaadbestanddelen van de boterbloem die uit de vele vruchtbeginsels van de bloemen zijn ontstaan.

Terug naar de inhoud

Plantkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klas: plantkunde

 

41-39

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de plantkunde (35)

.

Gerbert Grohmann

‘leesboek voor de plantkunde’

blz.122, hoofdstuk 35                                                                            alle hoofdstukken

.

OVER DE VIOOLTJES
De viooltjes behoren ook tot de plantjes waarvan we het meest houden, hoewel ze zo klein zijn. Dat komt vast en zeker, omdat ze tot de eerste lentebloemen horen  die, na een jaargetijde zonder bloemen, de nog winterse grauwe velden sieren. Ze bloeien al in maart!

Maar de viooltjes hebben nog andere eigenschappen om van te houden. De bloemen zijn, ondanks dat ze zo klein zijn, zo krachtig van kleur, dat er zelfs een kleur naar genoemd is: vioolblauw: het violet en de geur is sterk en diep doordringend. Hoe blij worden we er niet van,wanneer we de eerste blauwpaarse kleurvlekjes buiten ontdekken! Wanneer we de viooltjes vinden, dan weten we het zeker: nu kan het lente worden.

Voordat de bloemen verschijnen, vind je de kleine, rondachtige blaadjes beneden op de grond, eerst nog als een toetertje opgerold. Dan breekt de dag aan, waarop het eerste viooltje uit de groene blaadjes naar buiten kijkt. En dat alles komt door de levenwekkende voorjaarszon.

De aarde ligt, al lang vóór er viooltjes zijn, voor zich heen te dromen. Ze verlangt naar de voorjaarshemel. Wanneer wij dromen, blijven onze dromen in ons innerlijk. Ze kunnen ons gelukkig maken, maar ook bang, al naar gelang ze zijn. Wanneer de aarde echter droomt, komen er bloemen te voorschijn. Iedere lentebloem is een andere droom van de aarde. Eerst zitten de dromen nog in de aarde, maar daarna komen ze aan de oppervlakte; en je ziet ook waarvan de aarde droomt. Ze droomt van de blauwe voorjaarshemel; van het leven in de lentezon en van de lentegeuren.

Precies dat heeft de dichter Eduard Mörike beschreven:

Früling lässt sein blaues Band
wieder flattern durch die Lüfte.
Süsse, wohlbekannte Düfte
streifen ahnungsvoll das Land.
Veilchen träumen schon,
wollen balde kommen. –
horch! von fern ein leiser Harfenton!
Dich hab ik vernommen!

Opdat er bloemen uit die verlangende dromen van de aarde kunnen komen, moet de zon meehelpen. Zij vormt daarom de groene blaadjes. Echt diep kan de zon in het voorjaar nog niet in de aarde doordringen, want ze komt in dit jaargetijde nog niet hoog aan de hemel. Maar het is wel genoeg voor die kleine ronde blaadjes en voor die dwergachtige bloempjes. Maar die dragen het wel in zich! Kleur en geur lijken op één punt samengekomen.
Heel dicht worden de viooltjes bij de aarde gehouden. Weer heel anders dan bv. bij de sneeuwklokjes, lenteklokjes of de sterhyacint die er ook blauw uitziet, want de viooltjes hebben geen bol; ze hebben alleen maar korte, ondergrondse wortelstokken. Daarom bloeien ze ook niet zo trots en prachtig als een tulp. Aan hun veernervige blaadjes zie je, dat ze niet met de tulp, maar met de roos verwant zijn. De kleine violen hebben een echte groene kelk en vijf kleurige bloemblaadjes. Een daarvan is naar achter omgestulpt en veranderd in een blad dat nectar kan bevatten. Ook de geur van het viooltje is verwant aan die van de roos. Daarom zijn ze ons zo vertrouwd.

De botanici noemen het viooltje viola, dat betekent zo veel als viool, omdat het viooltje iets te maken heeft met het luisteren en het klinken; met de viooltoon en de harpklank in het voorjaar. Dat komt eigenlijk omdat de viooltjes de kleine oren van de aarde zijn, waarmee zij dromend luistert naar wat er in de voorjaarshemel gebeurt,

Wat ze daar luisterend hoort, zie je dan de komende zomer wanneer ze een grote hoeveelheid bloemen het licht doet zien. Met iedere soort geeft ze een nieuw geheim prijs – maar alleen aan diegene die wijs genoeg is, om het te begrijpen.

Als de viooltjes uitgebloeid zijn, groeien ze nog een poosje verder, net als andere planten. Ze vormen zaden en krijgen uitlopers. Zulke vruchten als de roos kunnen ze niet vormen; daarvoor hebben ze de tijd niet. Het zusje van het viooltje is het driekleurige viooltje. Die is wel wat groter en heeft langere stengels. De kracht die bij het viooltje in het blad zit en de groene blaadjes vormt, komt bij het driekleurig viooltje tot in de bloem! Daarom zijn de driekleurige viooltjes niet alleen oortjes, maar hele gezichtjes, met een heel mooi velletje. Aan het akkerviooltje kan je de verwantschap met het viooltje ook nog zien, maar de mens heeft daaruit het tuinviooltje gekweekt met die wonderlijk fluweelachtige, bontgekleurde bloemblaadjes.

Terug naar de inhoud

Plantkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klas: plantkunde

 

40-38

 

 

 

 

 

 

 

 

.